bijlage 2 - ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
omgevingsvergunning
Zwartsluis - Wolvenjacht 3 Zwartewaterland
DATUM IMRO IDN
09-10-2025 NL.IMRO.1896.20240587-0001
PROJECT PROJECTLEIDER
Zwartsluis - Wolvenjacht 3 J. Tromp
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20240587
AUTEUR STATUS
N.M. van 't Noordende ontwerp
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing (BOPA)
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Ligging projectlocatie
6
1.3
Leeswijzer
7
Beschrijving van het project en de omgeving
8
2.1
Huidige situatie
8
2.2
Toekomstige situatie
9
2.3
Strijdigheden omgevingsplan
11
Hoofdstuk 3
Participatie
13
Hoofdstuk 4
Beleidskader/wettelijk kader
14
4.1
Rijksniveau
14
4.2
Regionaal niveau
15
4.3
Provinciaal niveau
15
Gevolgen voor de fysieke leefomgeving
17
5.1
Ladder voor duurzame verstedelijking
17
5.2
Welstand
17
5.3
Mobiliteit en parkeren
18
5.4
Ecologie: soortenbescherming
19
5.5
Ecologie: gebiedsbescherming
20
5.6
Luchtkwaliteit
21
5.7
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
21
5.8
Geluid door activiteiten
22
5.9
Geur
22
5.10
Omgevingsveiligheid
23
5.11
Trilling
23
5.12
Cultureel erfgoed
24
5.13
Bodem
25
5.14
Water
25
5.15
Gezondheid
27
5.16
Toetsing M.E.R.
27
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 5
3/61
Hoofdstuk 6 6.1
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
28
Financiële uitvoerbaarheid en kostenverhaal
28
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
29
Bijlagen toelichting
31
Bijlage 1
Situatie schets
33
Bijlage 2
Stikstofonderzoek
39
Bijlage 3
Bericht RWS
55
Bijlage 4
Watertoets
57
4/61
Ruimtelijke onderbouwing (BOPA)
5/61
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan de Wolvenjacht 3 in Zwartsluis ligt een woonperceel. De initiatiefnemer wil ten westen van de woning een privé-begraafplaats realiseren in de vorm van een grafkelder. Deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het omgevingsplan van de gemeente Zwartewaterland. De ontwikkeling is in strijd met de activiteiten 'gebruik' en 'bouwen' van de bestemmingen 'Wonen - Vrijstaand', 'Verkeer - Verblijfsgebied en 'Waterstaat Waterstaatkundige functie'. Om de ontwikkeling mogelijk te kunnen maken, wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA) aangevraagd, om zo af te kunnen wijken van het omgevingsplan. Deze aanvraag wordt getoetst aan beoordelingsregels, waaronder een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorliggende onderbouwing voorziet in deze toetsing.
1.2
Ligging projectlocatie
De projectlocatie ligt aan de Wolvenjacht 3, ten zuidwesten van het dorp Zwartsluis. De projectlocatie staat kadastraal bekend als gemeente Zwartewaterland, ZSS00-D-4737 en deels Zwartsluis D 4152. De ligging van de projectlocatie is weergegeven in figuur 1.1. Het gedeelte van het perceel waarop de woning is gelegen, vormt geen onderdeel van de ontwikkeling.
Figuur 1.1
6/61
Projectlocatie ten opzichte van de omgeving (bron: Rho Basisviewer)
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en voorgenomen situatie. De huidige situatie wordt beschreven aan de hand van het bestaande gebruik en de aanwezige bebouwing op de projectlocatie. De toekomstige situatie beschrijft het initiatief voor de projectlocatie, het initiatief en de strijdigheden met het omgevingsplan. Hoofdstuk 3 beschrijft of en hoe participatie heeft plaatsgevonden en hoe dit heeft bijgedragen aan het ontwerp. Vervolgens toetst Hoofdstuk 4 aan het relevante beleidskader en toetst Hoofdstuk 5 aan de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 6 gaat in op de financiële haalbaarheid van het project. Hoofdstuk 7 concludeert ten slotte of met de ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7/61
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving van het project en de omgeving
Huidige situatie
2.1.1 Ligging projectgebied De projectlocatie ligt aan de Wolvenjacht 3, nabij de (zuid)westelijke entree van het dorp Zwartsluis. De projectlocatie heeft een oppervlakte van circa 3.000 m2 en maakt deel uit van een bebouwingslint. De directe omgeving bestaat uit verschillende functies. Ten noordoosten van de projectlocatie ligt een jachthaven dat onderdeel is van het bedrijf dat gevestigd is in de bedrijfshal aan de oostzijde van de haven. Dit bedrijf is van initiatiefnemer en is gericht op het verhuren van jachten. Het bedrijf gebruikt de haven als stallingsruimte voor de boten en is daarmee niet bestemd voor passanten. Ten oosten van het verhuurbedrijf ligt een aannemingsbedrijf. Ten zuiden van de projectlocatie ligt de rivier Zwarte Water, met verder ten zuiden agrarische percelen. Het Zwarte Water is een 19 kilometer lange rivier die in het Zwarte Meer uitmondt. De projectlocatie ligt buitendijks, binnen de invloedssfeer van het Zwarte Water. Bij hoogwater is het mogelijk dat de projectlocatie (deels) onder water komt te staan. De westzijde van de projectlocatie grenst aan onbebouwde agrarische gronden. Ten westen ligt ook een rotonde waar de ontsluitingsroute van het westelijk deel van Zwartsluis, het Westeinde, aansluit op de hoofdroute, Oppen Swolle/Rondweg (N331).
De noordzijde van de projectlocatie wordt tenslotte ontsloten door de Wolvenjacht, met verder ten noorden de Rondweg N331 en een woonwijk. Een luchtfoto van de projectlocatie en de omgeving is weergeven in figuur 2.1.
