CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

3.08 M.e.r.-beoordeling

Raad Besluitvormingsronde 6 mei 2025, gemeente ZwolleBij agendapunt: Bindend advies bouwplan Gildenhof blok 14.264 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

M.e.r.-beoordeling

Zwolle, Gildenhof blok 1

NOTITIE

Onderwerp: Auteur: Datum: Status:

1.

M.e.r.-beoordeling “Zwolle, Gildenhof blok 1” BJZ.nu Februari 2025 Definitief

INLEIDING

Voorliggende m.e.r-beoordeling heeft betrekking op het realiseren van een appartementengebouw met in totaal 86 appartementen op een braakliggend perceel tussen de Hanzelaan en IJsselallee. Het project maakt onderdeel uit van de gebiedsontwikkeling Hanze-Oost, wat een deelgebied is binnen de gebiedsontwikkeling Spoorzone. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, is een ruimtelijke procedure in de vorm van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit vereist. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een toets van de effecten van het plan op het milieu noodzakelijk. In dit document worden de milieueffecten van deze ontwikkeling beschouwd. Eerst wordt een nadere toelichting op de wetgeving omtrent de milieueffectrapportage gegeven. Milieueffectrapportage Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een plan op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). In afdeling 16.4 van de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt in de planmer(beoordeling) (paragraaf 16.4.1) en de plan-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.2). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •

In kolom 1 staan de planen opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een plan-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de plan-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het plan wordt verleend.

Bij een project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering, op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit). In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. 2.

de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: a. 1˚. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. 2˚. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.

Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

1

1.

2. 3.

het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; b. de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.

Voorliggende ontwikkeling is niet als mer-plichtig geval opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Wel geldt voor een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen een project mer-beoordelingsplicht bij de aanleg, wijziging of uitbreiding. In de beoogde situatie worden 86 woningen gerealiseerd, wat als een stedelijk ontwikkelingsproject is aan te merken. Een project-m.e.r.-beoordeling is noodzakelijk. Voorliggende m.e.r.-beoordeling voorziet hierin. Inhoud en doel van de m.e.r.-beoordeling Inhoudelijk gaat de m.e.r.-beoordeling in op de mogelijke aanzienlijke milieueffecten als gevolg van het initiatief. Deze aanzienlijke milieueffecten worden beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria opgesomd in Bijlage III van de EEG-richtlijn Milieueffectbeoordeling, die drie hoofdthema’s noemt: • • •

De kenmerken van het plan; De plaats van het plan (ligging en samenhang met andere activiteiten (cumulatie)); De kenmerken van de potentiele nadelige effecten voor het milieu die het plan kan hebben.

Het doel van de notitie is om op objectieve wijze informatie over mogelijke, relevante milieugevolgen van het plan te verzamelen en te presenteren. Betrokken partijen Bij het project zijn diverse partijen betrokken. Voor het verlenen van de vergunning is het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag, waarbij de gemeenteraad bindend adviesrecht heeft. Daarnaast worden de provincie Overijssel, het waterschap Drents Overijsselse Delta en eventueel andere vooroverlegpartners gedurende het proces bij het plan betrokken en de vergunningaanvraag in het kader van vooroverleg naar deze partijen worden toegezonden. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het voorgenomen project beschreven. Daarbij komen aanleiding, achtergronden en uitgangspunten aan bod. Hoofdstuk 3 gaat in op de mogelijke milieueffecten van het project. In hoofdstuk 4 wordt bij wijze van samenvatting de beoordeling gedaan van de omstandigheden van het voorgenomen project. Hierin wordt tevens de conclusie van de m.e.r.-beoordeling beschreven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

2

2.

KENMERKEN VAN HET VOORGENOMEN PLAN

Dit hoofdstuk gaat in op de voorgenomen ontwikkeling, de planlocatie en eventuele (samenhangende) ontwikkelingen in de omgeving waarmee rekening dient te worden gehouden. Voorgenomen ontwikkeling Voorliggend plan heeft betrekking op het realiseren van een appartementengebouw met in totaal 86 sociale huurappartementen. Het appartementengebouw wordt in het midden 11 verdiepingen hoog. Aan de zijkanten is het gebouw 5 en 9 bouwlagen hoog. Locatiekenmerken Het plangebied ligt ten zuiden van de binnenstad van Zwolle en het station. In onderstaande afbeelding (links) is met een rode ster de ligging van het plangebied weergegeven ten opzichte van de omgeving. In de rechterafbeelding is het plangebied rood omlijnd.

