CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

17. Aanmeldingsnotitie vormvrije mer-beoordeling

Raad Besluitvormingsronde 23 september 2024, gemeente ZwolleBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg5.529 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanmeldingsnotitie Hoogspanningsstation Hessenpoort Zwolle

Datum: 15-11-2023 Projectnummer: 51014229 Versie: D1 Auteur: Geanonimiseerd Gecontroleerd door: Geanonimiseerd Documentnummer: NL23-648800269-64361

1

Inleiding

TenneT versterkt in heel Nederland het elektriciteitsnetwerk. Dit is nodig omdat het elektriciteitsgebruik in ons land stijgt en omdat we steeds meer duurzame energie opwekken. Steeds meer mensen hebben een elektrische auto, gaan elektrisch koken of verwarmen hun huis elektrisch. Daarnaast stijgt het aanbod van energie uit duurzame bronnen zoals windmolens en zonneparken. Onder de naam 'Drents Overijsselse Netversterking' (hierna: DON) versterkt TenneT, samen met de regionale netbeheerders Enexis Netbeheer en Rendo, het elektriciteitsnetwerk in Zuidwest-Drenthe en Noordwest-Overijssel. Voorliggend plan maakt deel uit van de DON. Het betreft de uitbreiding van het bestaande 110-220-380 kV hoogspanningsstation Hessenpoort aan de Berkummerbroekweg 24-26 in Zwolle, inclusief benodigde inlussingen op het hoogspanningsnetwerk. De uitbreiding van het hoogspannigsstation Hessenpoort bij Zwolle is gelegen op gemeentegrens met Gemeente Dalfsen. In figuur 1.1 is de geografische ligging van het hoogspanningsstation weergegeven. De uitbreiding past niet binnen de twee vigerende bestemmingsplannen. Daarom worden er twee nieuwe bestemmingsplannen opgesteld. Om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming van deze bestemmingsplannen, moet worden getoetst of in het kader van deze ontwikkeling een milieueffectrapportage1 nodig is.

Uit het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) volgt dat voor deze ontwikkeling een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd.

1

Milieueffectrapportage wordt afgekort als m.e.r. als het om de procedure gaat en als MER als het om het rapport gaat.

Sweco

Postbus 4381

Sweco Nederland B.V.

Geanonimiseerd

NL 3006 AJ Rotterdam

Handelsregister 30129769

Netherlands

Statutair gevestigd te De Bilt

T +31 (0) 88 811 6600 www.sweco.nl

Document referentie NL23-648800269-64361

1/15

15-11-2023 Versie: D1

Figuur 1.1 |

= Geografische ligging van het hoogspanningsstation Hessenpoort

In deze aanmeldingsnotitie is de benodigde informatie voor de vormvrije m.e.r.beoordeling van de voorgenomen activiteit opgenomen. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de voorgenomen activiteit (hoofdstuk 2), de m.e.r.beoordelingsprocedure (hoofdstuk 3) en de potentiële effecten van de voorgenomen activiteit.

2

Voornemen

Het planvoornemen betreft de uitbreiding van het bestaande 110-220-380 kV hoogspanningsstation Hessenpoort aan de Berkummerbroekweg 24-26 in Zwolle, inclusief benodigde inlussingen op het hoogspanningsnetwerk. Het huidige hoogspanningsstation wordt uitgebreid met: •

Een nieuw 110kV station ten noorden van de Berkummerbroekweg.

•

Een nieuw 110kV station ten zuidwesten van het bestaande 110/220kV station ter vervanging van het bestaande 100kV station.

•

Uitbreiding huidige 380 kV station tot aan de N340.

In figuur 2.1 is een overzicht van alle uitbreidingen en aanpassingen opgenomen. Het planvoornemen ligt grotendeels in de gemeente Zwolle. De nieuwe inlussing en een klein deel van de uitbreiding van het 380 kV station vinden voor een deel plaats in de gemeente Dalfsen. Daarom zijn voor deze ontwikkeling twee bestemmingsplannen opgesteld.

Document referentie NL23-648800269-64361

2/15

15-11-2023 Versie: D1

Figuur 2.1 | Locatie plangebied (blauw) en overzichtstekening met elementen planvoornemen.

Document referentie NL23-648800269-64361

3/15

3

Toets aan het Besluit m.e.r.

