Bijlage 3 - Was-wordt tabel energievisie
Tekst van het document
Bijlage 3 Was-wordt tabel energievisie Paragraaf
Was
Wordt
3.1
Om in 2050 volledig klimaatneutraal te zijn, neemt ook Zwartewaterland afscheid van fossiele brandstoffen zoals aardgas, diesel en benzine. We zetten in op netbewuste nieuwbouw van woningen en bedrijven. Alle nieuwbouw wordt aardgasvrij gebouwd en is goed geïsoleerd. Bouwmaterialen uit andere projecten worden hergebruikt.
Om in 2050 volledig klimaatneutraal te zijn en minder afhankelijk te zijn van geopolitieke omstandigheden, neemt ook Zwartewaterland afscheid van fossiele brandstoffen zoals aardgas, diesel en benzine. We zetten in op netbewuste nieuwbouw van woningen en bedrijven. Alle nieuwbouw wordt aardgasvrij gebouwd en is goed geïsoleerd. Bouwmaterialen uit andere projecten worden hergebruikt. We zien daarnaast een groeiende toepassing van biobased bouwmaterialen. Voor het aardgasvrij verwarmen zijn inwoners met name aangewezen op elektrische warmtepompen, meestal individueel. Een hybride warmtepomp is hierbij een mogelijke tussenstap. De volledig elektrische warmtepompen kunnen luchtwarmtepompen zijn, maar in Zwartewaterland is de bodem ook uitermate geschikt als warmtebron. De energievraag in de industrie wordt voor 90% bepaald door de zogenaamde cluster-6-bedrijven. De energievraag in de industrie daalt door een verbetering van de efficiency en verduurzaming. De energievraag blijft echter fors. Deze vraag moet ingevuld worden door elektriciteit aangezien bedrijven hun processen veelal elektrificeren. Daarnaast wordt de vraag mogelijk ingevuld door waterstof. Dit is met name bedoeld voor productieprocessen met hoge temperaturen van de cluster-6 bedrijven.
In 2050 moet deze transitie voltooid zijn Het toekomstige energiesysteem en de energiemix van Zwartewaterland is sterk afhankelijk van de verduurzamingsroute van de cluster-6 bedrijven.
3.1.1
3.1.1
Voor het aardgasvrij verwarmen zijn inwoners met name aangewezen op elektrische warmtepompen, meestal individueel. Dit kunnen luchtwarmtepompen zijn, maar in Zwartewaterland is de bodem ook uitermate geschikt als warmtebron.
3.1.2
De energievraag in de industrie wordt met name bepaald door de zogenaamde cluster-6-bedrijven. De energievraag in de industrie daalt door een verbetering van de efficiency en verduurzaming. De bedrijven zullen hun processen veelal elektrificeren. Daarnaast hebben de cluster-6 bedrijven mogelijk waterstof nodig. Bijvoorbeeld voor processen met hoge temperaturen. In 2050 moet deze transitie zijn voltooid.
3.1.2
3.1.5
Figuur 3.2: groen gas wordt niet genoemd in de energiemix.
Figuur 3.3: groen gas wordt wel genoemd in de energiemix.
3.1.6
Maatschappelijk gezien is er minder draagvlak voor zonnevelden en grote windturbines. De opwek van elektriciteit zal met name met zonnepanelen op daken plaatsvinden. Ook zullen er meer kleine erfmolens komen maar deze leveren slechts een kleine bijdrage aan de totale opwek. Echter, ze dragen wel bij aan een systeem waarbij lokale opwek en lokaal verbruik meer in balans zijn.
Maatschappelijk gezien is er minder draagvlak voor zonnevelden en grote windturbines. Wat betreft zon zetten we vooral in op zon op daken. Windenergie wordt voor een klein deel opgewekt door erfmolens. Echter, om onze doelstellingen voor duurzame opwek te halen, kunnen we niet zonder grote windturbines. Door een mix van zon en wind dragen we bij aan een systeem waarbij lokale opwek en lokaal verbruik meer in balans zijn.
