CConstaterende datZwartewaterland
Koppel je AI →
Document · PDF

e. Bijlage 5 - QuickScan ecologie

Raadsvergadering 20 april 2023, gemeente ZwartewaterlandBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Stenendijk 2, Hasselt7.302 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming Stenendijk 2 te Hasselt projectnummer

220637

TITELBLAD RAPPORT Type onderzoek Locatie onderzoek Projectnummer Auteur Controle en vrijgave Versie rapport

Quickscan Wet natuurbescherming Stenendijk 2 te Hasselt 220637 K.E. Harmsen M. Oudshoorn Versienummer: Datum: 1.0 30 mei 2022

Reden vervallen: Vigerende versie

Paraaf vrijgave

OPDRACHTGEVER Naam Adres

Dhr. M. te Velde Stenendijk 2, 8061 HP HASSELT

UITGEVOERD DOOR info@ecoreest.nl www.ecoreest.nl Kantoor Zuidwolde Industrieweg 20 7921 JP Zuidwolde Tel: 0528 373 982

Kantoor Appingedam Opwierderweg 160 9902 RH Appingedam Tel: 0596 633 355

Kantoor Almere Transistorstraat 91-34 1322 CL Almere 036 82 00 397

Eco Reest Holding BV is gecertificeerd volgens “NEN-EN-ISO 9001:2015”, voor het geven van milieukundig advies in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen en gebouwen met inbegrip van de uitvoering van gerelateerde onderzoeksactiviteiten op het gebied van bodemonderzoek en -sanering, ecologie, asbestinventarisaties, sloopbegeleiding, bouwkundige opnames en energieprestatie advies. Eco Reest BV is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Als aangesloten adviesbureau zorgen we samen met de andere leden voor een betere borging van kwaliteit in de uitvoering van ecologisch onderzoek. Dit onderzoek en advies is tot stand gekomen onafhankelijk van de belangen van de opdrachtgever en derden. Eco Reest BV is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en is gemachtigd gebruik te maken van de ontheffingen en correspondentie met bevoegde gezagen van het Netwerk Groene Bureaus met betrekking tot Wet natuurbescherming. DISCLAIMER Dit rapport is het resultaat van een quickscan Wet natuurbescherming dat is uitgevoerd ter plaatse van Stenendijk 2 te Hasselt, in opdracht van de heer Te Velde. Ten behoeve van de juiste interpretatie van dit rapport is het noodzakelijk te beschikken over de gehele rapportage, inclusief bijlagen. Gebruikte foto’s zijn afkomstig van Eco Reest, tenzij anders vermeld.

Het rapport is ongeschikt voor toepassing in een juridische context indien de paginanummering van het rapport onjuist of onvolledig is, de bijlagen genoemd in de inhoudsopgave (deels) ontbreken en het projectnummer in het rapport en op de bijlage niet overeenkomt. © 2022 Eco Reest BV. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding. Wijze van citeren: Eco Reest 2022 Hasselt_220637_Stenendijk 2_QS We stellen dit rapport alleen ter beschikking aan derden in geval van schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

INHOUD 1.

INLEIDING.................................................................................................................... 4

1.1 1.2 1.3

Aanleiding en doel......................................................................................................................... 4 Wettelijk kader.............................................................................................................................. 4 Plangebied en voorgenomen ontwikkelingen ................................................................................ 5

2.

INVENTARISATIE EN EFFECTBEOORDELING ................................................................... 9

2.1 2.2 2.3

Bronnenonderzoek ........................................................................................................................ 9 Veldinspectie ................................................................................................................................. 9 Toetsing ........................................................................................................................................ 9

3.

EFFECTBEOORDELING GEBIEDSBESCHERMING ............................................................ 10

3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.2 3.3 3.4

Natura 2000 ................................................................................................................................ 10 Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden ............................................................................ 10 Mogelijke effecten .......................................................................................................................... 10 Effectbeoordeling ........................................................................................................................... 11 Natuurnetwerk Nederland .......................................................................................................... 13 Natuur buiten het NNN ............................................................................................................... 13 Houtopstanden ........................................................................................................................... 14

4.

EFFECTBEOORDELING SOORTENBESCHERMING .......................................................... 15

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8

Flora ............................................................................................................................................ 15 Broedvogels ................................................................................................................................ 15 Vleermuizen ................................................................................................................................ 19 Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................................ 19 Amfibieën .................................................................................................................................... 20 Reptielen ..................................................................................................................................... 20 Ongewervelden ........................................................................................................................... 20 Vissen .......................................................................................................................................... 20

5.

CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................... 21

5.1 5.2 5.3 5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4 5.3.5 5.3.6 5.3.7 5.4

Gebiedsbescherming en houtopstanden ..................................................................................... 21 Soortenbescherming ................................................................................................................... 21 Advies en vervolgstappen ........................................................................................................... 22 Stikstofdepositie ............................................................................................................................. 22 Soortgericht nader onderzoek boeren- en huiszwaluw ................................................................. 22 Overige broedvogels ....................................................................................................................... 22 Vleermuizen .................................................................................................................................... 23 Houtopstanden ............................................................................................................................... 23 Natuurinclusief bouwen ................................................................................................................. 23 Zorgplicht ........................................................................................................................................

23 Verantwoording .......................................................................................................................... 23

GERAADPLEEGDE BRONNEN ....................................................................................................... 24 BIJLAGEN 1 Overzicht vrijgestelde soorten provincie Overijssel 2 Lijst vogels met jaarrond beschermde nesten 3 NDFF uittreksel

1. INLEIDING In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aanleiding en het doel van het onderzoek en het wettelijk kader. Daarnaast wordt ingegaan op de huidige situatie van het plangebied en de beoogde ontwikkeling.

1.1

Aanleiding en doel

Aanleiding tot het onderzoek is om ter plaatse van Stenendijk 2 te Hasselt een bijgebouw (schuur/carport) van circa 50 m² te slopen om in het noordelijke stuk van het plangebied nieuwbouw te realiseren. Daarnaast wordt een bijgebouw uitgebreid tot een toekomstbestendige woning. Op het perceel zijn dan twee volwaardige en zelfstandige woningen aanwezig. Voor de voorgenomen ontwikkelingen is een nieuw bestemmingsplan aan de orde. Omdat de ontwikkeling negatieve gevolgen kan hebben op beschermde natuurwaarden, is het voornemen getoetst aan de natuurwet- en regelgeving. Het doel van de quickscan Wet natuurbescherming is inzicht verkrijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden als gevolg van het project. Indien negatieve effecten niet zijn te voorkomen, wordt geadviseerd omtrent de vervolgstappen.

