CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Verordening op de adviescommissies voor omgevingskwaliteit Zwolle met toelichting

Raad Besluitvormingsronde 27 november 2023, gemeente ZwolleBij agendapunt: Verordening gemeentelijke adviescommissies5.639 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verordening op de adviescommissies voor omgevingskwaliteit Zwolle Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - commissies: gemeentelijke adviescommissies als bedoeld in artikel 17.9 van de wet, genaamd: o Adviescommissie voor omgevingskwaliteit Zwolle; o Adviescommissie voor omgevingskwaliteit Spoorzone. - de wet: de Omgevingswet. - goede omgevingskwaliteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.3 van de wet. Artikel 2. Afbakening De adviescommissie voor omgevingskwaliteit Spoorzone adviseert over het gebied als aangegeven op het kaartbeeld in de bijlage (Programma Spoorzone) bij deze verordening. De adviescommissie voor omgevingskwaliteit Zwolle is voor het overig deel van het grondgebied van de gemeente Zwolle adviseur. Indien aan de orde en voor zover nodig, vindt er afstemming plaats tussen beide commissies. Paragraaf 2. Adviestaak Artikel 3. Taak en werkzaamheden 1. De commissies hebben als taak de raad en burgemeester en wethouders te adviseren bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden op grond van de wet met het oog op het bereiken, in stand houden en versterken van een goede omgevingskwaliteit en al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.

Dit betreft onder andere advisering ten aanzien van beleidsontwikkeling, opgavegerichte advisering, ontwerpgerichte advisering en beoordelingsgerichte advisering. 2. Ter uitvoering van haar taak zijn burgemeester en wethouders verplicht de commissies advies te vragen over: a. een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een (voorbeschermd) monument; b. een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument; c. een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in geval een commissie in het omgevingsplan als adviseur is aangewezen; d. het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aanwijzen van een onroerende zaak als rijksmonument ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Erfgoedwet; e. het aan een locatie geven, wijzigen of intrekken van de functie-aanduiding gemeentelijk monument op grond van artikel 4.2, eerste lid, van de wet. 3. Ter uitvoering van haar taak kunnen burgemeester en wethouders de commissies advies vragen over: a. een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor een andere activiteit dan genoemd in het tweede lid, met het oog op het bereiken, in stand houden of versterken van een goede omgevingskwaliteit; b.

het ontwikkelen van beleid inclusief omgevingsvisie, omgevingsplan en maatwerkregels voor de omgevingskwaliteit; c. het nemen van besluiten op grond van regels in verordeningen op grond van artikel 149 van de Gemeentewet die een eis bevatten ten aanzien van het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed of andere zaken die de goede omgevingskwaliteit betreffen; d. het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen.

Verordening op de adviescommissies voor omgevingskwaliteit Zwolle

4. Ter uitvoering van haar taak a. kunnen de commissies op eigen initiatief signaleren en aanbevelingen doen over het beleid voor de omgevingskwaliteit; b. voeren de commissies op verzoek van burgemeester en wethouders vooroverleg met planindieners en ontwerpers over een in te dienen aanvraag om een (omgevings)vergunning. Paragraaf 3. Samenstelling en inrichting Artikel 4. Benoeming 1. De gemeenteraad benoemt per afzonderlijke commissie de leden en plaatsvervangende leden. 2. De leden en plaatsvervangende leden kunnen voor een termijn van ten hoogste vier jaar worden benoemd. 3. Herbenoeming van leden en plaatsvervangende leden kan eenmaal aansluitend plaatsvinden. 4. Afgetreden leden zijn twee jaar na hun aftreden opnieuw benoembaar. 5. De leden en plaatsvervangende leden worden op eigen aanvraag ontslagen. Zij kunnen voorts door burgemeester en wethouders worden geschorst en door de raad worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. Artikel 5. Samenstelling 1. De commissies bestaan uit door de gemeenteraad benoemde leden. Voor de leden kunnen plaatsvervangers worden benoemd die de leden bij afwezigheid kunnen vervangen. 2.