3.2
Om deze strategische doelen te bereiken volgen we een strategie die is opgebouwd rond de drie tactische ER-doelen van de gemeente
3.3.2
We blijven ons inzetten voor de aanpak van energiearmoede. Hierbij zetten we ook in op preventie en vroegsignalering.
3.3.2
Alle gemeentelijke sport-, -zorg, en cultuurgebouwen en – voorzieningen worden verduurzaamd. Dit is nader uitgewerkt in de Routekaart maatschappelijk vastgoed. Het tussendoel is 49% CO2reductie in 2030 en het einddoel is 95% CO2-reductie in 2050.
3.3.2
Gebouwde omgeving: We werken samen met inwoners, het sociaal domein en de woningcorporatie. En Mobiliteit: We werken samen met regionale partners aan een integrale aanpak voor duurzame mobiliteit.
3.3.2
Een goed georganiseerde ondernemerskring wordt gezien als een essentiële succesfactor in de energietransitie op bedrijventerreinen. De gemeente zal daarom met ondernemerskringen afspraken maken over verdere professionalisering.
3.3.2.
Toevoegen na “[...] integrale aanpak voor duurzame mobiliteit”
3.3.2.
Toevoegen na ‘[...] een duurzamer buitengebied.”
3.3.3
Het windpark Genne Holten is hierin een belangrijk project. Hier willen we voor 2030 circa 60 GWh/jaar aan windenergie
Om deze strategische doelen te bereiken volgen we een strategie die is opgebouwd rond de drie tactische ER-doelen van de gemeente. Met elk ER-doel geven we de richting aan waar we heen willen. Onze doelen zijn: We blijven ons inzetten voor de integrale aanpak van energiearmoede. Hierbij zetten we ook in op preventie en vroegsignalering. Alle sport-, zorg-, en cultuurgebouwen en –voorzieningen waarvan de gemeente economisch en juridisch eigenaar is worden verduurzaamd. Dit is nader uitgewerkt in de Routekaart maatschappelijk vastgoed. Het tussendoel is 49% CO2-reductie in 2030 en het einddoel is 95% CO2-reductie in 2050. Gebouwde omgeving: We werken samen met inwoners, de energiecoöperaties, het sociaal domein en de woningcorporatie. En Mobiliteit: We werken samen met regionale partners aan een integrale aanpak voor duurzame mobiliteit. Hierbij betrekken we ook de energiecoöperaties. Goed georganiseerde ondernemerskringen zijn een cruciale succesfactor voor de energietransitie op bedrijventerreinen. De gemeente zet in op sociale innovatie door het versterken van samenwerking en collectieve organisatie van ondernemers. Met ondernemerskringen worden afspraken gemaakt over verdere professionalisering, gericht op bestuurlijke en organisatorische versterking, gezamenlijke belangenbehartiging en effectieve uitvoering van verduurzamingsmaatregelen.
Samen ontwikkelen we een routekaart voor de energievoorziening in 2050, met tussenstappen in 2030 en 2040. We onderzoek de mogelijkheid tot het realiseren van een waterstof tankstation. We zetten in op zelfvoorzienendheid op eigen erf en, waar mogelijk, in de levering van duurzame energie aan de directe omgeving, met inachtneming van de capaciteit en belastbaarheid van het energienet. Het windpark Genne Holten is hierin een belangrijk project. Hier willen we voor 2030 circa 60 GWh/jaar aan windenergie
opwekken.
opwekken. We ondersteunen de lokale energiecooperatie DuurSaam BuurtWint in deze opgave. We streven daarbij naar een zo hoog mogelijk percentage lokaal eigendom.
