CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Evaluatie pilot onderwijs-zorg-arrangement de Ambelt.pdf

Raad Besluitvormingsronde 29 november 2021, gemeente ZwolleBij agendapunt: Evaluatie pilot en sluiten overeenkomst Ambelt5.900 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Het aanbod in fase 2: de Praktijkklassen SO Oktober 2021 | versie: 2

Het fasenmodel in de praktijk

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

Inhoudsopgave Aanleiding en opzet ............................................................................................... 3 Fasenmodel .......................................................................................................... 3 Doelgroep fase 2 ................................................................................................... 5 De eerste opzet ..................................................................................................... 6 De Praktijkklas ...................................................................................................... 7 Werkzame factoren ................................................................................................ 9 Instroom .............................................................................................................13 Doorstroom en uitstroom .......................................................................................15 Bijlage 1: Profiel Zorgmedewerker Praktijkklas .........................................................19 Bijlage 2. Het doelgroepenmodel ............................................................................21

Pagina 2 van 22

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

Aanleiding en opzet In de afgelopen jaren worden steeds vaker leerlingen aangemeld die meer zorg en intensieve ondersteuning behoeven dan normaliter binnen het speciaal onderwijs wordt aangeboden. Deze leerlingen vallen uit op onderwijs; komen thuis te zitten, krijgen individuele begeleiding op school of volgen op schooldagen dagbesteding bij een zorginstelling. Dergelijke ‘zijstappen’ hebben vaak ernstige gevolgen voor de ontwikkeling van de jeugdige en zorgen vaak voor het vergroten van de didactische en sociaalemotionele achterstand. Ook is de jeugdige niet langer onderdeel van een systeem met leeftijdsgenoten en wordt hem/haar in veel gevallen het recht op onderwijs ontzegd. Vincent Fafieanie, adviseur bij het Nederlands Jeugdinstituut, herkent de problematiek van deze doelgroep en deelt zijn visie over een oplossing. 'Oplossingen voor thuiszitters bestaan voor een groot deel uit maatwerk tussen onderwijs en jeugdhulp. Het lukt nog niet altijd om dat snel en efficiënt af te stemmen. Het verkorten van de duur van thuiszitten is een belangrijk aspect van de aanpak. Naarmate leerlingen langer thuiszitten, is de weg terug ook langer. Dat kan negatieve gevolgen hebben voor hun ontwikkeling.' (de Volkskrant, 2019).

Al gedurende langere tijd leeft de wens om te komen tot een betere aansluiting tussen onderwijs en vormen van jeugdhulp en meer aansluiting te vinden bij de doelen van de jeugdwet: normaliseren. Een betere aansluiting kan zorgen voor meer inhoudelijke kwaliteit, hogere mate van afstemming en betrokkenheid en tegelijk biedt het financiële voordelen als er gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om te komen tot collectief maatwerk. Hierdoor blijven gelden uit de Jeugdwet bestemd voor jeugdhulp en worden deze niet ingezet als vervanging voor onderwijstijd. Ook draagt het ontwikkelen van een dergelijke setting bij aan een inclusief onderwijs: de leerling kan naar school en doet mee.

Fasenmodel Het streven naar inclusief onderwijs is niet alleen een relevant doel binnen het reguliere onderwijs. Zoals beschreven bestaat er een doelgroep die niet binnen het speciaal onderwijs kan participeren in een bestaande onderwijssetting. Door het ontwikkelen van een passende setting wordt ook deze doelgroep betrokken bij onderwijs en kunnen ze weer naar school. De Ambelt is in 2018 gestart met het ontwikkelen van het Fasenmodel om de zorg- en ondersteuningsbehoefte van deze leerlingen, maar ook van andere leerlingen binnen het speciaal onderwijs te duiden.

Pagina 3 van 22

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

Dit model behelst een divers aanbod van speciaal onderwijs voor alle leerlingen in de voorheen doelgroep cluster 4, die geen vrijstelling van onderwijs hebben en niet naar het regulier onderwijs kunnen (zie Figuur 1). In dit model wordt niet louter gekeken naar de cognitieve ontwikkeling, maar ook naar de sociaal emotionele ontwikkeling van de leerling.

Figuur 1. Het Fasenmodel, de Ambelt Het model beschrijft per fase de behoefte aan zorg en ondersteuning en mogelijkheid tot onderwijs. Uit analyse van het model blijkt dat fase 3 t/m 5 reeds bediend wordt binnen de Ambelt, namelijk in de reguliere klassen binnen het speciaal onderwijs met extra ondersteuning waar mogelijk. Extra ondersteuning wordt aangeboden in tijdelijke voorzieningen, te denken valt aan trainingen ten behoeve van de sociaal-emotionele ontwikkeling, time-outvoorzieningen, niveaugroepen en psycho-educatie. Om ook onderwijs te kunnen bieden aan de doelgroep die meer ondersteuning en zorg behoeft, passend bij fase 2, is het ontwikkelen van een nieuwe setting noodzakelijk. In het Fasenmodel wordt gesteld dat de leerling in fase 2 niet kan participeren zonder een inzet van zorg, geschat op 50% van de geboden ondersteuning. De leerling behoeft daarnaast ondersteuning in het werken en leren. Zorg en ondersteuning zijn in deze fase voorwaarde om onderwijs te kunnen volgen en zijn dus ook voorliggend op onderwijs. In de volgende alinea wordt de leerling beschreven die baat heeft bij een dergelijke setting.