De disciplines die de (plaatsvervangende) leden in gezamenlijkheid vertegenwoordigen zijn in ieder geval architectuur- en/of cultuurhistorie, bouwhistorie en/of restauratietechniek, landschapsarchitectuur en/of stedenbouw en architectuur. 3. De commissies tellen gelet op artikel 17.9, eerste lid, van de wet tenminste twee leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg, die in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument. 4. De (plaatsvervangende) leden worden benoemd op persoonlijke titel op grond van de professionele deskundigheid die nodig is voor de advisering, alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. 5. In afwijking van het bepaalde in het vierde lid kan maximaal 1 lokaal lid en een plaatsvervanger worden benoemd. Zij worden benoemd op persoonlijke titel op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. 6. De (plaatsvervangende) leden van de commissies zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur. 7. De (plaatsvervangende) leden zijn niet aangesteld in een functie bij een (belangen)organisatie waaraan het risico van belangenverstrengeling verbonden is. Artikel 6. Ondersteuning van de commissies Het secretariaat van de commissies berust bij de adviserende instantie. Paragraaf 4. Advisering en standpuntbepaling Artikel 7. Beraadslaging en standpuntbepaling 1.

De vergadering waarin een advies over een (omgevings)vergunning door een commissie wordt vastgesteld is openbaar. 2. De agenda voor de vergadering van een commissie wordt tijdig en op een geschikte wijze bekendgemaakt. 3. Als burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan moeten burgemeester en wethouders daaraan redenen op grond van artikel 5.1 van de Wet open overheid (Woo) ten grondslag leggen. De niet-openbaarheid geldt zowel voor de beraadslaging, de beoordeling als het advies. 4. Besloten vergaderingen kunnen te allen tijde worden bijgewoond door of namens burgemeester en wethouders. Verordening op de adviescommissies voor omgevingskwaliteit Zwolle

5. De aanvrager van de (omgevings)vergunning of zijn gemachtigde heeft op verzoek de mogelijkheid tot toelichting van de aanvraag ten overstaan van de commissie. Tijdens de beraadslagingen is er geen spreekrecht. 6. Over een advies over een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een rijksof gemeentelijk monument wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste twee leden met deskundigheid op het gebied van de monumentenzorg. 7. Leden die als opdrachtgever, ontwerper of anderszins betrokken zijn bij de uitvoering van een activiteit waarvoor een aanvraag is gedaan waarover een commissie adviseert, onthouden zich van medewerking aan het desbetreffende advies en zijn tijdens de behandeling van en de besluitvorming over het advies niet in de vergadering aanwezig. 8. De geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 2:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de commissies en de daarvoor werkzame personen. Artikel 8. Afdoening onder verantwoordelijkheid 1. De commissies kunnen, onverminderd het bepaalde in artikel 17.9, eerste lid, van de wet, de advisering over een aanvraag om omgevingsvergunning of over de voorbereiding van een andere beschikking, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een subcommissie of één of meerdere daartoe aangewezen leden, de (plaatsvervangend) secretaris daaronder begrepen. 2.

In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog aan de commissie voorgelegd. Artikel 9. Verwerking van het advies 1. Burgemeester en wethouders kunnen eenmaal per activiteit een second opinion inwinnen bij een gemeentelijke adviescommissie van een andere gemeente. Zij stellen de commissie van het voornemen tot het plaatsen van die opdracht op de hoogte. 2. In geval burgemeester en wethouders een beschikking geven in afwijking van het door een commissie uitgebracht advies, verzenden zij een van een motivering voorzien afschrift van die beschikking aan die commissie. Paragraaf 5. Werkwijze Artikel 10. Reglement van orde en werkwijze 1. Burgemeester en wethouders stellen binnen de kaders van deze verordening een reglement van orde en de werkwijze van de commissies vast. 2. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor bekendmaking van het reglement van orde en de werkwijze als bedoeld in het eerste lid. Artikel 11. Relatie met andere adviseurs Bij het aanstellen van een andere adviseur, zoals een stadsbouwmeester, een supervisor of een kwaliteitsteam op het gebied van de omgevingskwaliteit, niet zijnde een lid van een commissie, dragen burgemeester en wethouders zorg voor een goede afstemming tussen de werkzaamheden van deze adviseur(s) en een commissie. Paragraaf 6. Jaarverslag Artikel 12. Jaarverslag 1.