8/61
Figuur 2.1
2.2
Luchtfoto projectlocatie (bron: Rho Basisviewer)
Toekomstige situatie
2.2.1 Omschrijving ontwikkeling De initiatiefnemer wil ten zuiden van de projectlocatie een privé-begraafplaats realiseren. Voorafgaand aan de planologische procedure zijn de verschillende voorwaarden op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau onderzocht, om de haalbaarheid van de plannen te beoordelen. Hieruit is gebleken dat een bovengrondse begraafplaats niet mogelijk is, met name gelet op het vereiste dat minimaal 30 cm boven het niveau van de gemiddeld hoogste grondwaterstand wordt gebouwd (zie ook paragraaf 4.1.2). De gewenste ontwikkeling bestaat daarom uit het plaatsen van een betonnen bak van 24 m2, circa 2 meter onder het maaiveld, gerekend vanaf de dijk. De gronden rondom de bak worden opgehoogd, zodat de bak niet in aanraking komt met grondwater. In de bak wordt de grafkelder geplaatst. Hierdoor is sprake van een halfondergrondse grafkelder. De grafkelder wordt bedekt met grond en beplanting, om het zicht vanaf de openbare ruimte hierop te ontnemen. In dat kader wordt ten oosten en ten zuiden van de projectlocatie bovendien een groene haag geplant. Achter deze haag zal in de toekomstige situatie de nieuwe perceelsgrens komen te liggen. Daarmee zal het familiegraf tot het ene perceel gaan behoren, en de woning tot het andere perceel. Dit is nodig om de gronden waartoe het familiegraf behoort fiscaal volledig af te kunnen kopen.
Daarmee is verzekerd dat de grond in de toekomst in familiebezit blijft. De grafkelder in de onderhavige situatie dient te worden aangemerkt als een bouwwerk. De grafkelder is niet toegankelijk voor personen; het is niet mogelijk deze te betreden. Na het (bij)plaatsen van een grafkist wordt de kelder volledig afgesloten en blijft deze ontoegankelijk voor personen.
9/61
In figuur 2.2 is de voorgenomen indeling van de projectlocatie weergeven. In figuur 2.3 is een plattegrond van de projectlocatie weergeven. In figuur 2.4 is het aanzicht op de grafkelder weergeven. De complete tekeningen set is opgenomen in bijlage 1
Figuur 2.2
10/61
Voorgenomen indeling projectlocatie (bron: Atelier Schraa)
Figuur 2.3
Plattegrond projectlocatie (bron: Atelier Schraa)
Figuur 2.4
Doorsnede vooraanzicht grafkelder (bron: Atelier Schraa)
2.3
Strijdigheden omgevingsplan
De projectlocatie is geregeld in het bestemmingsplan ‘Wolvenjacht Zwartsluis’ en de beheersverordening ‘Bedrijventerreinen Zwartewaterland’ (2013). Beide plannen maken deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Zwartewaterland. Op basis van het bestemmingsplan heeft de locatie de bestemmingen ‘Wonen – Vrijstaand’ en ‘Waterstaat – Waterstaatkundige functie’. Het realiseren van een grafkelder is hiermee strijdig, omdat: het gebruik van de gronden ten behoeve van een begraafplaats niet is toegestaan; bouwen uitsluitend is toegestaan voor functies die planologisch zijn toegelaten, namelijk wonen of een waterstaatkundige functie. Daarnaast geldt voor een deel van de locatie de beheersverordening met de bestemmingen ‘Verkeer – Verblijf’ en ‘Waterstaat – Waterstaatkundige functie’. Ook hier is het gebruik en het bouwen van een grafkelder niet
11/61
toegestaan, omdat dit niet past binnen de planologische mogelijkheden van deze bestemmingen. Voor de gewenste ontwikkeling is daarom een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) noodzakelijk.
12/61
Hoofdstuk 3
Participatie
De initiatiefnemer moet bij het aanvragen van een omgevingsvergunning aangeven of hij aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn. Het gaat hierbij niet alleen om omwonenden. Afhankelijk van het initiatief kan de initiatiefnemer de mening van burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen (intekentafel/omgevingstafel) inwinnen. Hij kan daardoor zijn initiatief aanpassen, zodat het meer draagvlak heeft. Het bevoegd gezag kan de uitkomst van de participatie betrekken bij de besluitvorming. Gemeentelijk niveau Verplichte participatie De gemeente Zwartewaterland schrijft in haar participatievisie dat de raad een lijst vaststelt met gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarbij participatie verplicht is. Deze lijst is vastgesteld. Op basis hiervan wijst de raad de volgende gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten aan waarbij participatie van en overleg met derden verplicht wordt gesteld: Initiatieven met grote impact op de omgeving, zoals bedoeld in de impactbarometer participatiebeleid Omgevingswet gemeente Zwartewaterland. Of een iniriatief een grote inpact heeft op de omgeving wordt bepaald door de impactbarometer, vanaf niveau 3 van de impactbarometer is participatie verplicht. Op basis van de vragen uit de participatiewijzer, valt onderhavige ontwikkeling in niveau 1. Het plan heeft een kleine impact op de omgeving.
Afstemming met de directe omgeving is voldoende. In de directe omgeving van de projectlocatie zijn geen woningen aanwezig. Het bedrijf direct ten oosten van de projectlocatie is eigendom van de initiatiefnemer. Op grotere afstand, minimaal 50 meter, aan de overzijde van de weg, zijn wel woningen aanwezig. Deze woningen hebben enig zicht op het terrein. Door de uitstraling en vormgeving van de grafkelder is deze vanaf de openbare ruimte echter niet herkenbaar zichtbaar. Gelet op de afstand tot de dichtstbijzijnde woningen en de landschappelijke inpassing kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de belangen van derden. Provinciaal niveau Omgevingstafel De provincie Overijssel heeft nog geen lijst met gevallen waarin een omgevingstafel verplicht is. Voor deze ontwikkeling geldt daarom geen verplichte omgevingstafel. Dit betekent dat het niet is vereist om de provincie om advies te vragen. In het kader van voorkantsamenwerking is het plan voorgelegd aan de provincie.
13/61
Hoofdstuk 4 4.1
Beleidskader/wettelijk kader
Rijksniveau
4.1.1 Wet op de lijkbezorging Op grond van de Wet op de lijkbezorging (Wlb) gelden diverse algemene vereisten voor het realiseren van een grafkelder. De projectlocatie wordt aangemerkt als een bijzondere begraafplaats. De gronden zijn of worden eigendom van de initiatiefnemer en bestemd voor een particuliere begraafplaats. Het gebruik van gronden voor een bijzondere begraafplaats is alleen mogelijk als deze daartoe door de gemeenteraad zijn aangewezen. In dit verband geldt dat geen toegang of ingang van een grafkelder zich mag bevinden in een gebouw dat niet uitsluitend tot begraven bestemd is. De raad neemt een aanwijzingsbesluit om de projectlocatie aan te wijzen als bijzondere begraafplaats. Dit vindt plaats in een andere procedure. Een bijzondere begraafplaats kan alleen worden aangelegd en in stand worden gehouden door een kerkgenootschap dan wel door een privaatrechtelijke rechtspersoon of een natuurlijk persoon. De initiatiefnemer is een natuurlijk persoon. Verder moet een register worden bijgehouden van alle begraven personen, met een nauwkeurige aanduiding van de plaats waar zij begraven zijn. Uit figuur 2.1 en figuur 2.2 volgt dat de voorgenomen locatie van de grafkelder vaststaat.