3.1

Welke m.e.r.-procedure is van toepassing

15-11-2023 Versie: D1

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieu een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.)2 geeft aan of voor een project een m.e.r.plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing is. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in de C-lijst van het Besluit m.e.r., geldt de zogenoemde m.e.r.plicht voor besluiten genoemd in kolom 4. Activiteiten in bijlage C worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in bijlage D van het Besluit m.e.r., geldt voor een ‘besluit’ genoemd in kolom 4, de zogenoemde m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor activiteiten in bijlage D geldt dat zij, afhankelijk van de omstandigheden, nadelige milieugevolgen kunnen hebben. Het planvoornemen betreft een activiteit die valt onder de aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding (C 24 en D24.1) en de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein (D 11.3). Het Besluit m.e.r. geeft onder ‘gevallen’ per activiteit aan wat de relevante (indicatieve) drempel is voor een m.e.r.-(beoordelings)plicht (zie tabel 3.1).

Tabel 3.1 | Activiteiten C24, D24.1 en D11.3 uit het Besluit milieurapportage (d.d. 04-09-2023)

C 24

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met:

De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet.

De besluiten waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn.

De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet.

Het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

1.een spanning van 220 kilo volt of meer, en 2.een lengte van 15 km of meer.

D 24.1

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding.

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met:

1°. een spanning van 150 kilovolt of meer, en 2°. een lengte van 5 kilometer of meer in een gevoelig gebied.

2

Het ontwerp bestemmingsplan wordt voor 1 januari 2024 ter inzage gelegd. Daarom is de huidige wet- en regelgeving van toepassing en niet de Omgevingswet die vanaf 1 januari 2024 in werking treedt.

Document referentie NL23-648800269-64361

4/15

D 11.3

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 ha of meer

De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

15-11-2023 Versie: D1

Met het planvoornemen worden de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet overschreden, aangezien het niet gaat om een leidingtracé van meer dan 15 km (C 24) of 5 km (D 24.1) en het plangebied kleiner is dan 75 ha (D 11.3).

Figuur 3.1 schematische weergave te doorlopen m.e.r.-procedure

Op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieueffectenbeoordeling dient te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, in dit geval middels een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. Pas als is vastgesteld dat belangrijk nadelige gevolgen zijn uitgesloten, geldt voor de activiteit geen m.e.r.-plicht.

3.2

Te volgen procedure

Met deze aanmeldingsnotitie verzoekt de initiatiefnemer TenneT de gemeenten Zwolle en Dalfsen om te beoordelen of een m.e.r. nodig is (conform artikel 7.16 Wet milieubeheer). In deze aanmeldingsnotitie is de benodigde informatie opgenomen die voor deze beoordeling nodig is. De vormvrije m.e.r.beoordelingsbeslissing wordt opgenomen in het ontwerp van het moederbesluit of -plan (in dit geval het bestemmingsplan). Het bevoegd gezag neemt uiterlijk zes weken na ontvangst van de mededeling en deze aanmeldingsnotitie een m.e.r.-beoordelingsbeslissing. Het besluit wordt niet apart gepubliceerd in de Staatscourant3. Op het ontwerp van het bestemmingsplan is inspraak mogelijk. De vormvrije m.e.r.-beoordeling staat daarmee in die procedure open voor reacties: in de zienswijzen kan ook worden ingegaan op de vormvrije m.e.r.-beoordeling en de beslissing dat het bevoegd gezag daarover heeft genomen.

3

Dit is bepaald in het Besluit m.e.r. in artikel 2.5 onder b.

Document referentie NL23-648800269-64361

5/15

3.3

Doel van de aanmeldingsnotitie

15-11-2023 Versie: D1

Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient het bevoegd gezag expliciet te beoordelen of zij het noodzakelijk acht om de m.e.r.-procedure te doorlopen. Er kunnen twee uitkomsten zijn: •

Belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden  er dient een m.e.r.-procedure doorlopen worden.

•

Belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op  er wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure wordt doorlopen.

Het uitgangspunt bij deze beoordeling is: Nee, tenzij …. (zie hiervoor verder kader 3.1). Dit uitgangspunt betekent dat er geen nadere m.e.r.-(beoordeling) nodig is, tenzij er sprake is van mogelijke ‘belangrijke nadelige gevolgen’ voor het milieu op basis waarvan een dergelijke procedure wel noodzakelijk moet worden geacht. Deze ‘belangrijke nadelige gevolgen’ moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. Het project dient te worden getoetst aan: 1. Kenmerken van de activiteit: a. Omvang van het project. b. Cumulatie met andere projecten. c. Gebruik natuurlijke hulpbronnen. d. Productie afvalstoffen. e. Verontreiniging en hinder. f. Risico op zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering. g. Risico’s voor de menselijke gezondheid. 2. Plaats van de activiteit: a. Bestaand grondgebruik. b. Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied. c. Opnamevermogen milieu met aandacht voor specifieke gevoelige gebieden. 3. Kenmerken van het potentiële effect: a. De orde van grootte en het ruimtelijk bereik van het effect. b. De aard van het effect. c. Grensoverschrijdend karakter. d. Intensiteit en complexiteit effect. e. Waarschijnlijkheid effect. f. Verwachte aanvang, duur, frequentie en omkeerbaarheid effect. g.

De cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten. h. De mogelijkheid om effecten doeltreffend te verminderen. In hoofdstuk 4 wordt de toetsing behandeld. Eerst wordt een beschrijving gegeven van de kenmerken van de activiteit en de plaats van de activiteit en de potentiële effecten die daaruit naar voren komen. Vervolgens wordt ingegaan op de kenmerken van de gevolgen van deze effecten. Hierbij wordt gekeken of er sprake is van mogelijk (belangrijke) nadelige milieugevolgen en of er verzachtende mitigerende maatregelen kunnen worden genomen om eventueel het milieueffect te verminderen of teniet te doen.

Document referentie NL23-648800269-64361

6/15

15-11-2023 Versie: D1

KADER 3.1: UITLEG AANMELDINGSNOTITIE Zoals aangegeven is het uitgangspunt bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling het ‘nee, tenzij’ principe. Dit heeft gevolgen voor inhoud en diepgang van deze aanmeldingsnotitie. In dit kader wordt kort toegelicht hoe deze aanmeldingsnotitie is opgebouwd en op welke wijze naar de inhoud moet worden gekeken. Waarom Nee, tenzij? Dat het ‘nee, tenzij’ principe geldt, vloeit voort uit het feit dat het een activiteit betreft uit de D-lijst van het Besluit m.e.r., waarvoor tevens geldt dat de activiteit onder de drempelwaarde ligt zoals in deze D-lijst genoemd. In het Besluit m.e.r. zijn alle activiteiten die mogelijk gevolgen hebben op het milieu verdeeld over twee lijsten: de C en de D lijst. Activiteiten uit de C-lijst worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor deze activiteiten geldt dan ook een directe m.e.r.-plicht. Voor activiteiten uit de D-lijst geldt dat deze afhankelijk van de omstandigheden nadelige milieugevolgen kunnen hebben. Wanneer de activiteit op de D-lijst staat én onder de drempelwaarde blijft zoals in die lijst opgenomen, is de verwachting dat deze activiteit waarschijnlijk geen belangrijk nadelige milieugevolgen oplevert. Op voorhand geldt voor deze activiteiten daarom ook geen m.e.r.-plicht.

Dit moet echter wel worden getoetst middels de vormvrije m.e.r.-beoordeling. In bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang namelijk wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Dat kan bijvoorbeeld doordat die activiteit in of bij een kwetsbaar gebied is gepland. Inhoud aanmeldingsnotitie Voor een aanmeldingsnotitie die wordt opgesteld in het kader van de vormvrije m.e.r.beoordeling bestaan geen vereisten voor de diepgang van het onderzoek. In de meeste gevallen kan de vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gebaseerd op ‘expert judgement’, zonder (model)berekening of (veld)onderzoek. Het uitgangspunt is dat de aanmeldingsnotitie kort en bondig is en alleen inzoomt op die kenmerken en gevolgen die mogelijk kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu. In veel gevallen zal snel helder zijn dat een activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft (vanwege grote afstand tot gevoelige gebieden, de locatie en de omgeving hebben geen bijzondere kenmerken waardoor er een verwaarloosbare kans is op belangrijke nadelige effecten, de activiteit leidt niet tot grote emissies, heeft een klein ruimtebeslag e.d.). Dan is ook geen uitgebreide motivering nodig: er wordt dan beknopt beschreven dat naar alle Europese criteria is gekeken.

Document referentie NL23-648800269-64361

7/15

4

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

1. Kenmerk van het project

Hoogspanningsstation Hessenpoort

Omvang van het project (relatie met drempel D lijst)

Het planvoornemen betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding (C 24 en D24.1) en de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein (D 11.3). De grenswaarden die voor deze activiteiten worden gehanteerd zijn:

15-11-2023 Versie: D1

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met: 1. 2.

Een spanning van 220 kilovolt of meer (C 24) / een spanning van 150 kilovolt (D 24.1), en Een lengte van 15 km of meer (C 24) / 5 km of meer in gevoelig gebied (D 24.1).

En in gevallen waarin de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein betrekking heeft op een oppervlakte van 75 ha of meer (D 11.3). Het voornemen blijft ruim onder de grenswaarden, er is dus sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Cumulatie met andere projecten

Er zijn zover bekend geen projecten in de omgeving bekend die cumulatieve effecten kunnen hebben op voorliggend voornemen.