Pagina 4 van 22

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

Doelgroep fase 2 Leerlingen in fase 2 (zie Fasenmodel) kunnen niet (langer) functioneren in een reguliere klas binnen het speciaal onderwijs. Kenmerkend voor deze leerling is het snel overprikkeld zijn en overvraagd worden vanuit trauma, gedrags- of angstproblematiek. Ook ondervindt de leerling problemen in het reguleren van zijn/haar emoties, waardoor zowel het omgaan met emoties, zoals het uiten van emoties, vaak problematisch verloopt. De leerling heeft een hoge gevoeligheid voor emoties en heeft vaak heftige, ontregelde reacties op stresssituaties. Daarna heeft de leerling een langere periode nodig dan leeftijdsgenoten om terug te keren naar het basisniveau van stress. De leerlingen reageren vanuit deze hoog gevoeligheid vaak impulsief, maar zijn ook geneigd meerdere gebeurtenissen op een dag

op

te

kroppen,

waardoor

ze

op

lange

termijn

exploderen

of

angst-

en

stemmingsklachten krijgen. Als overkoepelend risico wordt gezien dat zij zonder extra zorg of voorziening waarschijnlijk uitstromen uit het onderwijs en terecht komen op een dagbestedingsplek of thuis komen te zitten en onderwijs volledig op de achtergrond raakt. Samenvattend kan gesteld worden dat de leerling een constant gevoel van chaos ervaart in zijn of haar hoofd, waardoor ze niet ontvankelijk is voor het volgen van onderwijs, dan wel deel te nemen aan een groep zoals een schoolklas. De leerling heeft een extreme behoefte aan externe structuur en duidelijkheid en kan zichzelf hier niet in voorzien. Het lukt de leerling vooralsnog nauwelijks om onderwijs te volgen, aangezien de vraag naar zorg, behandeling en ondersteuning groter is. Daarnaast is er een grote behoefte aan nabijheid en constant een beroep kunnen doen op een vertrouwde, veilige volwassene. In een reguliere setting binnen het speciaal onderwijs wordt deze leerling overvraagd. Door deze leerlingen te plaatsen in een prikkelarme setting, waarbij ook tegemoet gekomen wordt aan de zorgvraag van deze leerlingen en hun systemen blijft er opbouw mogelijk in een veilige omgeving, die al bij een school hoort.

Het doel van een voorziening aansluitend bij fase 2 is om door middel van structuur en de combinatie van zorg en onderwijs, veiligheid en stabiliteit bij de leerling te creëren, waardoor de leerling zich weer kan ontwikkelen. Vervolgens wordt er gekeken naar mogelijke opstappen naar een volgende passende onderwijssoort, waarbij getracht wordt toe te werken naar het hoogst haalbare voor de leerling, rekening houdend met zijn behoeften en belastbaarheid.

Pagina 5 van 22

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

De eerste opzet Nadat de kenmerken en ondersteuningsbehoeften van deze doelgroep geïnventariseerd waren is gekeken naar een passende setting voor deze leerling. In schooljaar 2018-2019 is voorzichtig gestart met het inrichten van een speciale groep voor deze leerlingen. De groep is gestart met drie leerlingen met een leerkracht uit het speciaal onderwijs met expertise op complex gedrag. Een jaar lang is in deze kleine groep middels maatwerk ingespeeld op de ondersteuningsbehoeften en onderwijsmogelijkheden van de leerling. Ook is er gebruik gemaakt van de mogelijkheden en groene, rustgevende omgeving van het terrein Herfte. Voor al deze leerlingen werd één hoofddoel geformuleerd: het leren meedraaien en functioneren in een groep. Daarnaast werd vanuit intrinsieke motivatie onderwijs gevolgd en werd er ingezet op de sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerling. Ondanks dat er successen werden behaald en de leerling weer op school kwam blijft de specifieke zorgvraag van deze leerling onveranderd. Een zorgvraag waar vanuit onderwijs niet in kan worden voorzien. Leerlingen bij ons op school en in extremis in deze groep, maken veelal gebruik van zorgaanbod buiten schooltijd. De leerling volgt onderwijs binnen de onderwijsinstelling en krijgt zorg bij de zorginstelling, waarbij integratie van zorg en onderwijs vaak uitblijft.

De disciplines werken vaak apart van elkaar, waarbij men niet van elkaar op de hoogte is welke doelen gesteld zijn en welke processen lopen. Doordat integratie ontbreekt lever je in op kwaliteit van aanbod en beperk je de ontwikkelingsmogelijkheden van het kind. Een volgende stap wordt vormgegeven door het creëren van een voorziening die bijdraagt aan het integreren van zorg en onderwijs, namelijk zorg in de klas. Dit heeft er toe geleid dat, in samenspraak met het sociaalwijkteam van de gemeente Zwolle, er een zorgspecialist is toegevoegd aan de klas. De zorgspecialist kenmerkt zich door zijn/haar expertise en ervaring met het werken met deze doelgroep in een zorgsetting. De zorgspecialist kan vanuit de ‘zorgexpertise’ aansluiten bij de leerling en de zorgbehoefte van de leerling. In bijlage 1 is de omschrijving van de zorgspecialist opgenomen. De Ambelt start samen met de gemeente Zwolle een pilotfase om te onderzoeken of een dergelijke setting zowel op casusniveau als financieel gezien doeltreffend is.