De commissies brengen van de werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar jaarlijks, al dan niet gezamenlijk, verslag uit aan de gemeenteraad. 2. In het jaarverslag komt ten minste aan de orde: a. de wijze waarop toepassing is gegeven aan de kaders als bedoeld in artikel 17.9, derde lid, van de wet; b. de wijze waarop uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; c. de aard van de beoordeelde plannen; d. de bijzondere projecten. Verordening op de adviescommissies voor omgevingskwaliteit Zwolle

Paragraaf 7. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 13. Overgangsrecht Als voor de inwerkingtreding van de wet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met betrekking tot de integrale welstands- en monumentencommissie en het kwaliteitsteam Spoorzone van kracht, met dien verstande dat de bevoegde commissie op grond van deze verordening wordt geacht de in artikel 8 van de Woningwet, dan wel de in artikel 9.1, eerste lid, onder a, van de Erfgoedwet in samenhang met artikel 15 van de Monumentenwet 1988 bedoelde commissie te zijn. Artikel 14. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt tegelijk met de Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet) in werking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening op de adviescommissies voor omgevingskwaliteit Zwolle.

Verordening op de adviescommissies voor omgevingskwaliteit Zwolle

Toelichting Algemeen Met de Omgevingswet (hierna: de wet) die op 1 januari 2024 in werking treedt, wordt het stelsel van regels over de fysieke leefomgeving volledig herzien. De wet bundelt de wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Belangrijk verbeterdoel van de wet is een kader te bieden dat overheden meer afwegingsruimte biedt om doelen voor de leefomgeving te bereiken. “Decentraal, tenzij” is een belangrijk principe van de wet. Dit betekent dat taken en bevoegdheden in principe bij het lokale bestuur, zoals de gemeente liggen. Alleen indien het gaat om een nationaal of internationaal belang of als dat doelmatiger of doeltreffender is, stelt het Rijk regels. Eén van de doelen van de wet is het bereiken van een goede omgevingskwaliteit (artikel 1.3 van de wet). Daarbij gaat het om het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Gemeenten hebben een grote vrijheid in de wijze waarop zij het doel van een goede omgevingskwaliteit willen bereiken. Dat geldt ook voor de rol van een gemeentelijke adviescommissie (hierna: commissie) daarbij. Een adequate invulling van de taak en de werkwijze van een commissie draagt bij aan het doel van een goede omgevingskwaliteit. Artikelsgewijs Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1.

Definities Commissies Aangezien in Zwolle een zelfstandige adviescommissie is ingesteld voor de Spoorzone, welke niet werkzaam is onder de vlag of verantwoordelijkheid van de adviescommissie voor omgevingskwaliteit Zwolle, is besloten onder het begrip commissie in deze verordening zowel de adviescommissie voor omgevingskwaliteit Zwolle te verstaan als de adviescommissie omgevingskwaliteit Spoorzone. Beide commissies voldoen aan de wettelijke vereisten van artikel 17.9 van de wet. Goede omgevingskwaliteit "Een goede omgevingskwaliteit" is naast veiligheid en gezondheid opgenomen in de maatschappelijke doelstelling van de wet (artikel 1.3 van de wet). Dit geeft aan dat aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap belangrijk zijn. Het gaat daarbij zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden (Kamerstukken II 20132014, 33962, nr. 3). De gemeente heeft de plicht de zorg voor de omgevingskwaliteit zelf in te vullen, inclusief het adviesstelsel op het gebied van de omgevingskwaliteit. Burgers kunnen, wanneer geen concrete gedragsbepalingen voorhanden zijn of deze niet toereikend blijken, ten aanzien van de het doel van een goede omgevingskwaliteit een beroep doen op de algemene zorgplicht. Artikel 2.

Afbakening In dit artikel is aangegeven voor welk gebied welke commissie verantwoordelijk is. De gebiedsafbakening is op een kaart aangegeven die als bijlage bij de verordening is gevoegd. Voor zover naar het oordeel van de bevoegde en verantwoordelijke commissie noodzakelijk, vindt er overleg plaats tussen de commissies, waarbij de verantwoordelijke commissie uiteindelijk adviseert. Paragraaf 2. Adviestaak Artikel 3. Taak en werkzaamheden Eerste lid Dit lid beschrijft de adviestaak in algemene zin: het adviseren van de raad en het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) op het gebied van de omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet. De commissies adviseren dus niet over andere aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.

