1 Notitie Onderwijskansenbeleid 2021 – 2024
Tekst van het document
akansen
Zwolle
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar 2021 – 2024
tkansen
tkansen
Voorwoord
Inhoud
Voorwoord
3
1. Introductie 1.1 Inleiding 1.2 Totstandkoming 1.3 Leeswijzer
4 4 4 5
2. Kaders 2.1 Wettelijk kader 2.2 Lokaal kader 2.3 Rolverdeling vanuit wettelijk oogpunt
6 6 6 7
3. Doel, doelgroep en subdoelen 3.1 Doel van het beleid 3.2 Doelgroepdefinitie 3.3 Subdoelen en doelstellingen
9 9 9 10
4. Uitwerking subdoelen 12 4.1 Meer (doelgroep)peuters gaan naar een voorschoolse voorziening 12 4.2 Meer doelgroepkinderen ontwikkelen zich binnen hun eigen mogelijkheden 14 4.3 Meer ouders worden meer betrokken bij de taal- en de bredere ontwikkeling van hun kind 17 4.4 Er is minder segregatie in de voorschoolse voorzieningen en het onderwijs 18 4.5 Er is sneller passende ondersteuning 20
5. Aanpalende beleidsterreinen 5.1 Zorg en ondersteuning 5.2 IKC ontwikkeling 5.3 Gelijke kansen binnen het onderwijs 5.4 Laaggeletterdheid van volwassenen
22 22 22 23 23
In Zwolle willen we dat alle kinderen goed toegerust zijn voor hun toekomst. Wij willen dat zij hun capaciteiten kunnen benutten en het maximale uit zichzelf kunnen halen. Er zijn kinderen die het risico lopen als volwassene minder zelfredzaam te zijn, doordat zij niet goed kunnen lezen en schrijven. Voor deze kinderen, van baby tot en met basisschool leeftijd, werken we er hard aan om ze betere kansen te bieden. Zij vormen de doelgroep van ons nieuwe Onderwijskansenbeleid.
6. Monitoren, evalueren en verbeteren 6.1 Inrichten van de kwaliteitscyclus 6.2 Plan: afspraken maken 6.3 Do: uitvoering 6.4 Check: monitoren van de resultaten 6.5 Act: evalueren en hoe verder?
24 24 24 25 25 26
7. Financieel kader 7.1 Budgetten 7.2 Besteding van de budgetten
27 27 27
We hebben samen met onze belangrijkste partners - het basisonderwijs, de kinderopvang, de jeugdgezondheidszorg, Stadkamer en Travers Welzijn - een intensief proces doorlopen: dit document is het resultaat daarvan. Als wethouder ben ik daar trots op. Met gerichte doelen en acties bouwen we voort op wat we al goed doen en werken we verder aan betere toekomstmogelijkheden voor alle kinderen.
Bijlagen: 1. Verordening subsidie onderwijskansenbeleid 2. Verordening subsidie peuteropvang en voorschoolse educatie
verheugd dat iedereen zich schaart achter aan de gezamenlijke uitvoering van dit plan, zodat we met elkaar verder kunnen werken aan een solide toekomst voor onze kinderen.
Wethouder Michiel W.J. van Willigen
We willen dat zoveel mogelijk peuters naar een voorschoolse voorziening gaan. Dat is belangrijk voor hun ontwikkeling en voor het vroegtijdig oppakken van eventuele achterstanden. We maken gebruik van inzichten over welke aanpak en programma’s het beste resultaat geven en vertalen we waar nodig naar een wijkgerichte aanpak. En we leren met elkaar wat beter kan. Natuurlijk is en blijft een belangrijke rol weggelegd voor de ouders en/of verzorgers. Hun betrokkenheid is een bepalende factor voor de ontwikkeling van hun kind. Dank aan iedereen die mee heeft gedacht en meegewerkt aan de totstandkoming van dit beleid. Door een gezamenlijke inzet van ieders kwaliteiten en deskundigheid krijgen kinderen meer kansen hun talenten te ontwikkelen en op te groeien tot zelfstandige volwassenen. Ik ben
2
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
3
tkansen
tkansen
1. Introductie
1.1 Inleiding
In de afgelopen jaren heeft de gemeente Zwolle verschillende stappen gezet om onderwijsachterstanden bij kinderen te voorkomen of terug te dringen. Dit doen wij vooral samen met kinderopvang, het basisonderwijs, de jeugdgezondheidszorg, Travers Welzijn en Stadkamer. De komende jaren gaan we verdere stappen zetten. Hoe we dat gaan doen is verwoord in deze beleidsnotitie. De notitie is opgesteld samen met onze samenwerkingspartners en gaat in op onze gezamenlijke aanpak waarbij gestuurd wordt op doelen, prestaties en samenhang. Daarbij verleggen we onze blik van achterstanden naar kijken in kansen. Want we willen dat alle kinderen zoveel mogelijk gelijke kansen hebben in het onderwijs. We willen dat zij hun capaciteiten kunnen benutten en het maximale uit zichzelf kunnen halen. We noemen deze notitie daarom niet Onderwijsachterstandenbeleid, maar Onderwijskansenbeleid. Alle doelgroepkinderen van baby tot en met de basisschoolperiode staan centraal in het beleid. We streven ernaar deze kinderen de onderwijskansen te bieden die zij nodig hebben.
4
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
1.2 Totstandkoming
In november 2020 zijn we gestart met een werkgroep Onderwijsachterstandenbeleid. De naam van de werkgroep hebben we in mei 2021 veranderd naar Onderwijskansenbeleid (OKB). In de werkgroep OKB zitten vertegenwoordigers van: • Travers Welzijn • Stadkamer • Primair onderwijs • Sociaal wijkteam • Jeugdgezondheidszorg • Door de gemeente gesubsidieerde voorschoolse voorzieningen: Partou, Doomijn, Prokino en Kinderopvang Breed. Het doel van de werkgroep was in de eerste instantie het herijken van het beleid en te komen de voorliggende notitie. In verschillende sessies is, mede aan de hand van door de partijen geleverde data, verzameld en geanalyseerd wat dient te gebeuren om te zorgen voor betere onderwijskansen voor kinderen. Uitgangspunt hierbij zijn de kaders genoemd in hoofdstuk 2. De notitie is ook voorgelegd in het lokale educatieve agenda (LEA) overleg met de gesubsidieerde kinderopvangorganisaties (KO) en het primair onderwijs (PO). Het LEA KO en PO is een periodiek bestuurlijk overleg onder voorzitterschap van de wethouder onderwijs De notitie wordt nu vertaald naar een concrete uitvoeringsagenda. Aan de hand van deze agenda werkt de werkgroep structureel aan de uitvoering van het Onderwijskansenbeleid.
1.3 Leeswijzer
In het tweede hoofdstuk wordt eerst ingegaan op zowel het wettelijk als het lokaal kader van het onderwijskansenbeleid. Daarnaast wordt ingegaan op de rolverdeling tussen de gemeente, de kinderopvang, het basisonderwijs, de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) en de Inspectie van het Onderwijs vanuit een wettelijk oogpunt. In het derde hoofdstuk staat het doel, de doelgroepdefinitie en de subdoelen van het beleid. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 verder ingegaan op de invulling van de subdoelen. Er wordt aangegeven wanneer we vinden dat een doel is bereikt en welke acties er worden ondernomen. In het vijfde hoofdstuk wordt kort ingegaan op aanpalende beleidsterreinen. Hoofdstuk 6 gaat over het monitoren, evalueren en verbeteren van het beleid, en hoe we dit gaan doen. Tot slot gaat hoofdstuk 7 in op het financieel kader waarbinnen het onderwijskansenbeleid wordt uitgevoerd.
