3. Was – wordt tabel Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Zwolle
Tekst van het document
Was Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAZ en IOAW gemeente Zwolle 2015 Artikel 1. Begrippen In deze verordening wordt verstaan onder: a. benadelingsbedrag: nettouitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; b. bijstandsnorm: 1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of 2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; c. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers d. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; e. uitkering: algemene bijstand op grond van de
Wordt Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Zwolle 2025 Artikel 1. Begrippen 1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht. 2. In deze verordening wordt verstaan onder: a. Awb: Algemene wet bestuursrecht; b. benadelingsbedrag: nettouitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan als gevolg van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; c. bijstandsnorm: • de op grond van paragraaf 3.2 van de Participatiewet op belanghebbende van toepassing zijnde norm, verminderd met de op grond van paragraaf 3.3 van de wet door het college vastgestelde verlaging; of • de op belanghebbende van toepassing zijnde grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
Reden: Technisch, tekstueel of beleidskeuze Technisch: actualiseren, begrippen harmoniseren met andere verordeningen/ beleidsregels
Participatiewet of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; f. recidive: belanghebbende maakt zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een verlaging op grond van de afstemmingsverordening of artikel 18 participatiewet is opgelegd, of hiervan wordt afgezien op grond van een dringende reden opnieuw schuldig aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie; g. tweede recidive: belanghebbende maakt zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een verlaging op grond van de afstemmingsverordening of artikel 18 participatiewet is opgelegd, of hiervan wordt afgezien op grond van een dringende reden voor de derde keer schuldig aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie als de 1 verwijtbare gedraging; h. wet: participatiewet (Pw) Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een verlaging 1. Als de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt dan wel
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; d. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; e. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; f. wet: Participatiewet; g. UWV: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een maatregel 1. In het besluit tot het opleggen van een maatregel zoals bedoeld in de artikelen 9a lid 12, 18 lid 2, 5 en 6 van de wet en de artikelen 20 en 38 lid 12
Tekstueel
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, wordt overeenkomstig deze verordening een verlaging opgelegd als bedoeld in artikel 18 Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet IOAZ. De gedraging betreft niet een schending van de inlichtingenplicht. 2. In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging; b. de duur van de verlaging; c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. 3. Bijzondere bijstand verleend met toepassing van artikel 35 Participatiewet kan worden verlaagd bij de bekendmaking van de verlening van de bijzondere bijstand. Artikel 3. Horen van belanghebbende 1. Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
IOAW of IOAZ wordt in ieder geval vermeld: a. de reden van de maatregel; b. de duur van de maatregel; c. de hoogte van de maatregel; en indien van toepassing d. de reden om af te wijken van de standaardhoogte van de maatregel.
Artikel 3. Horen van belanghebbende 1. Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
Beleidskeuze: Lid c. is verwijderd omdat we het belangrijk vinden dat er altijd een mogelijkheid tot horen wordt geboden.
2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, bijvoorbeeld niet verschijnen voor gebruik van of gesprek over een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling; of d. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. Artikel 4. Afzien van verlaging 1. Het college ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gedraging meer dan drie jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2. Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.
Artikel 4. Afzien van of verlagen van de maatregel 1. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2. Het college kan ingeval van dringende redenen besluiten de maatregel op een lager percentage, voor een kortere duur of op nul vaststellen.
Beleidskeuze: Drie jaar wordt als te lang en niet passend ervaren. Het is daarnaast niet uitvoerbaar omdat het niet vast te stellen is.
3. Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1. Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. 2. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen drie jaar opnieuw een uitkering ontvangt. Artikel 6. Berekeningsgrondslag 1. Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel
3. Het college stelt belanghebbende van de in lid 1 en 2 bedoelde besluiten op de hoogte, ingeval van lid 2 in de vorm van een beschikking. Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak van de maatregel 1. Een maatregel wordt zo spoedig mogelijk na bekendmaking van het besluit tot het opleggen van de maatregel toegepast. 2. Als het besluit tot opleggen van de maatregel zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel samenvalt met het besluit tot het toekennen van de bijstand, kan, in afwijking van lid 1 van dit artikel, de maatregel worden toegepast met ingang van de dag waarop het recht op bijstand ingaat. 3. Als de maatregel niet, of niet geheel, ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, dan wordt het recht op uitkering met ingang van de eerste van de maand waarin de gedraging heeft plaatsgevonden herzien en wordt de ten onrechte verstrekte uitkering teruggevorderd.