Verordening op de adviescommissies voor omgevingskwaliteit Zwolle

Tweede lid Dit lid betreft de onderwerpen waarvoor de commissies verplicht om advies moeten worden gevraagd. Onderdeel a - een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een (voorbeschermd) monument De wet definieert een rijksmonumentenactiviteit als volgt: “een activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht”. De commissies adviseren niet over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot archeologische rijksmonumenten. De commissies brengen advies uit met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. Uitgangspunten daarbij zijn: - het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten; - het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist is voor het behoud van die monumenten; - het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en - het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

Dit volgt uit artikel 8.80 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) dat de beoordelingsregels voor de rijksmonumentenactiviteit bevat. Voor rijksmonumentenactiviteiten met betrekking tot archeologische rijksmonumenten is de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister van OCW) aangewezen als advies- en instemmingsorgaan in de gevallen dat het college het bevoegd gezag is. Dit in verband met zijn verantwoordelijkheid voor de archeologische rijksmonumenten en met het landelijk overzicht en de vereiste specialistische kennis en ervaring die aanwezig zijn bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Ook is de Minister van OCW (mede) bevoegd tot toezicht en handhaving waar het gaat om archeologische rijksmonumenten. Behoud in situ (in de bodem) is hierbij het uitgangspunt. De gemeenten spelen desalniettemin in de archeologie een cruciale rol. De afweging om archeologische monumenten in situ (in de bodem) dan wel ex situ (door ze op te graven) te behouden, wordt meestal door de gemeente gemaakt in het kader van het opstellen van het omgevingsplan en de belangenafweging bij de specifieke omgevingsplanactiviteiten waaraan een archeologische onderzoeksplicht is gekoppeld.

De gemeente is op grond van artikel 5.130 van het Bkl verplicht om bij het opstellen van het omgevingsplan rekening te houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder (aantoonbaar te verwachten) archeologische monumenten. Daarbij kan de (aantoonbaar te verwachten) aanwezigheid van archeologische monumenten van invloed zijn op onder meer de toedeling van functies aan locaties – bijvoorbeeld de keuze om geen parkeergarage toe te staan op een locatie met hoge archeologische waarde – of op de inhoud van in het omgevingsplan op te nemen beschermende regels of beoordelingsregels. De commissies kunnen hierover op grond van de andere onderdelen van dit artikel adviseren. Voor als gemeentelijk monument beschermde archeologische monumenten zijn de commissies wel het aangewezen adviesorgaan. Onderdeel b - een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument De bescherming van monumenten of archeologische monumenten als gemeentelijk monument gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Met een voorbereidingsbesluit kan voorbescherming worden geboden aan een locatie waarvoor wordt overwogen deze de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.

Overgangsrecht gemeentelijke monumenten Het overgangsrecht in de wet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet regelt dat er bij het in werking treden van de wet een vergunningplicht geldt voor activiteiten met betrekking tot gemeentelijke monumenten die nog op grond van de Erfgoedverordening zijn aangewezen. De regels uit die Verordening op de adviescommissies voor omgevingskwaliteit Zwolle

verordening blijven gelden tot het moment dat dit onderwerp in het nieuwe deel van het omgevingsplan is geregeld. Dit volgt uit de artikelen 22.4 en 22.8 van de wet en artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet in samenhang met artikel 22.2 van het omgevingsplan (bruidsschat). De in de Erfgoedverordening opgenomen vergunningplicht geldt als een verbod op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onderdeel c – een omgevingsplanactiviteit in geval de commissies in het omgevingsplan als adviseur zijn aangewezen De raad kan op grond van artikel 16.15, tweede lid, van de wet in het nieuwe deel van het omgevingsplan bepalen in welke gevallen een advies verplicht is. Dit kan per gebied of per type activiteit of bouwwerk verschillen. Zolang nog geen gevallen zijn aangewezen, zet het college het bestaande beleid met betrekking tot het vragen van commissieadvies voort. Omdat het omgevingsplan ook bij een projectbesluit of een voorbereidingsbesluit kan worden gewijzigd, brengt dit mee dat ook Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van het Waterschap en de Minister van OCW een commissie als adviseur in het omgevingsplan kunnen aanwijzen.