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
5
tkansen
tkansen
2. Kaders
2.1 Wettelijk kader
Met de invoering van de wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie op 1 augustus 2010 zijn gemeenten verantwoordelijk geworden voor het realiseren van een voor- en vroegschools aanbod van goede kwaliteit en kwantiteit. Een nevendoel van de wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie was het harmoniseren van de kinderopvang en het toenmalige peuterspeelzaalwerk en daarmee een kwaliteitsimpuls geven aan het peuterspeelzaalwerk. De Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk is in januari 2018 in werking getreden. De harmonisatie berust op drie pijlers: • het versterken van de pedagogische kwaliteit; • één kwaliteitskader voor peuterspeelzalen en kinderdagverblijven (voorschoolse voorzieningen); • één financieringsstructuur voor werkende ouders.¹ De Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk houdt een wijziging in van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen naar de Wet kinderopvang en enkele andere wetten. De wijzigingen in kwaliteitseisen zijn apart geregeld in de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang. Deze wet
is ook in januari 2018 inwerking getreden. De nieuwe kwaliteitseisen zijn uitgewerkt in het Besluit kwaliteit kinderopvang en enkele ministeriële regelingen. Delen van de nieuwe kwaliteitseisen zijn in werking getreden op 1 januari 2019 of treden op 1 januari 2025 in werking. De Wet op het Primair Onderwijs en het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie schrijven de verplichtingen voor aan de gemeente, het basisonderwijs en de kinderopvang op het gebied van voor- en vroegschoolse educatie. Voorschoolse educatie is bedoeld voor peuters met een (risico op een) onderwijsachterstand op een voorschoolse voorziening. De gemeente heeft sinds 1 augustus 2020 de verplichting om een aanbod van in totaal 960 uur voorschoolse educatie aan deze peuters van 2,5 tot 4 jaar te bieden. Vroegschoolse educatie is voor kinderen met een onderwijsachterstand in groep 1 en 2 van de basisschool. De jeugdgezondheidszorg (JGZ) heeft op basis van de Wet publieke gezondheid de taak om te signaleren of een kind een (risico op een) achterstand heeft als gevolg van onvoldoende taalaanbod in de eigen omgeving. De genoemde wetten tezamen vormen het wettelijk kader van het Onderwijskansenbeleid.
1. Het woord ‘ouders’ wordt gebruikt voor de leesbaarheid van de notitie. Er wordt echter ‘ouder(s)/verzorger(s)’ bedoeld.
6
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
2.2 Lokaal kader
De Hervormingsagenda vormt een overkoepelend kader van het Onderwijskansenbeleid. Het Onderwijskansenbeleid draagt vooral bij aan spoor 1 ‘Een sterke sociale basis’ en spoor 3 ‘Jeugd - Herstel van het gewone leven in het gewone leven’. Met het Onderwijskansenbeleid willen we bijdragen aan dat Zwolse kinderen zich ontwikkelen op een positieve manier tot zelfstandige volwassenen die nu en in de toekomst kunnen meedoen in een doorgaande lijn van spelen, leren en ontwikkelen. Het Onderwijskansenbeleid draagt daarmee ook bij aan de realisatie van het doel 1.3.2 in de Begroting: We realiseren een krachtige doorgaande leerlijn. Het Onderwijskansenbeleid is een opvolging van het Beleidsplan Voorschoolse Voorzieningen 2018 – 2021. Dit beleidsplan ging hoofdzakelijk in op de harmonisatie van kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Het Onderwijskansenbeleid is een verbreding van het Beleidsplan Voorschoolse Voorzieningen wat betreft onderwerpen en tevens een verdieping op datgeen wat we de komende jaren concreet gaan doen om onze doelen te bereiken. Dit is ook van toepassing op de relatie van het Onderwijskansenbeleid tot het Meerjarenplan laaggeletterdheid 2018 – 2022.
2.3 Rolverdeling vanuit wettelijk oogpunt
Er zijn verschillende partijen die een rol spelen bij de uitvoering van dit Onderwijskansenbeleid. Vanuit wettelijk oogpunt staan de Rijksoverheid, de gemeente, het basisonderwijs, de voorschoolse voorzieningen, de JGZ en de GGD centraal. Hun rol wordt hieronder verder toegelicht. De Rijksoverheid geeft de wettelijke kaders aan en stelt middelen beschikbaar voor de uitvoering van het beleid door de gemeente en het basisonderwijs. De monitoring van en controle op de kwaliteit van de kinderopvang, voor- en vroegschoolse educatie en het basisonderwijs liggen bij de GGD en de Inspectie van het Onderwijs (IvhO. De jeugdgezondheidszorg is verantwoordelijk voor het indiceren van kinderen met een (risico op een) onderwijsachterstand. Aanvullend spelen het Sociaal wijkteam, Travers Welzijn en Stadkamer ook een belangrijke rol in het beleid en de uitvoering ervan.
Rol gemeente De gemeente heeft op grond van de Wet op het primair onderwijs en de wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie een verplichting tot het aanbieden van voldoende voorschools aanbod in volume, spreiding en kwaliteit voor peuters met een (risico op een) taalachterstand. De Rijksoverheid stelt voor het beleid een specifieke uitkering beschikbaar aan de gemeente. Deze middelen zijn bedoeld voor: • Voorzieningen voor voorschoolse educatie die voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen • Overige activiteiten (naast voor- en vroegschoolse educatie) voor leerlingen met een grote achterstand in de Nederlandse taal • Afspraken over voor- en vroegschoolse educatie (vve) met bevoegde gezagsorganen van scholen, houders van kindcentra en peuteropvanglocaties • Monitoren van effecten, indiceren en toeleiden, preventieve en stimulerende activiteiten ter verhoging van het bereik van doelgroepkinderen Aanvullend heeft de gemeente ook een eigen gemeentelijk budget beschikbaar voor peuterwerk. De gemeente en het basisonderwijs zijn verplicht Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
7
tkansen
tkansen
3. Doel, doelgroep en subdoelen
om samen afspraken te maken over het verbeteren van de leerprestaties van leerlingen met een onderwijsachterstand. De gemeente is verantwoordelijk voor voorschoolse educatie en scholen voor vroegschoolse educatie. Ook zijn gemeenten verplicht afspraken te maken op basis van gelijkwaardigheid met houders van voorschoolse voorzieningen en schoolbesturen. Onder deze afspraken vallen tenminste het definiëren van peuters met een onderwijsachterstand (doelgroeppeuters), de toeleiding naar de voorschoolse educatie, het zorgdragen voor een doorgaande lijn van voor- naar vroegschoolse educatie en het behalen van resultaten bij vroegschoolse educatie.
Rol schoolbesturen basisonderwijs De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het aanpakken van onderwijsachterstanden bij hun leerlingen. Het basisonderwijs is verantwoordelijk voor de (kwaliteit van de) vroegschoolse educatie. Daarnaast kunnen in de groepen 3 tot en met 8 ook programma’s ingezet worden voor bestrijden van achterstanden, in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal. Hiervoor krijgt het basisonderwijs extra middelen van de Rijksoverheid. Of een basisschool deze Rijksmiddelen krijgt en hoe hoog deze vervolgens zijn, is met ingang van 2019 bepaald aan de hand van de indicator onderwijsachterstanden van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Rol GGD en IvhO De GGD voert de JGZ uit. Zij onderzoeken kinderen op het consultatiebureau en op school. De JGZ heeft een wettelijke taak als het gaat om systematisch volgen
8
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
en signaleren van risicofactoren die de ontwikkeling kunnen belemmeren van jeugdigen. De JGZ ziet bijna alle kinderen. Ze zijn dan ook een belangrijke samenwerkingspartner op het gebied van signaleren en verwijzen naar voorschoolse voorzieningen. De JGZ verzorgt na het constateren van een (risico op een) onderwijsachterstand de verwijzing/indicatie naar een peuteropvang met voorschoolse educatie. De gemeente geeft de GGD de opdracht tot het houden van toezicht op de kinderopvang. De GGD inspecteert jaarlijks alle locaties die vermeld staan in het Landelijk Register Kinderopvang. Daarnaast bezoekt zij nieuwe locaties voor de opening. Als de GGD tekortkomingen constateert in de basiskwaliteit, adviseert zij de gemeente in het inspectierapport te handhaven. De gemeente is eindverantwoordelijk voor het toezicht en handhaving op de geregistreerde kinderopvanglocaties en voor een juist, actueel en volledig Landelijk Register Kinderopvang. De IvhO houdt toezicht aan de hand van het onderzoekskader voor voorschoolse educatie en het primair onderwijs. Het toezicht op de kwaliteit bestaat uit het voorschoolse deel, het vroegschoolse deel en de taken van gemeenten ten aanzien van voor- en vroegschoolse educatie. Daarnaast houdt de IvhO interbestuurlijk toezicht op de taken en verantwoordelijkheden van gemeenten in het kader van de wet- en regelgeving kinderopvang.