Verder moet een graf minimaal 10 jaar blijven bestaan, en moet aannemelijk worden gemaakt dat het graf decennialang verzorgd kan worden en dat de grond in de toekomst in familiebezit blijft. Dit wordt privaatrechtelijk geregeld. Ten slotte moet bij een grafkelder de constructie hiervan zodanig zijn dat lucht tot de grafruimte kan toetreden en hieruit ook afgevoerd kan worden. De afvoer van lucht uit de grafruimte mag geen hinder met zich meebrengen. Dit is in het ontwerp van de grafkelder gewaarborgd. Uit artikel 41 volgt dat voor het in gebruik nemen van de bijzondere begraafplaats toestemming moet worden verkregen van burgemeester en wethouders. Deze toestemming kan alleen worden geweigerd als niet aan de wettelijke voorschriften is voldaan. 4.1.2 Besluit op de lijkbezorging In het Besluit op de lijkbezorging wordt een aantal zaken uit de Wlb nader gespecificeerd, zoals de wijze van begraven. Het gaat om algemene regels, zoals dat een lijk wordt begraven in een kist of een ander omhulsel. Het kist of het ander omhulsel moet bestaan uit biologisch afbreekbare materialen. De meeste regels over afstanden en hoogten zijn niet van toepassing op grond van artikel 7, tweede lid. Gezien de locatie buitendijks, in een beheer gebied van Rijkswaterstaat is contact opgenomen met rijkswaterstaat.
Rijkswaterstaat heeft schriftelijk laten weten dat er voor het afgraven en ophogen van de gronden geen bezwaren zijn. Dit is opgenomen in Bijlage 3. De afstand van een graf tot de erfafscheiding van de begraafplaats moet minimaal één meter moet bedragen. Hier wordt aan voldaan, omdat geen erfafscheiding rond de projectlocatie aanwezig is. De overige paragrafen uit het besluit zijn niet van toepassing. 4.1.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden op rijksniveau.
14/61
4.2
Regionaal niveau
4.2.1 Waterschapsverordening Drents Overijsselse Delta In de Waterschapsverordening Drents Overijsselse Delta, vastgesteld op 17 september 2024, stelt het waterschap regels voor de behartiging van de opgedragen taken. De taken die aan waterschap worden opgedragen betreffen de zorg voor het watersysteem en zorg voor het zuiveren van afvalwater. Eventueel kunnen nog de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden worden opgedragen, bijvoorbeeld vaarwegbeheer. De projectlocatie valt op grond van de verordening in enkele gebieden. Het eerste gebied betreft het beperkingengebied van de waterkering die bij de rivier Het Zwarte Water hoort. Voor het bewerken van gronden, het bouwen van de grafkelder en het plaatsen van beplanting geldt een vergunningplicht op grond van de artikelen 2.15, 2.29 en 2.83. Deze vergunningen worden in een andere procedure aangevraagd bij het waterschap. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden op regionaal niveau.
4.3
Provinciaal niveau
4.3.1 Omgevingsverordening provincie Overijssel De omgevingsverordening van de provincie Overijssel, vastgesteld op 23 oktober 2024 (laatst gewijzigd: 1 november 2024), zet zich in voor onderwerpen waarvoor de provincie het belangrijk vindt dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt niet meer geregeld dan nodig is voor het belang zoals dat in de Omgevingsvisie is verwoord. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie dus niet in nieuw beleid. De inzet van de verordening beperkt zich tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of noodzakelijk is om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Artikel 4.6: instructieregel toekomstbestendigheid Nieuwe ontwikkelingen zijn alleen mogelijk als aannemelijk is gemaakt dat deze toekomstbestendig zijn. De initiatiefnemer verzekert dit privaatrechtelijk. De gronden worden kadastraal afgesplitst van de woning en fiscaal volledig afgekocht. Artikel 4.13: instructieregel klimaatrobuust water- en bodemsysteem Nieuwe ontwikkelingen zijn alleen mogelijk als is onderbouwd dat deze bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.
De ontwikkeling is van geringe omvang (24 m2), waardoor deze geen of in beperkte mate invloed zal hebben op het water- en bodemsysteem. Omdat de grafkelder wordt bedekt met grond en beplanting, is geen sprake van volledige verharding van de gronden. Door de gekozen constructie wordt het bestaande water- en bodemsysteem in stand gehouden. Regenwater dat op de grafkelder valt kan vanwege de wijze van afdekken in de bodem infiltreren. Bovendien is sprake van een betonnen (waterdichte) bak waardoor er geen contact is tussen de grafkelder en het bestaande water- en
15/61
bodemsysteem. Artikel 4.54: instructieregel nieuwe ontwikkelingen in Nationaal Landschap IJsseldelta De projectlocatie ligt in het Nationaal Landschap IJsseldelta. Nieuwe ontwikkelingen hierbinnen zijn alleen mogelijk als deze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten van dat landschap. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap IJsseldelta zijn: a. de grote mate van openheid; b. de historische, rationele, geometrische verkaveling van de polder Mastenbroek; c. het reliëf in de vorm van huisterpen en kreekruggen; d. de kleinschaligheid en openheid van het rivierenlandschap. De ontwikkeling draagt bij aan het behoud van deze kernkwaliteiten. Uit figuur 2.4 volgt dat de grafkelder in de grond wordt geplaatst en wordt bedekt met grond en beplanting, waardoor deze niet zichtbaar zal zijn. De grafkelder heeft daarnaast een oppervlakte van 24 m2, waardoor de ontwikkeling van geringe omvang is. Artikel 4.58: instructieregel beschermingsregime Natuurnetwerk Nederland De projectlocatie ligt nabij het deelgebied 'Oeverlanden Zwarte Water' van het Natuurnetwerk Nederland. Een omgevingsplan maakt geen ontwikkeling mogelijk die leidt tot: a. aantasting van de mogelijkheden om de natuurdoelen te realiseren die voor dit gebied zijn vastgesteld in Bijlage X 'Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN', b.
vermindering van het areaal van het Natuurnetwerk Nederland; en c. aantasting van de samenhang tussen onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland. Het plaatsen van een grafkelder heeft door zijn geringe omvang geen negatieve invloed op bovenstaande belangen. Conclusie Er wordt voldaan aan de regels uit de verordening. De ontwikkeling voldoet aan het provinciaal beleid.
