CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Ecologisch onderzoek Ecogroen.

Raad Besluitvormingsronde 19 januari 2026, gemeente ZwolleBij agendapunt: Bepaling locatie Pumptrack Zwolle-Zuid8.671 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

adviesrapport Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

Inventarisatie en beoordeling in het kader van de natuurwet- en regelgeving

Gemeente Zwolle

Definitief

(085) 4871265 info@ecogroen.nl www.ecogroen.nl

Colofon Quickscan natuurtoets Pumptrack ZwolleZuid Inventarisatie en beoordeling in het kader van de natuurwet- en regelgeving

25-588

15 december 2025

Definitief

M. Dijksterhuis & R. Wormmeester

M. Dijksterhuis

I. Veeman

Gemeente Zwolle

©Ecogroen bv Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, met uitzondering van de persoonsgegevens van betrokken medewerkers en mits onder vermelding van bron en status. Dijksterhuis, M. & R. Wormmeester (2025). Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid. Inventarisatie en beoordeling in het kader van de natuurwet- en regelgeving. Rapport 25-588. Ecogroen bv

Inhoud Samenvatting

5

1.

Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling 1.2.1 Huidige situatie 1.2.2 Voorgenomen ontwikkeling 1.3 Leeswijzer

7 7 7 7 9 9

2.

Wettelijk kader en methode 2.1 Omgevingswet 2.2 Onderzoeksmethode 2.2.1 Bureaustudie 2.2.2 Quickscan veldbezoek 2.2.3 Toets flora- en fauna-activiteit 2.2.4 Toets Natura 2000-activiteit 2.2.5 Toets houtopstanden

10 10 10 10 10 11 11 11

3.

Soortbescherming 3.1 Flora 3.2 Zoogdieren 3.2.1 Vleermuizen 3.2.2 Egel 3.2.3 Steenmarter 3.2.4 Kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) 3.2.5 Overige zoogdieren 3.3 Vogels 3.3.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten 3.3.2 Vogels zonder jaarrond beschermde nesten 3.4 Amfibieën 3.4.1 Poelkikker 3.4.2 Overige amfibieën 3.5 Vlinders 3.5.1 Teunisbloempijlstaart 3.5.2 Sleedoornpage 3.5.3 Overige vlinders 3.6 Overige soortgroepen 3.7 Specifieke zorgplicht

12 12 12 12 13 15 16 17 18 18 18 19 19 20 20 20 20 21 21 21

4.

Natura 2000-gebieden 4.1 Algemeen 4.2 Stikstofdepositie 4.3 Specifieke zorgplicht Natura 2000

23 23 24 24

5.

Houtopstanden

25

Geraadpleegde bronnen

Bijlagen Bijlage 1 - Natuur in de Omgevingswet: wettelijke kaders Bijlage 2 - Ecologisch logboek

27

Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsPumptrack PumptrackZwolle-Zuid Zwolle-Zuid

Samenvatting Aanleiding en doelstelling Gemeente Zwolle wil in samenwerking met Stichting Pumptrack Zwolle-Zuid een pumptrack realiseren in de wijk Zwolle-Zuid. Hiervoor zijn drie potentiële locaties in beeld. Wet- en regelgeving omtrent de bescherming van natuur verplicht vooraf te toetsen of activiteiten (kunnen) conflicteren met beschermde natuurwaarden. In deze quickscan natuurtoets zijn de effecten van het voornemen getoetst aan de beschermingskaders van de Omgevingswet ten aanzien van soorten, Natura 2000-gebieden en houtopstanden. Uitvoering van dit initiatief past binnen het huidige omgevingsplan, en het projectgebied ligt ruim buiten het Natuurnetwerk Nederland. Toetsing aan NNN is daarom niet aan de orde.

Soortbescherming • Op locatie C zijn potentiële verblijfplaatsen van gewone grootoorvleermuis aanwezig in één van de schuurtjes. Er is geen sprake van aantasting van essentiële vliegroutes of essentieel foerageergebied van vleermuizen. • Op locatie A zijn mogelijk verblijfplaatsen van egel en wezel aanwezig. • Op locatie C zijn mogelijk verblijfplaatsen van egel en kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en steenmarter aanwezig. • In het projectgebied zijn geen (potentiële) nestplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten. • In de omgeving van het projectgebied zijn nesten van vogels zonder jaarrond beschermde nesten te verwachten zoals als vink, houtduif en merel. • De werkzaamheden leiden niet tot verlies of verstoring van groei-, nest- en/of verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied van flora, overige zoogdieren, reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelden, uitgezonderd soorten waarvoor een vrijstelling van vergunningplicht geldt in de provincie Overijssel. Mits voorkomen wordt dat exemplaren opzettelijk worden gedood, geldt dat er voor deze soorten geen vervolgstappen aan de orde zijn. Wel is altijd de specifieke zorgplicht van toepassing.

Natura 2000-gebieden • Het projectgebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is Rijntakken op 500 meter afstand van projectlocatie C en 1 kilometer afstand van projectlocatie A en B. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 1,6 kilometer

05

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

afstand. Vanwege deze afstand en (lokale) aard van het voornemen zijn nadelige gevolgen – met uitzondering van stikstofdepositie – op voorhand uitgesloten.

Houtopstanden • De bomen in het projectgebied maken geen onderdeel uit van een houtopstand zoals beschermd onder de Omgevingswet. Voor het vellen van bomen in het projectgebied zijn daarom vanuit de Omgevingswet geen vervolgstappen aan de orde. Wel kunnen gemeentelijke regels van toepassing zijn op het vellen van de bomen.

Advies en vervolgstappen • Hoewel een toename van stikstofdepositie hier niet verwacht wordt, is een zogenoemde stikstofberekening met het rekenmodel AERIUS Calculator noodzakelijk om te kunnen beoordelen of er vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet nodig zijn. • In de schuur op locatie C gesloopt dient te worden adviseren we een interne inspectie van deze schuur uit te voeren om te controleren op aanwezigheid van vleermuizen en potentie voor steenmarterverblijfplaatsen. Afhankelijk van de uitkomsten van de interne inspectie kan aanvullend vleermuis- of steenmarteronderzoek noodzakelijk zijn. • Bij de werkzaamheden op locatie A en C kunnen verblijfplaatsen van egel en kleine marterachtigen wezel, bunzing en hermelijn verloren gaan tijdens de werkzaamheden. Voor egel en kleine marterachtigen is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Indien gewerkt wordt volgens de gedragscode soortbescherming gemeenten is het aanvragen van een omgevingsvergunning niet nodig. • Werkzaamheden die broedbiotopen van aanwezige vogels beschadigen moeten altijd worden voorkomen. Hierom dient de uitvoering van de werkzaamheden zoveel mogelijk buiten het broedseizoen plaats te vinden. Voor de meeste soorten kan de periode tussen begin maart en half juli worden aangehouden als broedseizoen.