Het toezicht is risico gestuurd. Dat wil zeggen dat de IvhO afgaat op signalen die zij krijgt en op basis daarvan gericht onderzoek gaat doen.
3.1 Doel van het beleid
Het doel van het Onderwijskansenbeleid is het verbeteren van de onderwijskansen van kinderen van 0 tot 13 jaar met een (risico op een) onderwijsachterstand. We streven ernaar dat alle kinderen dezelfde kansen krijgen. Dit beleid richt zich specifiek op het beiden van extra mogelijkheden en onderwijskansen voor kinderen met een (risico op een) onderwijsachterstand. Onderwijsachterstanden willen we voorkomen en terugdringen. Het is voor henzelf en voor de samenleving van groot belang dat kinderen hun capaciteiten ten volle kunnen benutten. Het beleid richt zich zowel op het kind als op de ouders en kenmerkt zich door een intensieve samenwerking van partners zoals basisscholen, kinderopvang, de jeugdgezondheidszorg, het Sociaal wijkteam, Travers Welzijn en Stadkamer.
3.2 Doelgroepdefinitie
De gemeente is verplicht om een doelgroepdefinitie te hanteren voor het beleid. De gemeente is daarbij vrij om zelf te bepalen hoe zij de definitie vormgeeft. Wij kiezen voor een brede doelgroepdefinitie waarbij gekeken wordt naar de indicatoren voor onderwijsachterstanden genoemd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en waarbij ook risicofactoren zoals een achterstand in de motorische ontwikkeling, het ontbreken van een sociaal netwerk en gezins- en gedragsaspecten meegewogen worden. In het model van het CBS worden omgevingskenmerken gebruikt die volgens onderzoek het risico van een kind op een onderwijsachterstand voorspellen. De omgevingskenmerken die hierin meegenomen worden zijn: • Opleidingsniveau van de ouders • Herkomst • Verblijfsduur van de moeder in Nederland • Wel of niet in de schuldsanering • Het gemiddelde opleidingsniveau van de moeders van leerlingen op schoolIn gezinnen waarbij deze kenmerken een rol spelen, kunnen ouders tijdig passende ondersteuning geboden worden om de onderwijskansen van hun kinderen te verbeteren. In gezinnen waarbij deze kenmerken een rol spelen, kunnen ouders tijdig passende ondersteuning geboden worden om de onderwijskansen van hun kinderen te verbeteren.
De doelgroep voor het onderwijskansenbeleid in de gemeente Zwolle bestaat uit kinderen tot 13 jaar, waarbij: • De omgevingskenmerken van het CBS een vroege inschatting van een (risico op een) onderwijsachterstand mogelijk maken • De taal in de thuissituatie de deelname aan het onderwijs niet ondersteunt • De Nederlandse taal- en spreekvaardigheid Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
9
tkansen
achterblijft bij leeftijdsgenoten • De motorische ontwikkeling achterblijft waardoor een volwaardig functioneren in gevaar komt • Risico’s in de sociaal-emotionele ontwikkeling zorgen voor een verminderd welbevinden. • De cognitieve ontwikkeling stagneert • Sprake is van een moeilijke thuissituatie door bijvoorbeeld financiële problemen, verslavingsproblematiek, psychische problemen, opvoedingsproblemen, scheidingsproblematiek en/of het ontbreken van een sociaal netwerk • Er kunnen meerdere kenmerken van toepassing zijn. De omgevingskenmerken van het CBS en de aanvullende omgevingskenmerken maken het mogelijk om al heel vroeg in te schatten of het kind een (risico op een) onderwijsachterstand heeft en ouders tijdig passende ondersteuning te bieden om de onderwijskansen te verbeteren. Het vroegtijdig signaleren van kinderen met een (risico op een) onderwijsachterstand is primair een taak van de JGZ. Zij hebben de wettelijke opdracht om indicaties te verstrekken op basis waarvan doelgroeppeuters gebruik kunnen maken van gesubsidieerde voorschoolse educatie. Daarnaast kunnen uiteraard ook andere samenwerkingspartners onderwijsachterstanden signaleren en doorverwijzen naar de JGZ voor indicatie voor voorschoolse educatie. Op basis van deze nieuwe brede doelgroepdefinitie is het nodig dat het huidige indicatieformulier van de JGZ wordt aangepast.
Actie: • De JGZ stelt in afstemming met de werkgroep OKB een nieuw indicatieformulier op.
10
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
3.3 Subdoelen en doelstellingen
Vanuit het doel van het Onderwijskansenbeleid, de kaders en het proces doorlopen met de werkgroep OKB zijn subdoelen gesteld voor de periode 2021 – 2024. De subdoelen met doelstellingen zijn hieronder kort beschreven. In het volgende hoofdstuk zijn zij verder uitgewerkt naar acties voor het bereiken van de doelen.
Doel 1: Meer (doelgroep)peuters gaan naar een voorschoolse voorziening Concrete en meetbare doelstellingen: • 90% van alle doelgroeppeuters maakt gebruik van voorschoolse educatie. • 90% van alle peuters gaat naar peuteropvang of een kinderdagverblijf.
Doel 2: Meer doelgroepkinderen ontwikkelen zich binnen hun eigen mogelijkheden Concrete en meetbare doelstellingen: • Minimaal 80% van de kinderen die voor- en vroegschoolse educatie gevolgd hebben, beschikken over een adequaat taal en rekenniveau om vervolgonderwijs te kunnen volgen en ontwikkelen zich binnen de bandbreedte van de normale ontwikkeling op het gebied van: • Sociaal-emotionele ontwikkeling: een veilige sociaalemotionele omgeving is een belangrijke voorwaarde voor kinderen om zich te kunnen ontwikkelen. In die zin gaat het bij het onderwijskansenbeleid daarom om ondersteuning van doelgroepkinderen én hun ouders. • Taalontwikkeling: de betrokkenen rondom het Onderwijskansenbeleid vinden een goede start van kinderen op de basisschool van groot belang voor hun verdere schoolloopbaan. Daarvoor is het vooral van belang dat zoveel mogelijk kinderen zonder taalachterstanden aan de basisschool beginnen. • Ontwikkeling en inzicht in cijfers en getallen (rekenen, talige rekensommen): dit wordt met name bijgehouden op de scholen aan de hand van de leerlingvolgsystemen.
tkansen
Doel 3: Meer ouders worden meer betrokken bij de taal- en de bredere ontwikkeling van hun kind Concrete en meetbare doelstellingen: • Alle voor- en vroegschoolse voorzieningen hebben een (gezamenlijk) plan van aanpak om systematisch de ouderbetrokkenheid te stimuleren en te vergroten (gericht ouderbeleid). • Ouders ervaren dat zij betrokken worden bij de ontwikkeling van hun kind doordat zij: • Voldoende geïnformeerd worden over de ontwikkeling van hun kind. • Voldoende materiaal en/of informatie krijgen om thuis stimulerende activiteiten te doen. • Regelmatig kunnen participeren aan ouderactiviteiten en hierin actief benaderd worden (bijvoorbeeld per mail, brief, bij het brengen van het kind e.d.). • Bij een monitor/enquête ouderbetrokkenheid scoren 80% van de ouders positief op de voornoemde punten.
onderwijs over inschrijvings- en toelatingsprocedures t.b.v. een evenwichtige verdeling van leerlingen met een onderwijsachterstand over de scholen.
Doel 5: Er is sneller passende ondersteuning voor het kind en zijn ouder(s) Concrete doelstelling: • Er zijn afspraken tussen de JGZ, kinderopvang, primair onderwijs en het Sociaal wijkteam over de samenwerking. Daarbij is duidelijk wie welke rol heeft en de casusregie pakt. En welk aanbod/ondersteuning in het voorliggend veld ingezet kan worden of nodig is rondom het kind om de onderwijskansen te verbeteren.