Tekstueel
Artikel 6. Berekeningsgrondslag 1. De hoogte van de maatregel bedraagt een percentage van de bijstandsnorm die geldt in de maand waarin de maatregel wordt toegepast. 2. In afwijking van lid 1 van dit artikel bedraagt de hoogte van de maatregel voor een uitwonende jongere van 18-21 jaar zolang diens algemene bijstandsnorm op grond van overgangsrecht nog wordt aangevuld met bijzondere
Tekstueel
12 van de Participatiewet, of b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’. 4. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’. Artikel 9. Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand. Artikel 10. Verrekenen verlaging 1. Het bedrag van de verlaging, bedoeld in vorige artikel, wordt toegepast over drie maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 2. Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, of recidive, vindt geen
bijstand voor levensonderhoud, een percentage van die bijstandsnorm, inclusief die aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud.
Artikel 7. Hoogte en duur van de maatregel bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 van wet de niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de hoogte van de maatregel 100 procent van de bijstandsnorm en de duur van de maatregel 1 maand.
Tekstueel: verbeterde tekst en veranderd van plek in de beleidsregel
Artikel 8. Verrekenen van de maatregel 1. De maatregel bedoeld in het vorige artikel wordt uitgesmeerd over drie maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 2. Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18 lid 4 onderdeel a van de wet, of recidive, vindt geen verrekening als bedoeld in lid 1 van dit artikel plaats.
Tekstueel: verbeterde tekst en veranderd van plek in de beleidsregel
verrekening als bedoeld in het eerste lid plaats. Artikel 7a. Gedragingen Participatiewet eerste categorie De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de uitkering met 5% voor de duur van 1 maand: a. het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. het niet desgevraagd terstond een (geldig) identiteitsbewijs ter inzage verstrekken (artikel 17, lid 4 Pw); Artikel 7b. Gedragingen Participatiewet tweede categorie De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de uitkering met 10 % voor de duur van 1 maand: a. het niet verlenen van medewerking aan het in naam van belanghebbende doen van noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand (artikel 57, aanhef en onder a Pw); b. het niet verlenen van medewerking aan betaling in natura van een deel van de uitkering (art 57, aanhef en onder b Pw); c. het niet voldoen aan de verplichting zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard (artikel 55 Pw). d. het niet of onvoldoende verrichten van een toegezegde maatschappelijke inspanning als bedoeld in
Artikel 9 Gedragingen in de wet Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid voorafgaande aan de bijstandsverlening niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17 lid 2, 44a, 55 en 57 van de wet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën. Eerste categorie: a. het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college gestelde termijn nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 17 lid 2 van de wet, voor zover dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen van uitkering; b. het niet voldoen aan de verplichting zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard als bedoeld in artikel 55 van de wet; c. het niet verlenen van medewerking aan betaling in natura van een deel van de uitkering als bedoeld in artikel 57, aanhef en onder b van de wet. Tweede categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van die registratie. Derde categorie: a. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen
Tekstueel: Artikel 9 vervangt de oude artikelen 7a t/m 7d Beleidskeuze: Het percentage van de maatregelen werd als te hoog en buiten proportioneel ervaren. Het past ook niet bij de ontwikkelingen in de pwet in balans, de menselijke maat en de koers sociaal domein. Daarnaast was de oude indeling voor consulenten en inwoners niet begrijpelijk. Deze wijziging is daarnaast meer in de lijn met andere gemeenten.
artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet; Artikel 7c. Gedragingen Participatiewet derde categorie De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de uitkering met 25% voor de duur van 1 maand: a. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; b. het niet of in onvoldoende mate nakomen van de verplichting tot gebruik van aangeboden voorzieningen voor re-integratie of sociale activering, het niet verschijnen op een oproep of afspraak, het niet binnen 2 dagen beschikbaar of bereikbaar zijn of het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling (artikel 9 lid 1, aanhef en onder b Pw). c. het zich onvoldoende inspannen gedurende de zoekperiode van 4 weken door jongeren tot 27 jaar zoals bijvoorbeeld niet solliciteren, niet inschrijven bij uitzendbureaus en niet zoeken naar vacatures. d. het niet (tijdig) voldoen aan verplichtingen in verband met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot vermindering of beëindiging van bijstand (artikel 55 Pw); Artikel 7d. Gedragingen Participatiewet vierde categorie De volgende gedragingen leiden tot een verlaging van de uitkering
als bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel c van de wet; b. het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 lid 1 van de wet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43 lid 4 en lid 5 van de wet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18 lid 4 van de wet; c. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, lid 1 onder b van de wet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a lid 1 van de wet. Vierde categorie: a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning, voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de wet; b. het niet of in onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren dan wel aan het evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a, van de wet als dit heeft geleid tot: i. het geen doorgang vinden van het reintegratietraject; of ii. een voortijdige beëindiging van het re-integratietraject. het zich zeer ernstig misdragen tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van
met 33 1/3% voor de duur van 3 maanden: a. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. b. het door eigen toedoen geen of onvoldoende gebruik maken van scholing; c. het door eigen toedoen niet of in onvoldoende mate ontvangen van een andere (sociale) uitkering als voorliggende voorziening; d. het zich zeer ernstig misdragen tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet; Artikel 8a. Gedragingen IOAW en IOAZ eerste categorie De volgende gedragingen leiden tot een maatregel waarbij de grondslag met 5% voor de duur van 1 maand wordt verlaagd: a. het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig verlengen van deze registratie; b. het zich niet laten inschrijven als werkzoekende bij ten minste drie uitzendbureaus of deze inschrijving niet tijdig verlengen; c. het niet desgevraagd terstond een geldig identiteitsbewijs ter inzage verstrekken. Artikel 8b. Gedragingen IOAW en IOAZ tweede categorie
de wet als bedoeld in artikel 9 lid 6 van de wet.
