b. OBP Bestemmingsplan Zevenhont Oost ter vaststelling def Planregels
Tekst van het document
16 (23)
Onder overstroombaar gebied verstaan we gebieden die normaal gesproken niet onder water staan, maar kunnen overstromen (tijdelijk onder water staan) als gevolg van een extreme gebeurtenis. Het gaat zowel om buitendijkse gebieden die bij hoogwater overstromen (bijvoorbeeld uiterwaarden) als om de beschermde gebieden achter de dijk (binnendijkse gebieden) die alleen bij een calamiteit onder water komen te staan. Het plangebied ligt aan de zuidoostzijde van Genemuiden. Het plangebied bevindt zich in overstroombaar gebied, zoals weergegeven op onderstaande afbeelding (uitsnede kaart 'Watergebiedsreserveringen - Overstroombaar gebied' uit de omgevingsverordening Overijssel).
Ligging plangebied in overstroombaar gebied (plangebied: rood omcirkeld; bron: Provincie Overijssel)
Locatie Het plangebied bevindt zich in Dijkring 10, Mastenbroek. De polder Mastenbroek maakt deel uit van een groter klei-op-veen gebied in noordwest Overijssel. De hoogteligging van de polder varieert van NAP -1,50m tot NAP +0,75m.
17 (23)
Ligging Dijkring 10 (bron: VNK2, 2014)
Aanpak risico-inventarisatie De ernst van een overstroming wordt bepaald door: · de maximale waterdiepte tijdens een overstroming (is af te leiden uit de risicokaart); · de kans op een overstroming; · de beschikbare tijd voor evacuatie / noodmaatregelen (hoe lang duurt het tot het water er is). Maximale waterdiepte bij een kans op overstroming Op basis van de risicokaart komt onderstaand kaartbeeld naar voren bij overstromingen met een kleine kans (1/1.000 jaar). Voor het plangebied is bij overstromingen met een kleine kans sprake van een maximale waterdiepte van 2,0 tot 5,0 meter.
18 (23)
Figuur 4.7 Maximale waterdiepte bij overstromingen met kleine kans (1/1.000 jaar) (Plangebied rood omkaderd; bron: klimaateffectatlas.nl).
Kans op overstroming De berekende overstromingskans voor het dijkringgebied 10 is gelijk aan 1/210 per jaar. De overstromingskans wordt vooral bepaald door het mechanisme opbarsten en piping (1/310). De faalkans is te verklaren door de relatief grote faalkans voor opbarsten en piping voor dijkvak 25 (1/670) en dijkvak 3 (1/910) en keersluis de Sassluis (1/1.000). Daarnaast dragen elf dijkvakken en twee kunstwerken met faalkansen groter dan 1/10.000 per jaar bij aan de overstromingskans.
19 (23)
Faalkans en potentiele locaties van falen (bron: VNK2, 2014)
Beschikbare tijd Dijkring 10 wordt bedreigd vanuit 3 onafhankelijke watersystemen: de IJssel, de Vecht (en het Zwarte Water) en de oostelijke randmeren (het Ketelmeer en het Zwarte Meer). Omdat dijkringgebied 10 relatief klein is qua oppervlakte, zal het instromende watervolume relatief klein zijn ten opzichte van het totale watervolume van de Vecht, IJssel of het Zwarte Meer. Na een dijkdoorbraak in een ringdeel zal de belasting op de 7 andere ringdelen dan ook niet significant verminderen. Er is in dit geval geen sprake van ontlasten. Conclusie Bij nieuwe ontwikkelingen binnen de dijktrajecten is het gewenst dat tijdig wordt nagedacht over voorzieningen dan wel maatregelen die kunnen worden getroffen waarbij eventuele risico's en nadelige effecten van een overstroming kunnen worden beperkt. Het betreft ook een stuk bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. Bij de ontwikkeling van het plangebied dient rekening te worden gehouden met mogelijke overstroming(en).
20 (23)
Voor onderhavige ontwikkeling kan worden gedacht aan navolgende voorzieningen/ maatregelen: · Voldoende sheltercapaciteit in de buurt. · Voldoende hoog aanbrengen vloerpeil, eventueel verhoogde drempels. · Aansluiting plangebied op dichtstbijzijnde weg zodat bereikbaarheid gewaarborgd blijft. · Zowel te voet als per fiets of auto kan het gebied snel verlaten worden; zodanig inrichten gebouw zodat bij eventuele overstromingen schade zoveel mogelijk wordt beperkt (bijvoorbeeld materiaalgebruik, minder gevoelige ruimten begane grond). · Opstellen van evacuatieplan.