Gebruik natuurlijke hulpbronnen4

Bij de bouw van het hoogspanningsstation wordt geen gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen uit de omgeving. Eventueel bij de werkzaamheden vrijgekomen grond wordt afgevoerd of elders gebruikt, bijvoorbeeld als ophoging. Het huidige gebruik van het plangebied is agrarisch of bos. Ten behoeve van de activiteit dient een gedeelte van dit bos te worden gekapt. De effecten van het planvoornemen hierop worden beschreven in onderdeel 3: ‘kenmerken van het potentiële effect’.

Productie afvalstoffen5

Bij de bouw van het hoogspanningsstation komt bouwafval vrij. (bouw)Afval wordt conform geldende wet- en regelgeving afgevoerd. In de gebruiksfase komen geen afvalstoffen vrij.

Verontreiniging en hinder

Verontreiniging Aanlegfase Tijdens de bouw kan als gevolg van bouwverkeer en de werkzaamheden tijdelijk een beperkte en lokale verslechtering van de luchtkwaliteit optreden. De effecten van het planvoornemen worden beschreven in onderdeel 3: ‘kenmerken van het potentiële effect’. Bodem(water)verontreiniging Sweco heeft in 2023 verkennend onderzoek uitgevoerd naar de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem op de locatie van het planvoornemen. Uit het onderzoek blijkt dat er enkele

4

Toelichting: Van gebruik van natuurlijke hulpbronnen kan sprake zijn als een ontwikkeling gevolgen heeft voor op, of in de nabijheid van, de locatie aanwezige natuurlijke hulpbronnen. Denk bijvoorbeeld aan de onttrekking van grondwater of het delven van grondstoffen zoals zand of klei. Ook het kappen van bos als leefomgeving voor dieren of recreatiegebied voor mensen valt hieronder. Dit criterium is vooral van belang bij industriële activiteiten. 5 Afvalstoffen zijn stoffen (preparaten of voorwerpen) waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen (artikel 1.1, lid 1 Wet milieubeheer). Nadelige milieugevolgen kunnen ontstaan bij het vrijkomen van gevaarlijke afvalstoffen.

Document referentie NL23-648800269-64361

8/15

verontreinigingen aanwezig zijn. De effecten van het planvoornemen worden beschreven in onderdeel 3: ‘kenmerken van het potentiële effect’.

15-11-2023 Versie: D1

Hinder Aanlegfase Tijdens de aanleg kan als gevolg van het bouwverkeer en de werkzaamheden lokaal een beperkte verkeers- en geluidhinder optreden. Ook in de gebruiksfase is er sprake van een verkeerstoename. De effecten van het planvoornemen worden beschreven in onderdeel 3: ‘kenmerken van het potentiële effect’. Geluidhinder De uitbreiding van het transformatorstation kan leiden tot een hogere geluidsemissie op nabijgelegen woningen. De effecten van het planvoornemen worden beschreven in onderdeel 3: ‘kenmerken van het potentiële effect’. Hinder door wateroverlast Met het planvoornemen wordt er circa 84.910 m2 verhard oppervlak gerealiseerd. Als gevolg van deze extra verharding kan de hinder door water toenemen omdat er onvoldoende infiltratie en bergingsmogelijkheid is. De effecten van het planvoornemen worden beschreven in onderdeel 3: ‘kenmerken van het potentiële effect’. Risico op zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering

Transformatorstations zijn geen risicovolle inrichtingen volgens het BEVI. Er wordt daarom geen risico op zware ongevallen verwacht.

Risico op de menselijke gezondheid

Risico’s op de menselijke gezondheid kunnen optreden als gevolg van een verslechtering van de luchtkwaliteit, een toename van de geluidsemissie of door risico’s met het werken met gevaarlijke stoffen. Deze aspecten worden meegenomen in de betreffende thema’s.

De kans op rampen als gevolg van klimaatverandering zoals overstromingen of het stedelijke hitte eiland effect zullen niet toenemen als gevolg van het planvoornemen.

2. Plaats van het Project Bestaande grondgebruik

Het huidige grondgebruik in het plangebied betreft, naast de reeds aanwezigen nutsvoorziening, agrarisch en bos. Op de uitbreidingslocaties geldt op dit moment voornamelijk de bestemming agrarisch en op een aantal plekken bos.

Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied.

De locatie heeft geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen.

Opnamevermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historisch cultureel belang of archeologische gebieden van belang.

