3l Zwolle, parapluplan bouw- en cultuurhistorie 2 bijlage bij toelichting
Tekst van het document
Enkele oude leilinden in het park De Hogenkamp zijn de stille getuigen van een verdwenen boerenerf.
Cultuurhistorische analyse Diezerpoort, Zwolle II september 2010 II blad 31
3.4 Na de middeleeuwen de
Ontwikkelingen in de 17 eeuw de In het begin van de 17 eeuw vindt een grote ruimtelijke ingreep plaats in de Diezerpoort. De nieuwe situatie is goed te zien op de 17 eeuwse stadsplattegronden van Zwolle, o.a. de hiernaast afgebeelde. De kaart geeft de de toestand omstreeks het midden van de 17 eeuw weer (1649). de Inmiddels waren in de vroege 17 eeuw nieuwe vestingwerken rond de oude stad aangelegd, bestaande uit een uitgebreid stelsel van grachten en aarden wallen in het bekende stervormige patroon. Ten noorden van de oude stad de ontstond het binnen de 17 -eeuwse vestingwerken opgenomen Noorder Eiland. De op de middeleeuwse grachten aansluitende percelen rond de stad werden bij de aanleg van de nieuwe vestingwerken sterk gewijzigd. Dit geldt ook voor de noordwestflank van het Diezerpoort- en Bagijneweidegebied, waar een fors bastion met vestinggracht werd aangelegd. Een deel van de bebouwing van de voorstad Dieze, met de daar liggende kapel, werd gesloopt voor de aanleg van de stadsgracht en om in de onmiddellijke nabijheid van de vesting een vrij schootsveld te verkrijgen. In hoeverre de gehele “Nieuwstad” is ontruimd is niet duidelijk.
De kaart van Blaeu uit 1649, waarop het onderzoeksgebied (op de kaart links boven) voor een deel zichtbaar is, toont een volledig onbebouwd gebied, maar op andere de 17 -eeuwse kaarten is toch enige bebouwing te zien aan de ingang van de straat richting Langenholte. De Bagijneweide lijkt grotendeels onbebouwd, de hoewel hier in de 17 eeuw waarschijnlijk al enkele leerlooierijen stonden met de bijbehorende schoen- of looikuipen. Dit waren met water gevulde kuilen, waarin onthaarde huiden van ossen en koeien met behulp van gemalen eikenschors werden geconserveerd. De aanwezigheid van schoon water – en dat was er in overvloed in dit gebied! - was voor dit ambacht beslist de noodzakelijk. De leerindustrie speelde tot in de 19 eeuw een grote rol. De op de kaart van Blaeu zichtbare brug ter hoogte van het huidige Almelose kanaal werd gerealiseerd tussen 1560 en 1649 en verwijst via de huidige naam, Schoenkuipenbrug, naar genoemde bedrijvigheid. Overigens heette de deze brug in de vroege 19 eeuw nog de Schoekhoeksbrug (kadastrale kaart 1822), mogelijk een verbastering die samenhangt met de schoenkuipen (?). Afb. 104 Detail kaart Novum ac magnum Theatrum urbium Belgicae Foederatae: kaart nummer 97 tussen pag.181-182: Swolla. Situatie 1649. In de cirkel ligt het gebied van de Bagijneweide. De pijltjes wijzen naar het begin van de tegenwoordige Thomas à Kempisstraat en het Diezerplein.
Cultuurhistorische analyse Diezerpoort, Zwolle II september 2010 II blad 32
de
De 18 eeuw de de In de 18 eeuw zijn de 17 -eeuwse vestingwerken nog in volle glorie aanwezig. De bebouwing van de Diezer Voorstad heeft weer aansluiting gezocht bij de omgrachting; de militaire noodzaak voor een vrij schootsveld was blijkbaar niet meer zo dringend. Door de intensieve bebouwing kreeg het voorstadsgebied een stedelijk aanzien. Aan de zuidzijde van de stad zijn zelfs delen van de vestingwerken, met name de hoornwerken bebouwd geraakt. In 1790 werd de vestingstatus van Zwolle opgeheven. Tevoren waren al delen van de buitenwerken van de vestinggordel herschapen in wandelingen of opgenomen binnen de stadsuitbreidingen. Binnen het onderzoeksgebied zijn de Nieuwe Wetering, de Nieuwe Vecht en de vestinggracht nog steeds de bepalende elementen. Inmiddels is wel in het verlengde van de Diezerkade het tracé van de huidige Rhijnvis Feithlaan aangelegd (voor 1882 “Platte Allee” genoemd). Deze structuur, aanvankelijk als lijnbaan (ten behoeve van een touwslagerij) in gebruik, is beplant met een dubbele rij bomen.