Pagina 6 van 22

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

De Praktijkklas In het schooljaar 2019-2020 wordt gestart met een groep bemand door een leerkracht vanuit het speciaal onderwijs en een zorgspecialist vanuit de zorg, namelijk de Praktijkklas. De klas start met vijf leerlingen, halverwege het schooljaar start ook de zesde leerling. De leerlingen zijn via verschillende wegen geplaatst in de klas. Twee van de zes leerlingen participeerden middels één-op-één begeleiding in een dagbestedingssetting op een zorgboerderij. De andere vier leerlingen zijn afkomstig uit een onderwijssetting (SO of SBO) en konden niet langer in de reguliere klassen van het speciaal onderwijs blijven. De problematiek van de huidige leerlingen is divers en complex. Er is sprake van verbale en fysieke agressie, maar ook angstproblematiek en een laag zelfbeeld is veel voorkomende problematiek. De (sociale) weerbaarheid van de leerlingen komt vaak in het geding, waardoor ze veel ondersteuning nodig hebben om te kunnen functioneren in de maatschappij. Gedurende het schooljaar wordt gezien dat de leerlingen zich steeds veiliger voelen bij de leerkrachten en zorgspecialisten en worden grote stappen gezien in de ontwikkeling van de kinderen. Didactisch wordt de voortgang gemeten middels CITO. Bij alle leerlingen wordt een opvallende vooruitgang gezien in de scores.

Meerdere leerlingen zijn op sommige vakken meer dan 14 maanden (DLE) vooruitgegaan in een leerjaar (in normaal leerjaar wordt naar 10 maanden vooruitgang gestreefd). Er wordt verwacht dat de stabiliteit en kleinschaligheid ingang biedt voor de leerlingen om weer tot leren te komen, instructie te kunnen onthouden en strategieën toe te kunnen passen vanuit de rust en veiligheid die zij dit schooljaar hebben ervaren. Ook zijn er begin schooljaar sociaal-emotionele doelen opgesteld door de zorgspecialisten in overleg met ouders, evt zorg en medewerker toegang (SWT, CJG, etc.). Elke leerling werkte gedurende het schooljaar aan twee doelen ten behoeve van hun sociaalemotionele ontwikkeling. Door de zorgspecialisten wordt een plan opgesteld en wordt vanuit begeleidingsinstructies gewerkt aan sociaal-emotionele uitdagingen afgestemd op de leerling. Wanneer er buiten schooltijd zorg plaatsvindt, wordt er overeenstemming gezocht over de doelen. Door de orthopedagoog en de afdeling Innovatie en Kwaliteit zijn aan het begin van het schooljaar vragenlijsten opgesteld om zo de tevredenheid en voortgang te meten bij ouders/verzorgers en de leerling zelf.

Pagina 7 van 22

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

Halverwege het schooljaar is de vragenlijst afgenomen. Einde schooljaar is er, middels oudergesprekken, de tevredenheid en voortgang nogmaals besproken. Bij deze oudergesprekken aan het einde van het schooljaar sluit ook de betrokken contactpersoon van uit de gemeente of het Centrum voor Jeugd en Gezin aan om de voortgang en ontwikkeling te monitoren en af te stemmen met ouders en school. Ouders vertellen en beschrijven dat in alle gevallen het welbevinden van het kind gegroeid is sinds deelname aan de Praktijkklas. Een ouder vertelt: “Ik had een zoontje dat er niet meer wilde zijn, nu is hij gelukkig, speelt en lacht hij weer en wil hij samen met mij naar de bibliotheek om boeken te lezen. Hij mag eindelijk weer meedoen.” Een andere ouder vertelt dat de lichamelijke klachten van haar 10-jarige zoon (overgeven, buikpijn, hoofdpijn) bijna volledig verdwenen zijn na overstap van een reguliere SO-klas naar de Praktijkklas. De leerling ervaart geen spanning meer over het naar school gaan en gaat voor het eerst sinds zijn kleutertijd met plezier naar school. Ook wordt aangegeven dat het in veel gevallen thuis beter gaat. Doordat op school nieuwe vaardigheden en coping stijlen worden aangeleerd wordt thuis een verbetering in het welbevinden en in het gedrag gezien.

