CConstaterende datZwartewaterland
Koppel je AI →
Document · PDF

a. Bijlage 1- Ruimtelijke onderbouwing bouw paardenschuur

Raadsvergadering 25 mei 2023, gemeente ZwartewaterlandBij agendapunt: Raadsvoorstel Verklaring van geen bedenkingen bouw paardenstal en aanverwante voorzieningen in Hasselt7.196 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’

Planstatus: Definitief Datum: 2023-04-18

Inhoudsopgave 1

Inleiding ...................................................................................................................................... 3

1.1

Aanleiding en doel ..................................................................................................................... 3

1.2

Ligging, beschrijving en begrenzing plangebied...................................................................... 3

1.3

Geldende besluiten .................................................................................................................... 3

1.4

Opzet van de ruimtelijke onderbouwing ................................................................................... 4

2

Bestaande situatie en planbeschrijving ..................................................................................... 5

2.1

Inleiding ...................................................................................................................................... 5

2.2

Bestaande situatie...................................................................................................................... 5

2.3

Ontwikkeling............................................................................................................................... 5

3

Relevant ruimtelijk beleid ........................................................................................................... 6

3.1

Inleiding ...................................................................................................................................... 6

3.2

Europees beleid ......................................................................................................................... 6

3.3

Rijksbeleid .................................................................................................................................. 7

3.4

Provinciaal beleid ....................................................................................................................... 9

3.5

Gemeentelijk beleid ................................................................................................................. 11

3.6

Conclusie relevant ruimtelijk beleid......................................................................................... 11

4

Milieu- en omgevingsaspecten ................................................................................................ 12

4.1

Inleiding .................................................................................................................................... 12

4.2

Bodem ...................................................................................................................................... 12

4.3

Verkeer en parkeren ................................................................................................................ 12

4.4

Geluid ....................................................................................................................................... 12

4.5

Luchtkwaliteit............................................................................................................................ 13

4.6

Watertoets ................................................................................................................................ 14

4.7

Ecologie ................................................................................................................................... 15

4.8

Archeologie en cultuurhistorie ................................................................................................. 16

4.9

Bedrijven en milieuzonering .................................................................................................... 16

4.10

Externe veiligheid ..................................................................................................................... 17

4.11

Besluit Milieu-effectrapportage ................................................................................................ 20

5

Financiële uitvoerbaarheid....................................................................................................... 21

5.1

Inleiding .................................................................................................................................... 21

5.2

Exploitatie ................................................................................................................................. 21

Bijlagen Bijlage 1: Digitale watertoets

1 Inleiding 1.1

Aanleiding en doel

Initiatiefnemer is voornemens om aan de westzijde van de Werkerlaan, tegenover bedrijf Prins steenhandel (Werkerlaan 4) een schuur te realiseren. De schuur zal gebruikt worden als stalling voor paarden. De beoogde ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Op basis van onderhavige ruimtelijke onderbouwing wordt een omgevingsvergunning aangevraagd, in afwijking van het bestemming, voor het bouwen van de schuur.

1.2

Ligging, beschrijving en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt ten zuidwesten van de kern Hasselt, aan de overkant van het bedrijventerrein en aan de N331 (Hasseltseweg).

Ligging plangebied (bron: Google maps)

1.3

Geldende besluiten

Bestemmingsplan Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zwartewaterland’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 10 oktober 2013 door de gemeenteraad van Zwartewaterland. In de vigerende situatie heeft het plangebied de bestemming ‘Verkeer’. Het bestemmingsplan laat het bouwplan niet toe.

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

3

Uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan ‘buitengebied Zwartewaterland’(plangebied rood omcirkeld. bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.4

Opzet van de ruimtelijke onderbouwing

n het tweede hoofdstuk van deze ruimtelijke onderbouwing is een beschrijving gegeven van de bestaande situatie, het beoogde bouwplan en de strijdigheden met het geldende bestemmingsplan. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het plan getoetst aan respectievelijk het relevant ruimtelijk beleid en n de milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 is de financiële uitvoerbaarheid van het betrokken bouwplan beschreven.