daarin gelegen “verlaet”. De benaming van de terreinen en de wegen verwijst naar de gesteldheid van het terrein: de wegen zijn aangeduid als “hooge straten en wegen”, het perceel langs de Nieuwe Vecht vermeldt “lage weijden achter de huijsen”, dit is de Bagijneweide. Binnen de nieuwe omwalling liggen de “hooge bouwelanden” en de “Hooge hoven off tuynen en huysen”, daarbuiten de “lage weylanden”. de
Aan weerszijden van de Nieuwe Vecht zijn in de 18 eeuw lanen met een dubbele bomenrij gerealiseerd. Ook het Koewegje is aan de westzijde beplant met bomen, maar bebouwing ontbrak in eerste instantie nog, evenals langs de het Blekerswegje. Ook hier zou in de loop van de 18 eeuw bebouwing verrijzen. De Brink was in die tijd een ruim, met bomen beplant terrein. Tussen Koewegje en Nieuwe Vecht strekte zich een volledig onbebouwd terrein uit, dat in vier grote percelen werd verdeeld door een stelsel van elkaar kruisende sloten, die aansloten op parallel aan Lijnbaan, Nieuwe Vechtkade en Weteringkade verlopende sloten. Deze percelen waren waarschijnlijk in gebruik als weiden of bleekvelden van de blekerijen die zich hier vestigden. Naast de leerlooierijen vestigden zich ook andere bedrijfjes in het gebied. Zij profiteerden van de gunstige ligging langs het water en de nabijheid van de Zwolse binnenstad. Op de Diezerenk kwamen meer boerderijen.
de
Afb. 105 Vermoedelijk eind 17 eeuw heeft men nog gewerkt aan een plan om de voorstad in Dieze te omwallen en zo onderdeel van de vesting Zwolle te maken. De plantekening geeft een aardig beeld van het stratenplan van de voorstad, zo omstreeks 1700, de ligging van drie molens (die blijkbaar in de nieuwe omwalling moesten worden opgenomen), de Nieuwe Vecht en het
afb. 106 Detail van de Hottingerkaart (circa 1785-1787), met links boven een deel van Dieze (uit: De Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland, 17731794, Groningen 2003.
Cultuurhistorische analyse Diezerpoort, Zwolle II september 2010 II blad 33
De zaaddragershuisjes, erfenis van de olienijverheid De zogeheten zaaddragershuisjes aan de Binnengasthuisstraat 54-55 maken deel uit van het complex van het Binnengasthuis dat hier in 1923-1924 aan de oevers van de Nieuwe Vecht (Vondelkade) is gerealiseerd. Qua oorsprong de dateren ze uit de 18 eeuw en verwijzen ze nog naar de prestedelijke periode van dit gebied. Langs de rivier waren diverse oliemolens gesitueerd, waarvan molen de Passiebloem een goed bewaard gebleven restant vormt. De in bedoelde huisjes woonachtige zaaddragers werkten voor de eigenaars van de oliemolens. Nadat het voor de productie van natuurlijke (lijn)oliën bestemd zaad met kleine scheepjes in zakken was aangevoerd, werd het door de zaaddragers gelost en op de plek van bestemming gebracht. De zaaddragershuisjes raakten na de oorlog sterk in verval, maar zijn in 1964 gerestaureerd waardoor ze nog altijd een markante positie innemen. Behalve deze huisjes en De Passiebloem verwijst ook de even verderop aan de Wipstrikkerallee 2-4 gelegen fabrikantenvilla van Reinders nog naar de vroegere oliefabricage in dit gebied.
de
De 18 -eeuwse zaaddragershuisjes aan de Binnengasthuisstraat.