16/61
Hoofdstuk 5 5.1
Gevolgen voor de fysieke leefomgeving
Ladder voor duurzame verstedelijking
5.1.1 Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Het Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan of een BOPA-omgevingsvergunning voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Deze instructieregel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling en die voldoende substantieel is. Met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, moet bij nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden worden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en (als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied) de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 5.1.2 Toetsing Bij andere stedelijke functies dan woningen is in beginsel sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag meer dan 500 m2 bedraagt. De ontwikkeling bestaat uit het plaatsen van een grafkelder van 24 m2, waardoor geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een toetsing aan de Ladder is niet vereist.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet wel worden onderbouwd waarom de ontwikkeling niet binnen stedelijk gebied kan worden voorzien. Dit perceel grenst aan het binnenstedelijk gebied van Zwartsluis, waardoor de ontwikkeling feitelijk niet binnenstedelijk kan worden gerealiseerd. Gezien de aard en kleinschaligheid van de ontwikkeling, het particuliere karakter en de binding met het bestaande woonperceel is de locatie passend. 5.1.3 Conclusie Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor een toets aan de Ladder niet noodzakelijk is.
5.2
Welstand
5.2.1 Toetsingskader Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen. Hierbij kan gedacht worden aan de vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. De regels voor een welstandstoets zijn opgenomen in de bruidsschat (repressief welstand en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk). Daarmee maken deze regels deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op grond van het overgangsrecht maakt ook de welstandsnota deel uit van het omgevingsplan.
17/61
5.2.2 Toetsing en conclusie Op basis van de welstandsnota van de Wolvenjacht 3 onder deelgebied 'Industrieterrein', het gedeelte waar de begraafplaats komt valt net buiten dit gebied en valt aan te merken als: Dijkbebouwing Hier is gekozen voor niveau 1, een hoog welstandsniveau. Dit omdat het reeds eeuwen oude structuren betreft die zeer bepalend en karakteristiek in het landschap zijn. De inhoudelijke richting van de welstandstoets zal zijn gericht op het respecteren en interpreteren van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit: Gebiedsgerichte criteria En bouwwerk moet zich qua situering voegen in de voor het deelgebied of betreffende locatie kenmerkende stedenbouwkundige opzet of structuur. De hoofdmassa en vorm van een bouwwerk moeten zowel op zichzelf als in relatie tot de omgeving harmoniëren (architectonisch verantwoord zijn). De gevelkarakteristiek moet architectonisch verantwoord zijn en aansluiten bij de gevelkarakteristieken zoals deze in het deelgebied aanwezig zijn. De detaillering, het materiaal- en kleurgebruik moeten zowel op zichzelf als in relatie tot de omgeving verantwoord zijn. De criteria krijgen pas betekenis in samenhang met de hiervoor geformuleerde gebiedsbeschrijving. Doordat de grafkelder halfondergronds wordt gerealiseerd en wordt bedekt met grond en beplanting, is deze vanaf de openbare ruimte niet zichtbaar.
Een toetsing aan de uiterlijke kenmerken van de grafkelder is niet van toepassing.
5.3
Mobiliteit en parkeren
5.3.1 Toetsingskader Mobiliteit en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. Het Bkl en de provinciale omgevingsverordening stellen geen instructieregels op dit gebied. Wel kan het zijn dat de provincie, regio en gemeente hiervoor beleid heeft, bijvoorbeeld een Mobiliteitsvisie, regels over aanleg parkeerplaatsen in het omgevingsplan en/of een Nota Parkeernormen. In de beoordeling van het project op het omgevingsaspect mobiliteit zijn de ontsluitingsstructuur, verkeersgeneratie, bereikbaarheid en verkeersveiligheid relevant. Daarbij worden alle relevante vervoerswijzen bezien (langzaam verkeer, openbaar vervoer en gemotoriseerd verkeer). De beoordeling van het project op het omgevingsaspect parkeren houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet zijn.
18/61
5.3.2 Toetsing en conclusie Een grafkelder zorgt voor een geringe toename van de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte in verband met het aantal bezoekers. Deze toename is op voorhand niet vast te stellen, maar zal incidenteel zijn. Wel kan gesteld worden dat de Wolvenjacht in staat is om deze toename op te vangen. In het geval van bezoek kan op het naastgelegen terrein van de initiatiefnemer geparkeerd worden.
5.4
Ecologie: soortenbescherming
5.4.1 Toetsingskader Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een BOPA is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de BOPA-activiteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie. Aanvullend onderzoek is nodig indien uit de quickscan ecologie blijkt dat er aanwijzingen zijn voor het voorkomen van specifieke beschermde soorten. In dit aanvullend onderzoek worden alleen specifieke beschermde soorten onderzocht die mogelijk aanwezig zijn en door de voorgenomen activiteit worden verstoord of bedreigd. 5.4.2 Toetsing De ontwikkeling bestaat uit het plaatsen van een betonnen bak in de grond waarin een grafkelder gerealiseerd wordt. Op voorhand kan vastgesteld worden dat er geen verblijfplaatsen van beschermde soorten aangetast zullen worden. Eventuele verstoring van verblijfplaatsen van dieren in het naastgelegen water door de bouwwerkzaamheden zal tijdelijk zijn. Nader onderzoek is op voorhand niet noodzakelijk. Het perceel wordt door de initiatiefnemer regulier onderhouden, waaronder maaien, waardoor de kans op aanwezigheid van grondbroedende vogels beperkt is. Indien tijdens de werkzaamheden toch broedvogels aanwezig blijken te zijn, zal hiermee rekening worden gehouden in de planning en uitvoering.
Hiermee wordt invulling gegeven aan de algemene zorgplicht uit de Omgevingswet De gronden rondom de grafkelder zijn op grond van de vegetatielegger (klasse deels verhard en deels gras & akker) geschikt om op te hogen. Bij ontwikkelingen mogen delen tot 500 m2 een klasse omhoog, dus respectievelijk gras & akker en riet & ruigte. De grafkelder past het makkelijkst binnen riet & ruigte, hierbij staat dat struikvorming (en dus waterstand verhogend) mag voorkomen. 5.4.3 Conclusie De aard van de ontwikkeling brengt met zich mee dat een ecologisch onderzoek niet noodzakelijk is.