1.2

Wettelijk kader

Voor de bescherming van natuurwaarden is de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en houtopstanden. De volledige wetstekst is hier te vinden: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2021-07-01. Daarnaast is, in het kader van gebiedsbescherming, ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) relevant. Natura 2000 Hoofdstuk 2 van de Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bestaande uit Vogelen/of Habitatrichtlijngebieden. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor bescherming van habitattypen, habitats van soorten en leefgebieden van soorten en vogels. Vooraf is verplicht te beoordelen of plannen/projecten in of in de nabijheid van Natura 2000gebieden significant negatieve effecten kunnen hebben. Als uit de beoordeling (voortoets) blijkt dat geen effecten optreden dan kan een plan worden vastgesteld of is een vergunning voor een project of handeling niet nodig. Zijn (significante) effecten niet uit te sluiten dan is een nadere beoordeling en/of een vergunning nodig. Natuurnetwerk Nederland De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en uitgewerkt in provinciale verordeningen. Provincies wijzen gebieden aan die het NNN vormen.

Via de provinciale verordeningen worden, in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden-, regels gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen het NNN, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan, geldt een ‘nee, tenzij’-afweging. Dit houdt kortweg in dat significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet is toegestaan. Regels voor beoordeling van effecten op het NNN zijn vastgelegd in provinciale verordeningen.

Soortenbescherming In hoofdstuk 3 van de Wnb is het onderdeel soortenbescherming is opgenomen. De beschermingsregimes ten aanzien van beschermde soorten zijn te onderscheiden in Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1 – 3.4), Habitatrichtlijnsoorten (art 3.5 – 3.9) en nationaal beschermde soorten (art 3.10 – 3.11). Daarnaast is in de Wnb een zorgplichtartikel (1.11) opgenomen ter bescherming van alle in het wild levende flora en fauna. De Wnb gaat uit van het ‘nee, tenzij’-principe. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn. Van dit verbod kan onder voorwaarden worden afgeweken met een ontheffing of een vrijstelling. De provincie Overijssel is bevoegd gezag voor het uitvoeren van de Wet natuurbescherming en heeft voor de implementatie een verordening opgesteld met daarin onder andere een lijst met de vrijgestelde soorten (zie bijlage 1). Houtopstanden Hoofstuk 4 van de Wet natuurbescherming (art. 4.1-4.5) regelt de bescherming van houtopstanden. Een bij Wet beschermde houtopstand betreft een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van meer dan tien are of meer dan 20 bomen in één of meerdere rijen, gelegen buiten de bebouwde komgrens Wet natuurbescherming. De gemeenteraad stelt de grens bebouwde kom Wet natuurbescherming vast.

Voor het kappen (van een deel) van een beschermde houtopstand geldt een meld- en herplantplicht. Provincies kunnen in de provinciale verordening regels opnemen. Voor specifieke houtopstanden zoals éénrijige populieren langs landbouwpercelen of specifieke velmaatregelen gelden uitzonderingsregels. Daarnaast kunnen ook per gemeente regels gelden ten aanzien van kap van bomen (APV).

1.3

Plangebied en voorgenomen ontwikkelingen

Huidige situatie plangebied Het plangebied is gelegen aan de Stenendijk 2 te Hasselt (figuur 1.1). Het betreft een erf met een woonboerderij en twee bijgebouwen. Eén van deze bijgebouwen wordt reeds gebruikt als woning. Het andere bijgebouw wordt gebruikt als schuur/carport. Gezien de werkzaamheden zich beperken tot de twee bijgebouwen, richt de quickscan zich uitsluitend hierop. Aan de huidige hoofdwoning zijn geen werkzaamheden voorzien. De schuur/carport (ca. 50 m2) is opgebouwd uit drie houten gevels en is aan de westzijde open. De schuur heeft een zadeldak dat bedekt is met dakpannen met houten dakranden aan de kopgevels. Aan de oostzijde van de schuur is een kippenren aanwezig. Het andere bijgebouw dat dient als woning en is opgebouwd uit houten gevels. Het bijgebouw heeft een zadeldak dat bedekt is met dakpannen. Bij dit dak zijn kantpannen aanwezig. Ook heeft het dak een overstek bij de kopgevels. In het plangebied is opgaand groen aanwezig is de vorm van bomen en hagen in de tuin van de woningen. Ook in de directe omgeving is groen aanwezig, het gaat voornamelijk om bomenlanen. Oppervlaktewater ontbreekt binnen het plangebied. Wel is aan de zuidelijke kant op ongeveer twintig meter van het plangebied oppervlaktewater aanwezig.

Figuur 1.1 Plangebied (rood omlijnd), waarbij de werkzaamheden zich beperken tot de twee bijgebouwen (blauw omlijnd). Het rechter bijgebouw (schuur/carport) wordt gesloopt en elders op het perceel opnieuw gebouwd, het linker bijgebouw zal worden uitgebreid naar volwaardige woning (bron achtergrondkaart: ArcGIS).

Figuur 1.2 De schuur/carport gezien vanuit het westen.

Figuur 1.3 De kippenren aan de oostzijde van de schuur, gezien vanuit het noordoosten.

Figuur 1.4 De noordelijke kopgevel van het bijgebouw dat als woning wordt gebruikt.

Figuur 1.5 De twee bijgebouwen gezien vanuit het zuiden.

Voorgenomen ontwikkelingen De opdrachtgever is voornemens om de schuur/carport te slopen en aan de noordzijde van het perceel opnieuw op te richten. Daarnaast wordt het andere bijgebouw uitgebreid tot toekomstbestendige woning. Voor het plan wordt er mogelijk een deel van het groen aan de noordzijde van het plangebied verwijderd. Er zijn geen werkzaamheden aan de huidige woning voorzien, deze valt zodoende buiten de scope van voorliggend onderzoek. Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging nodig. De exacte startdatum van de werkzaamheden is nog niet bekend. De werkzaamheden worden uitsluitend overdag uitgevoerd.

2. INVENTARISATIE EN EFFECTBEOORDELING Het onderzoek heeft bestaat uit het raadplegen van beschikbare bestaande bronnen aangevuld met een veldinspectie van het plangebied.