Beschermde gebieden

Document referentie NL23-648800269-64361

Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, ‘Uiterwaarden Zwarte water en Vecht’ is gelegen op circa 950 meter ten zuidoosten van het projectgebied. Het projectgebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De effecten van het planvoornemen worden beschreven in onderdeel 3: ‘kenmerken van het potentiële effect’. In het gebied zijn bospercelen aanwezig. Het oppervlak is >0,1 ha, waardoor deze onder een beschermde houtopstand Wnb vallen. De effecten van het planvoornemen worden beschreven in onderdeel 3: ‘kenmerken van het potentiële effect’.

9/15

Soortenbescherming

15-11-2023 Versie: D1

Uit onderzoeken van Antea (februari en juni 2023) en Sweco (juni 2023) is gebleken dat binnen of in de omgeving van het plangebied mogelijk beschermede soorten kunnen voorkomen, zoals diverse vleermuissoorten, broedvogels, das, steenmarter, boommarter, poelkikker en grote modderkruiper. Daarnaast kan de aanwezigheid van beschermde flora niet volledig worden uitgesloten. De effecten van het planvoornemen worden beschreven in onderdeel 3: ‘kenmerken van het potentiële effect’. Landschappelijke en cultuurhistorische waarden Binnen of direct grenzend aan het plangebied komen geen cultuurhistorische structuren, objecten of landschappelijk waardevolle gebieden voor waar rekening mee gehouden dient te worden. Archeologie Het plangebied is op de Archeologische Waarderingskaart Zwolle aangegeven met een archeologische waarde van 10% wat gelijk staat aan ‘onbekend.’ Op basis van de geomorfologische kaart en Bodemkaart van Nederland wordt een lage verwachting vermoed. Sweco heeft archeologisch vooronderzoek uitgevoerd waaruit blijkt het gebied kan worden vrijgegeven van archeologisch onderzoek met de nadrukkelijke voorwaarde (op grond van artikel 5.10 uit de Erfgoedwet) dat archeologische toevalsvondsten worden gemeld bij Team Erfgoed van de Gemeente Zwolle.

Het deel van het plangebied gelegen op grondgebied van de gemeente Dalfsen is op de Archeologische Beleidskaart gemeente Dalfsen grotendeels gelegen in een zone met lage archeologische verwachting. Nader onderzoek in dit deel is niet vereist. Een klein deel van het plangebied heeft een middelhoge of hoge verwachting. In het bestemmingsplan zijn de regels die hiervoor gelden geborgd met een dubbelbestemming. Met deze dubbelbestemming is geborgd dat er geen belangrijke nadelige effecten kunnen optreden. Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Woongebieden De dichtstbijzijnde woonkern (Zwolle) ligt op circa 3 km afstand van het plangebied. In de directe omgeving liggen een aantal (woon)boerderijen met veelal een agrarische bestemming. Op basis van (1.) de kenmerken en (2.) de plaats van het project zijn de volgende mogelijk belangrijke gevolgen naar voren gekomen:    

Effecten met betrekking op gebruik natuurlijke hulpbronnen. Effecten met betrekking tot bodem(water)verontreiniging. Effecten met betrekking tot geluid- en waterhinder. Effecten op beschermde natuurgebieden en soortenbescherming.

Op deze gevolgen wordt bij ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’ ingegaan. Overige belangrijk nadelige gevolgen zijn niet te verwachten 3. Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking)

Document referentie NL23-648800269-64361

Potentiële effecten zullen slechts lokaal optreden, in het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied. Door het beperkt aantal woningen in de omgeving zullen effecten slechts op enkele woningen optreden.

10/15

De aard van het effect

De effecten kunnen geclassificeerd worden in tijdelijke effecten (aanlegfase) en permanente effecten.

15-11-2023 Versie: D1

Tijdens de aanlegfase zal er voornamelijk sprake van overlast door sloop- en bouwwerkzaamheden. De permanente effecten hebben voornamelijk betrekking op een toename van de geluidsemissie en verharding als gevolg van het planvoornemen. Grensoverschrijdend karakter

Er zijn geen landsgrensoverschrijdende effecten.

Orde van grootte en complexiteit effect.

