CConstaterende datZwartewaterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.3 Toelichting NL.IMRO.1896.BP0088-VS01

Raadsvergadering 7 december 2023, gemeente ZwartewaterlandBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Buitenhaven 2a/b-3, Genemuiden12.777 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIMB kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Met grenswaarden voor beide stoffen van 40 µg/m³ komt dit neer op een bijdrage van 1,2 µg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerzijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 In deze regeling staan criteria en eisen vastgelegd waaraan de berekeningen en de rekenmodellen moeten voldoen. Hieronder een overzicht van de rekenmodellen: • CARII: berekening van emissies voor binnenstedelijk verkeer;

25

Bestemmingsplan ‘Buitenhaven 2a/b-3, Genemuiden’

• • •

NIBM-tool: eenvoudige berekening van emissies van verkeer volgens worst case benadering; ISL2: berekening van emissies voor buitenstedelijk verkeer; ISL3a: berekening van emissies van industrie (onder meer veehouderijen).

5.7.2 Conclusie Het planvoornemen bestaat uit de transformatie van een bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning. Deze ontwikkeling valt onder de categorieën van gevallen opgenomen in de lijst NIBM. Geconcludeerd wordt dat het planvoornemen 'niet in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Omgekeerd dient aangetoond te worden dat er ter plekke van de woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is derhalve tevens een indicatie gegeven van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aan de hand van de NSLmonitoringstool. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bij de dichtstbijzijnde maatgevende wegen liggen onder de grenswaarden. Derhalve is ter plekke van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8 Agrarische geurhinder 5.8.1 Beoordelingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de geurhinder vanuit veehouderijen bij de beoordeling van aanvragen om vergunning in het kader van de Wet milieubeheer. De Wgv stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Deze normen en afstanden zijn afhankelijk van het type veehouderij, de eventuele ligging binnen een concentratiegebied en of deze gelegen is binnen dan wel buiten de bebouwde kom. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen moet bekeken worden of er niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt (belang omliggende veehouderijen) en of er ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (belang geurgevoelig object). Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Tuinen vallen dus niet onder de noemer geurgevoelige objecten. De beoogde woningen binnen het plangebied dienen aangemerkt te worden als geurgevoelige objecten in het kader van de beoordeling van omliggende agrarische inrichtingen. 5.8.2 Toetsing Er zijn geen veehouderijen in de omgeving van het plangebied gesitueerd.

5.8.3 Conclusie Het aspect ‘agrarische geurhinder’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.7 Waterparagraaf Het doel van de watertoets is om in vroeg stadium in overleg te treden met het waterschap over de voorgenomen ontwikkeling. De watertoets is op 19 oktober 2022 uitgevoerd op www.dewatertoets.nl.

26

Bestemmingsplan ‘Buitenhaven 2a/b-3, Genemuiden’

Op basis hiervan heeft het waterschap Drents Overijsselse Delta een wateradvies uitgebracht. De watertoets is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. 5.7.2 Effect planvoornemen Op basis van de watertoets concludeert het waterschap dat met de beoogde ontwikkeling geen waterschapsbelangen worden geraakt. Het waterschap gaat akkoord met het plan. Het plan betreft alleen een functieverandering van bestaande bebouwing en heeft geen invloed op de waterhuishouding. Er is geen sprake van (grond) wateroverlast in de omgeving van het plan. Belangen waterkering Het plangebied is gelegen op een dijk en nabij een , waarvoor in het vigerend bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ en gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’ zijn opgenomen. Deze dubbelbestemming en gebiedsaanduiding zijn toegewezen ten behoeve van de bescherming, de versterking, het beheer en het onderhoud van de dijk en stellen regels aan gebruik en activiteiten waarvoor en watervergunning benodigd zijn. Het planvoornemen bestaat uitsluitend uit de omzetting van de bestaande bedrijfswoningen naar reguliere burgerwoningen; het initiatief heeft daarmee geen effect op de belangen van deze waterkering. Ten behoeve van de bescherming van deze waterstaatkundige belangen zijn de reeds geldende dubbelbestemming en gebiedsaanduiding conform het vigerend bestemmingsplan overgenomen.