2.1

Bronnenonderzoek

Voorafgaand aan het veldbezoek is gestart met een bureaustudie naar het voorkomen van beschermde flora en fauna ter plaatse van het plangebied en de nabije omgeving. Dit bronnenonderzoek heeft bestaan uit het op 21 april 2022 opvragen van gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF, 2022) van de afgelopen vijf jaar. Hierin is een overzicht opgevraagd van de ontheffingsplichtige soorten in de Wet natuurbescherming binnen een straal van 500 meter rond het plangebied. Zie voor het volledige overzicht bijlage 3: Uittreksel NDFF. Bij het gebruik is rekening gehouden met de juridische houdbaarheid van de gegevens (3-5 jaar). Oudere waarnemingen kunnen worden gebruikt om de ecologische potenties in te schatten. Verder is gebruik gemaakt van bestaande literatuurgegevens en verspreidingsatlassen (Broekhuizen et al., 2016; Dietz et al., 2011; Uchelen, 2010, ravon.nl en verspreidingsatlas). Uit het bronnenonderzoek komen de volgende relevante zoogdiersoorten naar voren: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis, egel en otter. Daarnaast zijn waarnemingen van diverse vogelsoorten met een jaarrond beschermde nest-/rustplaats bekend, waaronder de gebouwgebonden boerenzwaluw, huismus, huiszwaluw en gierzwaluw. Ook de boombroedende boomvalk, buizerd, ransuil en torenvalk zijn in de nabije omgeving bekend (zie bijlage 3).

Ten aanzien van gebiedsbescherming is aan de hand van (provinciale) kaartenviewers nagegaan of het plangebied in/nabij beschermde gebieden (Natura 2000-gebieden en/of het NNN) ligt.

2.2

Veldinspectie

Het bezoek is erop gericht om te beoordelen of in het plangebied en de directe omgeving potentiële leef- en groeiplaatsen van beschermde dier- en plantensoorten aanwezig zijn. De waargenomen beschermde soorten zijn vastgelegd. Het plangebied en de directe omgeving zijn onderzocht door een ecoloog van Eco Reest. Het veldbezoek vond overdag plaats op 21 april 2022. Tijdens de inventarisatie waren de omstandigheden als volgt: droog, half bewolkt, windkracht 3 Bft, temperatuur 17°C.

2.3

Toetsing

Voor het onderdeel gebiedsbescherming (H3) is ten aanzien van Natura 2000 een voortoets uitgevoerd, waarin is beoordeeld of (significant) negatieve effecten op de beschermde waarden (instandhoudingsdoelen) van Natura 2000-gebieden zijn te verwachten, en of er een diepgaandere beoordeling noodzakelijk is. Voor de regels ten aanzien van het NNN is bepaald of mogelijk sprake is van negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en of vervolgonderzoek nodig is. Voor het onderdeel soortenbescherming (H4) is op basis van het bronnenonderzoek en het veldbezoek beoordeeld welke beschermde soorten (mogelijk) aanwezig zijn. Vervolgens is op basis van het voornemen bepaald of en zo ja, welke effecten kunnen optreden op beschermde soorten. Indien sprake is van negatieve effecten is advies gegeven over de te nemen vervolgstappen.

3. EFFECTBEOORDELING GEBIEDSBESCHERMING 3.1

Natura 2000

3.1.1 Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden betreffen ‘Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht’ en ‘Olde Maten & Veerslootslanden’, op respectievelijk 200 meter en twee kilometer en afstand (zie figuur 3.1).

Figuur 3.1 Globale ligging plangebied (rode asterisk) ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden (groen/geel). Inzet: ingezoomde situatie plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000gebied (Bron: RIVM, 2022 - AERIUS Calculator).

3.1.2 Mogelijke effecten Op basis van de effectenindicator (Broekmeyer et al. 2014, 2006) kan de relevante categorie ‘Woningbouw’ in relatie tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden mogelijk leiden tot: oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring (licht, geluid, optisch), trillingen en mechanische effecten. Als aanvulling hierop kan ook sprake zijn van verzuring/vermesting als gevolg van stikstofdepositie. Aangezien het plangebied buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied ligt, is er geen sprake van direct negatieve effecten zoals oppervlakteverlies, versnippering en mechanische effecten. De mogelijke effecten beperken zich zodoende tot externe werking. Gezien de nabije ligging van Natura 2000-gebied kan mogelijk sprake zijn van verstoring op de aangewezen doelsoorten. Gezien bekende verstoringsafstanden (Krijgsveld et al., 2022 en Vegte et al., 2014) en tussenliggend afschermende bebouwd gebied, is verstoring op het verdergelegen Natura 2000-gebied Olde Maten & Veerslootslanden (>2 km) op voorhand uitgesloten.

De tijdelijke realisatiefase en het toekomstig gebruik kunnen zorgen voor (extra) stikstofdepositie. Overige effecten (zoals trillingen, verdroging, verontreiniging en versnippering) zijn gezien de bestaande bebouwingslocatie, lokale aard en geringe omvang en de uitvoeringswijze van het plan niet aan de orde. Hieronder wordt zodoende ingegaan op de aspecten verstoring en stikstofdepositie.

3.1.3 Effectbeoordeling Het deel van Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht nabij het plangebied is als Habitat- en Vogelrichtlijngebied aangewezen voor habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels (zie tabel 3.1). Tabel 3.1 Aangewezen doelsoorten Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Habitattypen: Broedvogels: - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden - Roerdomp - Stroomdalgraslanden - Porseleinhoen - Blauwgraslanden - Kwartelkoning - Ruigten en zomen (moerasspirea) - Zwarte stern - Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) - Grote karekiet - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart) Niet-broedvogels: - Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen) - Kleine zwaan - Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) - Kolgans - Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) - Smient - Droge hardhoutooibossen - Pijlstaart - Slobeend Habitatrichtlijnsoorten: - Meerkoet - Bittervoorn - Grutto - Grote modderkruiper - Kleine modderkruiper - Rivierdonderpad

Effecten verstoring Door onnatuurlijke licht- en geluidsbronnen en aanwezigheid/bewegingen van mensen en voertuigen kan verstoring ontstaan. Door de voorgenomen werkzaamheden kan door aanwezigheid van mensen, machines en voertuigen sprake zijn van tijdelijke geluid- en optische verstoring. Verstoring door verlichting is op voorhand uitgesloten, aangezien de werkzaamheden uitsluitend overdag worden uitgevoerd (zie 1.3). Extra verstoring in de gebruiksfase is uitgesloten, aangezien het een bestaande bebouwingslocatie betreft en er geen relevante wijzigingen in het gebruik optreden. Effecten op de aangewezen habitatrichtlijnsoorten -allen vissoorten- zijn uitgesloten, aangezien er geen werkzaamheden in watergangen plaatsvinden. Daarnaast liggen de dichtstbijzijnde wateren op minimaal 200 meter afstand. Habitattypen (vegetaties) zijn niet gevoelig voor verstoring als gevolg van verlichting, geluid en fysieke aanwezigheid (optisch). Bepaalde typische soorten die gekoppeld zijn aan habitattypen kunnen dat wel zijn (Min. EZ, 2014). De uiterwaarden en rietoevers langs het Zwarte Water en Galgenrak vormen potentieel broedbiotoop voor de aangewezen broedvogels. Deze soorten zijn gedurende het (globale) broedseizoen maart tot en met juli verstoringsgevoelig.