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

4

2 Bestaande situatie en planbeschrijving 2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie in en nabij het plangebied beschreven. In eerste instantie staat een beschrijving van het omliggende gebied op hoofdlijnen centraal, waarna vervolgens ingezoomd wordt op het plangebied.

2.2

Bestaande situatie

Het plangebied is in de bestaande situatie onbebouwd en braakliggend. Het gebied is toegankelijk middels een inrit aan de Hasseltseweg (zie ook afbeelding hieronder).

Plangebied, gezien vanaf de Hasseltseweg

2.3

Ontwikkeling

De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een schuur, voor de stalling van paarden. In de schuur zullen paarden gestald worden. De afmetingen van de schuur bedragen circa 15 meter bij 34 meter.

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

5

3 Relevant ruimtelijk beleid 3.1

Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het relevante ruimtelijke beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.

3.2 3.2.1

Europees beleid Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit

In de Europese Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit worden de grondbeginselen van het Europese luchtkwaliteitsbeleid gegeven. De doelstellingen van dit beleid zijn het omschrijven en vastleggen van de luchtkwaliteit om de schade voor mens en milieu te voorkomen, verhinderen of te verminderen, de luchtkwaliteit te kunnen beoordelen, de bevolking te kunnen informeren over de kwaliteit van de lucht en het in stand houden van of verbeteren van de kwaliteit. In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) van 15 november 2007 is de Europese kaderrichtlijn opgenomen in Nederlandse wetgeving. In paragraaf 4.5 worden de gevolgen voor de luchtkwaliteit beschreven als gevolg van het realiseren van het plan. 3.2.2

Kaderrichtlijn Water

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om een gecoördineerd beheer in alle Europese stroomgebieden te realiseren, de waterkwaliteit verder te verbeteren en het publiek sterker bij het waterbeheer te betrekken. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. De gevolgen voor de realisatie van het plan worden beschreven in paragraaf 4.6. 3.2.3

Natura 2000

Om de natuur in Europa te beschermen en te ontwikkelen, werken de lidstaten van de Europese Unie (EU) samen aan Natura 2000: een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden in alle lidstaten. Dit netwerk vormt de hoeksteen van het EU-beleid voor behoud en herstel van biodiversiteit. De Nederlandse bijdrage hieraan bestaat uit 162 gebieden. Natura-2000 omvat alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992), die zijn opgenomen in de Natuurbeschermingswet. In beide richtlijnen staan ook maatregelen voor soortenbescherming. Deze zijn opgenomen in de Flora- en faunawet. In en rond Natura 2000gebieden en Beschermde Natuurmonumenten geldt voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de natuur een vergunningplicht. Activiteiten uitvoeren zonder vergunning is strafbaar. In paragraaf 4.7 wordt besproken in hoeverre de bestemmingswijziging de aanwezige natuurwaarden raakt. 3.2.4

Verdrag van Malta

Het Europese Verdrag van Malta uit 1992 regelt de bescherming van archeologisch erfgoed, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Nederland heeft dit verdrag ondertekend en goedgekeurd. Invoering ervan gebeurt onder meer door de Wet op de archeologische monumentenzorg. In paragraaf 4.8 wordt beschreven op welke manier wordt omgegaan met archeologische en cultuurhistorische waarden.

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

6

3.3

Rijksbeleid

3.3.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

In de Nationale Omgevingsvisie, de NOVI, geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Met de NOVI wordt beoogd een perspectief te bieden om grote opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, aan te pakken. Hierbij is omgevingskwaliteit, een combinatie van ruimtelijke kwaliteit en milieukwaliteit, het kernbegrip. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Centraal bij de afweging van diverse belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als de ondergrond, zogenaamd 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. 2. 3.

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; Afwentelen wordt voorkomen.

Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan de eigen rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda is onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op verschillende beleidsterreinen opgenomen. De Uitvoeringsagenda wordt, indien nodig, jaarlijks geactualiseerd. 3.3.2

Uitvoeringsagenda Nationale Omgevingsvisie 2021-2024

Middels de Uitvoeringsagenda behorende bij de Nationale Omgevingsvisie wordt voor de periode 2021-2024 de visie omgezet in actie. Hierbij wordt uitwerking gegeven aan de vier prioriteiten en de beleidskeuzes uit de NOVI: 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De werkwijze voor het uitwerken van de vier prioriteiten verloopt volgens de uitgangspunten zoals geformuleerd in de NOVI: •

• • •

'We stellen de opgaven centraal': integrale beleidskeuzes uit de NOVI worden vertaald naar instrumenten en programma's. De Uitvoeringsagenda vormt een veelheid aan instrumenten en programma's. Het maakt de diverse acties inzichtelijk en geeft daarmee kansen om de juiste verbindingen aan te brengen. 'We werken gebiedsgericht': keuzes worden vooral decentraal en regiospecifiek gemaakt. 'We werken permanent en adaptief' 'We beschrijven hoe we werken als één overheid, samen met de samenleving'': de Uitvoeringsagenda dient als uitgangspunt voor bijbehorende Samenwerkingsafspraken.

Per prioriteit zijn verschillende instrumenten gedefinieerd en programma's opgesteld. De relevante programma's worden hierna toegelicht.

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

7

3.3.3

Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP)

De minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) stelt het Nationaal Water Programma (NWP) voor de periode 2022–2027 op. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid voor deze periode en geeft een doorkijk naar 2050. Het NWP bevat: • •

Een uitwerking van het te voeren beleid (inclusief het nationale ruimtelijke en ecologische beleid) voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer en de bescherming of het behoud van water; Maatregelen vanwege nationale belangen en om wateropgaven te bereiken en daaraan te blijven voldoen.

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016-2021. Met de samenvoeging van deze twee plannen wordt geanticipeerd op de Omgevingswet, waarin het programma als een van de instrumenten is opgenomen. Het NWP geeft het integrale kader voor het waterbeleid en -beheer van het Rijk voor de periode 2022-2027 (inclusief het Noordzeebeleid). De Stroomgebiedbeheerplannen en Overstromingsrisicobeheerplannen voor de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems en het Programma Noordzee (inclusief het programma Kaderrichtlijn Mariene Strategie) zijn een bijlage bij het NWP. In het NWP worden de nationale componenten van de herijking van het Deltaprogramma vastgelegd. 3.3.4

Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 januari 2010 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd. Overheden dienen op grond van het gewijzigde Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen. Deze stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling wordt gekomen. 3.3.4.1

Wettelijk kader

Met ingang van 1 oktober 2012, is in artikel 3.1.6, tweede en derde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de Ladder voor Duurzame Verstedelijking (hierna: de Ladder) opgenomen. In de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet vanaf genoemde datum beschreven worden dat de ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Naast voor bestemmingsplannen is deze onderbouwingsplicht van overeenkomstige toepassing voor andere planologische besluiten, zoals de omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken, het uitwerkings- en wijzigingsplan en de provinciale ruimtelijke verordening. Per 1 juli 2017 is artikel 3.1.6, tweede en derde lid Bro (de Ladder) gewijzigd. Per genoemde datum is het de bedoeling dat bij het toepassen van de Ladder wordt beschreven welke behoefte aan de ontwikkeling bestaat, en als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, een motivering waarom niet binnen het bestaande stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De twee treden van de Ladder schrijven vooraf geen bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent. Dit gezag draagt de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling.