Indien werkzaamheden in de periode half februari tot half december worden opgestart, wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole door een ecologisch deskundige uit te laten voeren. Bij het aantreffen van in gebruik zijnde nesten van vogels wordt, in overleg met een ecologisch deskundige, bepaald hoe de werkzaamheden op een zorgvuldige wijze binnen de wettelijke kaders kunnen worden uitgevoerd. • De specifieke zorgplicht ten aanzien van soorten is altijd van toepassing. Daarnaast geldt voor het opzettelijk doden van dieren geen vrijstelling van vergunningplicht in Overijssel. In paragraaf 3.7 zijn voorzorgsmaatregelen genoemd om nadelige gevolgen voor soorten te voorkomen. Indien volgens deze voorzorgsmaatregelen wordt gewerkt én dit wordt vastgelegd in een logboek (of ecologisch werkprotocol) kan worden aangetoond dat er zorgvuldig en conform de specifieke zorgplicht wordt gewerkt.

06

Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsPumptrack PumptrackZwolle-Zuid Zwolle-Zuid

1. Inleiding 1.1

Aanleiding en doelstelling Gemeente Zwolle wil in samenwerking met Stichting Pumptrack Zwolle-Zuid een pumptrack realiseren in de wijk Zwolle-Zuid. Er zijn drie mogelijke locaties en de resultaten uit voorliggende quickscan worden gebruikt om de meest optimale locatie voor de pumptrack te bepalen. Wet- en regelgeving omtrent de bescherming van natuur verplicht vooraf te toetsen of activiteiten (kunnen) conflicteren met beschermde natuurwaarden. In deze quickscan natuurtoets zijn de effecten van het voornemen getoetst aan de beschermingskaders van de Omgevingswet ten aanzien van soorten, Natura 2000-gebieden en houtopstanden. Uitvoering van het project past binnen het omgevingsplan. Toetsing aan Natuurnetwerk Nederland (NNN) is daarom niet aan de orde.

1.2

Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling

1.2.1

Huidige situatie Het projectgebied ligt in Zwolle-Zuid en bestaat uit drie zoeklocaties: A, B, en C (figuur 1.1).

A B

C

Figuur 1.1 Locaties behorende bij het projectgebied in Zwolle-Zuid (rood omlijnd). Bron ondergrond: Luchtfoto actueel/PDOK.

07

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

Locatie A betreft de groenstrook ten oosten van het voetbalcomplex van de Zwolsche Boys, ten noorden van de Landsheerlaan. Op deze locatie staat in het westen één kleine boom die wellicht gekapt wordt om plaats te maken voor de pumptrack (figuur 1.2). Ook een grote parkeerplaats en een veldje met 20 platanen behoren tot deze locatie. Deze platanen blijven behouden. Rond de parkeerplaats groeit een lage, ruim één meter brede meidoornhaag. Locatie B betreft een grasveld dichtbij locatie A, ten zuiden van de Landsheerlaan aan het Ittersumpad. Het grasveld loopt in het zuiden door tot over de projectgrens en wordt in het oosten, westen en noorden omsloten door een bomenrij en water (figuur 1.2). Er zijn geen bomen aanwezig. Het grasveld wordt nu grotendeels gebruikt als voetbalveld.

Figuur 1.2 Locaties A (boven) en B (onder) (rood omlijnd). Blauwe cirkel is mogelijk te kappen boom. Bron ondergrond: Luchtfoto actueel/PDOK.

Locatie C ligt een stuk zuidelijker, in de wijk in het Ittersumerpark, ter plaatse van de voormalige dierenweide ’t Spiekertje (figuur 1.3). Deze locatie is in het noorden, oosten en zuiden begrenst door het pad dat door het park loopt, en in het westen begrenst door een bosschage. Bomen op deze locatie worden niet gekapt. Op deze locatie zijn enkele oude schuurtjes, een mesthoop, een konijnenren, stenen stapels en boomstammen aanwezig. Deze elementen zijn onderdeel van de voormalige dierenweide. Op geen van de drie locaties bevindt zich oppervlaktewater.

08

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

Figuur 1.3 Locatie C (rood omlijnd). Bron ondergrond: Luchtfoto actueel/PDOK.

1.2.2

Voorgenomen ontwikkeling Gemeente Zwolle wil in samenwerking met Stichting Pumptrack Zwolle-Zuid een pumptrack realiseren op één van de hierboven beschreven locaties. Een pumptrack is een aaneengesloten circuit van asfalt met bulten en kombochten, die elkaar ritmisch opvolgen. Het is geschikt voor crossfietsen (BMX), mountainbikes, stuntstepjes, loopfietsen, inline skates, longboards en skateboards. De gemeente hoopt eind 2025 de definitieve locatie voor de pumptrack te bepalen. Wanneer de pumptrack op locatie A gerealiseerd wordt verdwijnt de meidoornhaag, parkeerplaats en grasland. De platanen in het westen van deze locatie blijven behouden maar in het oosten gaat mogelijk één boom verloren. Wanneer de pumptrack op locatie B gerealiseerd wordt verdwijnt enkel intensief onderhouden grasland. Wanneer de pumptrack op locatie C gerealiseerd wordt verdwijnen naast grasland ook elementen die bij de voormalige kinderboerderij horen; oude schuurtjes, een mesthoop, een konijnenren, een dichtbegroeide heuvel, stenen stapels en boomstammen. De pumptrack wordt niet verlicht. De aanlegwerkzaamheden starten naar verwachting in april/mei 2026.

1.3

Leeswijzer Het juridische kader waarbinnen de quickscan natuurtoets is uitgevoerd en de gebruikte methodiek zijn beschreven in hoofdstuk 2. Vervolgens is in hoofdstuk 3 beschreven of er beschermde soorten voorkomen of te verwachten zijn binnen de invloedssfeer van het initiatief. Hierbij is aangegeven welke mitigerende maatregelen mogelijk zijn om schadelijke handelingen te voorkomen, of een vergunningplicht van toepassing is en of vervolgonderzoek nodig is om kennisleemten op te vullen. Hoofdstuk 4 gaat in op de ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden en hoofdstuk 5 op beschermde houtopstanden. Hierbij is bepaald of het initiatief kan leiden tot nadelige gevolgen op de beschermde waarden. Indien dit het geval is, is aangegeven welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Tot slot is een overzicht opgenomen van gebruikte bronnen.

09

Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsPumptrack PumptrackZwolle-Zuid Zwolle-Zuid

2. Wettelijk kader en methode 2.1

Omgevingswet De juridische bescherming van natuur in ons land is geregeld via de Omgevingswet. Deze bestaat, naast de Omgevingswet zelf, uit vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) en één ministeriele regeling. De Omgevingswet regelt onder meer de bescherming van flora en fauna, Natura 2000gebieden, houtopstanden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bijlage 1 bevat een samenvatting van de wetteksten. In dit rapport wordt ingegaan op de onderdelen flora en fauna, Natura 2000-gebieden en houtopstanden. Uitvoering van dit initiatief past op elk van de drie locaties binnen het huidige omgevingsplan, en het projectgebied ligt ruim buiten het Natuurnetwerk Nederland. Toetsing aan NNN is daarom niet aan de orde.