Doel 4: Er is minder segregatie in de voorschoolse voorzieningen en het onderwijs Concrete en meetbare doelstellingen: • Het aantal groepen peuteropvang met meer 60% doelgroeppeuters is verminderd van 12 naar 6. • Er zijn afspraken met het primair en voortgezet
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
11
tkansen
tkansen
4. Beleidsinvulling
4.1 Meer (doelgroep)peuters gaan naar een voorschoolse voorziening Concrete en meetbare doelstellingen: • 90% van alle doelgroeppeuters maakt gebruik van voorschoolse educatie. • 90% van alle peuters gaat naar peuteropvang of een kinderdagverblijf.
Bereik (doelgroep)peuter verhogen Van de gemeente worden inspanningen verwacht om zoveel mogelijk (doelgroep)peuters gebruik te laten maken van een voorschoolse voorziening. Bestuurlijke afspraken tussen het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten hebben tot gevolg dat de gemeente, naast de wettelijke verantwoordelijkheid voor het aanbod voor doelgroeppeuters, ook verantwoordelijk is voor een aanbod opvang voor peuters waarvan de ouders niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag. Uit onderzoek blijkt dat het investeren in voorzieningen voor jonge kinderen lonend is. Voorschoolse voorzieningen leveren een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen en het verminderen van achterstanden. Wij willen daarom dat meer (doelgroep)peuters naar een voorschoolse voorziening gaan. Het bereik van doelgroeppeuters ligt op dit moment rond de 80% en willen we verhogen naar minimaal 90%. Basisscholen geven nog regelmatig aan kinderen op school te krijgen die niet naar een voorschoolse voorziening zijn geweest en dat dit merkbaar is in de start van het onderwijs. Aanvullend willen we dat (doelgroep)peuters zoveel mogelijk gebruik maken van het aantal aangeboden uren peuteropvang en zo vroeg mogelijk starten. Het is uiteraard aan de ouders of zij daadwerkelijk van het aanbod gebruik maken.
Aanbod voorschoolse educatie van 2,5 naar 2 jaar Om de doelstellingen te bereiken ondernemen we een aantal acties. De subsidieregeling voor peuteropvang en voorschoolse educatie hebben we aangepast voor vanaf het kalenderjaar 2022. Doelgroeppeuters kunnen vanaf 2022 met de leeftijd van 2 jaar gebruik maken van het extra aanbod voorschoolse educatie in plaats van vanaf 2,5 jaar.
Toeleidingsproces naar voorschoolse voorzieningen verbeteren Het toeleidingsproces naar voorschoolse voorzieningen gaan we verbeteren. Dit dient bij te dragen aan dat meer doelgroeppeuters gebruik maken van voorschoolse educatie en eerder starten. Doelgroeppeuters krijgen nu gemiddeld bij 26 maanden een indicatie en starten gemiddeld met 27 maanden met peuteropvang. Om doelgroeppeuters eerder te laten starten met zowel peuteropvang als het extra aanbod voorschoolse educatie is het nodig om dit te vervroegen. Ook is het nodig om nieuwe afspraken te maken over de registratie van de indicatie, de redenen waarom een ouder afziet van het gebruik maken van een voorschoolse voorziening en de overdracht naar de voorschoolse voorziening. Om dit te bewerkstelligen wordt een eenduidige overdracht- en verwijsprocedure opgesteld waarbij duidelijk is wat de rollen van de JGZ en de voorschoolse voorzieningen zijn. Vervolgens worden de jeugdartsen en -verpleegkundigen in één of meerdere bijeenkomsten uitleg gegeven over het nieuwe indicatieformulier, de overdracht- en verwijsprocedure, en wat peuteropvang en voorschoolse educatie behelst.
Nieuwe peutermonitor met dashboards
bij elkaar in overzichtelijke dashboards. Informatie over het peuteraanbod, het peuterbereik en de financiën wordt daarmee in één oogopslag beschikbaar. Met de peutermonitor krijgt de JGZ onder andere automatisch te zien welke doelgroeppeuters niet geplaatst zijn en waar ze actie op kunnen nemen. Daarnaast is op wijk- organisatie- en locatieniveau duidelijk wat de subsidieafname is en kan deze nauwgezet gevold worden. Op basis van deze monitor kan waar nodig op wijkniveau aanvullende acties worden ingezet om het bereik van peuters te vergroten.
Acties: 1. De leeftijd voor gesubsidieerde aanbod voorschoolse educatie wordt verlaagd vanaf 2022 van 2,5 naar 2 jaar. 2. Een peutermonitor wordt geïmplementeerd. De monitor richt zich op: - Bereik, non-bereik en spreiding van (doelgroep) peuters op wijk- en locatieniveau - Redenen van non-bereik - Gebruik van aantal uren voorschoolse educatie - Subsidieverstrekking - (Doelgroep)peuters die (nog) geen plek hebben bij een locatie worden terug gerapporteerd aan de JGZ. 3. De gemeente stelt een passende opdracht op voor de JGZ waarin duidelijk staat wat er verwacht wordt, hoe dat gemonitord wordt en wat daar tegenover staat. Hierin wordt in ieder geval meegenomen: de wijze waarop geen deelname aan peuteropvang en voorschoolse educatie wordt geregistreerd, en het opstellen en vervolgens het uitvoeren van een overdrachten verwijsprocedure in afstemming met de werkgroep OKB. 4. Na vaststelling van het indicatieformulier, en de overdracht- en verwijsprocedure in de werkgroep OKB worden één of meerdere sessies georganiseerd voor jeugdartsen en -verpleegkundigen van de JGZ. Zij krijgen uitleg over het nieuwe indicatieformulier, de overdracht- en verwijsprocedure, peuteropvang en voorschoolse educatie.
Om de doelstellingen te monitoren en op basis daarvan aanvullende acties te ondernomen starten we met een nieuwe peutermonitor. Deze peutermonitor brengt informatie die door de gesubsidieerde voorschoolse voorzieningen, de JGZ en de gemeente worden geleverd
2. SER, Gelijk goed van start. Visie op het toekomstige stelsel van voorzieningen voor jonge kinderen, 2016.
12
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
13
tkansen
4.2 Meer doelgroepkinderen ontwikkelen zich binnen hun eigen mogelijkheden
Concrete en meetbare doelstelling: • Minimaal 80% van de kinderen die voor- en vroegschoolse educatie gevolgd hebben, beschikken over een adequaat taal en rekenniveau om vervolgonderwijs te kunnen volgen en ontwikkelen zich binnen de bandbreedte van de normale ontwikkeling op het gebied van: - Sociaal-emotionele ontwikkeling: een veilige sociaal-emotionele omgeving is een belangrijke voorwaarde voor kinderen om zich te kunnen ontwikkelen. In die zin gaat het bij het onderwijskansenbeleid daarom om ondersteuning van doelgroepkinderen én hun ouders. - Taalontwikkeling: de betrokkenen rondom het Onderwijskansenbeleid vinden een goede start van kinderen op de basisschool van groot belang voor hun verdere schoolloopbaan. Daarvoor is het vooral van belang dat kinderen zonder taalachterstanden aan de basisschool beginnen. - Ontwikkeling en het inzicht in cijfers en getallen (rekenen, talige rekensommen): dit wordt met name bijgehouden op de scholen aan de hand van de leerlingvolgsystemen.
Meer sturen op de ontwikkeling van doelgroepkinderen Een onderwijsachterstand kan meestal worden ingehaald wanneer deze op jonge leeftijd wordt aangepakt. Het is daarom van belang dat we vroegtijdig inzetten op een veilige, rijke en uitdagende leeromgeving om de ontwikkeling van doelgroepkinderen te stimuleren en zodoende hun onderwijskansen te verbeteren. We willen dan ook dat meer doelgroepkinderen zich
14
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
ontwikkelen binnen hun eigen mogelijkheden. De doelstelling bij dit doel richt zich de komende jaren op voor- en vroegschoolse educatie. Het actief nastreven van deze doelstelling vinden wij al een prachtige nieuwe stap. De acties bij het doel richten zich wel op een bredere doelgroep dan alleen kinderen van 2 jaar tot en met groep 2. Aan de hand van de herziende subsidieregeling Onderwijskansenbeleid (bijlage 2) gaan we meer sturen op de effecten van de gesubsidieerde activiteiten op het verbeteren van de onderwijskansen van kinderen van 0 tot 13 jaar met een (risico op een) onderwijsachterstand. Waar nodig doen we dit aan de hand van een wijkgerichte aanpak. Het doel van voor- en vroegschoolse educatie is om peuters met een onderwijsachterstand beter voor te bereiden op de basisschool en ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk kleuters zonder achterstand naar groep 3 kunnen. Op grond van de Wet op het primair onderwijs (artikel 167) dient de gemeente resultaatafspraken te maken over voor- en vroegschoolse educatie met de voorschoolse voorzieningen en het basisonderwijs. Dit hebben wij vertaald naar de doelstelling dat minimaal 80% van de kinderen die voor- en vroegschoolse educatie gevolgd hebben, beschikken over een adequaat taal en rekenniveau om vervolgonderwijs te kunnen volgen en zich ontwikkelen binnen de bandbreedte van de normale ontwikkeling.