Cultuurhistorische analyse Diezerpoort, Zwolle II september 2010 II blad 34
de
Eerste helft 19 eeuw Via de nauwkeurige kadastrale kaarten van 1822, 1832 en de topografischeen militaire kaart uit de periode 1858-1861 kan de verdere ontwikkeling van de het onderzoeksgebied tot omstreeks het midden van de 19 eeuw worden gevolgd. Veel is er dan nog niet veranderd, behalve dan dat er een verdere verdichting van de bebouwing in het Nieuwstadsgebied is te zien. De Lijnbaan is in deze periode nog een nauwelijks bebouwde structuur, die in het oosten eindigt bij de laan langs de Nieuwe Vecht. Langs Lijnbaan en Nieuwe Vecht bevinden zich bomenrijen. De Schoenkuipenbrug is ook nu weer de schakel tussen het Weezenland en de Bagijneweide, waar naast het Koewegje en het Blekerswegje nu ook het nog onbebouwde tracé van de Bagijnesingel zichtbaar is. Op de Diezerenk werden een Algemene en een Rooms katholieke begraafplaats aangelegd.
Afb. 108 Detail van de stadsplattegrond van Zwolle uit 1846. Opvallende veranderingen zijn de aanleg van de beide begraafplaatsen en die van de Lijnbaan. De Bagijneweide is nog grotendeels onbebouwd, maar de met bomen beplante Bagijnesingel is al wel aangelegd. Ook langs de Lijnbaan en de Nieuwe Vecht staan bomen (zie pijlen).
Afb. 107 Dieze rond 1830, naar de kadastrale kaart uit die periode. Bron: Watwaswaar.nl.
Cultuurhistorische analyse Diezerpoort, Zwolle II september 2010 II blad 35
Begraven in Diezerpoort De wijk Diezerpoort kent twee monumentale begraafplaatsen: de Algemene Begraafplaats en de rooms-katholieke begraafplaats. Ze zijn gelegen tussen de Meppelerstraatweg en de Bisschop Willebrandlaan en worden van elkaar gescheiden door een schilderachtig laantje met oude kerkhofmuren en hoog geboomte (Molenkampsweg). Het zijn relatief jonge begraafplaatsen. In 1841 werd de rooms-katholieke begraafplaats in gebruik genomen; de Algemene Begraafplaats dateert uit 1823-1824. Eeuwenlang was te Zwolle begraven in en rondom de Grote of St.-Michaëlskerk. Verder bestond de begraafplaats van het vroegere Bergklooster op de Agnietenberg. Zoals elders vormden de wetgeving in de Franse tijd (1804) en de tijd van het vroege Koninkrijk der Nederlanden het sein voor het begraven buiten de bebouwde kom. Vandaar de aanleg van de Algemene Begraafplaats. Bij de buiten de stad gelegen Beltmolen kocht de gemeente in 1823 enkele akkers waar een vrij eenvoudige buitenbegraafplaats is aangelegd, eertijds het Nieuwe Kerkhof geheten. Een van de eersten die hier werd begraven was burgemeester en schrijver Rhijnvis Feith (1753-1824). Diverse andere bekende Zwollenaren vonden er hun laatste rustplaats. Bij de ingang is de karakteristieke toegangspoort met dienstwoning en wachtruimte te zien, daterende uit de periode rond 1900.