Daarnaast vormen de graslanden en wateren binnen het Natura 2000-gebied potentieel foerageer, slaap- en rustgebied voor de aangewezen nietbroedvogels. Deze soorten zijn vooral in de winterperiode (september tot en met maart) kwetsbaar.

De voorgenomen werkzaamheden zijn tijdelijk van aard en hebben gezien de lokale aard en geringe omvang van het plan, het huidige gebruik (bewoning) en de ruime tussenliggende afstand (>200 meter) tot de dichtstbijzijnde habitattypen/leefgebieden, geen verstorend effect op de aangewezen doelsoorten. Daarnaast zorgt de tussenliggende Stenendijk voor een afschermende werking en bevindt het plangebied zich binnen de bestaande verstoringscontour als gevolg van bebouwing, bedrijventerrein, vaarroute en opgaand groen. Er is geen sprake van aantasting van de draagkracht van het Natura 2000-gebied voor het behalen van de instandhoudingsdoelen. Ook ontbreken, gezien de terreinkenmerken en biotoopeisen, ecologische relaties tussen het plangebied en Natura 2000gebieden. Het plan heeft zodoende geen negatief effect als gevolg van verstoring op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Effecten stikstofdepositie Door de voorgenomen ontwikkeling kan in de realisatie- en/of de gebruiksfase stikstofdepositie ontstaan. Emissie van stikstofoxiden ontstaat onder andere door verbranding van fossiele brandstoffen bij stook van cv-installaties, in het verkeer of door inzet van mobiele machines. Stikstofdepositie kan tot vele kilometers ver reiken en negatieve (verzurende/vermestende) effecten hebben op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.

Bouwvrijstelling: Met de inwerkingtreding van de nieuwe stikstofwet (Wet stikstofreductie en natuurverbetering) geldt er per 1 juli 2021 (vooralsnog) een vrijstelling voor de tijdelijke realisatiefase ten aanzien van bouw-, sloop- en eenmalige aanlegactiviteiten (Staatsblad, 2021a): “Activiteiten die onder de vrijstelling vallen, zijn onder meer de bouw en sloop van woningen, utiliteitsgebouwen, bruggen en viaducten, en bouw- en aanlegactiviteiten voor duurzame energieopwekking, grond-, weg- en waterbouw, waaronder straten, pleinen, wegen, het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein, spoorwegen, waterstaatswerken, waterwegen, waterkeringen, energie-infrastructuur, telecommunicatie-infrastructuur, drinkwaterinfrastructuur zoals waterleidingen, pompstations en winputten, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen. De partiële vrijstelling omvat tevens de vervoersbewegingen die samenhangen met de werkzaamheden, zoals aan- en afvoer van bouwmaterialen en bouw- en sloopafval, transport van werknemers en werktuigen van en naar de bouwplaats, de emissies van werktuigen op de bouwplaats (aggregaten, bouwmachines, mobiele puinbrekers, baggerwerk- of baggervaartuigen et cetera) en eventuele tijdelijke omrijd- en omvaar-effecten als gevolg van de werkzaamheden (Staatsblad, 2021b)”.

Het aspect stikstofdepositie speelt hierdoor in het vergunningentraject alleen een rol in de gebruiksfase. De tijdelijke realisatiefase (sloop en nieuwbouw) blijft zodoende buiten beschouwing. Indien wetgeving op dit aspect wijzigt, wordt geadviseerd een AERIUS-berekening van de realisatiefase (sloop/nieuwbouw) te maken (zie 5.3.1). De gebruiksfase van het plangebied wijzigt feitelijk niet, er is sprake van een gelijkblijvend aantal woningen (2 ex.) met bijbehorend aantal verkeersbewegingen en de schuur is zowel in de huidige als nieuwe situatie onverwarmd. Er is zodoende geen sprake van toename van stikstofdepositie in de gewijzigde gebruiksfase. Er is geen sprake van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Vervolgstappen ten aanzien van Natura 2000 zijn niet aan de orde.

3.2

Natuurnetwerk Nederland

Ligging plangebied t.o.v. het NNN Op de kaart in figuur 3.2 is te zien dat het plangebied niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 220 meter afstand. Effectbeoordeling Gezien de ruime afstand (> 220 meter), de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, is geen sprake van aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Vervolgstappen ten aanzien van het NNN zijn niet aan de orde. Het NNN heeft geen schaduwwerking op naastliggende gronden (Provincie Overijssel, 2021).

Figuur 3.2 Ligging plangebied (rode omlijning) ten opzichte van het NNN (groen) (Bron: Provincie Overijssel, 2021).

3.3

Natuur buiten het NNN

In het Overijsselse ruimtelijk beleid is naast bescherming van natuur binnen het NNN ook aandacht voor bescherming van natuur buiten het NNN, namelijk in de leefgebieden agrarisch natuurbeheer (inclusief weidevogelgebieden). Er zijn vier typen leefgebieden aangewezen: een leefgebied open grasland met voornamelijk weidevogelbeheer, een leefgebied open akker, een leefgebied droge dooradering en categorie water. Deze leefgebieden zijn onderscheiden op basis van voorkomen van soorten en kansrijkheid voor beheer. In deze leefgebieden wordt ingezet op een efficiënt en effectief agrarisch natuurbeheer. Voor het beheer van weidevogels is een passend peilbeheer in het leefgebied open grasland en open akkerland noodzakelijk. In figuur 3.3 is te zien dat het plangebied niet binnen een aangewezen leefgebied ligt. Het dichtstbijzijnde deel ligt op meer dan 860 meter afstand. De voorgenomen plannen hebben gezien de afstand, de ligging binnen bebouwde kom en de aard en omvang van de plannen geen effect op de leefgebieden. Vervolgstappen zijn niet aan de orde.

Figuur 3.3 Ligging plangebied (rode zeshoek) ten opzichte van de leefgebieden agrarisch natuurbeheer (Bron: Provincie Overijssel, 2020).