Effecten met betrekking op gebruik natuurlijke hulpbronnen. De bospercelen hebben een gezamenlijk oppervlak van >0,1 ha, waardoor deze onder beschermd houtopstand Wnb vallen. Voor het vellen van deze houtopstand geldt een herplantingplicht. Deze herplantingplicht houdt in dat er binnen drie jaar na het vellen van de beschermde houtopstand herplant moet worden. Indien wordt voldaan aan de herplantingplicht zijn de effecten op het gebruik van natuurlijke hulpbronnen beperkt aangezien deze weer worden aangevuld. Mogelijke gevolgen op soortenbescherming in relatie tot het vellen van de bospercelen wordt verderop toegelicht. Effecten met betrekking tot bodem(water)verontreiniging Sweco (2023) heeft een verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan worden hieronder toegelicht. Bodem Het hoogspanningsstation zal niet leiden tot verontreiniging van de bodem. Om te bepalen of er op het moment sprake is van verontreiniging in de bodem, is onderzoek uitgevoerd. Tijdens het veldwerk zijn geen bodemvreemde materialen aangetroffen die kunnen duiden op de aanwezigheid van asbest of bodemverontreiniging. Uit het bodemonderzoek blijkt dat alleen in de bovengrond plaatselijk licht verhoogde gehalten aan arseen zijn aangetoond. De grond voldoet indicatief aan de bodemkwaliteitsklasse AW2000 (Altijd Toepasbaar).

Dit betekent dat bij het toepassen van de grond elders geen belangrijk nadelige effecten te verwachten zijn. Op het gebied van bodemkwaliteit worden geen belangrijk nadelige effecten verwacht. Grondwater Het hoogspanningsstation zal niet leiden tot verontreiniging van het grondwater. Om te bepalen of er op het moment sprake is van verontreiniging in het grondwater, is onderzoek uitgevoerd. In het grondwater zijn fluctuerende concentraties aan zware metalen aangetoond (van licht tot plaatselijk sterk verhoogde concentraties aan met name barium en arseen). Dergelijk verhoogde concentraties komen in de regio vaker voor een hebben een natuurlijke oorsprong. Nader bodemonderzoek is niet noodzakelijk. Wel kan het zijn dat de gemeente/ Bevoegd gezag gebruiksadviezen opstelt op basis van dergelijk verhoogde concentraties. Mocht bij de werkzaamheden bemaling benodigd zijn, dan dient hiermee rekening gehouden te worden. Er worden geen belangrijk nadelige effecten verwacht op het grondwater. Waterbodem Het hoogspanningsstation zal niet leiden tot verontreiniging van de waterbodem. Om te bepalen of er op het moment sprake is

Document referentie NL23-648800269-64361

11/15

van verontreiniging in de waterbodem, is onderzoek uitgevoerd. Gezien het afwijkende gehalte aan PFOS in de westelijke watergang (WB12), is het vrijkomende baggerspecie geclassificeerd als Niet Toepasbaar. Op basis van dit resultaat geldt dat de vrijkomende waterbodem afgevoerd dient te worden naar een erkende verwerker.

15-11-2023 Versie: D1

Op grond van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de effecten beperkt zijn en dat geen belangrijk nadelige gevolgen voor het milieu verwacht worden. Effecten met betrekking tot geluidhinder Geluidhinder hoogspanningsstations De te realiseren inrichting valt onder milieucategorie 5.1 uit de VNG-uitgave ‘bedrijven en milieuzonering’. Voor deze categorie geldt een richtafstand van 500 meter voor het milieuaspect geluid. Voor ‘gemengd gebied’ geldt een richtafstand van circa 300 meter van de rand van het station. Omdat er woningen aanwezig zijn op circa 300 meter afstand heeft PEUTZ (2023) onderzocht of er in de toekomstige situatie bij de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit het onderzoek blijkt dat in de toekomstige situatie ter plaatse van de woningen over het algemeen langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus kunnen optreden van ten hoogste 40 dB(A) in de nachtperiode. Een en ander komt overeen met een etmaalwaarde van ten hoogste 50 dB(A). Hierbij is rekening gehouden met de toepassing van een toeslag van 5 dB voor het tonale karakter van het geluid. Hiermee wordt voldaan aan de toelaatbaar geachte waarde van 50 dB(A). Voor een 15-tal woningen in de directe omgeving geldt dat de cumulatieve geluidbelasting toeneemt tussen de 0,03 dB en 1,04 dB. Een dergelijke toename is in de praktijk niet of nauwelijks waarneembaar.