Regels over de aanwijzing van een commissie als adviseur kunnen ook onderdeel zijn van de voorbeschermingsregels waarmee een voorbereidingsbesluit het omgevingsplan wijzigt. Overigens betekent dit niet dat de betreffende commissie daarmee ook formeel adviesorgaan van die andere bestuursorganen wordt. Als het college geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning maar adviseur, is die commissie ook adviseur en richt het advies van die commissie zich tot het college in plaats van het bevoegd gezag (artikel 4.22 van het Omgevingsbesluit). Onderdeel d – het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aanwijzen van een onroerende zaak als rijksmonument ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Erfgoedwet De Minister van OCW vraagt ingevolge de Erfgoedwet altijd advies aan het college van de gemeente waar een monument of archeologisch monument zich bevindt, alvorens te besluiten het aan te wijzen als rijksmonument. In dat geval is de betreffende commissie adviseur van het college. Onderdeel e - het aan een locatie geven, wijzigen of intrekken van de functie-aanduiding gemeentelijk monument Een commissie is adviseur in geval het college het voornemen heeft een monument of archeologisch monument aan te wijzen als gemeentelijk monument (door de locatie de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven).

De advisering over dit onderwerp werd in het verleden op grond van de Erfgoedverordening verzorgd door de monumentencommissie. Deze taak is met ingang van deze verordening aan de commissies opgedragen. Derde lid Dit lid betreft de onderwerpen waarvoor de commissies om advies kunnen worden gevraagd. Dat hoeft dus niet. Onderdeel a – een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor een andere activiteit dan genoemd in het tweede lid, met het oog op het bereiken, in stand houden of versterken van een goede omgevingskwaliteit Dit onderdeel is gelijkwaardig aan de huidige zogenoemde “kan-bepaling” over de welstandsadvisering in artikel 6.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht. Het college kan – voor zover dat in het omgevingsplan niet anders is geregeld – op grond daarvan zelf bepalen of zij een advies inwinnen bij een commissie. De beoordeling van de omgevingsplanactiviteit bouwen door de commissies Bij het beoordelen van een bouwplan volgen de commissies de beoordelingsregels die in het omgevingsplan staan. De beoordelingsregels geven aan onder welke voorwaarden de vergunning kan worden verleend of geweigerd. Het gaat hierbij om regels over het bouwwerk zelf als wel zijn relatie tot de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan.

Bijvoorbeeld de bouwhoogte, de bouwmassa, het maximale bebouwingsoppervlak, de aanwijzing van bouwvlakken, de situering op de bouwvlakken, de karakteristiek van de bebouwing, en het uiterlijk van bouwwerken zoals vastgelegd in de beleidsnota. De wet biedt de gemeente een kans om te zorgen voor een betere inbedding en aansluiting van welstandsaspecten binnen het ruimtelijke kwaliteitsbeleid. Het streven naar een goede Verordening op de adviescommissies voor omgevingskwaliteit Zwolle

omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet is daarbij het overkoepelende doel. Daarom is de advisering niet beperkt tot ingrepen aan beschermde monumenten en het uiterlijk van bouwwerken. De commissies adviseren zowel over de toepassing van de regels in het omgevingsplan zelf (zoals de mogelijkheid tot “binnenplanse” afwijkingen), als over de toepassing van de beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit gebeurt vanuit het doel van een goede omgevingskwaliteit. Onderdeel b – het ontwikkelen van beleid inclusief omgevingsvisie, omgevingsplan en maatwerkregels voor de omgevingskwaliteit Dit onderdeel geeft invulling aan de mogelijkheid als bedoeld in artikel 17.9, tweede lid, van de wet om de commissies in te schakelen bij het ontwikkelen van beleid voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Zoals hierboven vermeld gaat het uitsluitend om beleid op het gebied van de omgevingskwaliteit. Onderdeel c – het nemen van besluiten op grond van regels in verordeningen op grond van artikel 149 van de Gemeentewet die een eis bevatten ten aanzien van het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed of andere zaken die de goede omgevingskwaliteit betreffen De meeste regels over de fysieke leefomgeving uit de gemeentelijke verordeningen komen niet in het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Het gaat bijvoorbeeld om regels over objecten in de openbare ruimte. Wij zullen deze regels voor het einde van de overgangsfase omzetten naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Op grond van dit onderdeel kan het college ook op basis van deze verordeningen advies vragen aan de commissies, ook al zijn de regels nog niet omgezet naar het omgevingsplan. Onderdeel d - het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen In dit onderdeel is bepaald dat de commissies ook adviseur kunnen zijn bij het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en werelderfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen. De aanschrijvingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet in geval van een bouwwerk dat in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand, is opgenomen in de bruidsschat als bedoeld in artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Dit in de vorm van een bevoegdheid tot stellen van maatwerkvoorschriften (zie artikel 22.7 in samenhang met artikel 22.4 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan). Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een exces en maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld, kunnen de commissies om advies worden gevraagd.