Afbeelding 1.1

Ligging plangebied (Bron: PDOK)

Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen De ontwikkeling van de voorziene activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Tijdens het bouw- en woonrijp maken van de gronden is grondverzet nodig. Tijdens de gebruiksfase zal elektriciteit en water nodig zijn. De nieuwe appartementen worden niet op het gasnet aangesloten. Hierdoor zijn de appartementen geen NOx of NH3 emitterende bronnen, conform de Wet Voortgang Energietransitie. De woningen zullen in de gebruiksfase leiden tot afvalstoffen ((huis)vuil e.d.). Deze afvalstoffen zullen op de daarvoor van toepassing zijnde regelementen worden afgevoerd. Verontreiniging en hinder Tijdens de aanlegfase zal sprake zijn van tijdelijke verkeers- en geluidhinder van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden op locatie. Het gaat dan om geluid en stof vanuit de bouwplaats en bouwverkeer van en naar het projectgebied. Het is niet nodig het verkeer om te leiden. In de gebruiksfase zullen ten gevolge van de activiteiten geen aanzienlijke milieueffecten plaatsvinden, zie ook het volgende hoofdstuk van deze aanmeldnotitie Risico op ongevallen, specifiek met gevaarlijke stoffen of technologieën De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor een toename van risico’s voor de omgeving. Er worden geen gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd.

Natuur, stikstof en soortenbescherming Wat betreft de specifieke informatie ten aanzien van natuur, stikstof en soortenbescherming wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van deze aanmeldnotitie. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

3

3.

BESCHRIJVING VAN DE MILIEUEFFECTEN

Voor de m.e.r.-beoordeling zijn de mogelijk negatieve milieueffecten van het voorgenomen plan relevant. Relevante milieuaspecten zijn verkeer, geluid, luchtkwaliteit, water, ecologie, waaronder ook specifiek de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. In dit hoofdstuk worden de te verwachten (tijdelijke) effecten per aspect beschreven. Verder wordt ingegaan op tijdelijke hinder als gevolg van de ontwikkeling. Voor een aantal van deze aspecten zijn onderzoeken uitgevoerd. De conclusies van deze onderzoeken zijn samengevat in onderstaande alinea’s. Verkeer Het te realiseren voornemen brengt een bepaald aantal verkeersbewegingen met zich mee. Het aantal verkeersbewegingen heeft invloed op de AERIUS-berekening en dient in ogenschouw worden genomen. Om het aantal verkeersbewegingen te bepalen is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024, publicatie 744 (augustus 2024)’ van het CROW. De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd: • • •

Verstedelijkingsgraad: sterk stedelijk1 Stedelijke zone: rest bebouwde kom Functie: huur, appartement, sociale huur, < 75 m2 bvo

In de CROW publicatie is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet met een minimum en een maximaal aantal verkeersbewegingen. In voorliggend geval is uitgegaan van het gemiddelde. Op basis van de bovenstaande uitgangspunten ontstaat aangaande de verkeersgeneratie als gevolg van het project het volgende beeld: Functie

Huur, appartement, sociale huur, < 75 m2 bvo Totaal

Verkeersbewegingen per woning per weekdag (gemiddeld) 2,6

Aantal woningen

86

Totaal aantal verkeersbewegingen per weekdag (gemiddeld) 223,6

224

De totale verkeersgeneratie voor de te realiseren woningen komt neer op afgerond 224 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Naast de hierboven genoemde verkeersbewegingen dient er tevens rekening gehouden te worden met het vrachtverkeer. In de CROW publicatie wordt in tabel A6 een kengetal genoemd voor vrachtverkeer per etmaal per woning. Dit kengetal is vastgesteld op 0,02. In totaal is er in de berekening sprake van (0,02*86)=1,72 vrachtwagenbewegingen per etmaal. Het effect van het voorgenomen plan op het aspect ‘verkeer’ wordt op ‘neutraal’ ingeschaald. Geluid Woningen zijn niet opgenomen in de VNG-uitgave bedrijven en milieuzonering, omdat ze in beginsel niet aan te merken zijn als milieubelastende objecten. In voorliggend geval zal wel sprake zijn van enig geluid als gevolg van de appartementen en daarmee de woonfuncties (leefgeluiden). Voor dergelijke geluiden gelden echter geen normen. Gelet op de afstand van het plangebied ten opzichte van omliggende woningen zal dit verder niet voor belemmeringen zorgen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid niet leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten.