2.2

Onderzoeksmethode

2.2.1

Bureaustudie Om een beeld te krijgen van aanwezige natuurwaarden in en in de omgeving van het projectgebied is gestart met een bureaustudie. Hierbij zijn onder andere bekende verspreidingsgegevens van beschermde soorten uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Bij het raadplegen van de NDFF is een zoekgebied van ruim vijf kilometer rondom het projectgebied aangehouden en is gezocht naar waarnemingen in de afgelopen tien jaar. Daarnaast is de Informatiekaart Natuur (IKN) geraadpleegd om een beeld te krijgen van de ligging van nationaal beschermde gebieden rondom het projectgebied.

2.2.2

Quickscan veldbezoek De verzamelde informatie uit de bureaustudie vormt de basis voor een veldbezoek dat op 28 oktober 2025 (12°C, half bewolkt, miezer, matige wind) is uitgevoerd door een ecoloog van Ecogroen. Tijdens het veldbezoek zijn het projectgebied en directe omgeving (zone circa 50 meter rondom het projectgebied) onderzocht, waarbij aandacht is besteed aan (biotoop van) beschermde soorten. De schuren en structuren behorende bij de voormalige kinderboerderij zijn uitwendig geïnspecteerd. Naast een beoordeling van de aanwezige biotopen is onder andere gelet op aanwijzingen voor (mogelijke) jaarrond beschermde nesten van vogels en verblijfplaatsen van vleermuizen.

10

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

2.2.3

Toets flora- en fauna-activiteit Aan de hand van de uitgevoerde bureaustudie en het veldbezoek is beoordeeld of er beschermde soorten voorkomen of te verwachten zijn binnen de invloedsfeer van het project. Vervolgens is bepaald of het project kan leiden tot schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde soorten en/of hun leefgebied. Tot slot is beoordeeld of er vervolgstappen nodig zijn, zoals het nemen van mitigerende maatregelen, vervolgonderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.

2.2.4

Toets Natura 2000-activiteit Aan de hand van de uitgevoerde bureaustudie is beoordeeld of het project kan leiden tot (significant) nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Er is gestart met het bepalen van de (mogelijke) negatieve effecten die kunnen optreden als gevolg van het project. Vervolgens is beoordeeld of negatieve gevolgen te verwachten zijn voor instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden, en zo ja, of deze significant (kunnen) zijn. Als er mogelijk sprake is van significant nadelige gevolgen is er advies gegeven over te nemen vervolgstappen.

2.2.5

Toets houtopstanden Om te bepalen of binnen het projectgebied de rijksregels voor het vellen van een houtopstand van toepassing zijn, is onderzocht of het projectgebied buiten de ‘bebouwingscontour houtkap’ ligt en/ of is nagegaan of er uitzonderingsregels van toepassing zijn. Indien de rijksregels van toepassing zijn, worden de eventueel vereiste benodigde vervolgstappen beschreven.

11

Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsPumptrack PumptrackZwolle-Zuid Zwolle-Zuid

3. Soortbescherming 3.1

Flora In het projectgebied zijn enkele algemeen voorkomende plantensoorten aangetroffen zoals akkerdistel, grote brandnetel, smalle weegbree, boerenwormkruid en wilde cichorei. Tijdens het veldbezoek zijn geen plantensoorten aangetroffen waarvoor een vergunningplicht geldt. Op basis van de aangetroffen soortensamenstelling, de terreingesteldheid en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2025) worden deze soorten ook niet verwacht. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van de soortgroep flora is in het kader van de Omgevingswet niet aan de orde.

3.2

Zoogdieren

3.2.1

Vleermuizen Het leefgebied van vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden (zie ook kader 3.1). Hieronder worden deze onderdelen nader beschreven. In de omgeving van het projectgebied zijn onder andere waarnemingen bekend van foeragerende en langsvliegende exemplaren van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en meervleermuis (NDFF, 2025). Kader 3.1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bijvoorbeeld bomen, bebouwing en kelders. Dit kunnen onder andere kraamverblijven, zomerverblijven, baltslocaties, paarverblijven en winterverblijven zijn. Het verstoren, beschadigen, vernielen of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Vleermuizen gebruiken vaak jarenlang dezelfde structuren om zich te oriënteren tijdens de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Als alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘essentieel’ en zodoende beschermd.

Foerageergebieden Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water, zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen. Foerageergebied van vleermuizen heeft binnen de Omgevingswet echter geen juridische bescherming, tenzij het essentieel is voor het voortbestaan van een populatie.

12

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

Verblijfplaatsen Eén van de schuurtjes op locatie C is potentieel geschikt voor gewone grootoorvleermuis vanwege de houten vliering en balken waaraan deze vleermuis graag hangt. Indien dit schuurtje gesloopt dient te worden adviseren we een interne inspectie van deze schuur uit te voeren. Afhankelijk van de uitkomsten van de interne inspectie kan aanvullend vleermuisonderzoek noodzakelijk zijn. Binnen locatie A en B zijn geen gebouwen aanwezig waardoor vaste verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen zijn uitgesloten. Er zijn geen holtes, spleten of scheuren aanwezig in de bomen in het projectgebied, waardoor verblijfplaatsen in bomen ook zijn uitgesloten. Vervolgstappen voor verblijfplaatsen van vleermuizen zijn op locatie A en B niet aan de orde. Vliegroutes In de omgeving van het projectgebied zijn lijnvormige elementen aanwezig die geschikt zijn als vliegroute voor vleermuizen, zoals de meervleermuis, gewone dwergvleermuis en laatvlieger (zie ook kader 3.1). Het betreft de bomenrij langs de sportvelden van locatie A en de bomenrij langs het pad ten oosten van locatie A, de bomenrij die in een halve maan aanwezig is rond locatie B en de grensovergang van dierenweide (grasveld) naar bosschage op locatie C. Door de werkzaamheden gaan geen van deze geleidende structuren verloren.

Wel zou verstoring van vleermuizen op vliegroute kunnen optreden door het gebruik van kunstmatig ligt tijdens de werkzaamheden. Verstoring van vleermuizen op een vliegroute is te voorkomen door het nemen van mitigerende maatregelen. Deze zijn opgenomen in paragraaf 3.7 (specifieke zorgplicht soorten). Een vergunningplicht voor een flora- en fauna-activiteit ten aanzien van vliegroutes van vleermuizen is niet aan de orde, mits rekening wordt gehouden met de mitigerende maatregelen. Foerageergebied Door de aanwezigheid van bomen in het projectgebied en oppervlaktewater net buiten het projectgebied, wordt het projectgebied mogelijk als foerageergebied gebruikt door diverse vleermuissoorten. Door de werkzaamheden gaat een deel van de vegetatie en mogelijk een boom verloren. Er is geen sprake van verlies van essentieel foerageergebied, omdat er slechts beperkt foerageergebied verloren gaat en tijdens en na de werkzaamheden ruim voldoende foerageergebied aanwezig blijft in het projectgebied en nabije omgeving in de vorm van bosranden en bomenrijen, tuinen en wateren. In het kader van de specifieke zorgplicht is het wel nodig om verstoring van foeragerende vleermuizen zoveel als mogelijk te beperken door het nemen van mitigerende maatregelen. Deze maatregelen zijn opgenomen in paragraaf 3.7.