VVE-monitor opzetten gericht op kwaliteitsverbetering De vraag is vervolgens hoe meten we doelstelling en hoe kunnen we de resultaten op een heldere en volledige manier monitoren? Hiervoor zetten we een monitor voor voor- en vroegschoolse educatie op (VVE-monitor). Door het vervolgens bespreken van de resultaten van de monitor willen we een kwaliteitsdialoog op gang brengen waarbij gekeken wordt welk beleid is vormgegeven en hoe de uitvoering plaatsvindt. De essentie is dat gezocht wordt naar kwaliteitsbewustzijn van voor- en vroegschoolse educatie en om waar nodig en mogelijk
tkansen
gezamenlijk een kwaliteitsverbetering door te voeren. Wij proberen dit zoveel mogelijk wijkgericht in te steken.
Extra subsidiemogelijkheden vanuit de gemeente Vooruitlopend op de uitkomsten van de VVEmonitor stelt de gemeente subsidie beschikbaar voor interventies die bijdragen aan de kwaliteit van vroegschoolse educatie in de herziende subsidieregeling Onderwijskansenbeleid. Uit landelijk onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat de educatieve kwaliteit in kleuterklassen voor verbetering vatbaar is en zou subsidie kunnen worden ingezet voor de verhogen van de educatieve kwaliteit. Ook kan gedacht worden aan het opstellen van maatwerkplannen die voorzien in een totaalaanpak voor doelgroepleerlingen in de vroegschoolse periode. In die totaalaanpak kan gebruik gemaakt worden van het aanbod van partners in de stad zoals van Travers Welzijn en Stadkamer. Vanaf 2022 zetten we ook extra in op de kwaliteit van voorschoolse voorzieningen met voorschoolse educatie. Aan de hand van de herziende subsidieregeling Peuteropvang en voorschoolse educatie zetten we in op thuisbezoeken van doelgroeppeuters voor de aanvang van de peuteropvang, de inzet van een pedagogische coach of beleidsmedewerker op hbo werk- en denkniveau voor 10 uur per doelgroeppeuter per jaar en extra ondersteuning voor locaties met meer dan 60% doelgroeppeuters. Verder wil de gemeente ruimte geven aan nieuwe initiatieven door het beschikbaar stellen van incidentele subsidie in de subsidieregeling Onderwijskansenbeleid.
Afhankelijk van de uitkomsten van dergelijke initiatieven, beleidsontwikkelingen en de beschikbare middelen kan de incidentele subsidie worden omgezet in structurele activiteitensubsidie.
Doorgaande lijn van voor- naar vroegschoolse educatie verbeteren Bij een doorgaande (ontwikkelingsleer)lijn voor de voor- en vroegschoolse educatie (VVE) gaat het om een ononderbroken ontwikkelingsgang van kinderen van de voorschoolse voorziening naar de basisschool. Voor het jonge kind is het belangrijk dat voorschoolse voorzieningen en basisscholen samen een doorgaande ontwikkellijn neerzetten. De partijen handelen hierbij vanuit één gedachte en één gezamenlijk doel. Gegevens over de ontwikkeling van kinderen worden van voor- naar vroegschools overgedragen. Bij een doelgroeppeuter, en ook een zorgpeuter, gebeurt dit met een zogenaamde warme overdracht. De onderbouwdocent kan zo een goede aansluiting realiseren. Een aantal jaren geleden is voor de overdracht het Zwolse overdrachtsformulier opgesteld. Er is geconstateerd dat het nodig is om dit formulier te evalueren en te verbeteren. En afspraken te maken over hoe de overdracht en de doorgaande lijn wordt georganiseerd en wat daarvoor nodig is.
Huidige activiteiten voortzetten De gemeente subsidieert diverse activiteiten die ook met dit nieuwe Onderwijskansenbeleid vanaf 2022 worden voorgezet in de vorm van structurele activiteitensubsidie: • NT2 onderwijs; • Een zomervakantieprogramma; • Boekstart, Voorleesexpress en het programma Alle Zwolse Kinderen Lezen uitgevoerd door Stadkamer; • VVE platform en ondersteuning, VVE Taal & Gezin en Kinderopvang Plus uitgevoerd door Travers Welzijn. We gaan nog beter kijken of de subsidie daadwerkelijk bijdraagt aan de gestelde doelen. Zo gaan we onderzoeken hoe we het NT2 onderwijs en de ondersteuning aan nieuwkomers kunnen optimaliseren en kijken we in hoeverre we het zomerprogramma voor peuters en basisschoolleerlingen kunnen voortzetten
3. Zie bijvoorbeeld: Wat werkt in de VVE. 4. Kamerstuk 27 020, nr. 90: Aanpak onderwijsachterstanden, 29 november 2018. Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
15
tkansen
en uitbreiden. Ook vindt er momenteel een onderzoek plaats naar hoe de subsidie voor Alle Zwolse Kinderen Lezen ingezet kan worden specifiek voor de doelgroep van het Onderwijskansenbeleid. De inzet van VVE ondersteuning (specialist) van Travers Welzijn wordt in de eerste instantie verminderd, omdat we eerst beter willen kijken naar wat nodig is en bijdraagt aan de doelen van het Onderwijskansenbeleid. Acties: 1. Er wordt een monitor opgezet om de resultaten van voor- en vroegschoolse educatie periodiek te monitoren (VVE-monitor). De resultaten worden door de voorschoolse voorzieningen en de basisscholen besproken met het oog op het verhogen van de kwaliteit. 2. De gemeente stelt subsidie beschikbaar voor interventies die eraan bijdragen dat meer kinderen die vroegschoolse educatie gevolgd hebben, beschikken over een adequaat taal en rekenniveau om vervolgonderwijs te kunnen volgen en ontwikkelen zich binnen de bandbreedte van de normale ontwikkeling. 3. De gemeente stelt incidentele subsidie beschikbaar voor activiteiten die bijdragen aan het doel en subdoelen van het Onderwijskansenbeleid. Afhankelijk van de activiteiten en de beleidsontwikkelingen kan de incidentele subsidie na twee jaar worden omgezet in structurele activiteitensubsidie.
4. Doelgroeppeuters en zorgkinderen worden (met instemming van en samen met ouders) mondeling overgedragen van het kindercentrum naar het primair onderwijs. Dit noemt men ook wel een warme overdracht. 5. Het Zwolse overdrachtsformulier wordt geëvalueerd en herzien. Daarbij worden afspraken gemaakt over hoe de overdracht en de doorgaande lijn wordt georganiseerd en wat daarvoor nodig is. 6. Vanaf 2022 subsidieert de gemeente de (wettelijke) inzet van 10 uur per doelgroeppeuter door een pedagogische coach/beleidsmedewerker. Jaarlijks stemmen de gemeente Zwolle en de houders een gezamenlijke focus af, gericht op specifieke kwaliteitsaspecten van voorschoolse educatie. 7. Er wordt onderzocht op welke wijze de ondersteuning aan nieuwkomers in Zwolle geoptimaliseerd kan worden. 8. De subsidie voor het programma Alle Zwolse Kinderen Lezen van Stadkamer wordt vanaf 2022 ingezet om de onderwijskansen van kinderen met een (risico op een) onderwijsachterstand te verbeteren en is daardoor niet meer bedoeld voor alle kinderen. 9. We bekijken in hoeverre we het gestarte zomerprogramma voor peuters en basisschoolleerlingen de komende jaren kunnen voortzetten en uitbreiden.
tkansen
4.3 Meer ouders worden meer betrokken bij de taal- en de bredere ontwikkeling van hun kind Concrete en meetbare doelstellingen: • Alle voor- en vroegschoolse voorzieningen hebben een plan van aanpak om systematisch de ouderbetrokkenheid te stimuleren en te vergroten (gericht ouderbeleid). • Ouders ervaren dat zij betrokken worden bij de ontwikkeling van hun kind doordat zij: - Voldoende geïnformeerd worden over de ontwikkeling van hun kind. - Voldoende materiaal en/of informatie krijgen om thuis stimulerende activiteiten te doen. - Regelmatig kunnen participeren aan ouderactiviteiten en hierin actief benaderd worden (bijvoorbeeld per mail, brief, bij het brengen van het kind e.d.). - Bij een monitor/enquête ouderbetrokkenheid scoren 80% van de ouders positief op de voornoemde punten.