De begraafplaats bleef in gebruik tot 1933 toen De Kranenburg in gebruik is genomen. Voor de rooms-katholieke begraafplaats uit 1841 werd de grond aangekocht door F.W.J.A. baron Van Lamsweerde. In tegenstelling tot de romantisch-landschappelijke aanleg van de Algemene Begraafplaats is hier uitgegaan van een orthogonale opzet, met een hoofdpad dat naar de rijzige kerkhofkapel leidt. De eerdere kapel die hier stond is in 1883 vervangen door het huidige neogotische bouwwerk dat al op grote afstand is te zien. Paulina M.M. Vos de Wael schonk het gebouw. Uit dezelfde tijd dateert het baarhuisje met zijn karakteristieke trapgevels. Verder vallen de neogotische toegangspoort en het in de lengte-as hiervan gelegen Calvariekruis op. Het gietijzeren corpus van het kruis dateert uit 1853. Beide begraafplaatsen raakten in de loop van de tijd ingekapseld binnen de oprukkende verstedelijking. Langs genoemde Molenkampsweg is de authentieke sfeer evenwel nog goed te proeven.
De “Nieuwe” of Algemene Begraafplaats aan de Meppelerstraatweg, rond 1880. Het grote monument naast het gebouw is geplaatst ter ere van burgemeester en dichter Rhijnvis Feith (HCO, Zwolle).
De ingang van de Algemene Begraafplaats aan de Meppelerstraatweg.
Cultuurhistorische analyse Diezerpoort, Zwolle II september 2010 II blad 36
Molens Langs de Nieuwe Vecht stond in het verleden een groot aantal (olie)molens. Ze waren bestemd voor de bereiding van lijnolie, dat werd geslagen uit vlas. Het olievlas bevat lijnzaadhoudende zaden die geschikt zijn voor de olieproductie. Behalve het vanuit Twente aangevoerde vlas werd langs de Nieuwe Vecht gebruik gemaakt van vlas dat in Dieze zelf werd verbouwd. Een benaming als de Vlasakkers verwijst hier nog naar. Molen de Passiebloem (Vondelkade) vormt een restant van die oude bedrijvigheid. Dit schilderachtig aan het water gelegen bouwwerk verwijst nog naar de oude ambachtelijke de werkwijzen, terwijl bij dergelijke molens vooral in de loop van de 19 en ste vroege 20 eeuw steeds meer de machinale oliemolens ofwel oliefabrieken ontstonden. De olieproductie concentreerde zich te Zwolle in het bijzonder aan de Nieuwe Vecht, de Wipstrikkerallee en in Zwollerkerspel. Langs de Nieuwe Vecht stonden maar liefst vijf oliemolens. Behalve de Passiebloem waren dit de Roode Molen, de Aloë, de Fortuijn en de Hoop. In het kielzog van de molenbedrijvigheid woonden in de Diezervoorstad van oudsher ook molenbouwers. Zo is het bekend dat er rond 1830 aan de Diezerkade en op de hoek van de tegenwoordige Thomas a Kempisstraat enkele de molenbouwers woonden. In de tweede helft van de 19 eeuw nam de vraag naar ambachtelijke molenbouwers door de komst van electro- en benzinemotoren af.
Nog in 1925 stond aan de Thomas a Kempisstraat een hoge op een belt de gebouwde stellingmolen, op de plek waar al in de 17 eeuw een standerdmolen had gestaan. Voor de sloop in 1934 was de molenstomp in gebruik als een autowerkplaats. De vroegere graanmolen had jarenlang bekend gestaan als de ‘Möllen van Marsman’, naar de grootvader van de bekende dichter Hendrik Marsman (1899-1940). De in 1861 opgerichte windkorenmolen De Vlijt, die aan de Vlasakkers stond, is rond 1955 gesloopt.
Drie molens tussen de Nieuwe Vecht en de Middelweg, op de stadsplattegrond van 1846.