3.4

Houtopstanden

Binnen het plangebied wordt ten behoeve van het plan opgaand groen verwijderd. Het betreft mogelijk enkele bomen en hagen aan de noordzijde van het plangebied (zie ook paragraaf 1.3). Er is sprake van beschermde houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming indien: • de houtopstand buiten de 'bebouwde kom Wet natuurbescherming' ligt, en • de houtopstand groter is dan 10 are (1.000 m2) of het om bomen gaat in een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Op basis van de ligging binnen de begrenzing kan geconcludeerd worden dat het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet geldt (Provincie Overijssel, z.d.). Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn zodoende niet aan de orde. Uit bovenstaande volgt dat er voor de voorgenomen kap geen vervolgstappen (meld- en herplantplicht) in het kader van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. Ook vanuit de gemeente Zwartewaterland is er waarschijnlijk geen omgevingsvergunning nodig met betrekking tot de voorgenomen kap.

In de algemene plaatselijke verordening (artikel 4.11 lid 2.h) staat beschreven dat het verbod tot kop niet geldt voor: binnen de bebouwde kom staande houtopstanden, met uitzondering van houtopstanden welke voorkomen op een door het college vastgestelde lijst van lokale, waardevolle houtopstanden of op het landelijke register van monumentale bomen van de Bomenstichting; (Overheid.nl, 2022). Wij adviseren bij de gemeente Zwartewaterland te controleren of er geen omgevingsvergunning nodig is voor de kap.

4. EFFECTBEOORDELING SOORTENBESCHERMING 4.1

Flora

De veldinspectie is uitgevoerd binnen het bloeiseizoen van vele soorten planten. Gedurende de veldinspectie zijn (geen) beschermde soorten waargenomen. De flora binnen het plangebied betreft voornamelijk aangeplante tuinplanten. Daarnaast wordt beschermde flora wordt op basis van de terreinkenmerken (voedselrijk, frequent maaibeheer) en de bekende verspreidingsgegevens uitgesloten. Daarnaast wordt er (mogelijk) maar een deel van het aanwezige groen verwijderd. Vervolgstappen ten aanzien van flora zijn niet aan de orde.

4.2

Broedvogels

Soorten met een jaarrond beschermd nest (categorie 1-4) In de omgeving van het plangebied zijn diverse soorten met jaarrond beschermde nesten bekend, zoals boerenzwaluw, huismus, huiszwaluw en gierzwaluw (NDFF, 2022). De daken van de schuur en het bijgebouw zijn niet toegankelijk voor huismus en gierzwaluw. De eerste rij dakpannen zijn afgesloten door houten latten (figuur 4.1). Daarnaast sluiten de kant- en nokpannen goed aan (figuur 4.2). Ook zijn er geen openingen in de gevel van het bijgebouw en heeft de schuur geen spouwmuur. De daken van de twee gebouwen hebben een overstek bij de kopgevel. Deze overstekken zijn, net als de gevels, van hout (figuur 4.3). Dit maakt het geschikt voor boeren- en huiszwaluw om een nest onder te bouwen. Ook kunnen deze soorten een nest aan de binnenkant van de schuur maken, gezien deze open is aan de westzijde. In deze schuur zijn ook sporen gevonden van een oud zwaluwnest (figuur 4.4). Nader onderzoek naar boeren- en huiszwaluw is nodig om de soorten aan te tonen of uit te sluiten (zie 5.2.2). In de bomen binnen en rond het plangebied zijn geen nesten waargenomen die van boombroedende vogels met jaarrond beschermde nesten kunnen zijn. Daarnaast zijn er ook geen sporen gevonden van boombroedende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten die in de nabije omgeving bekend zijn, zoals ransuil.

Verder zal (mogelijk) maar een deel van het groen verwijderd worden.

Figuur 4.1 Onder de eerste rij dakpannen zijn houten latten aanwezig.

Figuur 4.3 De nokpannen zijn afgesloten.

Figuur 4.4 De twee gebouwen hebben bij de kopgevels een overstek van hout.

Figuur 4.5 In de binnenkant van de schuur zijn resten van een oud zwaluwnest gevonden.

Overige soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 5) De daken van de twee gebouwen zijn ontoegankelijk en daarmee ongeschikt als nestlocatie voor categorie 5 vogelsoorten. Gezien het project alleen betrekking heeft op deze twee gebouwen en er geen spleten of holtes aanwezig zijn in het opgaand groen, gaan er geen nesten van categorie 5 vogelsoorten verloren. Wel kan er verstoring van nestplaatsen in de omgeving van het plangebied, zoals het vastgestelde spreeuwennest in de kopgevel van Prinses Marijkestraat. Om verstoring van deze nestplaatsen te voorkomen wordt er geadviseerd buiten het broedseizoen te werken. Soorten zonder jaarrond beschermd nest In de directe omgeving van het plangebied kunnen vogels in het aanwezige opgaand groen, groene hagen en de woningen tot broeden komen. Ook de open schuur binnen het plangebied kan dienen als nestplaats. Tijdens het veldwerk is in de schuur een nest en een jong van merel vastgesteld (figuur 4.6). Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust-of verblijfplaatsen beschadigen.

Figuur 4.6 Een mereljong in de schuur binnen het plangebied.

4.3

Vleermuizen

Verblijfplaatsen De twee gebouwen zijn ontoegankelijk voor vleermuizen. Dit gezien de nok- en kantpannen goed aansluiten. De schuur heeft geen spouw, dus kunnen de gevels niet dienen als vleermuisverblijfplaats. De gevels van het bijgebouw hebben (mogelijk) wel een spouw. In deze gevels zijn echter geen openingen aanwezig die groot genoeg zijn voor vleermuizen (past geen vinger tussen). Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen binnen het plangebied kunnen worden uitgesloten. In het aanwezige opgaand groen zijn geen spleten, holtes of loszittend schors aanwezig. Zo doende zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen binnen het plangebied uitgesloten. Vliegroute De straten in de omgeving vormen lijnvormige elementen die als vliegroute kunnen worden gebruikt door vleermuizen. Gezien de aanwezigheid van alternatieven in de directe omgeving betreft het geen essentiële vliegroutes. Bovendien worden bij de werkzaamheden deze mogelijke vliegroutes niet aangetast. Wel is het van belang dat de werkzaamheden uitsluitend overdag plaatsen zodat er geen verstoring door licht plaatsvindt. Verdere vervolgstappen ten aanzien van vliegroutes van vleermuizen zijn zodoende niet aan de orde. Foerageergebied Het plangebied kan onderdeel uitmaken van het van het foerageergebied van in de omgeving voorkomende soorten vleermuizen, zoals gewone dwergvleermuis en laatvlieger (NDFF, 2022).

Aangezien de werkzaamheden overdag plaatsvinden en de locatie en omgeving na ontwikkeling voldoende geschikt blijven als foerageergebied is verder onderzoek naar het voorkomen van foerageergebieden van vleermuizen niet noodzakelijk. Wel is het van belang dat de werkzaamheden uitsluitend overdag plaatsen zodat er geen verstoring door licht plaatsvindt.