Hiermee is de bescherming van deze waterkering planologisch voldoende geborgd. Waterstaatkundige functie Een deel van het plangebied is gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterstaatkundige functie’. De aangewezen gronden zijn primair bestemd voor de berging en afvoer van hoog oppervlaktewater, het vergroten van de afvoercapaciteit en de waterhuishouding. Omdat het planvoornemen geen fysieke veranderingen meebrengt en ook het aantal bewoners gelijk blijft, heeft het initiatief geen effect op de belangen zoals verwoord in deze dubbelbestemming. Ten behoeve van de waterstaatkundige belangen is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterstaatkundige functie’ ook in dit bestemmingsplan overgenomen. 5.7.4 Conclusie Op basis van de watertoets heeft Waterschap Drents Overijsselse Delta een positief wateradvies afgegeven. Het aspect ‘water’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.10 Ecologie 5.10.1 Beoordelingskader Juridisch kader Wet natuurbescherming (Wnb) Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De wet regelt soortenbescherming en gebiedsbescherming. Zorgplicht Het eerste artikel in de Wnb heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden.

27

Bestemmingsplan ‘Buitenhaven 2a/b-3, Genemuiden’

Soortenbescherming Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten: • soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); • soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); • andere soorten (artikel 3.10). Gebiedsbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare.

Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is krachtens de Wnb verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2).

Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;

28

Bestemmingsplan ‘Buitenhaven 2a/b-3, Genemuiden’

• • •

landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Conform artikel 1.12 van de Wnb dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 5.10.2 Toetsing Het planvoornemen ziet uitsluitend toe op de wijziging van de bestaande bedrijfswoningen naar reguliere burgerwoningen. Er vinden hierbij geen bouw-, verbouw- of sloopwerkzaamheden plaats. Het initiatief heeft derhalve geen effect op beschermde flora- en fauna. Onderzoek naar beschermde soorten is niet noodzakelijk. 5.10.3 Stikstofdepositie Het planvoornemen ziet toe op de omzetting van de bedrijfswoningen naar reguliere burgerwoningen. Er vinden geen bouw-, verbouw- of sloopwerkzaamheden plaats en het aantal woningen (en daarmee het aantal verkeersbewegingen) blijft gelijk. Het initiatief heeft geen effect op stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden. 5.10.4 Conclusie Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.11 Archeologie en cultuurhistorie 5.11.1 Beoordelingskader Algemeen In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologisch resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat – waar nodig – de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige

29

Bestemmingsplan ‘Buitenhaven 2a/b-3, Genemuiden’

cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. 5.11.2 Archeologie Het planvoornemen omvat geen bodemroerende werkzaamheden. Derhalve worden eventueel in de bodem aanwezige archeologische waarden niet verstoord. Er is geen nader onderzoek naar archeologische waarden benodigd ten behoeve van dit initiatief. 5.11.3 Cultuurhistorie Sinds de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om naast archeologisch onderzoek ook cultuurhistorische waarden mee te wegen in het bestemmingsplan. 5.11.3.1 Aanwezige cultuurhistorische waarden Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen of monumenten aanwezig. 5.9.2 Conclusie Het aspect 'archeologie en cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling

5.12 Externe Veiligheid 5.12.1 Beoordelingskader Voor de beoordeling van het aspect externe veiligheid gelden de volgende kaders: • • • •

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); Besluit externe veiligheid transportroutes; Regeling basisnet; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb).

Daarnaast kunnen het Activiteitenbesluit en Vuurwerkbesluit van belang zijn. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) staan regels over de veiligheidsafstanden en over de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Uitgangspunt voor deze circulaire is de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Deze circulaire heeft betrekking op het beleid van de ministers van Infrastructuur en Milieu en van Veiligheid en Justitie over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving. Voor de uitwerking en toepassing van de risiconormen is zoveel mogelijk aangesloten bij Bevi en Revi. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geeft onder andere veiligheidsafstanden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen aan. De normstelling is in lijn met het Bevi. De risicoafstanden en de manier van risicoberekening zijn opgenomen in het Revi.

Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu adviseert om voor standaard buisleidingen met aardolieproducten de afstanden aan te houden uit het RIVM rapport Risicoafstanden voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen K1K2K3 (augustus 2008). Voor afwijkende gevallen en andere brandbare chemische vloeistoffen zijn berekeningen nodig. Voor het berekenen van risico’s

30

Bestemmingsplan ‘Buitenhaven 2a/b-3, Genemuiden’

van ondergrondse gasleidingen ('hogedruk aardgastransportleidingen') is het computerprogramma CAROLA beschikbaar. 5.12.2 Toetsing Middels onderstaand kaartfragment, zijn de volgende aspecten van externe veiligheid onderzocht: • risicovolle inrichtingen; • transport over weg, water en spoor; • hogedrukaardgastransportleidingen en K1-, K2- en K3 brandstofleidingen; • bovengrondse hoogspanningslijnen.

Uitsnede risicokaart (plangebied rood omkaderd) (bron: www.risicokaart.nl)

Risicovolle inrichtingen Binnen een straal van 1 kilometer rondom het plangebied bevindt zich twee risicovolle inrichtingen. Het betreft de bedrijven Fuite B.V. en Breman Machinery. Beide bedrijven hebben een risicogebied tot de terreingrens. Met een kortste aftand van circa 700 meter tot het plangebied, leveren deze inrichtingen geen belemmeringen op. Risicovol wegtransport en transport via spoor- en waterwegen Binnen een straal van 1 kilometer rondom het plangebied bevinden zich geen transportroutes waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risicovolle buisleidingen In de nabijheid van het plangebied liggen geen hogedrukaardgastransportleidingen of K1-, K2-, K3brandstofleidingen of bovengrondse hoogspanningslijnen. 5.12.3 Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.13 Milieueffectrapportage 5.13.1 Beoordelingskader De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen

31

Bestemmingsplan ‘Buitenhaven 2a/b-3, Genemuiden’

die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: • •

•

•

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.beoordeling aan de orde is, moet: • • •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. 5.13.2 Toetsing Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan niet valt onder de categorieën c en d; het initiatief betreft uitsluitend de functiewijziging van de bestaande bedrijfswoningen naar burgerwoningen, waarmee geen bouwactiviteiten zijn gemoeid. Het planvoornemen betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • •

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

Bij besluiten ten aanzien waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn:

32

Bestemmingsplan ‘Buitenhaven 2a/b-3, Genemuiden’

1. kenmerken van het project; 2. plaats van het project; 3. kenmerken van de potentiële effecten. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 5 van deze toelichting. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht.

Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan. 5.13.3 Conclusie Het aspect ‘milieueffectrapportage’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.12 Conclusie milieu- en omgevingsaspecten Met inachtneming van hetgeen omschreven in dit hoofdstuk vormen de relevante milieu- en omgevingsaspecten geen belemmering voorde voorgenomen ontwikkeling.

33

Bestemmingsplan ‘Buitenhaven 2a/b-3, Genemuiden’

6. TOELICHTING OP DE REGELS

6.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Met het bestemmingsplan ‘Buitenhaven 2a/b-3, Genemuiden’ worden de bestaande bedrijfswoningen omgezet naar reguliere burgerwoningen teneinde bewoning zonder functionele binding met een aanwezig bedrijf mogelijk te maken. Met de wijziging van de huidige bestemming ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’ wordt de vestiging van een bedrijf op deze locatie in de toekomst uitgesloten.

Dit bestemmingsplan is mede gebaseerd op het vigerend bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen Zwartewaterland’ en opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De regels zijn voor zover nodig op hun beurt weer aangepast aan specifieke situaties in het plangebied. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: • Hoofdstuk 1 Inleidende regels; • Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; • Hoofdstuk 3 Algemene regels; • Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.

6.2 Opzet regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. 6.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: • artikel 1 Begrippen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen.