Artikel 10. Gedragingen in de IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid voorafgaande aan de uitkering niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 13, 37 en 38 van de IOAW of de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën. Eerste categorie: het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college gestelde termijn nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 13 van de IOAW of IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen van een uitkering.
Tekstueel: Artikel 10 vervangt de oude artikelen 8a t/m 8d Beleid: Het percentage van de maatregelen werd als te hoog en buiten proportioneel ervaren. Deze wijziging is daarnaast meer in de lijn met andere gemeenten.
De volgende gedragingen leiden tot een maatregel waarbij de grondslag met 10% voor de duur van 1 maand wordt verlaagd: a. het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan met betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; b. het niet of in onvoldoende mate nakomen van de verplichting tot gebruik van aangeboden voorzieningen voor re-integratie of sociale activering, bijvoorbeeld door het niet ondertekenen van een trajectplan, het niet verschijnen op oproep of afspraak, het niet binnen 2 dagen beschikbaar of bereikbaar zijn; c. het niet verlenen van de gevraagde medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de IOAW of IOAZ. d. het niet of onvoldoende verrichten van een toegezegde maatschappelijke inspanning als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet IOAZ; Artikel 8c. Gedragingen IOAW en IOAZ derde categorie De volgende gedragingen leiden tot een maatregel waarbij de grondslag met 25% voor de duur van 1 maand wordt verlaagd: a. het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of
Tweede categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de registratie. Derde categorie: a. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden van arbeidsinschakeling; b. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36 lid 1 en 37 lid 1 onderdeel e van de IOAW of de artikelen 36 lid 1 en 37 lid 1 onderdeel e van de IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; c. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37 lid 1 onderdeel e, van de IOAW of artikel 37 lid 1 onderdeel e van de IOAZ wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38 lid 1 van de IOAW of artikel 38 lid 1 van de IOAZ; d. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37 lid 1 onderdeel f, van de IOAW of artikel 37 lid 1 onderdeel f, van de IOAZ. Vierde categorie: a. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;
werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling of bevorderen van de arbeidsbekwaamheid; b. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; c. het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen te verrichten; Artikel 8d. Gedragingen IOAW en IOAZ vierde categorie De volgende gedragingen leiden tot een maatregel waarbij de grondslag met 33 1/3% voor de duur van 3 maanden wordt verlaagd: a. het niet aantoonbaar naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; b. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet IOAW en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet
b. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; c. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; d. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36 lid 1 en 37 lid 1 onderdeel e van de IOAW en de artikelen 36 lid 1 en 37 lid 1 onderdeel e van de IOAZ voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; e. het zich zeer ernstig misdragen jegens tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW en IOAZ als bedoeld in artikel 37 lid 1 onderdeel g van de IOAW en IOAZ.
IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; c. het door eigen toedoen niet of in onvoldoende mate ontvangen van een andere (sociale) uitkering als voorliggende voorziening; d. het zich zeer ernstig misdragen tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW of IOAZ. Geen
Artikel 11. Hoogte en duur van de maatregel 1. Als belanghebbende zich verwijtbaar gedraagt als bedoeld in de artikelen 9 en 10 van deze verordening wordt, onverminderd artikel 2 van deze verordening, de hoogte en duur van de maatregel als volgt vastgesteld. Bij een eerste verwijtbare gedraging: a. vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie; d. honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie. Bij recidive: indien belanghebbende zich
Tekstueel: Nieuw artikel, samenvoeging van tekst uit artikel 7a t/m d, 8a t/m d en 11. Beleid: De hoogte van de maatregel is lager percentage bij eerste keer en wordt steeds hoger indien de gedraging vaker voorkomt. Deze keuze is oa gemaakt om schulden te voorkomen. Daarnaast is het in de lijn met de p-wet in balans.
binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie dan wordt: a. de hoogte van de maatregel bij gedragingen uit de eerste, tweede en derde categorie verdubbeld; b. de duur van de maatregel bij gedragingen uit de vierde categorie verdubbeld. Bij volharding: bij een derde en volgende verwijtbare gedraging van dezelfde categorie binnen twaalf maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging wordt de uitkering voor de duur van twaalf maanden verlaagd tegen het percentage dat bij recidive van toepassing is.