19/61
5.5
Ecologie: gebiedsbescherming
5.5.1 Toetsingskader 5.5.1.1 Natura 2000-gebieden Een BOPA-activiteit kan gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Denk hierbij aan de depositie van stikstof in een Natura 2000-gebied, maar ook aan andere gevolgen, bijvoorbeeld door geluid en licht die door de activiteit worden veroorzaakt. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de BOPA-activiteit significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. In veel gevallen kan worden volstaan met een voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat de activiteit (al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten) significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, zal een passende beoordeling moeten plaatsvinden. In dat geval zal voor de BOPA-activiteit tevens een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig zijn. In praktijk bestaat de voortoets in veel gevallen uit een AERIUS-berekening waaruit zal moeten blijken dat de stikstofdepositie op een stikstofoverbelast Natura 2000-gebied in ieder geval niet toeneemt (0,00 mol/ha/j) of afneemt. 5.5.1.2 NatuurNetwerk Nederland (NNN) Een BOPA-activiteit kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden.
Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen. Bij het beoordelen van de gevolgen van de BOPA-activiteit op NNN-gebieden zal moeten worden aangetoond dat: de kwaliteit en oppervlakte van het Natuurnetwerk niet achteruitgaan; de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk wordt behouden; en als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. 5.5.2 Toetsing 5.5.2.1 Natura 2000-gebieden De projectlocatie grenst aan het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en ligt op 750 meter ten opzichte van het Natura 2000-gebied De Wieden. Het is van belang om na te gaan of het project significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden. Op voorhand kan gesteld worden dat de ontwikkeling geen invloed heeft op de instandhoudingsdoelstellingen. Tijdens de gebruiksfase is sprake van incidenteel bezoek dat gering impact heeft en minimaal stikstofdepostitie veroorzaakt.
In de aanlegfase wordt een kleine hoeveelheid materialen geleverd om de grafkelder te plaatsen, en worden het terrein opgehoogd. In dit kader is voor de
20/61
aanlegfase een berekening uitgevoerd, zie hiervoor bijlage 2. Uit de berekening voor de aanleg- blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn om die reden niet aan de orde. Voor de uitvoering van dit plan geldt geen vergunningplicht voor een Natura 2000-acitiviteit op basis van de Omgevingswet. 5.5.2.2 NNN-gebieden De projectlocatie grenst aan het deelgebied 'Oeverlanden Zwarte Water' van het NatuurNetwerk Nederland. De ontwikkeling tast door zijn geringe omvang en de relatief grote afstand de mogelijkheden om de natuurdoelen te realiseren niet aan, en leidt ook niet tot vermindering van het areaal van het NNN-gebied. 5.5.3 Conclusie Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.6
Luchtkwaliteit
5.6.1 Toetsingskader Als een BOPA betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen. Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. Het Bkl bepaalt dat alleen getoetst hoeft te worden aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit als sprake is van een agglomeratie. 5.6.2 Toetsing Het Bkl wijst de agglomeraties aan in artikel 5.51. De gemeente Zwartewaterland is niet aangewezen als agglomeratie, wat inhoudt dat niet getoetst hoeft te worden aan het Bkl. 5.6.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.7
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
5.7.1 Toetsingskader Wanneer een geluidgevoelig gebouw wordt toegestaan in een geluidaandachtsgebied, moet bij vergunningverlening rekening gehouden worden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Dit betekent dat bij het toelaten van een geluidgevoelige woning in een geluidaandachtsgebied een belangenafweging zal moeten worden gemaakt en deze goed zal moeten worden gemotiveerd. Hierbij zal in ieder geval de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op een geluidgevoelig gebouw moeten worden beoordeeld. Daarnaast zal de omgevingsvergunning voor de BOPA erin moeten voorzien dat het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein op geluidgevoelige gebouwen binnen een aandachtsgebied aanvaardbaar is.
21/61
5.7.2 Toetsing en conclusie Een grafkelder is niet geluidgevoelig. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
5.8
Geluid door activiteiten
5.8.1 Toetsingskader In een omgevingsvergunning van een BOPA moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Dit betekent dat een gemeente het toelaten van activiteiten die geluid veroorzaken of het toelaten van geluidgevoelige gebouwen waarop geluid wordt veroorzaakt, alleen mogelijk kan maken na een belangenafweging en een goede onderbouwing. Daarnaast zal de omgevingsvergunning moeten waarborgen dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. Dit kan door de standaardwaarden voor het toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw en grenswaarden voor het toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen in de omgevingsvergunning op te nemen. 5.8.2 Toetsing Een grafkelder is niet geluidgevoelig. Andersom zorgt een grafkelder niet voor geluidhinder voor geluidgevoelige gebouwen in de omgeving. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 5.8.3
Conclusie
Het aspect geluid door activiteiten vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.9
Geur
5.9.1 Toetsingskader In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. 5.9.2 Toetsing Een grafkelder is niet geurgevoelig. Andersom is wettelijk bepaald dat de afvoer van lucht uit de grafruimte geen hinder met zich mag meebrengen. Binnen een straal van 50 meter liggen geen geurgevoelige gebouwen van derden, waardoor de kans op hinder gering is. Daarnaast wordt de grafkelder gerealiseerd in een betonnen kelderconstructie, welke aan de binnenzijde voldoende geventileerd wordt. De luchttoevoer en -afvoer worden zodanig vormgegeven dat luchttoetreding mogelijk is en dat eventueel afgevangen lucht geen hinder veroorzaakt. In het ontwerp is gekozen voor een onderdrukgestuurd luchtafvoersysteem via een zijdelings afschermende buisconstructie met een beplantingsoverdekking. Daarnaast zal gebruik worden gemaakt van een kist met een zinken binnenbak, gesloten door solderen. Hierdoor is sprake van een hygiënische, duurzame en volledig afgesloten opbaring, waarmee geur, lucht, vocht en vervuiling worden voorkomen
22/61
5.9.3 Conclusie Het aspect geur staat de ontwikkeling niet in de weg.
5.10 Omgevingsveiligheid 5.10.1 Toetsingskader Bij het mogelijk maken van een BOPA-activiteit spelen vaak veiligheidsrisico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. In het Bkl is het risicobegrip breder: in de aanvraag om een vergunningsaanvraag voor een BOPA zal ook moeten worden gemotiveerd hoe voor risico's van branden, rampen en crises rekening wordt gehouden met het belang van: a. het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; b. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en c. de geneeskundige hulpverlening. 5.10.2 Toetsing Een grafkelder is niet gevoelig voor branden, rampen en crises. Bovendien volgt uit de risicokaart dat in de omgeving van de projectlocatie geen risicobronnen aanwezig zijn. 5.10.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.
5.11 Trilling 5.11.1 Toetsingskader Bij trilling gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Volgens het Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. De instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels van het Bkl zijn wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd. 5.11.2 Toetsing Een grafkelder is niet trillinggevoelig.