1

CBS Statline, Gebieden in Nederland 2024: gemeente Zwolle

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

4

Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het plan leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het plan draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een plan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een plan binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het plan binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.

2.

Op een andere manier aannemelijk maken dat een plan de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een plan in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig.

Beoordeling

Het projectgebied ligt voor luchtkwaliteit niet in een aandachtsgebied. En het projectgebied zelf draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging als bedoelt in 5.53 en 5.54 van het Bkl. Dit blijkt ook uit de bovenstaande tabel met de NIBM-berekening. Conclusie Het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit is ‘niet van betekenende mate’ als gevolg van de bijdrage.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

5

Water De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling kan samengaan met effecten op de waterhuishouding. In het kader van deze planologische procedure dient daarom voor voorliggende ontwikkeling de wateropgave in kaart gebracht. Verwacht wordt echter dat voorliggend plan niet gepaard gaat met negatieve effecten op de waterhuishouding, zoals hieronder wordt weergegeven per relevant wateraspect. Wateroverlast Bij de bouw van het appartementengebouw dient rekening te worden gehouden met de eisen om eventueel wateroverlast tegen te gaan. Denk aan hoogteverschillen tussen de vloeren en grondwaterstanden, waterbergingskratten en wadi’s . Waterkwaliteit Er mogen tijdens de bouw- en gebruiksfase geen materialen gebruikt worden die de waterkwaliteit verminderen. Riolering en Afvalwaterketen De nieuwe woningen mogen niet leiden tot een overbelasting van de riolering in de omgeving. Indien nodig zullen passende maatregelen worden genomen. Geconcludeerd wordt dat de riolering van het plangebied voldoende capaciteit moet hebben om deze toename te faciliteren. Grondwaterbeheer Er mogen tijdens de bouw- en gebruiksfase geen materialen gebruikt worden die een negatief effect hebben op de kwaliteit van het grondwater. Het effect van het voorgenomen plan op de waterhuishouding wordt met het nemen van de eventueel benodigde maatregelen op ‘neutraal’ ingeschaald.

Ecologie In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl. Gebiedsbescherming Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. 2. 3.

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Beoordeling Het projectgebied bevindt zich op circa 1,8 kilometer van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000gebied ‘Rijntakken’. De Natura 2000-gebieden ‘Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht’ en ‘Veluwe’ liggen op respectievelijk 3,9 en 4,5 kilometer afstand van het projectgebied. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

6

Ten behoeve van het voornemen is, in het kader van de stikstofdepositie als gevolg van het plan een AERIUSberekening uitgevoerd2. Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningsplichtig. NNN Het plangebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten het NNN en gezien de aard en omvang van dit plan wordt geconcludeerd dat er met de voorgenomen ontwikkeling geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren.

Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Om de wettelijke consequenties van de voorliggende in beeld te brengen, zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd: • • • • •

Natuurtoets Zwolle, Het Gildenhof3; Nader onderzoek egel4; Nader onderzoek marterachtigen5; Nader onderzoek vleermuizen6; Nader onderzoek vlinders7.

Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies. Natuurtoets Zwolle, Het Gildenhof Vogels Om te bepalen welk soort gebruik maakt van het nest en een deel uitmaakt van essentieel leefgebied, wordt aanvullend onderzoek naar algemene broedvogels noodzakelijk geacht. Voor overige soorten wordt geadviseerd om werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten buiten de broedperiode van vogels uit te voeren. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de

2 AERIUS-berekening Het Gildenhof blok 1, Zwolle, BJZ.nu, januari 2025 3 Natuurtoets Zwolle, Het Gildenhof, BJZ.nu, 21 december 2022 4 Nader onderzoek egel, Ecofect, juni 2023 5 Nader onderzoek marterachtigen, Ecofect, juni 2023 6 Nader onderzoek vleermuizen, Ecofect, november 2023 7

Nader onderzoek vlinders, Ecofect, juni 2023

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

7

voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Grondgebonden zoogdieren Mogelijk gebruiken kleine marterachtigen de bosschage en verruigde veld in het plangebied als foerageerlocatie en de egel het gebied als mogelijke verblijfplaats. Omdat de aanwezigheid van kleine marterachtigen en de egel niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, dient er nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de effecten van de beoogde ingrepen op het leefgebied van kleine marterachtigen en de egel om overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen. Vleermuizen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats en foerageergebied verstoord. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op essentiële vliegroutes van vleermuizen. Als de bomen behouden blijven, wordt er geadviseerd om te werken met vleermuisvriendelijke verlichting. Als de bomen gerooid worden, is nader onderzoek naar vliegroutes noodzakelijk. Amfibieën Door het ontbreken van de rust- en voortplantingsplaats worden er geen amfibieën (opzettelijk) gedood en worden verbodsbepalingen niet overschreden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Reptielen Het is uitgesloten dat er negatieve effecten op beschermde reptielen optreden.

Het uitvoeren van een nader onderzoek en/of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora en faunaactiviteit is niet aan de orde. Vlinders Door de aangetroffen eitjes van de sleedoornpage en de aanwezigheid van mogelijk geschikt habitat voor de weerschijnvlinder en teunisbloempijlstaart, is aanwezigheid van de zijn beschermde vlindersoorten, de sleedoornpage, weerschijnvlinder en de teunisbloempijlstaart niet op voorhand uit te sluiten in het gebied. Aanvraag van een omgevingsvergunning voor een flora en faunaactiviteit voor bovengenoemde soorten is aan de orde om overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen. Overige soorten Het is uitgesloten dat er negatieve effecten op beschermde overige soorten optreden. Het uitvoeren van een nader onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing is niet aan de orde. Nader onderzoek egel Het bureau-onderzoek, habitatgeschiktheidsonderzoek en de cameravallen geven aanleiding om aan te nemen dat de egel gebruik maakt van de planlocatie. Een ontheffing zou dan ook moeten worden aangevraagd om een overtreding van de Omgevingswet te voorkomen. Nader onderzoek marterachtigen Het bureau-onderzoek, habitatgeschiktheidsonderzoek en de cameravallen geven geen aanleiding om aan te nemen dat de kleine marterachtigen gebruik maken van de planlocatie. Ook de waarneming van de huiskat en hond (predator) maakt het leefgebied suboptimaal.

Nader onderzoek vleermuizen • • •

• •

Er zijn geen verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes dan wel zwermlocaties van vleermuizen aangetroffen in en nabij de invloedsfeer van de ontwikkeling. Er zijn geen paarroepjes en baltsgedrag waargenomen, waardoor er ook geen opnames zijn gemaakt. Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute: Het plangebied wordt in de toekomstige situatie niet veranderd waardoor er geen essentiële lijnelementen verloren gaan. Er gaan geen verblijfplaatsen of essentiële functies verloren door of tijdens de geplande ingreep. Vliegroutes, waarbij met een zekere regelmaat vleermuizen passeren, zijn niet aangetroffen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

8

•

Elke inventarisatie is een steekproef gebaseerd op momentopnamen.

Hierdoor is niet uitgesloten dat soorten en functies die tijdens de inventarisatie niet waargenomen zijn, op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is acceptabel omdat met het volgen van de inventarisatieprotocollen gedaan is ‘wat redelijkerwijs verwacht kan worden’. Hiermee is voldoende invulling gegeven aan de zorgplicht. Nader onderzoek vlinders Het bureau-onderzoek, habitatgeschiktheidsonderzoek en veldbezoek geven geen aanleiding om aan te nemen dat de vlinders gebruik maken van de planlocatie. Zwolle is een gemeente waar de sleedoornpage veel voorkomt. Ook zijn er vanuit diverse werkgroepen meerdere eitjes aangetroffen. Het is aannemelijk dat de genoemde soorten wel gebruik maken of gemaakt hebben of in de toekomst gebruik zullen maken van het plangebied Derhalve word geadviseerd om in de ontwerpfase ook de aanleg van waardplanten toe te passen in het openbaar groen. Bij sterke voorkeur wordt de houtsingel zoveel mogelijk ontzien bij de ontwikkeling. Een omgevingsvergunning voor een flora en faunaactiviteit is niet noodzakelijk. Met het verkrijgen van de benodigde vergunning voor een flora en fauna activiteit (deze is inmiddels verleend) en het nemen van de bijbehorende mitigerende en compenserende maatregelen, wordt het effect van het voornemen in het kader van ecologie op ‘neutraal’ ingeschat.