De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is verankerd in artikel 3.1.6 van het Bro. In artikel 1.1.1 Bro worden de relevante begrippen 'stedelijke ontwikkelingen' en 'bestaand stedelijk gebied' gedefinieerd: •

Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen;

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

8

•

Bestaand stedelijk gebied (BSG): bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

In de toelichting op de wijziging van artikel 3.1.6. Bro is de wijziging gemotiveerd: ‘Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Daarom voegt artikel II van dit besluit een tweetal nieuwe leden toe aan artikel 3.1.6 van het Bro, op grond waarvan overheden - indien zij een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk willen maken - standaard een aantal stappen dienen te zetten die borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling wordt gekomen. Deze stappen zijn geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen. Dat zou voorbij gaan aan de specifieke lokale omstandigheden, die van invloed zijn op de inpassing van ruimte vragende functies en het regionale maatwerk dat de overheden moeten kunnen leveren. De stappen bewerkstelligen dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied, maar ook met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte, en voor de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt’.

3.3.4.2 Toets op voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft geen realisatie welke in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking beschouwd moet worden. Toetsing aan de uitgangspunten kan daardoor achterwege blijven. 3.3.5

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling raakt geen nationale ruimtelijke belangen en past binnen de doelstellingen van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.4

Provinciaal beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Overijssel Op 12 april 2017 heeft Overijssel haar nieuwe Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie wordt jaarlijks geactualiseerd. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of ‘rode draden’ bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel. Duurzaamheid De provincie hanteert de volgende definitie van duurzaamheid: ‘duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien’. De provincie heeft 4 duurzame kwaliteitsambities geformuleerd: 1. Een klimaatbestendig Overijssel Dit betekent dat de provincie er voor wil zorgen dat we – nu en in de toekomst – beschermd zijn tegen overstromingen, droge voeten houden en, ook in perioden van droogte, over voldoende en schoon (drink)water beschikken voor bewoners, natuur en (landbouw)bedrijven. En de provincie wil er voor zorgen dat de stad, zelfs bij extreem heet weer, een fijne en gezonde plek blijft om te wonen. Met andere woorden: dat bijvoorbeeld ook hittestress in de steden wordt beperkt. 2. Een duurzame energiehuishouding Overijssel ambieert een duurzame energiehuishouding: hernieuwbare energie voor iedereen beschikbaar en betaalbaar.

We zetten in op het vergroten van het aandeel energie uit bronnen als zon, wind, biomassa en ondergrond. 18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

9

3. Kringlopen sluiten, ofwel: toegroeien naar een circulaire economie De provincie streeft naar een economie die spaarzaam omgaat met grondstoffen, waar winning, gebruik en hergebruik dicht bij elkaar plaatsvinden en waarin reststoffen maximaal worden hergebruikt. Het sluiten van kringlopen staat hierbij centraal. Dit draagt ook bij aan het borgen van een gezonde leefomgeving door het beperken van schadelijke emissies. 4. Beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur De provincie heeft de ambitie om bestaande ruimte, bebouwing en infrastructuur beter en slimmer te benutten. Denk aan multifunctioneel en complementair ruimtegebruik (zowel boven- als ondergronds), hergebruik en herbestemming van vrijkomend vastgoed (in stedelijk en landelijk gebied) en het concentreren van ontwikkelingen rond bestaande infrastructuurknooppunten. Ruimtelijke kwaliteit Ruimtelijke kwaliteit wordt door de provincie vooral gezien als functioneel, mooi en toekomstbestendig. Dit is een optelsom van: • gebruikswaarde: functionaliteit, bereikbaarheid, toegankelijkheid, nut en noodzaak van een initiatief dat ontwikkeld wordt; • belevingswaarde: beeldkwaliteit, het ‘mooie’, de identiteit van een gebied, het gevoel van (toekomstige) gebruikers en bewoners; • toekomstwaarde: het vermogen om ruimtelijke gevolgen van veranderende omstandigheden op te vangen (flexibiliteit, beheerbaarheid).