De specifieke zorgplicht voor rijksmonumenten verplicht initiatiefnemers om maatregelen te nemen om het beschadigen of vernielen van (voorbeschermde) rijksmonumenten te voorkomen. Een activiteit hoeft daarbij niet gericht te zijn op een rijksmonument. Het is voldoende dat een activiteit in de fysieke leefomgeving effect heeft op dat rijksmonument. Een voorbeeld hiervan is het bouwen van een tunnel, waardoor een rijksmonument kan verzakken. De regels voor de specifieke zorgplicht staan in hoofdstuk 13 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De gemeente kan op grond daarvan maatwerkvoorschriften opleggen. Lid 4 Onderdeel a – eigen initiatief beleid Dit onderdeel geeft de commissies de mogelijkheid op eigen initiatief te signaleren en aanbevelingen te doen over beleid met betrekking tot de kwaliteit van de fysieke leefomgeving dat door de gemeentelijke organisatie wordt ontwikkeld en waar de commissies niet expliciet om advies is gevraagd. Het is dus niet de bedoeling dat de commissies zelf beleid ontwikkelen. Onderdeel b - vooroverleg Vooroverleg bij een vergunningaanvraag wordt in de wet niet gereguleerd. De bestaande praktijk wordt op grond van dit onderdeel voortgezet. Het belang van een goed vooroverleg neemt toe, aangezien het vereiste van onlosmakelijke samenhang vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) niet is overgenomen in de wet.

De initiatiefnemer is er zelf verantwoordelijk voor dat zij of hij voor alle activiteiten beschikt over de vereiste vergunningen. Het is aan de initiatiefnemer om de verschillende eisen op elkaar af te stemmen. Vooral bij complexe projecten is vooroverleg van groot belang.

Verordening op de adviescommissies voor omgevingskwaliteit Zwolle

Paragraaf 3. Samenstelling en inrichting Artikel 4. Benoeming Eerste lid Dit lid legt de verantwoordelijkheid van de benoeming ondubbelzinnig bij de gemeenteraad en geeft invulling aan artikel 17.7, eerste lid, van de wet. Tweede tot en met vierde lid Deze leden hebben betrekking op de benoemingstermijn als bedoeld in artikel 17.7, eerste lid, van de wet. Het tweede lid regelt de benoeming voor de eerste termijn. Het derde lid ziet toe op de herbenoeming. De regels voor benoeming en herbenoeming zijn van toepassing op de leden en hun plaatsvervangers. In het vierde lid is de mogelijkheid opgenomen om leden twee jaar na hun aftreden opnieuw te benoemen. Vijfde lid Dit lid regelt schorsing en ontslag. De wet bepaalt dat de raad de leden benoemt en ontslaat (artikel 17.7, tweede lid, van de wet). Het is vanzelfsprekend dat leden op eigen aanvraag worden ontslagen. Zij kunnen verder worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. Artikel 5. Samenstelling Eerste lid In dit lid is aangegeven dat de commissies bestaan uit de door de gemeenteraad benoemde leden. Er worden ook plaatsvervangers benoemd, zodat de commissies ook kunnen functioneren wanneer één of meer vaste leden verhinderd zijn. De taakverdeling en werkwijze wordt geregeld in het reglement van orde en werkwijze (zie toelichting op artikel 10).