3.3.3
Ook gaan we in deze periode onderzoek doen naar de ontwikkelmogelijkheden van duurzame warmtebronnen zoals aquathermie en bodemenergie. Deze technieken kunnen in de toekomst bijdragen aan een duurzame warmtevoorziening en passen bij netbewust bouwen.
Ook gaan we in deze periode onderzoek doen naar de ontwikkelmogelijkheden van duurzame warmtebronnen zoals aquathermie en bodemenergie. Deze technieken kunnen in de toekomst bijdragen aan een duurzame warmtevoorziening en passen bij netbewust bouwen. Bij bedrijfspanden is de restwarmte uit het productieproces een potentiële bron voor de verwarming van eigen of omliggende bedrijfspanden.
3.3.3
Naast de opwek van elektriciteit zetten we in op de opwek van biogas. We gaan uit van twee mono(mest)vergisters in 2035.
3.3.4
Toevoegen voor ‘[...] De energietransitie vraagt om.”
3.3.4
Toevoegen na […] het hoofd te bieden.
3.3.4
Verzwaren: de netbeheerders hebben de taak om de netten te verzwaren maar zijn afhankelijk van de gemeente voor onder meer planologische keuzes en vergunningverlening. We zetten ons in om deze ruimtelijke processen zo soepel mogelijk te laten verlopen. Hierbij borgen we dat de verzwaring van het net samengaat met voldoende groen en parkeerplaatsen in de wijken. Verdelen: we stimuleren en nemen zoveel mogelijk drempels weg voor het lokaal delen van energie. Netbeheerders houden rekening met de maatschappelijke aspecten bij prioritering van de
We wekken niet alleen elektriciteit op, maar willen ook biogas produceren. Daarom onderzoeken we hoe we organische reststromen uit de openbare ruimte hiervoor kunnen gebruiken. Ook zetten we in op mestvergisting. Eerst bepalen we hoeveel biogas we in theorie kunnen produceren. Daarna streven we ernaar dat er in 2030 minimaal twee mono(mest)vergisters in gebruik zijn. Geopolitieke spanningen, hybride dreigingen, klimaatverandering en de kwetsbaarheid van vitale voorzieningen vragen om versterking van de maatschappelijke weerbaarheid en veerkracht. Gemeenten spelen een sleutelrol in het versterken hiervan. Een crisis, of het nu gaat om stroomuitval, een overstroming of een hybride dreiging, heeft namelijk in de eerste plaats lokaal impact. In het geval van een calamiteit moet de gemeente haar dienstverlening op peil houden. Daarbij werken we het intensief samen met inwoners, bedrijven en energiecoöperaties. Verzwaren: de netbeheerders hebben de taak om de netten te verzwaren maar zijn afhankelijk van de gemeente voor onder meer planologische keuzes en vergunningverlening. We zetten ons in om deze ruimtelijke processen zo soepel mogelijk te laten verlopen. Hierbij borgen we dat de verzwaring van het net waterrobuust wordt aangelegd met voldoende groen en parkeerplaatsen in de wijken. Verdelen: we stimuleren en nemen zoveel mogelijk drempels weg voor het lokaal delen van energie.
Hierbij verkennen we de mogelijkheden van een energiegemeenschap. Netbeheerders houden
3.3.4
aansluitingen en gaan in beginsel niet uit van het principe ‘wie het eerst komt wie het eerst maalt’. 3.5 3.5
We betrekken inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden op een passende manier. Toevoegen na “[...] om deze bijdrage te kunnen leveren.
rekening met de maatschappelijke aspecten bij prioritering van de aansluitingen en gaan in beginsel niet uit van het principe ‘wie het eerst komt wie het eerst maalt’. We betrekken inwoners, ondernemers, energiecoöperaties en andere belanghebbenden op een passende manier. In dit proces is een wezenlijke rol weggelegd voor energiecoöperaties en energiegemeenschappen, mede vanuit het oogpunt van lokaal eigendom, lokaal eigenaarschap en betrokkenheid.