Met een aantal ouders zijn gedurende het schooljaar gesprekken geweest en zijn huisbezoeken afgelegd om ook mee te kunnen kijken en te kunnen adviseren in de thuissituatie. Ouders geven aan dat hun kind baat heeft bij deze setting; het kleinschalige, de veilige gezichten en het kunnen aanvoelen wat het kind nodig heeft. Ook de meerwaarde van de zorgspecialist wordt elke keer genoemd. De leerling wordt vanuit twee expertises benaderd en er kan een inschatting gemaakt worden van wat het kind nodig heeft in de onderwijssetting, maar ook vanuit zorg. Ten slotte wordt gekeken in hoeverre er sprake is van een vermindering in zorg gefinancierd vanuit de Jeugdwet. Eén van de zes leerlingen maakt op het moment van starten geen gebruik van externe hulpverlening. Bij de andere vijf leerlingen is de hulpverlening in alle gevallen afgenomen. Bij twee leerlingen is er sinds de start van de Praktijkklas helemaal geen sprake meer van hulpverlening. Met name dagbesteding, maar ook gespecialiseerde hulpverlening, is afgenomen of helemaal niet meer nodig sinds dat de leerling weer naar school gaat. De pilot lijkt een succes en draagt bij aan de ontwikkeling van deze zes individuen. Naast dat de toevoeging van de zorgspecialist bijdraagt aan de kwaliteit van de geboden ondersteuning lijken ook andere componenten bij te dragen aan het succes van de pilot.

Pagina 8 van 22

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

Werkzame factoren Na de voorzichtige successen van het eerste pilotjaar wordt er gekeken naar factoren die leiden tot succes. Wat maakt een dergelijke setting effectief? Wanneer deze vraag gesteld wordt aan de mensen werkzaam in de klas komen er eensgezinde antwoorden. Als eerste wordt genoemd het 4-ogen principe: Omdat je met z’n tweeën op de groep staat van (maar) zes leerlingen signaleer je zaken heel snel, waardoor je gelijk kan ingrijpen wanneer iemand vastloopt. Je kunt zo bieden wat nodig is en preventief werken. De rest van de klas ondervindt zo min mogelijk hinder omdat de andere leerkracht in stelling kan blijven. Naast dat de praktische voordelen van het werken met een collega op de groep als succesfactor wordt benoemd, wordt ook expliciet de samenwerking vanuit onderwijs met een zorgspecialist benoemd; de bundeling van expertise. Er wordt een meerwaarde gezien in de interventies, methodieken en inbreng van de zorgspecialist, bijvoorbeeld in de manier van conflicthantering, inspelen op situaties en het bieden van ondersteuning op sociaal-emotioneel gebied. Ten tweede is het kunnen leveren van maatwerk essentieel voor succes. Maatwerk in het rooster en programma van de individuele leerling, waardoor leerlingen een eigen leerlijn volgen op niveau en mate van belastbaarheid.

Doordat onderwijs niet langer voorop staat kan in het lesprogramma ook gekozen worden voor activiteiten die bijdragen aan het vergroten van de weerbaarheid, het participeren in de maatschappij en de zelfredzaamheid. Ook is het door de kleine groep mogelijk om waar nodig individuele begeleiding of begeleiding in kleine groepen te geven, zowel op didactisch als sociaal emotioneel niveau, bijvoorbeeld in de vorm van pscyho-educatie. Daarnaast kan er door maatwerk, meer dan in reguliere klassen, stil gestaan worden bij kleine successen. Vervolgens wordt de omgeving van de setting genoemd. Een groene, natuurrijke omgeving met dieren en tal van mogelijkheden in het buiten bezig zijn. Daarbij wordt de nadruk gelegd op de prikkelarme aspecten van de omgeving en de lokalen. Ten slotte wordt ook het intensieve contact met ouders/verzorgers en eventuele hulpverlening genoemd. Doordat je intensief contact onderhoudt, werk je aan gezamenlijke doelen en één plan.

Pagina 9 van 22

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

In onderzoek naar de werkzame factoren van de praktijkklas wordt als leidraad het model van Lambert gebruikt (Lambert, 1992 en 2001). Lambert maakt in zijn model onderscheid tussen vier werkzame factoren die bijdragen aan effectieve uitkomsten in de psychotherapie, later ook gegeneraliseerd naar andere vormen van hulpverlening (zie tabel 1).

Factor

Vertaling naar de praktijkklassen

Extratherapeutische factoren (cliënt- en omgevingsfactoren)

Bestendigen en verstevigen van beschermende factoren, mogelijkheid tot ouderbegeleiding, holistische blik op het kind. Relatie met leerkracht en zorgspecialist, vaste gezichten, beschikbaarheid van de volwassene, veiligheid en gezien worden, mate van structuur, prikkelarme groene omgeving. Ouders meenemen in doelen en verwachtingen, ouders meenemen in successen, successen vieren met de leerling TeaCCH methode in de klas, daarnaast specifieke methodes passend bij de leerling: maatwerk

Algemeen werkzame factoren (o.a. therapeutische relatie)

Placebo-effect (o.a. hoop en verwachting)

Methodiek (specifieke therapie/ therapeutische technieken)

Tabel 1. Effectfactoren vertaald naar praktijkklassen, model Lambert (1992)

Extratherapeutische factoren Extratherapeutische factoren zijn factoren waar een leerling mee binnen komt. Dit kunnen zowel kindfactoren zijn als omgevingsfactoren. Het zijn factoren die vaak vast staan en waar de professional niet altijd invloed op heeft. Wel wordt er in de praktijkklas aandacht besteed aan het bestendigen van de beschermende factoren. Beschermende factoren zijn factoren die kinderen en jongeren kunnen beschermen en die bijdrage leveren aan een voorspoedige ontwikkeling. Door deze factoren in kaart te brengen op kindniveau en omgevingsniveau kunnen de factoren ingezet en groot gemaakt worden om ontwikkeling te bevorderen en evenwicht te bieden aan de risicofactoren. Ook kan de zorgspecialist thuis of in de nabije omgeving van het kind ondersteuning bieden om samen met ouders en naasten te werken aan factoren in de thuissituatie die bijdragen aan een positieve ontwikkeling van het kind. Dergelijke omgevingsfactoren zijn soms onveranderbaar. Ook in die situaties kunnen juist de beschermende factoren van het kind aangesproken worden, zoals veerkracht, temperament en intellect.