Sociale kwaliteit Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of ‘goed voelen’ van de mens. Daarbij spelen zaken als gezondheid en vitaliteit een belangrijke rol, maar ook arbeidsparticipatie (mede in relatie tot onderwijs), sociale uitsluiting en armoede. Sociale kwaliteit gaat ook over leefbaarheid in bredere zin, over binding met de buurt en betrokkenheid bij de eigen leefomgeving. 3.4.2 Toets op voorgenomen ontwikkeling De beoogde ontwikkeling van de paardenschuur voorziet in ruimtelijke kwaliteit, door invulling te geven aan onder andere nut en noodzaak, aan te sluiten op de identiteit van het gebied en de toekomstwaarde. 3.4.3

Verordening

De hoofdlijnen van de Omgevingsvisie zijn juridisch geborgd in de Omgevingsverordening. Het gaat om de onderwerpen uit de visie die de provincie zo belangrijk vindt dat deze dwingend worden opgelegd. In de verordening staan algemene regels op het gebied van de ruimtelijke ordening, mobiliteit, milieu, water en bodem. De verordening als juridisch instrument om de doorwerking van provinciaal beleid af te dwingen, is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening geeft regels aan gemeenten die bij het maken van bestemmingsplannen in acht genomen moeten worden. 3.4.4

Toets op voorgenomen ontwikkeling

De omgevingsverordening bevat geen regels welke in het kader van de beoogde ontwikkeling dienen te worden beschouwd. 3.4.5 Conclusie Het aspect ‘provinciaal beleid’ vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

10

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1 Omgevingsvisie Zwartewaterland In de omgevingsvisie kunnen inwoners, ondernemers en andere partners van Zwartewaterland lezen waar de gemeente voor staat. Het biedt helderheid over welke kant/richting Zwartewaterland op wil ontwikkelen. De omgevingsvisie stuurt op de hoofdopgaven van de gemeente. De gemeente kijkt of initiatieven uit de samenleving passen binnen de kaders in de omgevingsvisie. Daarmee draagt de omgevingsvisie bij aan snellere en eenduidige besluitvorming. De gemeente heeft de Omgevingsvisie opgesteld aan de hand van de volgende ambities: • samenwerkend Zwartewaterland bereikt meer; • een uitnodigende leefomgeving om te bewegen, ontmoeten en verblijven; • nieuwe energie en klimaatadaptatie krijgen de ruimte; • een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving; • beleef mix van cultuur en ondernemen in Zwartewaterland; • ons buitengebied is klaar voor de toekomst. Deze doelstellingen zijn uitgewerkt in verschillende thema’s, zoals cultuur, landschap en natuur, gezondheid, energie en wonen. Voor dit plan is met name het thema ‘ons buitengebied is klaar voor de toekomst’ relevant. 3.5.2 Toets op voorgenomen ontwikkeling Het toevoegen van niet-agrarische functies in het buitengebied biedt meer en nieuwe kansen voor behoud van het economisch rendement. Er gelden wel voorwaarden voor nieuwe ontwikkelingen.

Zo moet rekening worden gehouden met de landschappelijke waarden en omgeving. Om hieraan te voldoen, dient de beoogde ontwikkeling van de paardenschuur ingepast te worden in het landschap. Locatie Binnen het Lanschapsontwikkelingsplan Zwolle-Zwartewaterland-Kampen valt het project in het deelgebied Polder Mastenbroek. De ontginningsstructuur is van cultuurhistorische waarde. Het landschap is vooral open, als zijn de randen en overhoeken gesloten en beplant. De kreken langs de randen kennen een bijzondere vegetatie Het landschap heeft grote waarde voor weidevogels. Op de historische kaart is te zien dat de locatie onderdeel is van één van de oude kreken die nog zichtbaar zijn in de polder. Deze historische structuur is nog steeds herkenbaar aanwezig in de vorm van waterpartijen en groenstructuren. In de huidige situatie ligt de planlocatie op de grens van polder Mastenbroek en het bedrijventerrein van Hasselt. De aanwezige groenstructuur is een belangrijke ruimtelijke kwaliteit in het gebied. Belangrijke kenmerken van de planlocatie zijn: • Natuurlijke uitstraling; • Onregelmatig karakter; • Stevige groenstructuren met inheemse beplanting; • Aanwezige waterstructuren.