Artikel 11. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. 2. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 10% van de bijstandsnorm gedurende 12 maanden bij een
2. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 4 lid 2 van deze verordening. Artikel 12. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Als de verlening van algemene of bijzondere bijstand naar het oordeel van het college is te wijten aan tekortschietend verantwoordelijkheidsbesef en uitstel van bijstandsverlening niet verantwoord is, wordt de bijstand in beginsel verleend in de vorm van een geldlening. 2. Als de algemene bijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid op een eerder tijdstip wordt verleend dan nodig zou zijn geweest als belanghebbende wel voldoende
Beleid: Verlaging bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt als buiten proportioneel ervaren. De inwoner zit heel lang vast aan een verlaging op de uitkering. Bovendien is benadelingsbedrag ingewikkeld om vast te stellen door de consulent. Het is daarnaast niet meer in lijn met p-wet in balans,
benadelingsbedrag tot € 2.000, -; b. 15% van de bijstandsnorm gedurende 24 maanden bij een benadelingsbedrag van € 2.000, - tot € 10.000, -; c. 20% van de bijstandsnorm gedurende 36 maanden bij een benadelingsbedrag vanaf € 10.000, -; d. 100% van de bijzondere bijstand verleend op grond van artikel 35 van de Participatiewet. Artikel 12. Niet nakomen van overige verplichtingen in Participatiewet Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 10% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; b. 20% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; c. 30% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden onvoldoende nakomen van
verantwoordelijkheidsbesef had betoond, is de duur van de periode waarin de algemene bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt, gelijk aan de periode waarin belanghebbende nog van zijn geld had kunnen leven.
Artikel 13. Samenloop van gedragingen in de wet 1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18 lid 4 van de wet of artikel 18b van de wet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel wordt uitgegaan van de gedraging met de zwaarste maatregel. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18 lid 4 van de wet of artikel 18b van de wet genoemde verplichtingen wordt voor iedere gedraging afzonderlijk een maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van
koers sociaal domein waar we in Zwolle voor staan.
Tekstueel: Samenvoeging van artikel 12 en 13 Verlagingen zijn verwerkt in artikel 11
verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; d. 100% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. Artikel 13. Samenloop van gedragingen participatiewet 1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel
belanghebbende niet verantwoord is. 3. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18 lid 4 of artikel 18b van de wet genoemde verplichting als een in artikel 17 lid 1 van de wet genoemde verplichting, wordt voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd, geen maatregel opgelegd. 4. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18 lid 4 van de wet genoemde verplichting als een in artikel 17 lid 1 van de wet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging afzonderlijk een maatregel opgelegd en een boete opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van belanghebbende niet verantwoord is. 5. Als het college voor dezelfde gedraging of gedragingen een maatregel op grond van artikel 18 of 18b van de wet en een boete op grond van de Wet inburgering 2021 op kan leggen, dan kiest het college ervoor één of meer maatregelen op te leggen.
17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. Artikel 14. Recidive 1. In geval van recidive wordt het percentage van de verlaging van de uitkering verdubbeld. Indien al 100% verlaging is opgelegd wordt de periode verdubbeld. Bij een tweede recidive of nog meer recidives bepaalt het college naar eigen oordeel de duur en hoogte van de verlaging. 2. In afwijking van het eerste lid geldt een verlaging van de uitkering met 100% voor de duur van een maand bij een tweede recidive voor een weigering tot medewerking of voldoende medewerking aan een reintegratietraject.
Verwijderd
Tekstueel: Opgenomen in artikel 11
De recidivetermijn vangt aan op de verzenddatum van het besluit waarbij een verlaging wordt opgelegd of wordt afgezien van verlagingoplegging wegens dringende redenen. Artikel 15. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze tijdelijke weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.
Artikel 14. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW of IOAZ Als het college de uitkering op grond van artikel 20 lid 1 van de IOAW of artikel 20 lid 2 van de IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid ook op grond van deze verordening tot een maatregel zou kunnen leiden, blijft een maatregel ter zake van die gedraging achterwege
Tekstueel