Een vergunningplicht voor een flora- en fauna-activiteit ten aanzien van foerageergebied van vleermuizen is niet aan de orde, mits rekening wordt gehouden met de mitigerende maatregelen. 3.2.2

Egel In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van egel (NDFF, 2025). De dichtstbijzijnde waarneming bij locatie A en B is gedaan in 2025 op 40 meter van het projectgebied en bij locatie C is de dichtstbijzijnde waarneming gedaan in 2023 op 100 meter van het projectgebied (NDFF, 2025). Egels komen bijna overal voor, bijvoorbeeld in grasland, struweel, tuinen en takkenhopen. Ze hebben verblijfplaatsen op plekken met voldoende beschutting zoals dichte struiken, hagen of snoeiafval. In het projectgebied zijn geen exemplaren of sporen van egel aangetroffen. Op locatie A zijn mogelijk verblijfplaatsen van egel aanwezig in de brede meidoornhaag (figuur 3.1 en 3.2). Daarnaast zijn op locatie C mogelijk verblijfplaatsen van egel aanwezig op de locatie van de voormalige konijnenren, in/onder de stenen stapels en boomstammen (figuur 3.3 en 3.4). Als gevolg van de voorgenomen plannen gaat mogelijk leefgebied met verblijfplaatsen van egel verloren op lcatie A en C.

13

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

Van essentieel foerageergebied is in het projectgebied geen sprake omdat in de omgeving ruim voldoende en geschikter alternatief foerageergebied aanwezig is in het struweel, andere groenstroken, bermen en tuinen. Ook kan na de werkzaamheden het projectgebied (deels) gebruikt worden als foerageergebied. Op locatie B bevindt zich geen voor egel geschikt struweel, aangezien het projectgebied zich beperkt tot intensief gemaaid grasland. Op locatie B zijn voor egel geen vervolgstappen aan de orde. Als de meidoornhaag op locatie A verloren gaat en de konijnenren, stenen stapels en boomstammen op locatie C verloren gaan, is er een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig voor egel. Indien gewerkt wordt volgens de gedragscode soortbescherming gemeenten (Stadswerk, 2025) is het aanvragen van een omgevingsvergunning niet nodig.

Figuur 3.1 Projectgebied A (rood omlijnd) met leefgebied voor egel en kleine marterachtigen (groen omlijnd). Bron ondergrond: luchtfoto actueel/PDOK.

Figuur 3.2 Voor egel en wezel geschikte meidoornhaag op locatie A. Bron foto: Ecogroen.

14

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

Figuur 3.3 Projectgebied C (rood omlijnd) met voor egel en kleine marterachtigen geschikte structuren (groen omlijnd). Bron ondergrond: Luchtfoto actueel/PDOK.

3.2.3

Steenmarter In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van steenmarter (NDFF, 2025). Dichtstbijzijnde waarneming is gedaan in 2020 op 130 meter van locatie A, 250 meter van locatie B en in 2024 op 220 meter van locatie C. Steenmarter is een cultuurvolger. Verblijfplaatsen zijn te vinden in en bij woningen, met voorkeur voor voorraadkelders, hooizolders, schuren, kerken en warmdroge rustplaatsen, maar ook in boomholtes, takkenhopen en dichte struwelen (Zoogdiervereniging, 2025). Mogelijk zijn verblijfplaatsen van steenmarter aanwezig in het schuurtje op locatie C, welke toegankelijk is via een opening in de zijkant (figuur 3.4). De op locatie A aanwezige meidoornhaag is niet breed genoeg om voldoende beschutting te bieden aan een vaste verblijfplaats voor steenmarter. In het projectgebied ontbreken voor steenmarter geschikte structuren en zijn daarom geen potentiële verblijfplaatsen voor steenmarter aanwezig. Foerageergebied bestaat uit groenstroken, erven, heggen, struweel, greppels en bermen (Zoogdiervereniging, 2025). Binnen het projectgebied is in beperkte mate geschikt foerageergebied aanwezig in de vorm van intensief onderhouden grasland en de meidoornhaag. Het betreft geen essentieel foerageergebied omdat er in de directe omgeving ruim voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is in de vorm van struweel, overige groenstroken en bermen.

Indien het schuurtje op locatie C gesloopt wordt, wordt geadviseerd de schuur inwendig te inspecteren om de potentie voor steenmarter en eventuele vervolgstappen te bepalen. Op locatie A en B zijn voor steenmarter geen vervolgstappen aan de orde.

15

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

Figuur 3.4 Schuur met potentiële verblijfplaatsen van steenmarter, toegankelijk via de omcirkelde opening. Bron foto: Ecogroen.

3.2.4

Kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van de kleine marterachtigen bunzing en wezel (NDFF, 2025). Dichtstbijzijnde waarneming van bunzing is gedaan in 2020 op ongeveer 1 kilometer van locatie A en B, en in 2024 op 300 meter van locatie C. De dichtstbijzijnde waarneming van wezel is gedaan in 2024 op ruim 1 kilometer afstand van locatie A en B, en in 2022 op 220 meter van locatie C. Er zijn geen waarnemingen bekend van hermelijn in de omgeving van het projectgebied. Het voorkeursbiotoop van kleine marterachtigen bestaat uit kleinschalig en structuurrijk landschap en veel (lijnvormige) landschapselementen zoals houtwallen, bosjes, heggen, greppels en sloten. Tijdens het veldbezoek zijn geen exemplaren of sporen van wezel, bunzing of hermelijn aangetroffen. Op locatie A zijn mogelijk verblijfplaatsen van wezel aanwezig in de brede meidoornhaag (figuur 3.1 en 3.2). Verblijfplaatsen van hermelijn en bunzing worden hier niet verwacht. Ook zijn er geen grote holen gevonden. Op locatie C kunnen verblijfplaatsen van bunzing, wezel en hermelijn zich bevinden in (oude) holen van onder andere muizen en ratten op de locatie van de voormalige konijnenren, in/onder de stenen stapels en boomstammen (figuur 3.3 en 3.5).

Op locatie B bevindt zich geen voor kleine marterachtigen geschikt leefgebied, aangezien het projectgebied geheel bestaat uit intensief gemaaid grasland zonder dekking voor kleine marterachtigen. Op locatie B zijn voor kleine marterachtigen geen vervolgstappen aan de orde. Daarnaast kan het projectgebied gebruikt worden als foerageergebied van bunzing, wezel en hermelijn. Dit betreft geen essentieel foerageergebied omdat in de omgeving ruim voldoende geschikt

16

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

alternatief foerageergebied aanwezig is in de vorm van struweel, oevers, bermen en tuinen. Ook kan na de werkzaamheden het projectgebied (deels) gebruikt worden als foerageergebied. Bij de werkzaamheden op locatie A en C kunnen verblijfplaatsen van kleine marterachtigen verloren gaan tijdens de werkzaamheden. Voor kleine marterachtigen is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Indien gewerkt wordt volgens de gedragscode soortbescherming gemeenten (Stadswerk, 2025) is het aanvragen van een omgevingsvergunning niet nodig.