21 (23)
5
Waterparagraaf
5.1 Watertoets In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is een watertoets verplicht bij gemeentelijke bestemmingsplannen en projectbesluiten. De watertoets is een procesinstrument, waarbij het waterschap en de initiatiefnemer (gemeente) onderlinge afstemming hebben. 5.2 Invloed op waterhuishouding De ontwikkeling van nieuwe gebouwen en verhardingen zorgen voor een toekomstig netto verhard oppervlak van circa 14,9 ha. De toename in verhard oppervlak leidt tot een bergingsopgave van 11.920 m³. De berging wordt gerealiseerd in een nieuw aan te leggen bergingsvijver en watergangen. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de benodigde waterberging en dat wat gerealiseerd wordt binnen het plangebied. Oppervlakte (netto verhard [ha])
14,90
Netto verhard oppervlak [ha]
14,90
Bergingsopgave mm/m2 bergingsopgave [m³] berging volgens berekening [m³]
80 11.920 13.480 vijver oost watergang watergang prof. 3 prof. 4 prof. 5
lengte [m]
350
830
400
breedte [m] bij -1,0 m NAP
23
2,5
4
peilstijging [m]
1
1
1
berging [m³]*
8575
2905
2000
De berging in de watergang van profiel 5 vindt plaats buiten de huidige contour van het bestemmingsplan en wordt meegenomen in de ontwikkeling van Zevenhont-Midden. 5.3 Voorkeursbeleid hemel- en afvalwater In de toekomstige situatie zal het regenwater vertraagd worden afgevoerd volgens de trits ‘vasthouden, bergen, afvoeren’. Dit betekent dat, waar mogelijk, de voorkeur uit gaat naar een bovengrondse afvoer. De bergingsvoorzieningen zorgen voor een vertraagde afvoer van water naar het omliggende oppervlaktewater. Afvalwater van de gebouwen wordt aangesloten op een nieuw DWA-stelsel dat als apart bemalingsgebied zal functioneren. Het water- en rioleringssysteem zal in een uit te werken waterhuishoudkundigplan nader gedetailleerd worden. 5.4 Wateroverlast Wateroverlast wordt voorkomen door de inrichting van het plangebied af te stemmen op de (geo)hydrologische situatie binnen het plangebied. Op basis van de ingewonnen informatie ligt de GHG rond NAP -0,60 m. Om te voldoen aan de ontwateringeis dient de bebouwing minimaal op NAP +0,40 m aangelegd te worden. Om aan te sluiten op het bestaand industrieterrein is het advies om een minimum wegpeil aan te houden van +0,50 m NAP. Om wateroverlast te voorkomen dient de buitenruimte zo ingericht te worden dat water altijd naar het omliggend gebied kan afstromen.
22 (23)
5.5 Beschermingszone Aan oostkant van het huidige industrieterrein ligt een primaire watergangen met een beschermingszone. Binnen het plangebied liggen ook secundaire watergangen. Werkzaamheden binnen de beschermingszone zijn vergunning- of meldingsplichtig evenals werkzaamheden zoals het dempen en verplaatsen van primaire en secundaire watergangen. Het plaatsen van bomen binnen deze zone dient afgestemd te worden met waterschap en gemeente. De primaire watergang aan de oostkant van het huidige industrieterrein wordt in oostelijke richting verplaatst. 5.6 Beheer en onderhoud Voor het beheer en onderhoud van de watergangen die bij waterschap Drents Overijsselse Delta is beheer komen is rekening gehouden met onderhoudspaden van 5 meter breed. Voor varend onderhoud is rekening gehouden met een inlaatplaats en een maaiselverzamelplaats. Daarnaast is voor varend onderhoud een waterdiepte van minimaal 1,10 m aangehouden. 5.7 Overstromingsrisico Het plangebied bevindt zich in Dijkring 10, Mastenbroek. Op basis van de risicokaart komt onderstaand kaartbeeld naar voren bij overstromingen met een kleine kans (1/1.000 jaar). Voor het plangebied is bij overstromingen met een kleine kans sprake van een maximale waterdiepte van 2,0 tot 5,0 meter.
Bij nieuwe ontwikkelingen binnen de dijktrajecten is het gewenst dat tijdig wordt nagedacht over voorzieningen dan wel maatregelen die kunnen worden getroffen waarbij eventuele risico's en nadelige effecten van een overstroming kunnen worden beperkt. Het betreft ook een stuk bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. Bij de ontwikkeling van het plangebied dient rekening te worden gehouden met mogelijke overstroming(en). Voor onderhavige ontwikkeling kan worden gedacht aan navolgende voorzieningen/ maatregelen: · Voldoende sheltercapaciteit in de buurt. · Voldoende hoog aanbrengen vloerpeil, eventueel verhoogde drempels. · Aansluiting plangebied op dichtstbijzijnde weg zodat bereikbaarheid gewaarborgd blijft. · Zowel te voet als per fiets of auto kan het gebied daarmee snel verlaten worden; zodanig inrichten gebouw zodat bij eventuele overstromingen schade zoveel mogelijk wordt beperkt (bijvoorbeeld materiaalgebruik, minder gevoelige ruimten begane grond). · Opstellen van evacuatieplan.
23 (23)
Bijlage 1
Overzicht onderhoudsroutes
Landschappelijke inpassing uitbreidingen Zevenhont Thema - beheer watersysteem • • •
Schouwpad gemeente / Waterschap 5m breed
Nat profiel: waterschap Oevers: gemeente Bereikbaarheid inlaadplek waterretentie middels goed toegankelijk pad, bijv. door een karrenspoor op het schouwpad
Proj.nr. BI2936 Datum 16-03-2022