34

Bestemmingsplan ‘Buitenhaven 2a/b-3, Genemuiden’

•

artikel 2 Wijze van meten: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

6.2.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende (dubbel)bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: • • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen; Afwijken van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag worden afgeweken van de aangegeven bestemmingen en bouwregels;

In paragraaf 6.3 worden de verschillende bestemmingen en dubbelbestemmingen toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze bestemming is gekozen. Daarnaast wordt, indien gekozen wordt af te wijken van de bestemming uit het geldende bestemmingsplan, aangegeven waarom daarvoor is gekozen. 6.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

• • •

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te kunnen voorkomen. Dit kan zich met name voordoen wanneer een deel van een bouwperceel, dat reeds bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage was betrokken, wederom – nu ten behoeve van de berekening van het maximale bebouwingspercentage van een ander bouwperceel – wordt betrokken. Artikel 7 Algemene gebruiksregels: dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig gebruik volgens de in het bestemmingsplan geldende bestemmingen. Artikel 8 Algemene aanduidingsregels: dit artikel bevat bepalingen met betrekking tot de in het plangebied aanwezige gebiedsaanduidingen en de ter plekke geldende regels. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels: in dit artikel wordt beschreven op welke onderdelen en onder welke voorwaarden het bevoegd gezag mag afwijken van de regels in het bestemmingsplan.

6.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. In artikel 10 is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. De inhoud van deze regels is overgenomen uit de standaardregels uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In artikel 11 is de officiële benaming van dit bestemmingsplan opgenomen.

6.3 Nadere toelichting op de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.

35

Bestemmingsplan ‘Buitenhaven 2a/b-3, Genemuiden’

Aan het gehele plangebied is de bestemming ‘Wonen’ (conform de bestemming uit het voorheen vigerend bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen Zwartewaterland’) toegekend. Rond de bestaande woningen is een bouwvlak opgenomen, waarbinnen de regels van het voorheen vigerend bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen Zwartewaterland’, aangepast op de huidige situatie, van kracht zijn. Tot slot gelden, ter bescherming van de belangen van de aanwezige waterkering en de waterstaatkundige functie van een deel van het plangebied, de dubbelbestemmingen ‘Waterstaat – Waterstaatkundige functie’ en ‘Waterstaat – Waterkering’ met de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’.

36

Bestemmingsplan ‘Buitenhaven 2a/b-3, Genemuiden’

7. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

7.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de exploitatie van het plan en de eventueel daaruit voortvloeiende planschade besproken.

7.2 Financiële haalbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn beperkt tot de ruimtelijke procedure en bijbehorende onderzoeken, leges, de realisatie van de nieuwe woningen en de terreininrichting. De initiatiefnemer zal deze kosten op zich nemen.

7.3 Kostenverhaal De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling en eventuele succesvolle planschadeclaims zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe wordt een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente Zaanstad gesloten. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen.

37

Bestemmingsplan ‘Buitenhaven 2a/b-3, Genemuiden’

8. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

8.1 Inleiding De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard (zienswijzenprocedure)

8.2 Vooroverleg Omgevingsdialoog Onderhavig plan legt de huidige situatie, waarin de woningen Buitenhaven 2a/b en 3 reeds als reguliere woningen worden gebruikt, planologisch vast. Ruimtelijk leidt het initiatief niet tot veranderingen. Omwonenden ervaren geen nadeel of hinder ten gevolge van het plan. Niettemin heeft de initiatiefnemer van deze partiële herziening de eigenaren van omliggende percelen geïnformeerd over de planontwikkeling. Vooroverlegpartners Het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van vooroverleg ook voorgelegd aan de professionele vooroverlegpartners, zijnde provincie Overijssel, Veiligheidsregio, Waterschap en Omgevingsdienst IJsselland. Provincie en Veiligheidsregio hebben zonder verdere opmerkingen ingestemd met het plan. Het waterschap en Omgevingsdienst hebben enkele opmerkingen op het plan geplaatst, deze hebben niet geleid tot aanpassingen aan het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan is, op basis van het vooroverleg, dus ongewijzigd vastgesteld.

8.2 Zienswijzen Het ontwerp van dit bestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegd en het wordt tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de landelijke website (www.ruimtelijkeplannen.nl). Voorafgaand wordt hiervan mededeling gedaan in het Gemeenteblad. Gedurende deze periode kan eenieder een zienswijze over het ontwerp van het ruimtelijke besluit bij de gemeenteraad naar voren brengen. Het eindverslag van deze zienswijzenprocedure maakt onderdeel uit van het besluit tot vaststelling van dit ruimtelijke plan.

38

Bestemmingsplan ‘Buitenhaven 2a/b-3, Genemuiden’

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13534309/1