Figuur 3.5 Voor kleine marterachtigen geschikt leefgebied in de vorm van stapels stenen, boomstammen of ruige begroeiing in een voormalige konijnenren en op een heuvel. Bron foto’s: Ecogroen.

3.2.5

Overige zoogdieren (Vaste) verblijfplaatsen en/of essentieel foerageergebied van andere beschermde zoogdieren die zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde zoogdieren zonder provinciale vrijstelling (zoals das en veldspitsmuis) worden op basis van de terreinkenmerken, het veldbezoek en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2025) in het projectgebied uitgesloten. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde. Wel zijn binnen het projectgebied vaste verblijfplaatsen van zoogdiersoorten als de huisspitsmuis en konijn bekend en/of te verwachten. Bij werkzaamheden in het projectgebied kunnen enkele

17

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

exemplaren van deze zoogdieren geschaad worden. In voorliggende situatie geldt voor deze soorten in de provincie Overijssel een vrijstelling van het verbodsartikel voor het beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- en rustplaatsen. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van dieren. Het nemen van mitigerende maatregelen is nodig om opzettelijk doden bij uitvoering van de werkzaamheden te voorkomen. Als dit niet mogelijk is, is een omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit nodig. De mitigerende maatregelen zijn opgenomen in paragraaf 3.7. Daarnaast geldt de specifieke zorgplicht voor deze zoogdieren.

3.3

Vogels Bij vogels wordt onderscheid gemaakt in twee categorieën met een verschillend beschermingsregime (zie bijlage 1). Voor een aantal vogelsoorten geldt dat de nestlocaties inclusief de functionele omgeving jaarrond beschermd zijn (zie kader 3.2). Kader 3.2 Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Onder jaarrond beschermde nesten van vogels wordt in provincie Overijssel verstaan: in functie zijnde nesten en rustplaatsen van boerenzwaluw, boomvalk, bosuil, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, huiszwaluw, kerkuil, oehoe, ooievaar, raaf, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, torenvalk, wespendief, zeearend, zwarte specht en zwarte wouw. Voor sommige andere soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

3.3.1

Vogels met jaarrond beschermde nesten Roek In en nabij de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van roek (NDFF, 2025). Het gaat hierbij om overvliegende of aanwezige exemplaren, niet om nesten. Dichtstbijzijnde nesten bevinden zich op 330 meter afstand (NDFF, 2025). Tijdens het quickscan veldbezoek zijn er geen nesten aangetroffen die mogelijk gebruikt worden door roeken. Ook zijn er geen individuen van roek in het projectgebied aangetroffen. Overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Omdat het projectgebied geen geschikte bebouwing omvat vanwege de beperkte hoogte en het ontbreken van een dakpannen dak, worden nestplaatsen voor gebouwbewonende soorten als gierzwaluw en huismus uitgesloten. In het projectgebied en in de directe omgeving zijn geen overige jaarrond beschermde nesten van vogels bekend (NDFF, 2025) of aangetroffen tijdens het veldonderzoek. Mogelijk wordt het projectgebied en omgeving wel gebruikt als foerageergebied door bijvoorbeeld sperwer en buizerd. Door de werkzaamheden verdwijnt mogelijk een klein oppervlak foerageergebied van deze soorten. In de omgeving blijft ruim voldoende alternatief foerageergebied beschikbaar om dit verlies op te vangen, waardoor (indirect) geen nestplaatsen verloren gaan. Het nemen van vervolgstappen voor vogels met jaarrond beschermde nesten is niet aan de orde.

3.3.2

Vogels zonder jaarrond beschermde nesten Door de aanwezigheid van bomen en een meidoornhaag in en nabij het projectgebied is broedbiotoop aanwezig voor vogelsoorten waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn als vink, houtduif en merel.

18

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Verstoren is verboden wanneer de verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort of wanneer verstoring leidt tot het afbreken van het broedgeval. Voor de te verwachten soorten kunnen schadelijke handelingen (altijd) worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen. In het kader van de Omgevingswet wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Daarmee is het van belang dat een broedgeval niet wordt beschadigd of verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen begin maart en half juli worden aangehouden als broedseizoen. Vooral soorten als merel en houtduif kunnen tot laat in het seizoen doorgaan met broeden en ook vroeg in het seizoen starten met broeden. Indien werkzaamheden in de periode half februari tot half december worden opgestart wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole door een ecologisch deskundige uit te voeren. Bij het aantreffen van nesten van vogels wordt in overleg met een ecologisch deskundige bepaald hoe de werkzaamheden op een zorgvuldige wijze binnen de wettelijke kaders kunnen worden uitgevoerd.

Indien geen nesten in gebruik zijn ten tijde van de werkzaamheden, kunnen negatieve effecten op broedende vogels worden uitgesloten. Vervolgstappen zijn voor vogels zonder jaarrond beschermde nesten niet aan de orde, mits rekening wordt gehouden met het broedseizoen.

3.4

Amfibieën

3.4.1

Poelkikker In de omgeving van locatie C is één waarneming van poelkikker bekend op 150 meter afstand (NDFF, 2025). Daarnaast zijn er op locatie A en B waarnemingen bekend van groene kikker spec. en bastaardkikker, waarbij de dichtstbijzijnde waarneming gedaan is in 2017 op 230 meter van locatie A en 150 meter van locatie B. De waargenomen groene kikkers en bastaardkikkers kunnen, gezien de geringe uiterlijke verschillen, ook poelkikkers zijn. Poelkikker heeft een duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide en hoogveen. De poelkikker komt vooral tot voortplanting in vennen in bos, hei en hoogveenputten en daarnaast in andere kleine wateren, rivierbegeleidende wateren, veedrinkpoelen en sloten (BIJ12, 2025). Binnen het projectgebied bevindt zich geen (permanent) oppervlaktewater. Voortplanting van poelkikker binnen het projectgebied is daardoor uitgesloten. In de winter bevinden de meeste poelkikkers zich individueel op het land. Overwintering vindt dan plaats in bijvoorbeeld muizenholletjes, onder stronken of in dammetjes waar puin aanwezig is. Het landhabitat waar overwinterd wordt, bevindt zich veelal op minder dan 100 à 200 meter van de oever van het voortplantingswater (BIJ12, 2017). In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen voor poelkikker geschikte voortplantingswateren aanwezig.