Pagina 10 van 22

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

Algemeen werkzame factoren Algemeen werkzame factoren zijn ingrediënten die bijdragen aan resultaten ongeacht de kenmerken van de doelgroep en de ingezette methodieken. Deze factoren gaan over de relatie tussen leerkracht/zorgspecialist en leerling, het aansluiten bij de motivatie van de leerling, het bieden van structuur in het dagprogramma, de professionaliteit en deskundigheid van de medewerkers en de uitwerking van de omgeving waarin de leerling zich waant. De factoren die genoemd worden lijken essentieel voor het creëren van een veilig klimaat voor deze leerling. Zo werd bij de start van de klas gezien dat de leerling meer gedragsproblemen liet zien, meer angst ervaarde en zich moeilijker liet sturen of aanspreken: er was nog geen basis en relatie waarop de professional in samenwerking kon met de leerling. Het vervangen van de leerkracht of de zorgspecialist lijkt ook hedendaags te leiden tot meer onrust, het opzoeken van grenzen en een gevoel van onveiligheid bij de leerling. Het merendeel van de leerlingen is in de beginfase van hun participatie in de praktijkklas persoonsafhankelijk. Door de vrijheid in het programma en de mogelijkheden tot het hanteren van een individuele aanpak, kan aangesloten worden bij de motivatie van de leerling. Ook biedt de setting de mogelijkheid om af te wijken van het programma indien nodig.

Het dagprogramma wordt visueel weergegeven op het bord. Dit wordt elke ochtend met de leerlingen besproken. Door zorgspecialisten toe te voegen aan de setting draag je bij aan professionaliteit en deskundigheid. Door het bieden van cursussen, scholing en intervisie borg je deze deskundigheid. Recent zijn er steeds meer aanwijzingen in de literatuur dat het routinematig monitoren van de effectiviteit gedurende de uitvoering leidt tot betere resultaten. Hoe in de praktijkklassen gemonitord wordt, is te vinden in het volgende hoofdstuk. Placebo Ouders zijn in het verleden vaak teleurgesteld en hebben geen hoop meer dat er een plek is voor hun kind binnen het onderwijs. Juist het hebben van hoop en (hoge) verwachtingen draagt bij aan de mogelijkheden tot ontwikkeling en groei van het kind. Door regelmatig met ouders en omgeving in overleg te zijn en ervaringen uit te wisselen worden ouders en het systeem meegenomen in de ontwikkeling van het kind. Eens in de 10 weken vindt er een oudergesprek plaats, waarbij samen met de ouder/verzorger wordt gekeken hoe het met het kind gaat en welke ontwikkeling gezien wordt. In communicatie met ouders is stil staan bij successen en een open manier van communiceren erg belangrijk. Door ouders op deze manier mee te nemen wordt het vertrouwen van de ouder herstelt in de mogelijkheden van hun kind binnen een onderwijssetting.

Pagina 11 van 22

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

Methodiek In de praktijkklas wordt volgens de TEACHH methode gewerkt. Het is een interventieprogramma met als doel om de individuele vaardigheden van een leerling te stimuleren door de educatieve omgeving te structureren. De aanpak is gericht op het vergroten van de zelfstandigheid van de leerling. Onderdelen van de TEACCH-methode zijn het visualiseren van de tijd in week- en dagkaarten, visualiseren van de leerlingactiviteit met pictogrammen en het structureren van de leerling-activiteit met afgeschermde werkplekken, opdrachtenbakjes (de bakjesmethode) en beloningstaken. TEACCH verbetert de structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid door visualisatie. Door ervaring in de praktijk wordt geconstateerd dat er naast deze onderwijsmethodiek ook vraag is naar aanvulling vanuit de sociaal-emotionele methodieken. Dit wordt schooljaar 2020-2021 verder onderzocht. Empowerment Naast de vier factoren in het model van Lambert wordt ook een vijfde element belangrijk gemaakt in de praktijkklassen, namelijk het versterken van de vaardigheden van de leerling en zijn ouders. Door in een veilig klimaat de leerling te stimuleren tot en ondersteunen in zelfontplooiing en het aangaan van spannende nieuwe uitdagingen leert de leerling steeds meer te vertrouwen op eigen kunnen en ontwikkelt het vaardigheden die bijdragen aan het participeren in de maatschappij.

De leerling krijgt technieken aangereikt die hem in staat stellen min of meer op eigen kracht zaken aan te pakken, in de klas, maar vooral ook daarbuiten en daarna. Dit levert een belangrijke bijdrage aan de empowerment van de leerling en een doelbewuste verkleining van de afhankelijkheid van de setting. Daarnaast wordt verwacht dat, door het bieden van een stabiele onderwijsplek voor de leerling, de draaglast van ouders verminderd. Immers hebben ouders niet langer een leerling die uitvalt in onderwijs en voeren ze andere, positievere gesprekken op school. Door daarnaast als zorgspecialist ondersteuning te bieden en ouders handvatten te geven in moeilijke opvoedsituaties vergroot de draagkracht van de ouders en ervaren zij meer vertrouwen in hun ‘eigen kracht’.