Tweede en derde lid Deze leden zien toe op de deskundigheidsgebieden die in de commissies vertegenwoordigd moeten zijn. De wet schrijft voor dat binnen de commissies enkele leden deskundig dienen te zijn op het gebied van de monumentenzorg, en dat zij in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument. Volgens de Memorie van toelichting dienen de commissies ten minste over deskundigheid op het gebied van cultuurhistorie, bouw- en architectuurhistorie, restauratiearchitectuur, landschap en stedenbouw te beschikken (Kamerstukken II 2014-2015, 33962 nr. 3, p. 581). In voorkomende gevallen, waarbij archeologische deskundigheid noodzakelijk is zullen de commissies zich laten bijstaan door een onafhankelijk deskundig archeoloog. Hiervoor is gekozen omdat de commissies slechts in zeldzame gevallen archeologische kennis nodig heeft bij zijn advisering. Het is mogelijk dat één persoon meerdere disciplines in zich verenigt. Vierde lid Dit lid geeft aan dat de leden als deskundigen en dus op persoonlijke titel en op grond van hun persoonlijke kwalificaties worden benoemd. Hun lidmaatschap is niet afhankelijk van het bekleden van een bepaalde functie of het hebben van een bepaalde hoedanigheid. De leden vertegenwoordigen geen bijzondere belangen.

Dat betekent bijvoorbeeld dat belangenorganisaties op het gebied van de omgevingskwaliteit geen vertegenwoordigers in de commissies hebben. De leden zullen hun functie onafhankelijk dienen uit te oefenen. Daartegenover staat dat benoeming niet achterwege zal blijven enkel vanwege het lidmaatschap van een bepaalde groepering of het bekleden van een bepaalde bestuurlijke of maatschappelijke functie. Daarnaast beschikken de leden over inzicht in maatschappelijke verhoudingen op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. Vijfde lid Dit lid voorziet in de mogelijkheid om een lokaal lid te benoemen. Voor dit lid geldt de eis van inzicht in maatschappelijke verhoudingen op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. Verordening op de adviescommissies voor omgevingskwaliteit Zwolle

Zesde lid Dit lid zorgt voor een aanscherping van de wettelijke eis van onafhankelijkheid ten opzichte van het gemeentebestuur. Artikel 17.8 van de wet stelt slechts als eis, dat de leden van het gemeentebestuur geen lid zijn van een gemeentelijk adviesorgaan. Zevende lid Dit lid waarborgt de onafhankelijke positie van de commissies ten opzichte van belangengroepen. Artikel 6. Ondersteuning van de commissies De commissies worden bijgestaan door een secretariaat dat berust bij de adviserende instantie. Paragraaf 4. Advisering en standpuntbepaling Artikel 7. Beraadslaging en standpuntbepaling Eerste, tweede en derde lid In deze leden is een nadere regeling opgenomen van de wettelijke eis van openbaarheid als bedoeld in artikel 17.9, vijfde lid, van de wet. De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen waarin het advies op de aanvraag voor een omgevingsvergunning of op een voorgenomen beschikking formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor informeel vooroverleg of bij de beleidsgerichte, opgavegerichte of ontwerpgerichte advisering. De potentiële initiatiefnemer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de korte planprocedure vooroverleg stimulering verdient.

Vierde lid Ondanks beslotenheid is het altijd toegestaan dat vertegenwoordigers namens (leden van) het college een vergadering bijwonen. Vijfde lid Uit artikel 4:7 van de Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot toelichting van een plan ten overstaan van een commissie dient te worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning. Anderen hebben geen spreekrecht. Wel kan de voorzitter er voor kiezen andere aanwezigen gelegenheid tot spreken te geven. Zesde lid Dit lid borgt de wettelijke eis dat enkele leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument (artikel 17.9, eerste lid, van de wet). Wij hebben er voor gekozen deze eis ook te stellen ten aanzien van de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument. Zevende lid Met deze bepaling wordt verstrengeling van belangen tegengegaan. Achtste lid Dit lid verwijst naar de Awb die uitvoerders van wetten een geheimhoudingsplicht oplegt ten aanzien van gegevens waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden.