4.4

Grondgebonden zoogdieren

Egel In de nabije omgeving zijn egels bekend (NDFF, 2022). Egel is een soort die veel voorkomt in stedelijk gebied. De soort maakt gebruik van bosschages en andere dichtbegroeide groenstructuren. Foerageren doet de egel in verschillende groenstructuren aanwezig in zijn omgeving. Het aanwezig groen binnen het plangebied is niet dichtbegroeid en zal (mogelijk) maar voor een deel verwijderd worden. Essentieel leefgebied van egel zal daarom niet verloren gaan. Vervolgstappen zijn dan ook niet aan de orde. Otter In de nabije omgeving van het plangebied is éénmaal een otter waargenomen (NDFF, 2022). De soort is echter uit te sluiten binnen het plangebied. Dit gezien otters uitsluitend rond wateren met ontwikkelde oevervegetatie voorkomen. Binnen het plangebied ontbreekt oppervlaktewater. Essentieel leefgebied van otter kan dan ook worden uitgesloten. Vervolgstappen zijn dan ook niet aan de orde. Overige grondgebonden zoogdieren met een provinciale vrijstelling In het plangebied zijn vaste verblijfplaatsen van algemene grondgebonden zoogdiersoorten zoals huismuizen te verwachten. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele verblijfplaatsen en/of exemplaren van deze grondgebonden zoogdieren geschaad worden.

In voorliggende situatie geldt voor deze soorten in de provincie Overijssel vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 1), waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze zoogdieren niet aan de orde is.

4.5

Amfibieën

Gezien de afwezigheid van oppervlaktewater binnen het plangebied kan voortplantingshabitat van amfibieën worden uitgesloten. Overwinteringshabitat van rugstreeppad kan ook worden uitgesloten binnen het plangebied. Rugstreeppadden graven zich in voor de overwinterring, binnen het plangebied ontbreekt vergraafbare grond. Vervolgstappen ten aanzien van beschermende amfibieën zijn dan ook niet aan de orde. Binnen het plangebied kunnen algemene soorten, zoals gewone pad voorkomen. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele verblijfplaatsen en/of exemplaren van deze amfibiesoorten geschaad worden. In voorliggende situatie geldt voor deze soorten in de provincie Overijssel vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 1), waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze amfibieën niet aan de orde is. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht.

4.6

Reptielen

De beschermde reptielen die voorkomen in de provincie Overijssel zijn adder, hazelworm, levendbarende hagedis, ringslang en zandhagedis (Ravon.nl). Deze soorten komen uitsluitend voor in heide, duinen en natte graslanden met oppervlaktewater. Gezien deze type landschappen niet aanwezig zijn binnen het plangebied kunnen reptielen worden uitgesloten.

4.7

Ongewervelden

Alle beschermde libellen komen voor rond stomend en/of helderwater. Binnen het plangebied ontbreekt oppervlaktewater. Ook voor beschermde vlinders is er geen geschikt habitat aanwezig. Daarnaast ontbreken er waardplanten, gezien het plangebied voornamelijk verhard is met enkele tuinplanten en een grasveld. Daarnaast zal er geen opgaand groen worden verwijderd bij het voorgenomen werkzaamheden. De andere beschermde ongewervelde soorten komen voor in helder water met een goed ontwikkelde watervegetatie (platte schijfhoorn), wateren in kalkrijke duinen (nauwe korfslak), helderen wateren met moeraszegge (zegge-korfslak) of oude eikenbossen (vliegend hert). Deze type habitat komen niet voor binnen het plangebied. Deze soorten kunnen zodoende worden uitgesloten.

4.8

Vissen

Door het ontbreken van oppervlaktewater kunnen (beschermde) vissen binnen het plangebied worden uitgesloten.

5. CONCLUSIE EN ADVIES 5.1

Gebiedsbescherming en houtopstanden

Uit de quickscan Wet natuurbescherming ten aanzien van gebiedsbescherming en houtopstanden wordt het volgende geconcludeerd: Natura 2000 Het plangebied ligt buiten Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde gebied ligt op circa 200 meter afstand. De voorgenomen werkzaamheden zijn tijdelijk van aard en hebben gezien de lokale aard en geringe omvang van het plan, het huidige gebruik (bewoning) en de ruime tussenliggende afstand (>200 meter) tot de dichtstbijzijnde habitattypen/leefgebieden, geen negatief effecten op Natura 2000-gebieden. Ook stikstofdepositie is in voorliggend geval niet relevant: de gebruiksfase van het plangebied wijzigt feitelijk niet, er is sprake van een gelijkblijvend aantal woningen met bijbehorend aantal verkeersbewegingen en de schuur is zowel in de huidige als nieuwe situatie onverwarmd. Voor emissie als gevolg van de tijdelijke realisatiefase geldt momenteel een vrijstelling van de vergunningplicht. Er is geen sprake van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Vervolgstappen ten aanzien van Natura 2000 zijn niet aan de orde. Natuurnetwerk Nederland / Natuur buiten NNN Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en natuur buiten NNN.

Het voorgenomen plan heeft gezien de afstand tot deze gebieden (>220 meter), de ligging binnen de bebouwde kom en de lokale aard en geringe omvang van de plannen geen effect op deze gebieden. Daarnaast hanteert provincie Overijssel geen externe werking ten aanzien van het NNN. Vervolgstappen ten aanzien van het NNN zijn niet aan de orde. Houtopstanden Het plangebied ligt binnen de bebouwde komgrens Wnb van Hasselt. Voor de betreffende te kappen bomen geldt het beschermingsregime vanuit de Wet natuurbescherming niet. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn zodoende niet aan de orde. Vanuit gemeentelijk beleid zijn naar verwachting ook geen vervolgstappen aan de orde. Wij adviseren dit te controleren bij gemeente Zwartewaterland.

5.2

Soortenbescherming

Uit de quickscan Wet natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming wordt het volgende geconcludeerd: - De werkzaamheden binnen het plangebied kunnen leiden tot negatieve effecten tegenover nesten van de jaarrond beschermde boeren- en huiszwaluw. Naderonderzoek naar deze soorten is nodig om nesten van boeren- en huiszwaluw vast te stellen of uit te sluiten. - De twee gebouwen waar de werkzaamheden betrekking tot hebben zijn ontoegankelijk voor vleermuizen. Dit komt door de goed aansluitende nok- en kantpannen en het ontbreken van openingen in de gevels. Wel is het van belang om uitsluitend overdag te werken om verstoring van foerageergebieden en vliegroutes te voorkomen. - Groei- en verblijfplaatsen van beschermde flora, grondgebonden zoogdieren, vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden zijn gezien de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens uitgesloten. - In het plangebied zijn enkele algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsartikelen.