Pagina 12 van 22

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

Instroom Een leerling wort op verschillende manieren en via verschillende kanalen aangemeld voor de fase 2 setting. Dit kan middels een interne aanmelding, waarbij het gaat om leerlingen die onderwijs volgen op de SO locatie van de Ambelt. Daarnaast wordt er ook extern aangemeld. Deze aanmeldingen worden gedaan door externe SO scholen, SBO scholen, onderwijsconsulenten en consulenten verbonden aan sociale wijkteams of het Centrum voor Jeugd en Gezin. De procedures bij een interne of externe aanmelding verschillen op enkele punten. Om tot plaatsing over te gaan is er altijd sprake van een gezamenlijk oordeel tot plaatsing. Dit komt voort uit een gezamenlijk overleg tussen gemeente en de commissie van begeleiding van de fase twee klas.

Procedure interne instroom Wanneer een leerling die onderwijs volgt op de Ambelt SO aangemeld worden voor een plek in de fase 2 klas worden de leden van de commissie van begeleiding (CVB) en de afvaardiging van het Sociaal Wijk Team in de CVB betrokken bij de fase 2 setting, al vroeg meegenomen in de besluitvorming. Tijdens de structurele CVB-vergaderingen worden de betrokken leden ingelicht over de leerling-casus. Er wordt dan verzocht om in de daaropvolgende periode de leerling in zijn huidige klassensetting te observeren en mee te denken en praten in gesprekken met betrokkenen. De leerling volgt op moment van bespreken vaak onderwijs binnen de fase 3 setting. Een setting waar de leerling voor de periode van een aantal weken ter observatie onderwijs volgt. In die periode wordt gekeken of de leerling met de nodige begeleiding weer terug kan keren naar een fase 4 setting of dat er een meer permanente plek nodig is voor de leerling binnen een fase 2 setting. Tijdens deze observatieperiode wordt in gesprek met ouders en betrokkenen besproken of de fase 2 setting een passende plek is voor de leerling.

Door middel van observaties, het inzetten van interventies en intensieve ondersteuning wordt beoordeeld of de leerling mogelijk terug kan keren naar zijn oude klas of wordt duidelijk dat de leerling dermate profiteert van de intensiviteit van ondersteuning, maar dit blijvend nodig is om te ontwikkelen en binnen onderwijs te kunnen blijven. Wanneer duidelijk wordt dat de fase 2 setting de best passende plek is voor de leerling zijn de CVB-leden al op de hoogte van de casus en hebben ze de leerling in een klassensituatie geobserveerd. Ook zijn er gesprekken met ouders en betrokkenen geweest over de setting. Wanneer de betrokken consulent vanuit de gemeente op dat moment nog niet betrokken was, wordt hij/zij ingelicht over het advies voor plaatsing in de fase 2 setting. De gemeente sluit aan op inhoud en heeft daarnaast een contactpersoon vanuit beleidsvorming waarmee Pagina 13 van 22

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

contractuele afspraken gemaakt worden over financiën en procedure. Vervolgens kan de leerling, wanneer er geen wachtlijst is, starten in één van de fase 2 klassen.

Procedure externe instroom Externe aanmeldingen worden door verschillende instanties en betrokkenen gedaan, waardoor de manier van aanmelden zeer uiteenlopend is. Volgens procedure wordt de leerling in eerste instantie aangemeld voor de Ambelt SO. Door de CVB-leden van Ambelt SO wordt vervolgens door middel van voorinformatie en/of aan de hand van de intake de afweging gemaakt of de leerling in aanmerking komt voor een plaatsing in de fase 2 setting. Dit vraagt om een nauwe afstemming tussen de verschillende CVB-leden en kennis van de populatie in de fase 2 setting. Vaak is er voorafgaand aan de aanmelding al contact geweest om de casus alvast toe te lichten. Het gaat bij externe aanmeldingen vaak om leerlingen met een vol dossier en veel schoolwisselingen. Het zijn leerlingen die vaak op moment van aanmelden geen onderwijs meer volgen of onderwijs krijgen in een dagbestedingssetting of één op één onderwijs krijgen aangeboden binnen een onderwijssetting.

Intake en huisbezoek Wanneer duidelijk wordt dat de leerling geplaatst gaat worden in de fase 2 setting wordt er een intake gepland met de orthopedagoog en intern begeleider betrokken bij de fase 2 klassen. Indien mogelijk is er door één van hen voorafgaand aan de intake geobserveerd binnen de setting waar de leerling op dat moment onderwijs volgt. Na de intake is het gebruikelijk dat de leerkracht en zorgspecialist een huisbezoek plannen om kennis te maken met de leerling en zijn systeem met als doel om gedurende het traject de ondersteuning thuis en op school intensief op elkaar te blijven afstemmen. En, hier zoveel mogelijk vanuit 1 plan 1 gezin (1 OPP) principe te werken. In alle gevallen is een samenwerking met gemeente, op zowel inhoud als beleidsmatig, voorwaarde om te kunnen starten. De contactpersoon van de gemeente is gedurende het hele traject van de leerling betrokken en sluit minimaal één keer per jaar aan om te evalueren en het monitoren van de voortgang.