23/61
5.11.3 Conclusie Het aspect trilling staat de ontwikkeling niet in de weg.
5.12 Cultureel erfgoed 5.12.1 Toetsingskader Onder cultureel erfgoed wordt verstaan: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen en landschap. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen moet onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. 5.12.2 Toetsing Cultuurhistorie Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel volgt dat de omgeving van de projectlocatie enkele cultuurhistorische kenmerken heeft. Op het perceel ligt de weerstandslinie Noord-Oost Nederland, dat fungeerde als verdedigingswerk. Deze is nog herkenbaar. De ontwikkeling tast de herkenbaarheid van het werk niet aan, omdat deze halfondergronds wordt gerealiseerd en wordt bedekt met grond en beplanting. In de rivier het Zwarte Water ligt een afwateringsstelsel dat van regionaal belang is.
De ontwikkeling heeft hier geen invloed op. Ten slotte ligt aan de Rondweg een rivierdijk. Ten aanzien van deze werken kan gesteld worden dat de ontwikkeling geen negatieve invloed op de uiterlijke kenmerken van deze werken, omdat de grafkelder halfondergronds wordt gebouwd en met grond en beplanting wordt bedekt. Archeologie De gemeente heeft haar archeologiebeleid vertaald in de 'Archeologische waardenkaart Zwartewaterland', die is vastgesteld op 6 april 2022. De waarden uit deze kaart zijn doorvertaald naar beschermingsregels in de ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Voor de projectlocatie gelden geen archeologische verwachtingswaarden, waardoor nader onderzoek niet noodzakelijk is. Indien tijdens de grondwerkzaamheden wel archeologische waarden worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht bij het bevoegd gezag. 5.12.3 Conclusie De aspecten cultuurhistorie en archeologie staan de ontwikkeling niet in de weg.
24/61
5.13 Bodem 5.13.1 Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), waaronder regels over nazorg van de bodem na saneren, regels over graven in de bodem en regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico. 5.13.2 Toetsing Een grafkelder is niet bodemgevoelig, waardoor nader onderzoek naar de kwaliteit van de bodem niet noodzakelijk is. 5.13.3 Conclusie Het aspect bodem staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.
5.14 Water 5.14.1 Toetsingskader Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. In de aanvraag moet worden beschreven welke mogelijke gevolgen een BOPA-activiteit heeft voor het aspect water en welke maatregelen zullen worden getroffen om deze gevolgen zoveel mogelijk te beperken. Als water een belangrijk aspect is voor een BOPA-activiteit wordt geadviseerd om het waterschap te raadplegen. 5.14.2 Toetsing Watertoets Voor het project is een digitale watertoets uitgevoerd. Deze is als Bijlage 4 opgenomen. Uit de digitale watertoets blijkt dat de normale procedure doorlopen moet worden. Waterveiligheid Overstroombaar gebied De projectlocatie ligt deels in een overstroombaar gebied. Een overstroombaar gebied is een gebieden dat normaal niet onder water staat, maar kan overstromen (tijdelijk onder water staan). Het gaat zowel om uiterwaarden die frequent onder water staan (buitendijks) als om beschermde gebieden achter de dijk (binnendijks). Beide vallen onder het toepassingsbereik van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR).
De provincie Overijssel verplicht initiatiefnemers een overstromingsrisicoparagraaf op te stellen ten behoeve van het ruimtelijk plan.
25/61
Bij het ontwerp van het familiegraf is hier rekening mee gehouden door de gronden op te hogen. De gronden rondom de bak waar de grafkelder in komt te staan, worden opgehoogd zodat deze niet in aanraking komen met het (grond)water. Rijkswaterstaat heeft aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de plannen. Waterkeringen Nabij de projectlocatie ligt een primaire en overige kering. De projectlocatie ligt in beschermingszone deel B van de primaire kering. Voor het bewerken van gronden, het bouwen van de grafkelder en het plaatsen van beplanting geldt een vergunningplicht op grond van de artikelen 2.15, 2.29 en 2.83. Deze vergunningen worden in een andere procedure aangevraagd bij het waterschap. Verder geldt dat de bereikbaarheid van de kering met de ontwikkeling niet wordt belemmerd. De grafkelder wordt halfondergronds geplaatst en heeft een geringe oppervlakte van 24 m2. Overbelasting watersysteem Bij het voorkomen van wateroverlast zijn er twee zaken van belang: voorkomen van overbelasting van het watersysteem en voorkomen van versnelde afvoer van afstromend hemelwater. Voor dit project is in principe geen sprake van een verhardingstoename, omdat de kelderbak wordt bedekt met grond en beplanting. Omdat het daarnaast slechts om een oppervlak van 24 m2 gaat, is geen compensatie benodigd. Regenwater kan nog vrij in- en afstromen richting ongebouwde omgeving en infiltreren.
Riolering Op de projectlocatie ligt een aanvoerleiding van het rioolgemaal, zie figuur 5.1.
Figuur 5.1
Kaartbeeld persleiding nabij projectlocatie
5.14.3 Conclusie Het aspect water staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.
26/61
5.15 Gezondheid 5.15.1 Toetsingskader Bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in ieder geval rekening worden gehouden met het beschermen van de gezondheid. Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid/toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. 5.15.2 Toetsing Het aspect gezondheid is bij de bouw van een grafkelder niet aan de orde. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 5.15.3 Conclusie Het aspect gezondheid staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.
5.16 Toetsing M.E.R. 5.16.1 Wettelijk kader In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een BOPA project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn m.e.r-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en m.e.r.-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de m.e.r.(beoordelings)-plicht geldt. Als hier het omgevingsplan wordt genoemd, wordt hieronder ook de omgevingsvergunning voor een BOPA verstaan. Voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Bij het bevoegd gezag, (het college van B&W) moet een mededeling (de aanmeldingsnotitie) worden gedaan waarin een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten in zijn opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning. 5.16.2 Toetsing en conclusie De bouw van een grafkelder is niet aangewezen als een activiteit uit bijlage VI van het Omgevingsbesluit. Er is geen mer-beoordelingsplicht van toepassing.
27/61
Hoofdstuk 6 6.1
Economische uitvoerbaarheid
Financiële uitvoerbaarheid en kostenverhaal
In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat: de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn; en als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Financiële uitvoerbaarheid De omgevingsvergunning vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. De initiatiefnemer heeft aannemelijk gemaakt dat het project financieel haalbaar is. Kostenverhaal Indien de BOPA nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt is kostenverhaal aan de orde. Kostenverhaalplichtige activiteiten zijn opgenomen in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De bouw van een grafkelder of de aanleg van een begraafplaats is hier niet in opgenomen. Het initiatief is niet kostenverhaalplichtig.