De wateren zijn breed, bevatten weinig oevervegetatie en er staat een lichte stroming. Tussen de bekende waarneming van poelkikker in de omgeving van locatie C en het projectgebied liggen barrières in de vorm van onder andere een spoor en een brede watergang. Overwintering van poelkikker wordt binnen het projectgebied niet verwacht. Vervolgstappen zijn voor poelkikker niet aan de orde.

19

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

3.4.2

Overige amfibieën Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken en verspreidingsgegevens (NDFF, 2025) wordt voortplanting en overwintering van overige in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde amfibieën zonder vrijstelling, zoals rugstreeppad, in het projectgebied uitgesloten. De meidoornhaag en (muizen)holletjes binnen het projectgebied worden mogelijk wel gebruikt als overwinteringshabitat door soorten als kleine watersalamander, gewone pad, bastaardkikker en bruine kikker. Bij de geplande ingrepen kunnen exemplaren en verblijfplaatsen van deze amfibieën geschaad worden. In voorliggende situatie geldt voor deze soorten in de provincie Overijssel een vrijstelling van het verbodsartikel voor het beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- en rustplaatsen. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van dieren. Het nemen van mitigerende maatregelen is nodig om opzettelijk doden bij uitvoering van de werkzaamheden te voorkomen. Als dit niet mogelijk is, is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig. De mitigerende maatregelen zijn opgenomen in paragraaf 3.7. Daarnaast geldt de specifieke zorgplicht voor deze amfibieën (zie paragraaf 3.7).

3.5

Vlinders

3.5.1

Teunisbloempijlstaart In de omgeving van het projectgebied zijn enkele waarnemingen bekend van de nachtvlinder teunisbloempijlstaart (NDFF, 2025). Dichtstbijzijnde waarneming is gedaan in 2024 op 900 meter van locatie A en B, en in 2024 op 800 meter van locatie C. Waarnemingen van deze snel oprukkende (beschermde) nachtvlinder worden vaak incidenteel gedaan, meestal door specialisten of toevalvondsten van de rupsen in tuinen. De soort gebruikt teunisbloem, wilgenroosje, basterdwederik en kattenstaart als waardplant (hierop worden de eieren afgezet en eten de rupsen van de plant). De plant waarop de eitjes en rupsen leven en een zone van circa vijf meter1 rondom de plant worden gebruikt als voortplantingslocatie (beschermd leefgebied). De rupsen verpoppen en overwinteren namelijk in de directe omgeving van de voortplantingslocatie in losse grond. In het plangebied of binnen vijf meter van het plangebied zijn geen waardplanten van teunisbloempijlstaart aangetroffen. De aanwezigheid van beschermd leefgebied en essentieel foerageergebied van de soort kan daarmee worden uitgesloten. Vervolgstappen voor teunisbloempijlstaart zijn niet aan de orde.

3.5.2

Sleedoornpage In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van de dagvlinder sleedoornpage (NDFF, 2025). De dichtstbijzijnde waarneming is gedaan in 2020 op 25 meter van locatie A en 125 meter van locatie B en in 2023 op 25 meter van locatie C. Voor de voortplanting is sleedoornpage afhankelijk van sleedoorn waarop ze haar eitjes afzet die op de sleedoorn overwinteren. Binnen het projectgebied bevinden zich geen sleedoornstruiken, waardoor voorplanting van sleedoornpage is uitgesloten. Vervolgstappen voor sleedoornpage zijn niet aan de orde. ________________________________________________________________________________ 1 Er is weinig bekend over de ecologie van de teunisbloempijlstaart in Nederland. De verwachting is dat de rups binnen vijf

meter van de waardplant verpopt in de grond. Dit is gebaseerd op expert judgement en de ecologie van andere soortgelijke nachtvlinders.

20

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

3.5.3

Overige vlinders Op basis van het veldbezoek, de ecologische vereisten van soorten en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2025) worden voortplantings- en verblijfplaatsen van overige vlinders van de in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en overige nationaal beschermde vlinders (zoals grote vos en grote weerschijnvlinder) uitgesloten. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde.

3.6

Overige soortgroepen Op basis van de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2025), worden in het projectgebied geen (vaste) verblijfplaatsen of essentieel leefgebied verwacht van vissen, reptielen en overige ongewervelden waarvoor een omgevingsvergunningplicht geldt. Wel is (mogelijk) de specifieke zorgplicht van toepassing (zie paragraaf 3.7).

3.7

Specifieke zorgplicht Vanuit de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor soorten. De specifieke zorgplicht schrijft voor dat nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen en beperkt moeten worden. Dit betekent dat er bij de uitvoering van het project voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden om invulling aan deze specifieke zorgplicht te geven (zie ook bijlage 1, kader B1.2). De specifieke zorgplicht geldt voor alle van nature in het wild voorkomende flora en fauna. In voorliggende situatie betreft het soorten uit de soortgroepen zoogdieren en vogels. De graaf- en bouwwerkzaamheden kunnen nadelige gevolgen hebben voor (belangrijke leefgebieden van) die soorten (nesten, foerageerplaatsen, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en eieren). Met onderstaande maatregelen wordt invulling gegeven aan de specifieke zorgplicht voor soortbescherming. Geadviseerd wordt om de maatregelen tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden vast te leggen in een logboek (zie voor een voorbeeld bijlage 2). Met behulp van het logboek kan in geval van handhaving worden aangetoond dat er zorgvuldig en conform de specifieke zorgplicht wordt gewerkt. • De werkzaamheden worden bij voorkeur uitgevoerd buiten het broedseizoen.

Indien werkzaamheden in de periode half februari tot half december worden opgestart wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole door een ecologisch deskundige uit te laten voeren. • De werkzaamheden worden bij voorkeur uitgevoerd buiten de kwetsbare periode van de meeste zoogdieren. Normaliter zijn de maanden september en oktober de meest geschikte maanden om werkzaamheden uit te voeren. • Om verstoring van nachtactieve dieren, zoals vleermuizen te voorkomen, worden de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd en worden eventuele bouwlampen niet op bomen en bosranden gericht. • Bij het uitvoeren van de werkzaamheden wordt één kant op gewerkt. Hierbij wordt stapvoets gereden zodat dieren kunnen wegvluchten. • Bouwmateriaal en materieel wordt zoveel mogelijk geplaatst op bestaande verharding in plaats van op en in het groen. Waar mogelijk wordt vegetatie gespaard. • Er wordt waar mogelijk materieel ingezet met een zo minimaal mogelijke footprint, zoals een minikraan en machines met beperkte stikstofemissies (stage IV of elektrisch).

21

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

• Gebiedsdelen waar geen werkzaamheden zijn gepland, worden niet betreden. • Werkzaamheden op een bepaalde werklocatie worden in een zo kort mogelijk tijdbestek en zoveel mogelijk aaneengesloten uitgevoerd.