Pagina 14 van 22

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

Doorstroom en uitstroom In fase 2 heeft de onderwijsinstelling de inspanningsverplichting toe te werken naar een passend perspectief voor de leerling. Door een reëel beeld te krijgen van de mogelijkheden van de leerling kan, in samenspraak met ouders, toegeleid worden naar een passende doorstroom in het speciaal onderwijs. Om de mogelijkheden van de leerling in kaart te brengen wordt gebruik gemaakt van verschillende instrumenten: -

Ondersteuningsbehoeften: Het ontwikkelingsperspectiefplan geeft uitgebreid weer welke ondersteuningsbehoefte de leerling heeft en welke bevorderende en belemmerende factoren het kind heeft.

-

Leerontwikkeling: In het onderdeel werkhouding in het ontwikkelingsperspectiefplan wordt weergegeven welke factoren het kind heeft op het gebied van leren, aandacht en concentratie en wat het kind nodig heeft om tot leren te kunnen komen. CITO-afnames (indien mogelijk) monitoren de didactische voortgang van het kind.

-

CED leerlijnen ZMLK: Door de leerling te volgen middels de CED leerlijnen wordt de voortgang van de leerling in kaart gebracht. Halfjaarlijks wordt de werkhouding van de leerling in kaart gebracht. Daarnaast wordt de spelontwikkeling van de leerling in kaart gebracht.

-

ZIEN!: Door middel van het programma ZIEN! wordt de sociaal-emotionele ontwikkeling gevolgd. Ook wordt hier het welbevinden en de gedragskenmerken van de leerling gemeten.

-

Doelen afgelopen schooljaren: vorderingen worden gemeten door zicht te krijgen op de voortgang op didactische en sociaal-emotionele leerdoelen.

-

Systemische info en hulpverlening: Geschiedenis van hulpverlening en mate van afhankelijkheid van externe hulpverlening wordt in kaart gebracht om zicht te krijgen op de belastbaarheid van het systeem en de leerling. Ook wordt zo mogelijk duidelijk of toekomstige behandeling noodzakelijk is om tot groei te komen.

Door het samenvoegen van deze instrumenten en documenten ontstaat een pakket van informatie waardoor een betrouwbaar beeld ontstaat over de mogelijkheden en belastbaarheid van de leerling. Op basis van dit pakket wordt een valide inschatting gemaakt over een passende uit- of doorstroombestemming. Om te meten met een

Pagina 15 van 22

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

landelijke standaard is het doelgroepenmodel SO/VSO leidend in richtlijnen. Het doelgroepenmodel is te vinden in bijlage 2. In fase 2 heeft de leerling verschillende uit- en doorstroommogelijkheden. Zodra er een goed beeld is verkregen van de mogelijkheden van de leerling wordt gekeken of tussentijdse doorstroom naar een reguliere klas in het speciaal onderwijs mogelijk is. Daarnaast bestaat de kans dat de leerling op 12- jarige leeftijd uitstroomt naar het voortgezet speciaal onderwijs.

SO

Vroegtijdige doorstroom naar fase 3/4 SO

Fase 2 SO

VSO

Fase 1 dagbesteding Fase 2 VSO Fase 3/4 VSO

Figuur 2. Uit- en doorstroommogelijkheden fase 2

Doorstroom in de basisschoolleeftijd Tussentijdse doorstroom of uitstroom in de basisschoolleeftijd kan op verschillende manieren. Wanneer de leerling binnen de Ambelt blijft zijn er twee opties. Allereerst kan de leerling doorstromen naar een fase 4 setting: de reguliere SO klas. Een tweede optie is doorstroom naar de fase 3 setting: de Circelklas. In fase 3 volgt de leerling ’s ochtends een speciaal programma dat veel overeenstemming kent met de fase 2 setting. ’s Middags volgt de leerling het dagprogramma van een reguliere klas waar hij/zij meedraait. In fase 3 wordt getracht in de ochtend te werken aan vaardigheden en een veilige basis om op korte termijn volledig mee te draaien in een reguliere klas. De leerling kan ook tussentijds uitstromen, dit gebeurt wanneer een overstap wordt gemaakt naar een andere school waar speciaal (basis) onderwijs geboden wordt.

Pagina 16 van 22

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

Uitstroom na de basisschoolleeftijd Wanneer een leerling na zijn 10de levensjaar instroomt in fase 2 is het vaak voor de leerling niet mogelijk om binnen de basisschoolperiode door te ontwikkelen naar fase 3. Ook bij leerlingen waarbij de ontwikkeling traag verloopt kan de periode in de praktijkklas soms te kort zijn om een doorstroom in het basisonderwijs te bestendigen. Wel wordt er dan gekeken waar de leerling op zijn plaats zou zijn binnen het voortgezet speciaal onderwijs. Er wordt bij deze leerlingen gekeken naar toekomstperspectief en waarschijnlijke uitstroombestemming.