Ter plaatse van één woningen worden hogere etmaalwaarden berekend van 52 dB(A). Voor deze woning geldt dat op basis van het huidige vigerende bestemmingsplan en de daarin vastgelegde geluidzone voor het transformatorstation al een hogere geluidsbelasting mogelijk is. Ook bij deze woning is de toename als gevolg van de voorgenomen activiteit niet of nauwelijks waarneembaar. De maximale geluidniveaus (piekgeluidniveaus) worden uitsluitend veroorzaakt door het schakelen met vermogensschakelaars. Het maximale geluidsniveau is ten hoogste 56 dB(A) tijdens het schakelen. Er wordt voldaan aan de normaliter gehanteerde grenswaarden. Op grond van de berekende geluidniveaus, het beperkt aantal woningen die een toename van geluidhinder kunnen verwachten en de conclusie dat er sprake is van een beperkte geluidtoename die in de praktijk niet of nauwelijks hoorbaar zal zijn, is er geen sprake van belangrijk nadelige effecten. Geluidhinder verkeer Geluidhinder als gevolg van een verkeersaantrekkende werking wordt niet verwacht. De verkeersaantrekkende werking is in de gebruiksfase zo beperkt, dat dit niet tot een waarneembare geluidtoename leidt. In de aanlegfase kan bouwverkeer leiden tot een beperkte toename van geluid. Dit zal echter tijdelijk van aard zijn (verdeeld over een periode van circa 4 jaar wordt in verschillende periodes aan onderdelen van het nieuwe station gewerkt).

Laagfrequent geluid Voor laagfrequente geluiden geldt dat deze mogelijk wel toenemen, maar dat het niveau binnen de woningen niet leiden tot onaanvaardbare hinder. Belangrijke nadelige effecten als gevolg van laagfrequent geluid worden daarom niet verwacht.

Document referentie NL23-648800269-64361

12/15

Effecten met betrekking tot waterhinder

15-11-2023 Versie: D1

Met het planvoornemen neemt de verharding toe, waardoor wateroverlast toe kan nemen omdat hemelwater minder goed in de grond kan worden opgenomen. Watercompensatie in de vorm van waterberging is nodig om versnelde afvoer tegen te gaan. Het waterschap hanteert 80 mm berging per m2 nieuw verhard oppervlak, wat neerkomt op een waterbergingsopgave van 6.795 m3. In het landschappelijke inpassingsplan is ruimte vrijgekomen voor voldoende waterberging. Sweco heeft een eerste opzet gemaakt voor de landschappelijke inpassing van de bergingsopgave. Hieruit blijkt dat het benodigde ruimtebeslag voor waterberging in het plangebied aanwezig is. Verder uitwerking volgt in de vorm van een waterhuishoudkundig plan in afstemming met het waterschap en gemeente Zwolle. Daarnaast worden ook een secundaire watergang en drie overige watergangen gedempt. Het wateroppervlak dat door het dempen verloren gaat (106 m2), wordt elders in hetzelfde peilgebied gecompenseerd. Door realisatie van de bergingsopgave worden er geen belangrijk nadelige effecten verwacht met betrekking tot waterhinder. Effecten op beschermde natuurgebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, ‘Uiterwaarden Zwarte water en Vecht’ is gelegen op circa 950 meter ten zuidoosten van het projectgebied.

Gezien de relatief kleine en kortdurende ingreep, de afstand en tussenliggende afschermende elementen kunnen effecten door storingsfactoren zoals verdroging, versnippering, of verstoring door geluid, licht en trillingen op Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten. Het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht is een stikstofgevoelig natuurgebied. Uit een AERIUS berekening van Sweco (2023) blijkt er gedurende aanlegfase geen toename van de stikstofdepositie is die groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke negatieve effecten op het Natura 2000-gebied ten aanzien van het onderdeel stikstof. In de gebruiksfase leiden de ontwikkelingen niet tot wijzigingen in de stikstofdepositie. Effecten op soortenbescherming Sweco heeft in 2023 een bureaustudie uitgevoerd voor het gehele plangebied. Antea heeft een nadere bureaustudie, inclusief terreinbezoek, uitgevoerd naar de bospercelen. De resultaten hiervan worden hieronder toegelicht. Vleermuizen In en nabij het plangebied zijn waarnemingen bekend van vleermuizen. Tijdens het veldbezoek zijn geen geschikte holtes of loszittend bast in bomen aangetroffen die mogelijk kunnen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen.

Om verstoring van migrerende, overvliegende of foeragerende vleermuizen te voorkomen, dienen de werkzaamheden zo veel als mogelijk overdag uitgevoerd te worden en dient waar mogelijk tussen zonsondergang en zonsopgang geen directe werkverlichting of strooiverlichting (met uitzondering van voertuigen) toegepast te worden, die op bosjes, bomen en gebouwen kan schijnen. Voorafgaand aan bomenkap of de sloopt van gebouwen dient een inspectie jaarrond beschermde nestplaatsen en mogelijke geschikte vleermuisverblijven uitgevoerd te worden. Mits mitigerende maatregelen worden getroffen zoals verderop

Document referentie NL23-648800269-64361

13/15

beschreven, worden geen belangrijk nadelige effecten verwacht voor vleermuizen.