Molen de Vlijt aan de Vlasakkers, die halverwege de jaren ’50 is afgebroken (foto circa 1933-1935, collectie HCO, Zwolle). Rechts de onderbouw van de beltmolen van Marsman, die in 1934 verdween (foto collective HCO). Cultuurhistorische analyse Diezerpoort, Zwolle II september 2010 II blad 37
de
Tweede helft 19 eeuw de In de tweede helft van de 19 eeuw ontwikkelde Zwolle zich in rap tempo tot een belangrijke provinciestad met een druk spoorknooppunt, nieuwe bedrijvigheid en een sterk groeiend bevolkingsaantal. Rondom de binnenstad werd druk gebouwd aan nieuwe woonbuurten en werden allerlei voorzieningen gerealiseerd, zoals grote scholen, ziekenhuizen, en stationsgebouwen. Ook in Diezerpoort zijn deze ontwikkelingen te zien, het meest zichtbaar in de eerste instantie in de Bagijneweide. Hier verrees in de jaren ’60 van de 19 eeuw de Koninklijke H.B.S. In 1865-1866 vond de bouw plaats naar een ontwerp van de architect B. Reinders. Een jaar later kon het gebouw in gebruik worden genomen. Het in eclectische stijl uitgevoerde gebouw zou in ste de vroege 20 eeuw enige uitbreidingen ondergaan. Twee jaar later verscheen rechts van de school een conciërgewoning. In 1885 werd rechts van de H.B.S. een tweede school gebouwd, later bekend als de Jac. P. Thijsseschool. Westelijk van de HBS is in 1883 het Sophiaziekenhuis gebouwd. Al in 1823 werd gepleit voor de stichting van een dergelijk ziekenhuis, maar pas zestig jaar later lukte het een gemeentelijke ziekenhuis op te richten, dit ter vervanging van onder andere het ziekenhuisje van het Gemengd Armbestuur.
Afb. 109 Detail van de plattegrond van Zwolle uit 1895 (collectie HCO, Zwolle).
Cultuurhistorische analyse Diezerpoort, Zwolle II september 2010 II blad 38
Genezen langs de Nieuwe Vecht In 1884 kwam langs de Rhijnvis Feithlaan een voor zijn tijd modern ziekenhuis te staan, vernoemd naar koningin Sophie. Het door stadsarchitect J.L. van Essen ontworpen ziekenhuis werd gebouwd op de Bagijneweide. Op dat moment kende Zwolle behalve het Sophiaziekenhuis ook een roomskatholiek ziekenhuis (Weezenlanden), een zogeheten passantenhuis voor besmettelijke ziekten en het ziekenhuis van de hervormde armenstichting. In de loop van de tijd groeide het hospitaal aan de Rhijnvis Feithlaan uit tot een omvangrijk complex, ingesloten tussen de Bagijnesingel en de Nieuwe Vecht. Zo bouwde architect L. Krook in 1915 een nieuwe vleugel. Het meest tot de verbeelding sprekende onderdeel van het complex is evenwel de langs de Rhijnvis Feithlaan gelegen vleugel uit de jaren 1930, naar ontwerp van J.G. Wiebenga (1886-1974) die in 1931-1934 gemeentearchitect van Zwolle was. Deze in samenwerking met architect J. van der Linden gerealiseerde vleugel wordt gekenmerkt door een modern-functionalistische opzet, sterk contrasterende met de historiserende vormentaal van de achter de vleugel schuilgaande bouwdelen langs de Nieuwe Vecht. Na de oorlog zouden nog diverse andere bouwdelen worden gerealiseerd, waaronder een zusterhuis en een paviljoen voor de chirurgische afdeling.
Door de veranderende eisen voor een moderne zorginstelling werd in de vroege jaren 1970 aan de Dokter van Heesweg een nieuw ziekenhuiscomplex gerealiseerd. Het oude ‘Sophia’ ofwel ‘Sophietje’ aan de Rhijnvis Feithlaan kwam toen grotendeels leeg te staan en kreeg uiteindelijk de bestemming van een zogeheten ‘kunstenlab’ voor culturele activiteiten in de vorm van kunstenaarsateliers. Een deel van het gebouw – aan de Stilobadstraat – heeft evenwel nog steeds een medische functie. Hier zijn een pathologische afdeling en een laboratorium voor medische microbiologie en infectieziekten te vinden, als een onderdeel van de Isala-klinieken waarvan het tegenwoordige Sophia deel uitmaakt.
De Bagijneweide met Sophianziekenhuis omstreeeks 1975
De oudbouw van het Sophiaziekenhuis, ansichtkaart collectie HCO.
Cultuurhistorische analyse Diezerpoort, Zwolle II september 2010 II blad 39