Figuur 3. Uitstroommogelijkheden fase 2 VSO

Wanneer de leerling zich voldoende heeft ontwikkeld waardoor het minder ondersteuningsbehoeften heeft en in een grotere groep kan functioneren kan het starten in een fase 3 setting binnen het VSO. Een fase 4 setting is niet langer mogelijk omdat naar verwachting de didactische druk te hoog is en de leerling vaak een onderwijsachterstand heeft opgelopen. De uitstroombestemming wordt in dit geval arbeid (met loonkostensubsidie) of beschut werk. Een andere optie is dat de leerling nog niet voldoende heeft kunnen profiteren van het fase 2 aanbod, maar wel ontwikkeling doormaakt. Dan zou de leerling nog een bepaalde periode geplaatst kunnen worden in de VSO Fase 2 klas, waar bekeken wordt wat de leerling nodig heeft om een volgende stap te zetten.

Pagina 17 van 22

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

Wanneer er dermate weinig ontwikkeling zichtbaar is bij de leerling voor een langere periode en de belastbaarheid zeer gering is zal er altijd kritisch moeten worden gekeken of de leerling nog langer baat heeft bij een fase 2 setting, of wellicht beter op zijn/haar plek zal zijn buiten het onderwijs. Dit is een nauwkeurig proces waarbij alle mogelijke manieren om de leerling te laten ontwikkelen mee worden genomen. Ook binnen het voortgezet speciaal onderwijs zal middels het doelgroepenmodel bekeken worden waar de leerling het meest kan profiteren van zijn omgeving.

Pagina 18 van 22

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

Bijlage 1: Profiel Zorgmedewerker Praktijkklas De zorgmedewerker kan alles wat hij/zij weet over zorg, inpassen in het onderwijs; De zorgmedewerker is sterk in communicatie met deze doelgroep, hij/zij kan meebewegen, maar tegelijk ook grenzen stellen, heeft een open blik en straalt natuurlijk gezag uit; De zorgmedewerker werkt samen met een SKJ geregistreerde gedragswetenschapper, maar is zelf SKJ geregistreerd of bereid dat te doen. De zorgmedewerker heeft zin om een heel nieuw onderwijs-zorg-arrangement te ontwikkelen, waarbij eigenlijk geldt dat hij/zij wordt ingezet zonder escalatiemogelijkheid; De zorgmedewerker heeft zelf ideeën hoe het werken aan onderwijs en behandeling samen kunnen vallen in trajecten; De zorgmedewerker werkt excellent samen met ouders, maakt van ouders geen klanten, maar zet ze pro-actief in in de ontwikkeling van het kind; De zorgmedewerker denkt, doet en overweegt integraal, de scheidslijn tussen onderwijs en zorg valt steeds verder weg; Alles wat de zorgmedewerker doet is gericht op het normaliseren of optimaliseren van de situatie, in plaats van het verbijzonderen, medicaliseren enz. De zorgmedewerker is sterk in motiverende gespreksvoering, systeemgericht werken, herkent psychopathologische beelden en werkt sterk vanuit de community.

De zorgmedewerker heeft een passende HBO opleiding afgerond en ervaring met het werken met de complexe doelgroep leerlingen in de betreffende leeftijd. De zorgmedewerker heeft een brede kennis van de verschillende ondersteuningsbehoeften die voorkomen in het cluster vier onderwijs.

Pagina 19 van 22

Het aanbod in fase 2: De praktijkklassen SO

De zorgmedewerker heeft goede kennis van het netwerk van zorgaanbieders. De zorgmedewerker is in staat om vanuit de eigen expertise zorg een bijdrage te leveren in de verdere ontwikkeling van de praktijkklas. De zorgmedewerker is een excellente samenwerkingspartner die de verbinding zorgonderwijs praktisch neer kan zetten De zorgmedewerker is verbonden aan een zorgorganisatie die bij voorkeur ambulante zorg kan aanbieden. Op deze manier kan waar nodig vanuit dezelfde zorgpartner extra zorg worden binnengehaald. De zorgmedewerker heeft meerdere individuele en groepstrajecten geleid. De zorgmedewerker weet doelgericht vorm te geven aan geformuleerde doelen in een opp en heeft kennis van in te zetten methodieken en therapievormen.

Praktische inzet zorgmedewerker De zorgmedewerker is een verbinder De zorgmedewerker is samen met de leerkracht verantwoordelijk voor het dagelijks begeleiden van de leerlingen in de praktijkklas. De zorgmedewerker kan groepjes leerlingen begeleiden of met individuele leerlingen aan doelen werken. De zorgmedewerker is samen met de leerkracht verantwoordelijk voor het OPP, de oudercontacten, de contacten met partners, MDO’s en overleg met directeur en orthopedagoog. Samen met de leerkracht is de zorgmedewerker betrokken bij de intake van nieuwe leerlingen.

Pagina 20 van 22

Bijlage 2. Het doelgroepenmodel

De Ambelt is een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs waar betrokken professionals samenwerken binnen onze maatschappelijke opdracht om onderwijs te bieden aan leerlingen met psychiatrische- en gedragsproblemen en maatwerk te leveren in hun ondersteuning. Zo werken wij met de leerlingen aan hun toekomst.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=2d9f18aa-ab13-49ea-a4ac-c8afcf6de53d