Op grond van artikel 2:5, tweede lid, van de Awb is de plicht tot geheimhouding ook van toepassing op instellingen die een wettelijke taak uitvoeren. Daaronder vallen ook adviesorganen. Dit lid plaatst buiten twijfel dat de geheimhoudingsplicht ook op de commissies en de daarvoor werkzame personen van toepassing is. Artikel 8. Afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissies Eerste lid Dit artikel geeft de mogelijkheid om de advisering namens de commissies over te laten aan een of meer leden of aan subcommissies. De commissies blijven verantwoordelijk voor het advies. Een omschrijving Verordening op de adviescommissies voor omgevingskwaliteit Zwolle

en reikwijdte van de volmacht is in het reglement van orde uitgewerkt. Daarbij wordt rekening gehouden met de wettelijke eis dat enkele leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument (artikel 17.9, eerste lid, van de wet). De volmacht kan worden beperkt tot de plannen met relatief geringe ruimtelijke betekenis, of plannen waar gelet op meer dan één vergelijkbare gevallen de mening van de commissies als bekend mag worden verondersteld. Een ruimere volmacht is mogelijk indien de betrokken leden of de subcommissies volledig beschikken over de professionele deskundigheid die in een specifiek geval nodig is voor de advisering (bijvoorbeeld deskundig op het gebied van cultuurhistorie, bouw- en architectuurhistorie, restauratiearchitectuur, landschap, stedenbouw en architectuur). Ook hier blijft de wettelijke eis gelden dat enkele leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument (artikel 17.9, eerste lid, van de wet). Tweede lid Er is altijd een mogelijk om de bevoegde commissie om advies te vragen in geval van twijfel.

Die commissie draagt immers de verantwoordelijkheid. Artikel 9. Verwerking van het advies Eerste lid Dit lid ziet toe op het vragen van een second opinion aan een gemeentelijke adviescommissie van een andere gemeente in geval het college zich niet kan verenigen met het advies van een commissie met betrekking tot een aangevraagde omgevingsvergunning. Om oneindig ‘shoppen’ te voorkomen is dit slechts één keer per activiteit toegestaan. Dit lid ziet uitsluitend op aanvragen om (omgevings)vergunningen. Het staat burgemeester en wethouders vrij specialisten of andere adviseurs te raadplegen in de ontwikkelfase van een bouwplan. Tweede lid Dit lid is opgenomen met het oog op een goede vervulling van de adviestaak. Daarvoor is nodig dat de commissies voortdurend inzicht hebben in hoe het college omgaat met de uitgebrachte adviezen. Om die reden motiveren burgemeester en wethouders het afwijkende besluit, opdat de verantwoordelijke commissie op de hoogte is van de redenen. Paragraaf 5. Werkwijze Artikel 10. Reglement van orde en werkwijze Eerste lid Burgemeester en wethouders stellen na overleg met de adviserende instantie een reglement van orde en de werkwijze van de commissies vast. Dit zijn regels ten behoeve van de praktische uitvoering van de werkzaamheden binnen de kaders van de verordening.

Tweede lid Dit lid geeft aan dat het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk is voor het publiceren van het reglement van orde en de werkwijze. Artikel 11. Relatie met andere adviseurs Dit artikel regelt een goede afstemming tussen de werkzaamheden van andere adviseur(s) op het gebied van de omgevingskwaliteit en de commissies. Paragraaf 6. Jaarverslag Artikel 12. Jaarverslag Eerste lid Het jaarverslag als bedoeld in artikel 17.9, zesde lid, van de wet kan voor de raad aanleiding zijn voor bijstelling van het gemeentelijk beleid. De commissies kunnen naar aanleiding van de verrichte Verordening op de adviescommissies voor omgevingskwaliteit Zwolle

werkzaamheden beleidsaanbevelingen doen. Bijvoorbeeld over de in het omgevingsplan op te nemen beoordelingscriteria met betrekking tot de omgevingskwaliteit. Tweede lid In dit lid is opgenomen welke aspecten in ieder geval opgenomen moeten worden in het jaarverslag. Wat betreft de wijze waarop uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen, zal in ieder geval in het jaarverslag opgenomen worden wanneer er in beslotenheid is vergaderd en geadviseerd op basis van de Woo. Paragraaf 7. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 13. Overgangsrecht Dit artikel regelt dat aanvragen ingediend voor het inwerkingtreden van deze verordening volgens het oude recht door de verantwoordelijke commissie worden afgedaan. Artikel 14. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt het tijdstip van inwerkingtreding en de citeertitel van de verordening.

Verordening op de adviescommissies voor omgevingskwaliteit Zwolle

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=e83ff120-4f97-46c8-a370-483185f3744c