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

11

Toepassing Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) Op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zwartewaterland’ zijn nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied in beginsel niet toegestaan. Op grond van de beleidsregel Kwaliteitsimpuls groene Omgeving (KGO) kan toch ruimte geboden worden voor ontwikkelingen. Uitganspunt van KGHO is ‘ontwikkelen in het buitengebied kan, mits hier passende compensatie tegenover staat’. De methodiek van de KGO is geïnspireerd op het werkboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van de provincie. Het kwaliteitsgericht denken, waarbij de impact en schaal van de ontwikkeling bepalend is voor de hoogte van de ruimtelijke investering. Dit kan door een landschappelijke investering op eigen terrein, maar bij ontwikkelingen van grote omvang ook door aanvullende compensatie in de omgeving. Bij toepassen van de KGO wordt een vergelijking gemaakt tussen de bestaande en de gewenste situatie. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in o.a. wijzigingen in of mogelijkheden tot bebouwingsoppervlakte, wijzigingen in functie en grootte van een erf. Hiervoor wordt in beginsel een tegenprestatie gevraag door middel van goede landschappelijke inpassing van het eigen erf. Bij een grootschalige ontwikkelingen kan een aanvullende kwaliteitsprestatie buiten het eigen erf van toepassing zijn. In dit geval is een kwaliteitsprestatie op eigen erf voldoende.

Het betreft geen ontwikkeling van grote omvang en de voorgenomen gebruiksfunctie is gebiedspassend. In deze ruimteliike onderbouwing wordt aangegeven hoe op deze plek op een goede manier aan de ruimtelijke compensatie vormgegeven wordt. Hierbij wordt ook verwezen naar het erfinrichtingsplan bij de aanvraag omgevingsvergunning. Landschappelijke inpassing Met dit plan wordt een nieuw bouwvolume toegevoegd aan deze locatie. De Hasselterweg is een belangrijke entree van Hasselt. Naast de uitgangspunten vanuit KGO is ook hierom aandacht voor een goede landschappelijke inpassing noodzakelijk. Voor de landschappelijke inpassing is het belangrijk dat de bestaande kwaliteiten behouden en versterkt worden. Bestaande kwaliteit van het perceel uit zich in de bestaande robuuste groenstructuur, waardoor het perceel bijna geheel aan het oog wordt onttrokken, enerzijds. En de natuurlijke onregelmatige overgang naar het landschap anderzijds. Op basis van het erfinpassingsadvies van gemeente (i.s.m. Het Oversticht) is aangegeven op welke wijze deze kenmerken kunnen worden versterkt. In het erfinrichtingsplan wordt verbeeld hoe aan dit inpassingsadvies wordt vormgegeven.

3.6

Conclusie relevant ruimtelijk beleid

De voorgenomen ontwikkeling raakt geen nationale belangen en past binnen het gemeentelijke beleid. Het aspect ‘relevant ruimtelijk beleid’ vormt hiermee geen belemmering voor de ontwikkeling.

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

12

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de relevante milieu- en omgevingsaspecten beschreven. Het aspect 'bodem' is afzonderlijk onderzocht. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in dit hoofdstuk. De rapportage is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd.

4.2

Bodem

4.2.1 Algemeen De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een schuur voor de stalling van paarden. Dit gebruik stelt geen eisen specifieke hoge kwaliteitseisen aan de bodemkwaliteit. Om deze reden is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek met als doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen niet noodzakelijk. 4.2.2

Conclusie

Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3

Verkeer en parkeren

4.3.1 Verkeer Met de beoogde ontwikkeling vindt een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen plaats. Het plangebied wordt ontsloten via de N331. In het noorden sluit de weg aan op de Randweg en in het zuiden door middel van de rotonde op de N331. De zeer beperkte toename van het verkeer leidt niet tot het ontstaan van knelpunten op de ontsluitingswegen van het plangebied. 4.3.2 Parkeren Voor parkeren hanteert de gemeente Zwartewaterland de nota ‘Toekomstbestendig parkeren – kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ van het CROW. Het CROW heeft voor de functie manege/paardenhouderij globale parkeerkencijfers opgenomen. Hierbij wordt gesproken van minimaal 0,3 en maximaal 0,5 parkeerplaats per box/paard. Hieraan wordt invulling gegeven door parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. 4.3.3