15-11-2023 Versie: D1

(Broed)vogels In het gebied kunnen mogelijke beschermde (broed)vogels voorkomen. Om verstoring van broedende vogels te voorkomen zullen de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd moeten worden. Als niet voorkomen kan worden om in het broedseizoen te werken, dient kort voor de uitvoering gecontroleerd te worden of sprake is van broedgevallen binnen de verstoringsafstand. Daarnaast kan geconcludeerd worden dat er in één bosperceel een jaarrond beschermd nest aanwezig is. Voor het verwijderen van een jaarrond beschermd nest is een ontheffing van het bevoegd gezag (provincie Overijssel) nodig. Zoogdieren De bospercelen worden gebruikt als foerageergebied door de steenmarter en mogelijk boommarter. Het verwijderen van een mogelijke verblijfplaats en essentieel foerageergebied van de steenmarter is in strijdt met de Wet natuurbescherming. Hiervoor dient een ontheffing te worden aangevraagd met daarin mitigerende en compenserende maatregelen. Amfibieën en vissen Voor de poelkikker en grote modderkuiper hebben de aanwezige wateren mogelijk een functie (leefgebied en voortplantingswater). Het plangebied valt binnen het verspreidingsgebied van de poelkikker. De dichtstbijzijnde waarnemen zijn op ruim 2 km afstand tot plangebied. Wegens deze afstand en het suboptimaal aanwezig habitat wordt deze soort niet in het plangebied verwacht.

Nabij het plangebied is wel een waarneming van de grote modderkruiper bekend. De watergangen rondom de bospercelen bevatten weinig slip en zijn dus ongeschikt voor de grote modderkruiper. In het verkennend natuuronderzoek van Sweco staan watergangen gemarkeerd die potentieel leefgebied van de grote modderkruiper kunnen zijn. in het planvoornemen worden enkel een secundaire watergang gedempt ten behoeve van de uitbreiding van het 380kv station. Dit betreft geen watergang die aangemerkt is als potentieel leefgebied van de grote modderkruiper. Conclusie De diverse onderzoeken hebben uitgewezen dat er effecten kunnen optreden op verschillende soorten. Er zijn in alle gevallen mitigerende en/of compenserende maatregelen mogelijk om het effect te beperken. Hiervoor dient een ontheffing te worden aangevraagd bij de provincie Overijssel. De verlening van de ontheffing borgt dat er voldoende maatregelen worden getroffen om belangrijk nadelige effecten te voorkomen. Waarschijnlijkheid effect

In de aanlegfase zullen effect als geluid-, verkeer- en trillinghinder vrijwel zeker optreden. Effecten op aanwezige soorten zijn onzeker. In de gebruiksfase zal er sprake zijn van een toename van geluidemissie en een toename van verhard oppervlak.

Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect

De aanlegfase leidt tijdelijk tot beperkte effecten (bouwverkeer, geluid, luchtkwaliteit), na de bouwfase verdwijnen deze effecten. Effecten gedurende bouwfase kunnen omgekeerd worden door de uitvoering te stoppen. Effecten in de gebruiksfase zijn permanent,

Document referentie NL23-648800269-64361

14/15

De cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten

Er zijn zover bekend geen projecten in de omgeving bekend die cumulatieve effecten kunnen hebben met voorliggen voornemen.

De mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen

Om de effecten met betrekking tot soortenbescherming te mitigeren dienen de volgende mitigerende maatregelen getroffen te worden: 

15-11-2023 Versie: D1

Door buiten het broedseizoen te werken, wordt verstoring van broedende vogels voorkomen. Als niet voorkomen kan worden om in het broedseizoen te werken, dient kort voor de uitvoering gecontroleerd te worden of sprake is van broedgevallen binnen de verstoringsafstand. Als dit het geval is moet worden gewacht tot de jongen het nest verlaten hebben. Voor het jaarrond beschermd nest en voor de steenmarter dient een ontheffing aangevraagd te worden met de daarbij behorende mitigerende maatregelen. De zorgplicht is van kracht voor zowel beschermde als vrijgestelde soorten die het plangebied passeren. Dit houdt voornamelijk in dat de werkwijze zo gekozen wordt dat aanwezige dieren het plangebied altijd kunnen verlaten. De toename van het verhard oppervlak dient conform de eisen van het waterschap te worden gecompenseerd. Dit zelfde geldt voor de te dempen watergangen. De gekapte bomen in de houtopstanden dienen te worden gecompenseerd.

Conclusie Gelet op de aard en omvang van de effecten in combinatie met de mitigerende maatregelen worden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht door het planvoornemen.

Document referentie NL23-648800269-64361

15/15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=837d4160-88a9-4a6e-b31f-f7fe03b73620