5.3

Advies en vervolgstappen

5.3.1 Stikstofdepositie Indien de wetgeving op het gebied van tijdelijke stikstofemissie/-depositie wijzigt (momenteel bouwvrijstelling), wordt geadviseerd een AERIUS-berekening van de sloop/nieuwbouw te maken om inzichtelijk te krijgen of sprake is van stikstofdepositie boven 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Afhankelijk van de uitkomst van de berekening zijn vervolgstappen aan de orde. Voor ontwikkelingen waarbij is aangetoond dat er géén sprake is van (toename van) stikstofdepositie op Natura 2000gebieden (<0,00 mol/ha/jr), is geen vergunning nodig. In dat geval kan het plan worden vastgesteld en uitgevoerd zonder verdere vervolgstappen met betrekking tot de Wet natuurbescherming, onderdeel Natura 2000. Voor ontwikkelingen waarbij de depositie >0,00 mol/ha/jaar is, zijn significant negatieve effecten niet op voorhand uitgesloten en zijn vervolgstappen zoals aanpassing van de uitvoeringswijze, een nadere ecologische beoordeling (voortoets stikstof), saldering en/of een vergunning aan de orde.

5.3.2 Soortgericht nader onderzoek boeren- en huiszwaluw Om te bepalen of er nestplaatsen van boeren- en huiszwaluw tegen de bebouwing aanwezig zijn, is aanvullend onderzoek nodig. Alleen dan kan bepaald worden of er bij de voorgenomen werkzaamheden sprake is van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Voor het nader onderzoek naar boeren- en huiszwaluw worden gedaan aan de hand van de Sovon telrichtlijnen. Dit betekent het volgende: Boerenzwaluwonderzoek kan in de periode 15 mei tot en met 30 juni tussen zonsopkomst en zonsondergang worden uitgevoerd. Het gaat om minimaal twee bezoeken binnen deze periode, waarbij tenminste 10 dagen tussen elk bezoek zit (Sovon, 2022a). Huiszwaluwonderzoek kan in de periode 15 juni tot en met 15 augustus tussen zonsopkomst en zonsondergang worden uitgevoerd. Het gaat om minimaal twee bezoeken binnen deze periode, waarbij tenminste 10 dagen tussen elk bezoek zit (Sovon, 2022b).

5.3.3 Overige broedvogels Binnen en in de directe omgeving van het plangebied kunnen diverse (niet jaarrond beschermde) vogels tot broeden komen. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust-of verblijfplaatsen beschadigen. Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen maart en september worden aangehouden als broedseizoen. Dit is echter afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaatsvinden, wordt geadviseerd voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck uit te laten voeren om vast stellen of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden broedvogels aanwezig zijn. Indien deze afwezig zijn, kunnen werkzaamheden doorgang vinden. Indien bij de controle in gebruik zijnde nesten van vogels, of in aanbouw zijnde nesten worden aangetroffen, dient een zorgvuldige werkwijze worden bepaald of

dienen de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest niet meer in gebruik is. Ook kan ervoor worden gekozen de werkzaamheden voor het broedseizoen op te starten en continue door te werken, zodat vogels buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden geschikte broedgelegenheid zullen zoeken.

5.3.4 Vleermuizen Het is van belang om uitsluitend overdag te werken om verstoring van foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen te voorkomen.

5.3.5 Houtopstanden Vanuit gemeentelijk beleid zijn naar verwachting geen vervolgstappen aan de orde. Wij adviseren dit te controleren bij gemeente Zwartewaterland.

5.3.6 Natuurinclusief bouwen Het te herontwikkeling plangebied met de te realiseren nieuwbouw en in te richten buitenruimte biedt mogelijkheden voor het realiseren van verblijfplaatsen en leefgebied voor onder andere vleermuizen, gierzwaluw en huismus. Hiervoor zijn vele mogelijkheden. Geadviseerd wordt in een vroeg stadium van de planvorming een ecoloog te betrekken om mee te denken bij een natuurinclusieve invulling met faunavoorzieningen in de realiseren bebouwing en een ecologische meerwaarde in de buitenruime.

5.3.7 Zorgplicht Wij merken op dat te allen tijde de zorgplicht blijft gelden. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Deze zorg geldt voor alle individuen van in Nederland voorkomende soorten planten en dieren, ongeacht of deze soort beschermd is en ongeacht of ontheffing of vrijstelling is verleend.

5.4

Verantwoording

De conclusies en adviezen zijn van toepassing op de door de opdrachtgever aangegeven en in hoofdstuk 1.3 beschreven werkzaamheden en onder de voorwaarden en uitgangspunten genoemd in het document (en overige communicatie met de opdrachtgever). Indien deze wijzigen of er ook andere werkzaamheden worden uitgevoerd, dient er een herbeoordeling plaats te vinden. De initiatiefnemer of opdrachtgever is verantwoordelijk voor het gebruik van de rapportage. Eco Reest BV aanvaardt dan ook geen aansprakelijkheid voor de inhoud, interpretaties of conclusies indien gebruik wordt gemaakt van deelaspecten van deze rapportage, zonder verwijzing naar de volledige rapportage. Bovendien aanvaardt Eco Reest BV geen aansprakelijkheid voor kosten en vertraging die optreden als gevolg van het voorkomen van beschermde flora en fauna.

GERAADPLEEGDE BRONNEN Literatuur / documenten Bauwens, D., Jooris, R., Verbelen, D., & Dochy, O., (2006). Poelen en amfibieën in West-Vlaanderen. Resultaten van een grootschalig poelenonderzoek door vrijwilligers in 2000-2005. Provincie WestVlaanderen, Brugge, i.s.m. Instituut voor Natuur en Bosonderzoek, Brussel en Hyla, amfibieën- en reptielenwerkgroep van Natuurpunt, Mechelen. Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J. & Buys, J.C. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden. Leiden. Broekmeyer, M.E.A. et al. (2014). Update effectenindicator Natura 2000. Wageningen, Alterra, voorjaar 2014. Broekmeyer, M.E.A. (redactie) (2006). Effectenindicator Natura 2000-gebieden; achtergronden en verantwoording ecologische randvoorwaarden en storende factoren. Wageningen, Alterra, Alterrapport 1375, oktober 2006. BIJ12 (2022). Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2021. Versie 1.0, januari 2022. CROW (2018). Publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren – Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Ede, 10 december 2018. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill (2011): Vleermuizen; Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika, De Fontein / Tirion Uitgevers B.V., Utrecht. Gemeente Utrecht (2003). Handhaafinstructie - Trillingen bij heien.