22

Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsPumptrack PumptrackZwolle-Zuid Zwolle-Zuid

4. Natura 2000-gebieden 4.1

Algemeen Het projectgebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Rijntakken op 500 meter afstand van projectlocatie C en 1 kilometer afstand van projectlocatie A en B. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 1,6 kilometer afstand. Directe nadelige gevolgen, waaronder betreding en oppervlakteverlies van habitattypen en leefgebieden van soorten, worden vanwege de afstand tussen het projectgebied en omliggende Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten. Indirecte (uitstralende) effecten door bijvoorbeeld licht of geluid worden eveneens uitgesloten, gezien de aard en omvang van het project en de afstand tot habitattypen en leefgebieden van soorten. Alleen indirecte nadelige gevolgen door stikstofdepositie (verzuring en/of vermesting) kunnen niet op voorhand worden uitgesloten, gezien de reikwijdte van stikstofdepositie.

Figuur 4.1 De ligging van het projectgebied (rood omlijnd) ten opzichte van Natura 2000-gebied Rijntakken (blauw). Kaartondergrond: TopoRD/ESRI.

23

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

4.2

Stikstofdepositie De activiteiten in het projectgebied kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden. Een teveel aan stikstof kan leiden tot verzuring en vermesting van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebied(en). Hoewel een toename van stikstofdepositie hier niet verwacht wordt is een zogenoemde stikstofberekening met het rekenmodel AERIUS Calculator noodzakelijk om te kunnen beoordelen of er vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet nodig zijn.

4.3

Specifieke zorgplicht Natura 2000 Vanuit de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor Natura 2000 (zie ook bijlage 1, kader B1.3). De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-activiteiten maar ook voor activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden, maar die niet significant zijn (zoals verstorende of verslechterende gevolgen). Uit voorgaande paragrafen blijkt dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden, waardoor er bij voorliggend project geen vervolgstappen aan de orde zijn in het kader van de specifieke zorgplicht Natura 2000. Een eventuele uitzondering hierop geldt voor de mogelijke nadelige gevolgen door stikstofdepositie. Aanvullend onderzoek moet uitwijzen of dit aan de orde is (zie paragraaf 4.2).

24

Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsPumptrack PumptrackZwolle-Zuid Zwolle-Zuid

5. Houtopstanden Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Een houtopstand buiten de bebouwingscontour houtkap is (in veel gevallen) beschermd door de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (zie ook bijlage 1 kader B1.4). Dit geldt niet voor houtopstanden die een kleinere oppervlakte grond beslaan dan 10 are, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of minder bomen omvat. Er gelden nog diverse andere uitzonderingen (zie kader 5.1). Enkel binnen locatie A bevindt zich een boom die wellicht moet wijken om ruimte te maken voor de pumptrack (zie figuur 1.2). Deze locatie ligt (net als locatie B) binnen de bebouwingscontour houtkap. Locatie C ligt wel buiten de begrenzing van de bebouwingscontour houtkap van de gemeente Zwolle (zie figuur 5.1), maar hier worden geen bomen gekapt. In voorliggende situatie is dan ook geen sprake van - kap van - door het Bal beschermde houtopstanden. NB: Behalve dat houtopstanden beschermd kunnen zijn door rijksregels, kunnen ook gemeentelijke regels van toepassing zijn op het vellen van bomen. Toetsing aan gemeentelijke regels is geen onderdeel van dit rapport. Meer informatie hierover is beschikbaar via gemeente Zwolle.

Kader 5.1 Houtopstanden waarvoor de regels uit het Bal niet van toepassing zijn Voor onderstaande houtopstanden zijn de beschermingsregels uit het Bal niet van toepassing: • Houtopstanden op erven en in tuinen; • Bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld; • Houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen; • Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, als deze niet ouder zijn dan 20 jaar; • Kweekgoed; • Uit populieren of wilgen bestaande: - wegbeplantingen; - beplantingen langs waterwegen; en - eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; • Het dunnen van een houtopstand voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand; • Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa als zijn: - ten minste eens per 10 jaar worden geoogst; - bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid, die bestaat uit aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 meter; en - zijn aangelegd na 1 januari 2013; • Houtopstanden die en kleinere oppervlakte grond beslaan dan 10 are, of bestaan uit een rijbeplanting die 20 of minder bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Bron: artikel 11.111, tweede lid, onder a t/m j, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

25

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

Figuur 5.1 Ligging van de locaties van het projectgebied (rode stippen) ten opzichte van de bebouwingscontour houtkap (rood). Kaartondergrond: PDOK.

26

Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsPumptrack PumptrackZwolle-Zuid Zwolle-Zuid

Geraadpleegde bronnen Literatuur BIJ12 (2017). Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12 (2024a). Juridisch Kader behorende bij de Kennisdocumenten Soorten, versie 2.0 januari 2024. BIJ12, Utrecht. BIJ12 (2024b). Kennisdocument kleine marterachtigen Bunzing - Hermelijn – Wezel. Versie 1.0 januari 2024. BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S. K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center &EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Stadswerk (2025). Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025 voor ruimtelijke ontwikkeling of inrichting en bestendig beheer of onderhoud.

Internet BIJ12 (2025a). Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming. (https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/) BIJ12 (2025b). Informatiekaart natuur (IKN) (https://atlas.bij12.nl/WebViewer/index.html?viewer=ikn_pub). Laatste raadpleging op 25 november 2025. NDFF (2025). Nationale databank flora en fauna. Uitvoerportaal (https://ndff-ecogrid.nl). Laatste raadpleging 18 november 2025. RAVON (2025). Website met soortinformatie over de Nederlandse reptielen, amfibieën en vissen (http://www.ravon.nl). Laatste raadpleging 25 november 2025. Sovon (2025). Website met soortinformatie over de Nederlandse vogels (http://www.sovon.nl). Laatste raadpleging 18 november 2025. Zoogdiervereniging (2025). Website met soortinformatie over de Nederlandse zoogdieren (http://www.zoogdiervereniging.nl). Laatste raadpleging 18 november 2025. Vlinderstichting (2025). Website met soortinformatie over de Nederlandse vlinders en libellen (https://www.vlinderstichting.nl). Laatste raadpleging 18 november 2025.

27

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

Bijlagen

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

Bijlage 1 Natuur in de Omgevingswet: wettelijke kaders Kader B1.1: Algemene zorgplicht Algemene zorgplicht (Afd 1.3 Omgevingswet) De Omgevingswet kent een algemene zorgplicht, uitgewerkt in de artikelen 1.6, 1.7 en 1.7a van de Omgevingswet. Deze geeft aan dat eenieder (overheden, bedrijven en burgers) verantwoordelijk is voor een veilige en gezonde leefomgeving, door nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk te voorkomen, te beperken en ongedaan te maken. Het bevat ook een algemeen verbod op het verrichten van activiteiten die leiden tot aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. In principe geldt de algemene zorgplicht altijd, tenzij er een specifieke zorgplicht is uitgewerkt voor bepaalde activiteiten.