Beter inzicht krijgen in (de mogelijkheden voor) ouderbetrokkenheid De thuissituatie is ontzettend belangrijk voor de ontwikkeling van een kind. Kinderen die thuis onvoldoende uitgedaagd en gestimuleerd worden, komen op school vaak minder goed mee dan ze zouden kunnen.5 Leesbevorderende ouders maken de kans dat een kind een boekenliefhebber wordt bijna vijf keer zo groot (een vriend of vriendin drieënhalf keer, een docent anderhalf keer)6. Voorschoolse voorzieningen en basisscholen hebben de ouders keihard nodig als
het gaat om het stimuleren van kansen voor kinderen. Ouderbetrokkenheid houdt partnerschap in: ouders, voorschoolse voorzieningen en scholen zien elkaar als partners, stemmen onderwijs en opvoeding op elkaar af, informeren elkaar en streven naar samenwerking. Vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid wordt zo gewerkt aan optimale onderwijskansen voor het kind. Alle reden dus om in te zetten op het vergroten van de betrokkenheid van ouders. Er worden verschillende activiteiten in Zwolle aangeboden die zich richten op ouderbetrokkenheid bij de ontwikkeling van kinderen van 0 tot 13 jaar. Zowel stadsbreed als op wijkniveau. We hebben alleen nog onvoldoende zicht op hoe dit bijdraagt aan de doelen van het Onderwijskansenbeleid. Voor het basisonderwijs is het van belang wat voor acties zij kunnen inzetten aanvullend op het bestaande curriculum in samenwerking met andere partners. Daarom gaan we bekijken hoe het staat met ouderbetrokkenheid in Zwolle en dit zich verhoudt tot de (sub)doelen van het Onderwijskansenbeleid. Wat betreft het vergroten van ouderbetrokkenheid zien we wel al mogelijkheden om Boekstart meer vindplaatsgericht in te zetten.
Informatievoorziening over peuteropvang, voorschoolse educatie en onderwijskansen vergroten Het vergroten van de toeleiding van peuters naar voorschoolse voorzieningen vraagt om gerichte communicatie. Ouders kunnen nu voor informatie over peuteropvang en voorschoolse educatie terecht bij een voorschoolse voorziening bij hen in de buurt. De JGZ vertelt ouders over peuteropvang en voorschoolse educatie tijdens consulten. Er is verder geen schriftelijke of digitale informatie voor ouders beschikbaar over peuteropvang en voorschoolse educatie. Aanvullend is het voor ouders (en
5. Kloprogge, J. en De Wit, W., Het onderwijsachterstandenbeleid na 2015, Nationaal regieorgaan onderwijsonderzoek: september 2015 6. Bron: www.leesmonitor.nu.
16
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
17
tkansen
professionals) handig om een overzicht te hebben van de mogelijkheden die zij zelf hebben, en de activiteiten en ondersteuningsmogelijkheden die er zijn in de stad om de onderwijskansen van hun kind(eren) te vergroten. Daarom gaan we een communicatieplan opstellen en uitvoeren om de informatievoorziening over peuteropvang en voorschoolse educatie te verbeteren, en de mogelijkheden om onderwijskansen te vergroten.
Tevredenheid over ouderbetrokkenheid monitoren Vanwege het belang van ouderbetrokkenheid gaan we de tevredenheid van ouders periodiek monitoren en dus een monitor opzetten. Zo weten we beter of datgeen wat we doen aansluit bij de behoeften en mogelijkheden van ouders. Acties: 1. Er wordt onderzocht hoe het staat met de ouderbetrokkenheid vanaf 0 jaar in Zwolle, activiteiten gericht op het vergroten van ouderbetrokkenheid, samenwerking en toeleiding hieromtrent tussen verschillende partijen en hoe dit verhoudt tot de (sub)doelen van het Onderwijskansenbeleid. 2. Er wordt een periodieke monitor onder ouders over ouderbetrokkenheid opgezet. 3. Er wordt bekeken wat de mogelijkheden zijn om Boekstart activiteiten meer ‘vindplaats gericht’ aan te bieden. 4. De gemeente maakt in samenwerking met de werkgroep OKB een communicatieplan om de informatievoorziening over peuteropvang en voorschoolse educatie te verbeteren, en de mogelijkheden om onderwijskansen te vergroten. Deze informatievoorziening richt zich op ouder(s) (groepen) en professionals.
18
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
4.4 Er is minder segregatie in de voorschoolse voorzieningen en het onderwijs Concrete en meetbare doelstelling: • Het aantal groepen peuteropvang met meer 60% doelgroeppeuters is verminderd van 12 naar 6. • Er zijn afspraken met het primair en voortgezet onderwijs over inschrijvings- en toelatingsprocedures t.b.v. een evenwichtige verdeling van leerlingen met een onderwijsachterstand over de scholen.
Inzetten op een evenwichtige verdeling van doelgroeppeuters in groepen Het voorkomen van segregatie en het bevorderen van integratie is een belangrijk onderdeel van het Onderwijskansenbeleid. Segregatie is een scheiding tussen verschillende groepen mensen met gemeenschappelijke kenmerken in een samenleving. We willen geen peutergroepen waar alleen een specifieke groep kinderen geplaatst worden. Uit onderzoek blijkt, dat de effectiviteit van voorschoolse educatie voor doelgroeppeuters groter is, als ze aan een groep deelnemen waarin ook reguliere peuters zitten. Ook voor de professionals is dit hanteerbaarder. Daarom willen we zoveel mogelijk gemengde groepen zodat kinderen zich aan elkaar kunnen optrekken. Het aantal groepen met meer dan meer 60% doelgroeppeuters willen we verminderen. Dit doen we met behulp van informatie uit de peutermonitor en een onderzoek onder ouders. Met het onderzoek willen we meer inzicht krijgen in de redenen voor (non-)bereik en spreiding van doelgroepkinderen in de wijken. Indien nodig en mogelijk kunnen we vervolgens wijkgericht acties ondernemen.
tkansen
Afspraken gericht op een evenwichtige verdeling van leerlingen met een onderwijsachterstand In de Wet op het primair onderwijs en in de Wet op de voortgezet onderwijs is opgenomen dat de gemeente afspraken dient te maken over de inschrijvings- en toelatingsprocedures. Dit met als doel om tot een evenwichtige verdeling van leerlingen met een onderwijsachterstand over de scholen te komen. De afspraken hebben zoveel mogelijk het karakter van een meetbaar doel. Als startpunt voor het maken van afspraken zetten we een survey uit om beter inzicht te krijgen in de huidige situatie en om thema’s op te halen die aandacht behoeven.
Tijdig contact tussen de voorschoolse voorziening en de basisschool Meerdere basisscholen kijken pas bij 3 jaar en 10 maanden of de basisschool een passende plek is voor de aangemelde peuter. Soms blijkt dat een basisschool niet de passende plek is en blijft de doelgroeppeuter langer op de peuteropvang totdat er een andere plek is gevonden. De gemeente biedt met subsidie de mogelijkheid om (doelgroep)peuters langer naar de peuteropvang te laten gaan. Deze mogelijkheid is bedoeld om de overgang van de voorschoolse voorziening naar de basisschool voor een peuter uit te stellen of meer geleidelijk te laten plaatsvinden als dat in het belang is van het kind. De subsidie is niet bedoeld om peuters langer in de peuteropvang te laten, omdat er niet tijdig een passende basisschool is gezocht. Daarom willen we tijdig inzichtelijk gaan maken naar welke basisschool een doelgroeppeuter doorstroomt en dat er vroegtijdig contact is met de betreffende basisschool, zodat deze situatie kan worden voorkomen. Hiermee kan ook een bijdrage geleverd worden aan de doorgaande lijn.