Cumulatie Cumulatie van effecten treedt op wanneer werkzaamheden in direct omliggende gebieden vergelijkbare effecten veroorzaken met de hierboven beschreven effecten en in dezelfde periode worden uitgevoerd. In voorliggend geval zijn in de directe omgeving geen ruimtelijke ontwikkelingen gaande die belangrijke milieueffecten met zich meebrengen. Cumulatie is daarom niet aan de orde.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

9

4.

CONCLUSIE

Dit hoofdstuk dient als samenvatting van de conclusies van de hoofdstukken 2 en 3. In dit hoofdstuk wordt de voorgenomen activiteit aan onderstaande criteria getoetst en een eindafweging gemaakt. 1. De kenmerken van de activiteit; 2. De plaats van de activiteit; 3. De samenhang met andere activiteiten (cumulatie); 4. De kenmerken van de aanzienlijke milieueffecten die het plan kan hebben. Kenmerken van de activiteit Bij de kenmerken van de activiteit dient in het bijzonder in overweging te worden genoemd: • •

De omvang van het plan; Hinder.

Omvang De ontwikkeling is gelet op de schaal ten opzichte van Zwolle klein van omvang. Hinder Tijdens de uitvoering van het voorgenomen project kunnen omwonenden en flora en fauna hinder ondervinden van de (bouw)werkzaamheden. Geconstateerd is dat de hinder voor omwonenden slechts tijdelijk is. Uit het onderzoek naar stikstofdepositie is gebleken dat naar verwachting de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Plaats van de activiteit Het projectgebied ligt geheel binnen het grondgebied van de gemeente Zwolle. Gezien de definitie uit de Bkl kan worden geconcludeerd dat het projectgebied onderdeel uitmaakt van het bestaand stedelijk gebied. De voorgenomen activiteit is niet gelegen in beschermd gebied in het kader van natuur en er zijn geen waardevolle groenstructuren aanwezig. Samenhang met andere activiteiten ter plaatse Er vinden in de directe omgeving van het plangebied geen andere (grootschalige) ontwikkelingen plaats waarmee rekening dient te worden gehouden. Kenmerken van de aanzienlijke milieueffecten Voor de beoordeling van eventuele aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project moet, daar waar opportuun, rekenschap worden gegeven aan de volgende zaken: ▪ ▪ ▪ ▪

Het bereik van het effect (geografische zone en de grootte van de getroffen bevolking); Het grensoverschrijdende karakter van het effect; De waarschijnlijkheid van het effect; De duur, frequentie en de onomkeerbaarheid van het effect.

Uit hoofdstuk 3 is gebleken dat de ontwikkeling op de relevante milieuaspecten verkeer, geluid, luchtkwaliteit, water en stikstof geen belangrijke structurele nadelige en onomkeerbare milieugevolgen met zich meebrengt. De ontwikkeling gaat ten slotte gepaard met tijdelijke hinder als gevolg van bouwwerkzaamheden, maar deze zullen na afronding volledig vervallen. Maatregelen ter vermindering van potentiële effecten (samenvattend) Milieueffecten van de ontwikkeling van het projectgebied kunnen niet geheel worden voorkomen. De mate waarin de milieueffecten optreden kan wel gemitigeerd worden. De milieueffecten zijn zodanig ingeschat dat maatregelen niet noodzakelijk worden geacht.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

10

Conclusie m.e.r.-beoordeling De m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een project-MER noodzakelijk maakt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=f73753a1-f8ff-4822-9ff5-dac883eaad6a