28/61
Hoofdstuk 7
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
In dit hoofdstuk wordt onderbouwd of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd. Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7. In de ruimtelijke onderbouwing is getoetst aan participatie, het relevante beleid en de gevolgen voor de leefomgeving. Hieruit is gebleken dat participatie niet verplicht of noodzakelijk is, het project in overeenstemming is met het wettelijk en provinciaal beleid en dat het project geen negatieve gevolgen heeft voor de leefomgeving.
Er is aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waardoor de omgevingsvergunning kan worden verleend.
29/61
30/61
Bijlagen toelichting
31/61
32/61
Bijlage 1
33/61
Situatie schets
ht c a nj e v ol W ZSS00D 04152G0000
F A M I L I E - G R A F ZSS00D 04551G0000
ZSS00D 04623G0000
ZSS00D 04554G0000
Wol venj acht
Oppen Swolle
2129
ZSS00D 02129G0000
lle wo
3
nS
3
3.00
opg
eho
ogd
terre
in
1,61 m2 x 2.2 = 3,5m3
0 8.00
4737
talu d
ZSS00D 04148G0000
fam groe
rens
aag
x 2.2 = 197m3
elsg
ne h
4152
89,73 m2
erce
groe
e
talud
we p
olv W e d
t h c a j n
nieu
ht ac nj ve ol W
pe
Haven
2133
ZSS00D 04147G0000
Op
S I T U A T I E
0
ilieg
ne h
raf
aag
w nieu
e pe
rcee
lsgre
ns
N
0
21-08-2025
10
20 m
Handelskade 31 8064 DV Zwartsluis
T: 038 - 3867377
E: info@schraa-atelier.nl I: www.schraa-atelier.nl
T E R R E I N
F A M I L I E - G R A F
nieu
talud
eho
1,61 m2 x 2.2 = 3,5m3
0
8.00
0
gr e i l i m
4737
talu
fa
d
n groe
e ha
nieu
rens
3.00
opg
rrein
elsg
aag
x 2.2 = 197m3
te ogd
erce
ne h
4152
89,73 m2
D 04148G0000
we p
groe
W e d
n e olv
t h jac
af
ag
we
ee perc
lsgr
ens
N
0
21-08-2025
10
Handelskade 31 8064 DV Zwartsluis
20 m
T: 038 - 3867377
E: info@schraa-atelier.nl I: www.schraa-atelier.nl
P L A T T E G R O N D
F A M I L I E - G R A F
x 2.
2=
3 m2
197
m3
3.000
opgehoogd terrein 1,61
x 2.
2=
m2 3,5 m
3
nieuwe perceelsgrens
89,7
2
groene haag
415
talud
8.000
talud
473
7
familiegraf groene haag nieuwe perceelsgrens
21-08-2025
Handelskade 31 8064 DV Zwartsluis
T: 038 - 3867377
E: info@schraa-atelier.nl I: www.schraa-atelier.nl
2.200
2.000
2.700
D W A R S P R O F I E L
F A M I L I E - G R A F
8.000
21-08-2025
Handelskade 31 8064 DV Zwartsluis
T: 038 - 3867377
E: info@schraa-atelier.nl I: www.schraa-atelier.nl
38/61
Bijlage 2
39/61
Stikstofonderzoek
- MEMO Memo
DATUM KENMERK VAN
08-10-2025 20240587/225562/ Jasper Tromp
PROJECT
20240587 Uitzoeken realisatie Familiegraf - Zwartsluis Allura B.V.
STIKSTOFMEMO - REALISATIE FAMILIEGRAF WOLVENJACHT 3 ZWARTSLUIS
1. INLEIDING De initiatiefnemer wil ten westen van de woning een privé-begraafplaats realiseren in de vorm van een ‘grafkelder’. Deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het omgevingsplan van de gemeente Zwartewaterland. De gewenste ontwikkeling bestaat daarom uit het plaatsen van een betonnen bak van 24 m2, circa 2 meter onder het maaiveld, gerekend vanaf de dijk. De gronden rondom de bak worden opgehoogd, zodat de bak niet in aanraking komt met grondwater. In de bak wordt de grafkelder geplaatst. Hierdoor is sprake van een halfondergrondse grafkelder. De grafkelder wordt bedekt met grond en beplanting. De beoogde herontwikkeling dient getoetst te worden aan de eisen uit de Omgevingswet, waarbij de mogelijke gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden een rol spelen. In Figuur 1 is het plangebied weergegeven ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebieden.. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats is ‘De wieden’ gelegen op ongeveer 700 meter afstand.
Figuur 1 Ligging plangebied
Met het rekenmodel AERIUS (versie 2025.0.1) is een berekening uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden in beeld te brengen, Tijdens de gebruiksfase is sprake van incidenteel bezoek dat geen stikstof veroorzaakt. In de aanlegfase wordt een kleine hoeveelheid materialen geleverd om de grafkelder te realiseren daarbij is alleen de Aanlegfase beschouwd. In deze memo wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten, de resultaten en de conclusie. De invoer- en uitvoergegevens vanuit AERIUS zijn opgenomen in aparte bijlagen.
2. TOETSINGSKADER Omgevingswet De aanwijzing en bescherming van de Nederlandse Natura 2000-gebieden is geregeld in de Omgevingswet en de bijbehorende uitvoeringsregelgeving. Elk Natura 2000-gebied is aangewezen door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit door middel van een aanwijzingsbesluit. Het aanwijzingsbesluit bepaalt voor welke soorten en habitats het gebied wordt aangewezen, welke instandhoudingsdoelen gerealiseerd moeten worden (behoud, herstel, uitbreiding) en de exacte begrenzing van het gebied. Voor elk Natura 2000-gebied is een beheerplan worden opgesteld, waarin maatregelen zijn opgenomen om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken. Beheerplannen worden in de meeste gevallen vastgesteld door de Provincie. In het beheerplan kan ook worden bepaald welke activiteiten in het gebied zijn toegestaan en onder welke voorwaarden. Schadelijke effecten op de aanwezige natuurwaarden waarvoor het gebied is aangewezen moeten daarbij uitgesloten zijn. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen: ● De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de beschermingszones zijn aangewezen.
● Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. ● Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een ecologische beoordeling noodzakelijk.
3. UITGANGSPUNTEN EN INPUT Dieselverbruik materieel Bij de inschatting van het mogelijke dieselverbruik is rekening gehouden met traditionele bouwmethoden. De totale bouwperiode zal enkele dagen zijn. Voor de aanleg van de privé-begraafplaats in de vorm van een grafkelder worden de volgende bouwmaterialen en werkzaamheden toegepast; Graafmachine, voor verplaatsen en aanbrengen van de gronden;
2/4
Trilplaat of trilwals, voor verdichten van zand; Mobiele kraan, voor plaatsen van de prefab betonnen bak.