Acties: 1. Op basis van de peutermonitor en een onderzoek onder ouders beter inzicht krijgen in het (non-) bereik en spreiding van doelgroepkinderen in wijken. Op basis van een dergelijke wijkanalyse bekijken in hoeverre acties nodig en mogelijk zijn. 2. Een survey uitzetten over de overgang van kinderopvang naar het primair onderwijs en van primair onderwijs en voortgezet onderwijs met als doel inschrijvings- en toelatingsprocedures af te stemmen ten behoeve van een evenwichtige verdeling van leerlingen met een onderwijsachterstand. De survey richt zich op. - Beter inzicht krijgen in de huidige situatie. - Thema’s ophalen die aandacht behoeven. 3. Het maken werkafspraken over het tijdig inzichtelijk krijgen naar welke basisschool een doelgroeppeuter doorstroomt en het vroegtijdig contact hebben met de betreffende basisschool.
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
19
tkansen
4.5 Er is sneller passende ondersteuning voor het kind en zijn ouder(s) Concrete doelstelling: • Er zijn afspraken tussen de JGZ, kinderopvang, primair onderwijs en het Sociaal wijkteam over de samenwerking. Daarbij is duidelijk wie welke rol heeft en de casusregie pakt. En welk aanbod/ ondersteuning in de sociale basis ingezet kan worden of nodig is rondom het kind om de onderwijskansen te verbeteren.
Vroegsignalering verbeteren nog voor de peuteropvang Het belang van de vroege kinderjaren voor de ontwikkelingskansen kan moeilijk worden overschat. In die jaren vindt de snelste ontwikkeling (motorisch, sociaal-emotioneel, cognitief) plaats en blijken in de praktijk ook aanzienlijke verschillen in de ontwikkeling van de kinderen te ontstaan. De nieuwe brede doelgroepdefinitie maakt het mogelijk om (risico’s op) onderwijsachterstanden al heel vroeg te signaleren en ouders te verwijzen naar (wijkgerichte) activiteiten en passende ondersteuning nog voordat het kind naar de peuteropvang gaat. We willen kijken wat voor extra rol de JGZ hierbij kan innemen. Een goede informatievoorziening over de mogelijkheden van ouders zelf, de activiteiten en ondersteuningsmogelijkheden in de stad om de onderwijskansen van hun kind(eren) te vergroten helpt daarbij ieder geval.
Samenwerking en regie rondom het kind van 0 tot 4 jaar verstevigen Voor sommige doelgroeppeuters is peuteropvang en voorschoolse educatie niet voldoende. Er speelt soms andere (zware) problematiek zoals gedragsproblemen of een onveilige thuissituatie. Voor sommige peuters lijkt de voorschoolse voorziening een ‘wachtportaal’ voor wat
20
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
eigenlijk de juiste plek is. Basisscholen signaleren dan ook dat er regelmatig kinderen met veel problematiek instromen en de voorschoolse voorzieningen hebben te maken met peuters met een bepaalde problematiek waar pedagogisch medewerkers niet voor opgeleid zijn. Op de basisscholen spelen de ondersteuningsteams een belangrijke rol. Bij kinderen van 0 tot het moment van instromen op de basisschool blijkt onduidelijkheid te zijn over de rollen van de betrokken organisaties. Daarom willen we betere afspraken maken over de samenwerking. Belangrijke vragen daarbij zijn: • Wie heeft welke rol en verantwoordelijkheid en dient wanneer betrokken te worden? • Wie heeft de casusregie? • Hoe wordt informatie over het kind en het gezin bijgehouden • Hoe past het aanbod van bijvoorbeeld Travers Welzijn en Stadkamer in deze samenwerking/casusregie? Zoals Kinderopvang Plus, team Taal & Gezin, VVE platform en de Voorleesexpress. • Is het nodig om hulpvragen op de voorschoolse voorzieningen beter in kaart te brengen? Om beter te weten wat nodig is en wel/niet mogelijk is met voorschoolse educatie?
tkansen
bijstand. Dat betekent dat ouders die niet vallen onder de inkomenscriteria van de bijzondere bijstand niet in aanmerking komen voor de SMI-regeling. Het idee van de SMI-regeling is dat ouders ervoor in aanmerking kunnen komen ongeacht hun inkomen. Een inkomensafhankelijke bijdrage behoort daarbij wel tot de mogelijkheden. De huidige SMI-regeling sluit dus gezinnen op basis van inkomen uit. We willen daarom bekijken of we deze regeling anders kunnen vormgeven. Voorschoolse educatie heeft niet als primair doel om kinderen uit een problematische thuissituatie te halen, maar om te werken aan onderwijsachterstanden, zodat kinderen goed voorbereid op de basisschool komen. Voor kinderen met een SMI-indicatie zal daarom steeds moeten worden bezien of voorschoolse educatie de meest geëigende oplossing is, bijvoorbeeld omdat het kind ook onder de doelgroepdefinitie valt, of dat er naar een andere oplossing gezocht moet worden, zoals opvang in de reguliere dagopvang. Dit is mede belangrijk om te voorkomen dat de peutergroepen met voorschoolse educatie te ‘zwaar’ worden waardoor doelen niet meer behaald kunnen worden.
Acties: 1. Onderzoeken in hoeverre JGZ een rol kan spelen bij de toeleiding naar ouder-kind activiteiten en ondersteuning voor doelgroepkinderen tot 2 jaar. 2. Er zijn afspraken tussen de JGZ, kinderopvang, primair onderwijs en het Sociaal wijkteam over de samenwerking. Daarbij is duidelijk wie welke rol heeft en de casusregie pakt. En welk aanbod/ ondersteuning in het voorliggend veld ingezet kan worden of nodig is rondom het kind om de onderwijskansen te verbeteren (bijvoorbeeld van Travers Welzijn of Stadkamer). 3. Er wordt bekeken of de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op basis van sociaal-medische indicatie anders kan worden vormgegeven, zodanig dat ouders ongeacht hun inkomen hiervoor in aanmerking kunnen komen.
Inkomen drempel voor sociaal-medische indicatie De gemeente krijgt middelen van het Rijk voor het uitvoeren van de zogenoemde sociaal medische indicatie (SMI) regeling. Met de SMI regeling kan een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang worden verstrekt voor ouders met een handicap of chronische ziekte die door middel van kinderopvang ontlast kunnen worden en waarbij kinderen die als gevolg van de thuissituatie bedreigd worden in hun ontwikkeling. De SMI-regeling kan zodoende een bijdrage te leveren aan het voorkomen dat onderwijsachterstanden ontstaan of toenemen, problemen escaleren en dure en zware jeugdhulp moet worden ingezet. De gemeente heeft volledige beleidsvrijheid gekregen van het Rijk om invulling te geven aan de SMI-regeling. In de gemeente Zwolle is de SMI-regeling vormgegeven als bijzondere Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
21
tkansen
tkansen
5. Aanpalende beleidsterreinen
Het onderwijskansenbeleid raakt andere beleidsterreinen en onderwerpen. Het gaat daarbij met name om de aanpalende beleidsterreinen zorg en ondersteuning, IKC ontwikkeling, gelijke kansen in het onderwijs, en laaggeletterdheid van volwassen. In dit hoofdstuk wordt daar kort op ingegaan.