Kader B1.2: Flora en fauna Specifieke zorgplicht flora en fauna In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een specifieke zorgplicht opgenomen voor alle in het wild levende dieren en planten, met inbegrip van de relevante directe leefomgeving van soorten (foerageergebied, rustplaatsen). Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht (zie kader B1.1). Iedereen die een activiteit uitvoert met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten (‘flora- en fauna-activiteit’), moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.27 lid 1 van het Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. In het tweede lid onder a is er met betrekking tot de reikwijdte van de zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat onderzoek wordt verricht naar het voorkomen van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn. Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende:

• Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I VR en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 lid 2 van de VR; • Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V van de HR; • dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; • nationaal beschermde soorten (bijlage IX van het Bal). De kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten is dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Ook in art. 11.27, tweede lid, van het Bal wordt verwezen naar passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen. Een voorbeeld van een dergelijke maatregel is het werken in de minst kwetsbare periode van soorten. In art. 11.27, tweede lid, onder b, van het Bal wordt aangegeven dat er moet worden ‘vastgesteld’ of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te hebben voldaan, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een quickscan of nader onderzoek wordt vastgelegd.

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

Flora- en fauna-activiteit Bij het uitvoeren van activiteiten in de leefomgeving moet op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet beoordeeld worden of sprake is van: 1. een flora- en fauna-activiteit en 2. of voor de gevolgen van een flora- en fauna-activiteit een omgevingsvergunningplicht geldt. Een flora- en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn de handelingen genoemd waarvoor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit vereist is ten aanzien van de daarin genoemde beschermde dieren en planten in het wild. Het betreft de bescherming van: Vogels zoals genoemd in de Vogelrichtlijn (artikel 11.37 van het Bal), in de praktijk vaak onderverdeeld in: – Vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, gierzwaluw en buizerd. – Overige vogels, waarvan nesten alleen tijdens het broedseizoen zijn beschermd (periode van nestbouw, eileg, broeden en voeren van de jongen op het nest).

• Soorten (exclusief vogels) van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I), zoals bedoeld in artikel 11.46 van het Bal. • Andere soorten (artikel 11.54 van het Bal), onderverdeeld in:

– Soorten waarvoor een omgevingsvergunning vereist kan zijn (bijlage IX van de HR). – Soorten waarvoor -op basis van de betreffende provinciale verordening- vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt (artikel 11.56 van het Bal). Als bij ruimtelijke ingrepen verbodsbepalingen worden overtreden dan is het noodzakelijk om een omgevingsvergunning aan te vragen bij het bevoegd gezag, tenzij gewerkt kan worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of activiteit plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning moet zijn beschreven hoe de initiatiefnemer ervoor zorgt dat schade aan beschermde soorten tot een minimum beperkt blijft, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn, dat alternatieven ontbreken, aan welk wettelijk belang wordt voldaan en dat de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort niet in gevaar komt. Voorafgaand aan het vaststellen van een plan moet in het geval van schadelijke handelingen zijn beoordeeld of er zicht is op het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. Als aantoonbaar zicht is op het verkrijgen van een omgevingsvergunning kan het plan worden vastgesteld.

Kader B1.3: Natura 2000-gebieden Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000-gebieden (en bijzondere nationale natuurgebieden) (art. 11.6 van het Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6 lid 1 van het Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. Er moet worden nagegaan of nadelige gevolgen op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, dan verplicht de specifieke zorgplicht om met betrekking tot deze mogelijke gevolgen passende preventieve maatregelen te nemen (art. 11.6 lid 2 onder d van het Bal), of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen (art. 11.6 lid 2 onder f van het Bal). Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de effectiviteit van deze maatregelen worden gemonitord.

De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-activiteiten maar ook voor activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden, maar die niet significant zijn (zoals verstorende of verslechterde gevolgen). Natura 2000-activiteit De Omgevingswet regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bestaande uit Habitatrichtlijngebieden (HR) en Vogelrichtlijngebieden (VR). Bij een project moet beoordeeld worden of sprake is van een ‘Natura 2000-activiteit’. Dat is een ‘activiteit (het realiseren van een project) die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’. Of sprake is van een Natura-2000-activiteit wordt onderzocht in een voortoets. Een Natura 2000-activiteit is vergunningplichtig (art. 5.1 lid 1 van de Ow). De term ‘Natura 2000-activiteit’ geldt alleen voor projecten. Voor plannen is er een ander afwegingskader dat, hoewel vergelijkbaar met een Natura 2000-activiteit, elders in het stelsel Omgevingswet is verankerd. Een plan mag volgens art. 10.24 Bkl worden

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

vastgesteld als uit een passende beoordeling, bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid, van de Omgevingswet de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Als er uit de voortoets naar voren komt dat de activiteit geen ‘Natura 2000-activiteit’ is, of als er sprake is van een vergunningsvrij geval, is er mogelijk nog wel sprake van een ‘activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied’. Hoewel voor deze type activiteit geen vergunningplicht geldt, blijft de specifieke zorgplicht voor deze activiteiten van toepassing.

Kader B1.4: Houtopstanden Specifieke zorgplicht houtopstanden In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een specifieke zorgplicht opgenomen voor houtopstanden (art. 11.116 van het Bal). Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht (zie kader B1.1). Iedereen die een activiteit uitvoert waarbij een beschermde houtopstand wordt geveld en grond wordt herbeplant, moet nadelige gevolgen voor de natuurbescherming, het bosareaal en landschappelijke waarden zoveel mogelijk voorkomen, en voor zover dat niet mogelijk is moeten gevolgen worden beperkt of ongedaan gemaakt (art. 11.116 van het Bal). Houtopstanden Afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt de bescherming van houtopstanden. Een bij het Bal beschermde houtopstand betreft een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen, én die zich bevindt buiten de bebouwingscontour houtkap. De bebouwingscontour houtkap (art. 11.111 lid 2 van het Bal) is (door de gemeente) vastgelegd in een omgevingsplan (art. 5.165b van het Bkl).

In bepaalde gevallen is er - ondanks dat aan genoemde voorwaarden voldaan wordt - alsnog geen sprake van een beschermde houtopstand, bijvoorbeeld wanneer deze zich bevindt op een erf of in een tuin (art. 11.111 lid 2 van het Bal). Voor het vellen (van een deel) van een beschermde houtopstand geldt een meldplicht (art. 11.126 van het Bal) en herplantplicht (art. 11.129 van het Bal). Het voornemen tot velling moet tijdig gemeld worden bij bevoegd gezag; waarbij de termijn bepaald wordt door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep plaatsvindt (art. 11.113 van het Bal), soms is dat het Rijk (art. 11.114 onder a van het Bal). Binnen drie jaar moet dezelfde grond op bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn herbeplant (art. 11.129 van het Bal). Provinciale staten kunnen in de omgevingsverordening regels opnemen over de melding en de herplant, zoals herplant op andere gronden dan waar de (deels) gevelde opstand stond.

Quickscan natuurtoets Pumptrack Zwolle-Zuid

Bijlage 2 Ecologisch logboek Handeling

Datum

Locatie

Paraaf ecologisch toezichthouder

Eventuele bijzonderheden/opmerkingen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=68786dbe-6c5f-4b3d-a969-47c51d3b5f6c