Afdeling bouwbeheer, januari 2003 Krijgsveld K.L., B. Klaassen & J. van der Winden (2022). Verstoring van vogels door recreatie. Literatuurstudie van verstoringsgevoeligheid en overzicht van maatregelen. Deel 1 hoofdrapport & deel 2 soortbesprekingen. Uitgave Vogelbescherming Nederland, Zeist. Lindeboom, R. (2016). Gierzwaluwen in de stad Groningen. De Grauwe Gors. Jaargang 43 (2016): 2634. Netwerk Groene Bureaus, werkgroep 'Standaarden en protocollen' (2017). Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, versie juli 2017. Provincie Overijssel (2021). Omgevingsverordening 2017. Geconsolideerd december 2021, vastgesteld door Provinciale Staten. Swaay, C., van & Poot, M. (2019). Sterke uitbreiding van de grote weerschijnvlinder in de Nederlandse bossen. De Vlinderstichting en CBS. Vegte, F, van der, J. Bosman & D. Logemann (2014). Effectafstanden Natura 2000-gebieden Veluwe en Rijntakken. Arcadis, 18 februari 2014. Internet Gemeente Zwartewaterland (2022). Kapvergunning (Omgevingsvergunning), van https://www.zwartewaterland.nl/kapvergunning-omgevingsvergunning

Ministerie van LNV - Natura 2000-gebieden. Geraadpleegd op 9 mei 2022, van https://www.natura2000.nl/ Nationale Databank Flora en Fauna. Geraadpleegd op 21 april 2022, van www.NDFF.nl1 Provincie Overijssel (2019). Lijst vrijgestelde soorten, van https://overijssel.terceraro.nl/SiteData/9923/Publiek/BV00026/b_NL.IMRO.9923.Verordening2017-GV06_846.pdf Provincie Overijssel (2021). Soortenbescherming in Overijssel, Handreiking voor het aanvragen van een ontheffing. Geraadpleegd van https://www.overijssel.nl/publish/pages/163396/handreiking_ soortenbescherming_definitief_feb_2021_dt.pdf Ravon (z.d.). Reptielen. Geraadpleegd op 9 mei 2022, van https://ravon.nl/reptielen Ruimtelijkeplannen (2022). Het landelijke portaal voor ruimtelijke plannen. Geraadpleegd op 9 mei 2022, van https://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/index RIVM (2022). AERIUS Calculator, versie 2021. Geraadpleegd op 9 mei 2022, van https://calculator.aerius.nl/calculator/ RVO (2021). Indicatieve lijst jaarronde beschermde vogelnesten van, https://www.rvo.nl/sites/default/files/2021/04/Lijst-jaarrond-beschermde-vogelnesten.pdf Sovon (2022a). Boerenzwaluw. Geraadpleegd op 9 mei 2022, van https://stats.sovon.nl/stats/soort/9920 Sovon (2022b). Huiszwaluw. Geraadpleegd op 9 mei 2022, van https://stats.sovon.nl/stats/soort/10010 Staatsblad (2021a).

Wijzigingswet Wet natuurbescherming en Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering), van https://wetten.overheid.nl/BWBR0044970/2021-07-01 Staatsblad (2021b). Besluit van 14 juni 2021 tot wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur (stikstofreductie en natuurverbetering, van https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2021287.html#d17e1570

1

In dit rapport worden gegevens gebruikt welke (deels) afkomstig zijn uit de NDFF. Deze mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

BIJLAGE 1 OVERZICHT VRIJGESTELDE SOORTEN PROVINCIE OVERIJSSEL Vrijgestelde soorten (artikel 3.10 eerste lid, onderdeel c) Provincie Overijssel o.b.v. bijlage Geconsolideerde Verordening vanaf 2017, geconsolideerd december 2021 Zoogdieren Aardmuis (Microtus agrestis) Bosmuis (Apodemus sylvaticus) Dwergmuis (Micromys minutus) Dwergspitsmuis (Sorex minutus) Gewone bosspitsmuis (Sorex araneus) Haas (Lepus europeus) Huisspitsmuis (Crocidura russula) Konijn (Oryctolagus cuniculus) Ree (Capreolus capreolus) Rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus) Tweekleurige bosspitsmuis (Sorex coronatus) Veldmuis (Microtus arvalis) Vos (Vulpes vulpes) Woelrat (Arvicola terrestris) Amfibieën Bruine kikker (Rana temporaria) Gewone pad (Bufo bufo) Kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) Meerkikker (Pelophylax ridibundus) Middelste groene kikker/bastaard kikker (Pelophylax kl. Esculentus) Bron: Provincie Overijssel (2021). Omgevingsverordening 2017 - Bijlage 9 Natuurverordening.

BIJLAGE 2 LIJST VOGELS MET JAARROND BESCHERMDE NESTEN PROVINCIE OVERIJSSEL Nederlandse naam Boerenzwaluw Boomvalk Bosuil Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Huiszwaluw Kerkuil Oehoe Ooievaar Raaf Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Torenvalk Wespendief Zeearend Zwarte specht Zwarte wouw

Categorie* 3 4 3 4 2 3 4 2 2 3 3 3 4 4 2 3 4 1 4 4 4 3 4

Nederlandse naam

Categorie*

Blauwe reiger Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Draaihals Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Grutto IJsvogel Kleine bonte specht Kortsnavelboomkruiper Middelste bonte specht Oeverzwaluw Ringmus Spreeuw Tapuit Tureluur Veldleeuwerik Wulp Zomertortel

5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5

Zwarte mees Zwarte roodstaart

5 5

*Toelichting categorieën: Categorie 1: Nesten die gedurende het broedseizoen in gebruik zijn als nest en buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. Categorie 2: Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief Beschikbaar. Categorie 3: Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Categorie 4: Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nesten die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen Vogels die jaarlijks terugkeert naar specifiek nest en die niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. Categorie 5: Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Bron: Provincie Overijssel, 2021

BIJLAGE 3 UITTREKSEL NDFF Beschermde soorten* binnen 500 meter van het plangebied.

Soort Vogels Boerenzwaluw Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Huiszwaluw Kerkuil Ooievaar Ransuil Sperwer Torenvalk

Zoogdieren Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Ruige dwergvleermuis Overige zoogdieren Egel Otter

*Habitatrichtlijnsoorten, soorten met jaarrond beschermde nesten en provinciaal beschermde soorten. (Bron: NDFF, 2022)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12594437/1