Type materieel en vermogen
Duur inzet (uren)
Gemiddeld verbruik (liter/uur)1
Verbruik totaal (liter)
Graafmachine Stage V, 129 kW
8
18
144
Kraan Stage V, 250 kW
4
23
92
Trilwals Stage V, 55 kW
6
9
54
Totaal Stage IV 75-560 kW
18
-
290
In de tabel is het totaal aan dieselverbruik van het materieel gespecificeerd op basis van vergelijkbare projecten; dit is een inschatting van de mogelijke inzet van dieselmaterieel (exacte gegevens zijn in dit stadium niet bekend). Het brandstofverbruik (l/uur) is gebaseerd op de Excel-tabel behorende bij het TNO-rapport ‘AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste worst-case schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen’, gepubliceerd op 13 december 2021. De emissie is ingevoerd als vlakbron in het gebied. Verkeer De aanlegfase leidt tot verkeersgeneratie. Het vervoer van personeel (lichtverkeer) zijn 3 verkeersbewegingen met dag (etmaal) lichte verkeersbewegingen. De verkeersbewegingen van zware motorvoertuigen voor de aan- en afvoer van materiaal en machines bedragen 10mvt/ jaar . Koude start In de berekening zijn ook 3 koude starts van licht verkeer per etmaal toegevoegd. Er is sprake van een koude start wanneer motorvoertuigen gestart worden nadat ze 2 uur of langer stil gestaan hebben. De katalysator functioneert dan niet gelijk. Hierdoor komt tijdens de koude start relatief meer emissie vrij dan tijdens het rijden met een warme motor. Stationaire emissies Voor stationair draaiende wegvoertuigen (het laden en lossen van vrachtwagens) is er in de berekening ook een vlakbron als categorie ‘Anders’ opgenomen t.b.v. de emissie NOx en NH3.
Hierbij is de methode gehanteerd die in de “Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2024” staat beschreven. Voor de emissiecijfers kan er gebruik gemaakt worden van de cijfers in de tabel die is opgenomen in de bijlage van deze instructie (Bijlage 1: Stationaire emissies wegverkeer). Tabel 3-1: Stationaire emissies.
Type voertuig
Aantal stationaire uren
Emissie NH3 in gram/uur (2025)
Totale emissie NH3 Emissie NOx in stationair in kg gram/uur (2025)
Totale emissie NOx in kg
Zwaar
0,75
0,8976
0
0,07
Totaal
1 Nobert E. Ligterink (2021) ‘tabellen bij rapport TNO 2021 R12305 AUB’ TNO
3/4
0
92,4864
0,07
4. RESULTATEN EN CONCLUSIE In het bijgevoegde PDF-bestand is de ligging van de bronnen en het resultaat weergegeven. Uit de berekening voor de aanlegblijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn om die reden niet aan de orde. Voor de uitvoering van dit plan geldt geen vergunningplicht voor een Natura 2000-acitiviteit op basis van de Omgevingswet.
4/4
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen Natura 2000gebieden, op rekenpunten die overlappen met stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstofdepositie.
Overzicht Detailgegevens per emissiebron Resultaten Samenvatting situaties Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over de PDF en AERIUS kunt u vinden in de of .
handleidingen op onze website
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Rho Adviseurs Boreelplein 42a, 7411 EH Deventer Wolvenjacht 3 Aanlegfase
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
S5gj5XBsSiAW 08 oktober 2025, 10:50 OwN2000-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Aanlegfase - Beoogd Aanlegfase - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
S5gj5XBsSiAW (08 oktober 2025)
2026 -
0,1 kg/j
9,6 kg/j
2/7
Projectberekening
Aanlegfase (Beoogd), rekenjaar 2026 Emissiebronnen 1 3 4
Mobiele werktuigen | Bron 1 Anders... | Stationaire emissies Verkeer | Koude start: overig | Koude start Verkeersnetwerk
S5gj5XBsSiAW (08 oktober 2025)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
69,6 g/j 46,6 g/j 6,6 g/j
9,2 kg/j 70,0 g/j 0,3 kg/j 63,9 g/j
3/7
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
© OSM & Kadaster Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). S5gj5XBsSiAW (08 oktober 2025)
4/7
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Aanlegfase " (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Er zijn geen resultaten voor deze weergave.
S5gj5XBsSiAW (08 oktober 2025)
5/7
Projectberekening
Aanlegfase , Rekenjaar 2026 1
Mobiele werktuigen
Naam Locatie Oppervlakte
Naam/Stageklasse
Bron 1 X:200585,36 Y:516790,66 0,03 ha
NOₓ NH₃
BrandstofDraaiuren Uittreedhoogte/Warmteinhoud Spreiding/Temporele Stof Emissie verbruik/AdBlue variatie verbruik
Stage V 75-560 kW 290 l/j Stage-V, >= 2019 , 1 l/j 75-560 kW, diesel, SCR: ja
18 u/j 2,9 m 0,027 MW
2 Verkeer | Rijdend verkeer Naam Bron 2 Locatie X:200618,47 Y:516868,8 Lengte 340,97 m Wegtype Buitenweg Rijrichting Beide richtingen Tunnelfactor 1 Type hoogteligging Normaal Weghoogte t.o.v. maaiveld 0m Verkeer Maximum snelheid
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
Anders...
4
Verkeer | Koude start: overig
Naam Stationaire Uittreedhoogte emissies Warmteinhoud Locatie X:200585,45 Spreiding Y:516790,48 Oppervlakte 0,03 ha Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Continue Emissie
Type voertuig
Koude start X:200600,97 Y:516804,87 0,02 ha
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
S5gj5XBsSiAW (08 oktober 2025)
0,7 m NOₓ Standaard Profiel NH₃ Industrie
9,2 kg/j 69,6 g/j
Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃
63,9 g/j 9,9 g/j 6,6 g/j
Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
3
Naam Locatie Oppervlakte
9,2 kg/j 69,6 g/j
0,0 m 0,000 MW 0,0 m
-
-
Aantal voertuigbewegingen
In file
0,0 /jaar 0,0 /jaar 10,0 /jaar 0,0 /jaar 3,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
NOₓ
70,0 g/j
NOₓ NH₃
0,3 kg/j 46,6 g/j
Koude starts
3,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal
6/7
Projectberekening
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2025.0.1_20251007_db4f14956b Database versie 2025.0.1_db4f14956b_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://link.aerius.nl/website