5.1 Zorg en ondersteuning
Het Sociaal wijkteam is betrokken in veel gezinnen met jonge kinderen in de gemeente. Omdat ze niet gehouden zijn aan vaste contactmomenten kunnen ze het dreigen van achterstanden soms eerder dan het consultatiebureau signaleren. Een goede samenwerking is daarvoor essentieel, zodat er onderling naar elkaar doorverwezen kan worden. Het Sociaal wijkteam verwijst ouders naar het consultatiebureau voor een indicatie voor voorschoolse educatie. Het Sociaal wijkteam is als onderdeel van het ondersteuningsteam verbonden aan alle scholen voor primair onderwijs, voortgezet onderwijs en MBO in de stad,. Daarnaast zijn ze verbonden aan bijna alle huisartsenpraktijken. Dat vergroot de signalerende functie. Hierdoor is er de mogelijkheid om gebruik te maken van de expertise van het Sociaal wijkteam. De ondersteuningsteams hebben als taak om zorgen rondom een kind eerder en effectiever te signaleren, te bespreken en op te pakken. Door het bieden van effectieve ondersteuning wordt voorkomen dat de problemen groter worden en er (duurdere) jeugdhulp moet worden ingezet. Indien nodig wordt daarbij samenwerking gezocht met het Samenwerkingsverband (SWV 23-05).
22
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
5.2 IKC ontwikkeling
Landelijk wordt er steeds meer vanuit integrale kindcentra (IKC) en brede scholen gewerkt aan doorgaande (ontwikkelingsleer)lijnen voor kinderen en afgestemde dagarrangementen tussen de kinderopvang en het basisonderwijs. Het onderwijskansenbeleid draagt bij aan de doelstellingen van de integrale kindcentra en brede scholen waar het gaat om (talent)ontwikkeling van kinderen, het bieden van kansen en het realiseren van doorgaande leer- en ontwikkelingslijnen. Omgekeerd bieden een verdere samenwerking tussen kinderopvang en het basisonderwijs meer mogelijkheden om het onderwijskansenbeleid te realiseren. In het Integraal Huisvestingsplan van Zwolse onderwijsvoorzieningen is opgenomen hoe wij momenteel werken aan de ontwikkeling van integrale kindcentra.
5.3 Gelijke kansen binnen het onderwijs
Het thema ‘Gelijke Kansen binnen het onderwijs’ krijgt de laatste jaren vanuit het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen meer en meer aandacht, onder de noemer Gelijke Kansen Alliantie. Ook de gemeente Zwolle is aangesloten bij de Gelijke Kansen Alliantie. Onder meer het jaarverslag van de IvhO over schooljaar 2014–2015 leidde tot maatschappelijke en politieke discussie over dit thema. Geconstateerd is dat de onderwijskansen van kinderen van lager en hoger opgeleide ouders steeds meer uit elkaar lopen. Maatschappelijke ontwikkelingen en nu ook de COVID-19 maatregelen vergroten het risico van ongelijke kansen van jongeren in de samenleving en in het onderwijs. Kern van de Gelijke Kansen Alliantie is dat er naar wordt gestreefd dat kinderen met gelijke talenten ook gelijke kansen krijgen in het onderwijs, van voorschools tot HBO/Universiteit. Hiervoor zijn extra middelen door het Rijk ingezet bovenop het al lopende beleid, zoals investeringen in de overgang van primair naar voortgezet onderwijs, diverse pilots en experimenteren met het vrij roosteren van leraren. Zij kunnen in die tijd achterstandsleerlingen begeleiden of collega’s coachen. Ook met de middelen van Nationaal Programma Onderwijs wordt ingezet op extra maatregelen. De Gelijke Kansen Alliantie en het Nationaal Programma Onderwijs sluiten aan bij het onderwijskansenbeleid van scholen en gemeenten.
5.4 Laaggeletterdheid van volwassenen
Als ouders voldoende taalvaardig zijn biedt dit niet alleen voor hen, maar ook voor hun kinderen kansen. Iemand die laaggeletterd is heeft moeite met lezen en schrijven in de Nederlandse taal en dat belemmert het dagelijkse functioneren. Vanuit de ministeries OCW, SZW en VWS is er het landelijk programma ‘Tel mee met Taal’. Het programma richt zich op het voorkomen en bestrijden van laaggeletterdheid en het bevorderen van lezen, aanvullend op het reguliere onderwijs. Aan de hand van het Meerjarenplan laaggeletterdheid 2018 – 2022 wordt in Zwolle gewerkt aan het terugdringen van laaggeletterdheid. Het Onderwijskansenbeleid richt zich concreet op laaggeletterdheid van kinderen tot 13 jaar. Bij het vinden van laaggeletterde inwoners die gebruik willen maken van een scholingsaanbod, kan gebruik gemaakt worden van het netwerk binnen het onderwijskansenbeleid en omgekeerd. Met deze netwerkaanpak wordt getracht meer laaggeletterden te bereiken, en deze groep toe te leiden naar een voor hen op maat passend taalaanbod.
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
23
tkansen
tkansen
6. Monitoren, evalueren en verbeteren 6.1 Inrichten van de kwaliteitscyclus
Het is van belang om de uitvoering en de opbrengsten van het Onderwijskansenbeleid systematisch in kaart te brengen, conclusies te trekken, de afspraken te evalueren en het beleid waar mogelijk te verbeteren. Waar mogelijk op wijknivea. Zo wordt geëvalueerd of de goede dingen worden gedaan en of de dingen goed gedaan worden. Dit proces heet de kwaliteitscyclus. De IvhO heeft dit ook als beoordelingsonderdeel in haar onderzoekskader opgenomen. De kwaliteitscyclus heeft tot doel om de uitvoering en kwaliteit te monitoren en te evalueren en tegelijkertijd inzicht te bieden in de voortgang van de resultaten. De uitkomsten van de kwaliteitscyclus komen vervolgens weer terug in de beleidscyclus. Bij het inrichten van de kwaliteitscyclus wordt de PDCA cyclus gebruikt, de Plan-Do-Check-Act cyclus.
6.1 Plan: afspraken maken
Met de voorliggende notitie heeft de gemeente met de samenwerkingspartners afspraken gemaakt over de te bereiken (sub)doelen, de onderliggende doelstellingen en de acties om die te bereiken.
6.2 Do: uitvoering
De werkgroep OKB geeft invulling aan het gemeentelijk onderwijskansenbeleid. De gemeente heeft de regie over de werkzaamheden van de werkgroep OKB. Alle betrokken partners nemen deel in de werkgroep. Het Onderwijskansenbeleid wordt vertaald naar een concrete uitvoeringsagenda. Ieder jaar wordt bepaald welke acties en/of projecten prioriteit hebben en uitgevoerd gaan worden. Op deze manier wordt de samenwerking bevorderd en helder beschreven wie wat gaat doen met welk doel. De LEA wordt met regelmaat geïnformeerd over de stand van zaken van de uitvoeringsagenda.
6.3 Check: monitoren van de resultaten
Er wordt een monitor OKB opgesteld om na te gaan of datgeen wat gedaan wordt leidt tot het bereiken van de (sub)doelen. De opzet van de monitor wordt afgestemd met de werkgroep OKB en mogelijk in fasen ontwikkeld. De monitor moet zoal inzicht geven in het bereik van de doelgroep, de kwaliteit en de resultaten van het Onderwijskansenbeleid. Onderdelen van de monitor OKB zijn: • De peutermonitor • VVE-monitor • Monitor ouderbetrokkenheid • Gemaakte afspraken als onderdeel van de acties • De opbrengsten van de gesubsidieerde activiteiten
plan: afspraken maken
act: hoe nu verder?
kwaliteitszorg
do: ondersteunen dmv middelen en informatie
check: wordt er besteed volgens afspraak en welke resultaten worden behaald
24
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
Notitie Onderwijskansenbeleid 0 – 13 jaar
25
tkansen
tkansen
7. Financieel kader
6.4 Act: evalueren en hoe verder?
Op basis van de monitor OKB kan de balans worden opgemaakt. De bevindingen worden in een rapportage verwerkt en besproken in het LEAoverleg. Dit richt zich op: • In hoeverre zijn de afspraken nagekomen? • Welke resultaten zijn behaald en wat waren hierbij succesfactoren en knelpunten? • Wat betekent dit voor het vervolg? Op basis van de monitor kunnen beleidsonderdelen gehandhaafd of bijgesteld worden, en een plek krijgen in de uitvoeringsagenda. De gemeenteraad wordt jaarlijks met een informatienota geïnformeerd over de resultaten van het beleid en de eventuele verbeteracties.