Conclusie verkeer en parkeren

Het aspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 4.4.1

Geluid Beoordelingskader

De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de volksgezondheid en het milieu te beschermen tegen geluidsoverlast ten gevolge van weg-, spoorweg- of industrielawaai. In deze wet is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. De verplichting tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek in relatie tot het opstellen van een wijzigingsplan geldt indien in dat wijzigingsplan mogelijkheden worden geboden voor het realiseren van nieuwe (bedrijfs)woningen en andere geluidgevoelige objecten.

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

13

De beoogde ontwikkeling van de paardenschuur is geen geluidgevoelige bestemming in het kader van de Wet geluidhinder, waardoor geen akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. 4.4.2

Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • • •

Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (Luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (Luchtkwaliteitseisen); Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.

Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit 'niet in betekenende mate' bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

Woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; Woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; Kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIMB kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Met grenswaarden voor beide stoffen van 40 µg/m³ komt dit neer op een bijdrage van 1,2 µg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 In deze regeling staat staan criteria en eisen vastgelegd waaraan de berekeningen en de rekenmodellen moeten voldoen. Hieronder een overzicht van de rekenmodellen: •

CARII: berekening van emissies voor binnenstedelijk verkeer;

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

14

• • • 4.5.2

NIBM-tool: eenvoudige berekening van emissies van verkeer volgens worst case benadering; ISL2: berekening van emissies voor buitenstedelijk verkeer; ISL3a: berekening van emissies van industrie (onder meer veehouderijen). Conclusie

De beoogde ontwikkeling van de paardenschuur draagt niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 4.6.1

Watertoets Beoordelingskader

In de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets' van belang voor het klimaatbestendig en water robuust inrichten van de ruimte. De watertoets wordt gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit en kwantiteit van water. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. 4.6.2 Relevant beleid Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de taken vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Hieronder volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerplan.

Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond. Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan. • Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. Het waterschap probeert niet alleen schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook wil het van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken. Watertoetsproces Via www.dewatertoets.nl is het waterschap geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling. Het resultaat van de watertoets is in bijlage 1 en heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets wordt toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap geeft een positief wateradvies. 4.6.3

Conclusie

Het aspect water levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling.

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

15

4.7 4.7.1

Ecologie Beoordelingskader

Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De wet regelt soortenbescherming en gebiedsbescherming. Zorgplicht Het eerste artikel in de Wnb heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Gebiedsgerichte natuurbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare.

Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Het is krachtens de Wnb verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. 4.7.2

Conclusie

Het plangebied is in de huidige situatie onbebouwd en bestaat uit braakliggend terrein en zand. Er bevindt zich hier geen flora/fauna die in het kader van de wet natuurbescherming beschouwd dient te worden. Het aspect 'ecologie' vormt, met inachtneming van het bovenstaande, geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

16

4.8

Archeologie en cultuurhistorie

4.8.1

Archeologie

4.8.2

Beoordelingskader

Op 1 juli 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervang onder meer de Monumentenwet 1988. In artikel 9.1 van de Erfgoedwet is echter bepaald dat tot het tijdstip waarop de nieuwe Omgevingswet in werking is getreden de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 met betrekking tot archeologie van toepassing blijven. De nieuwe Omgevingswet treedt naar verwachting op 1 juli 2023 in werking. In het kader van een ruimtelijk plan is het noodzakelijk te onderzoeken in hoeverre de betreffende gronden van archeologische waarde kunnen zijn. De uitkomsten hiervan worden door het bevoegde gezag meegenomen in de belangenafweging. Voor de gemeente Zwartewaterland is de gemeentelijke Archeologische Waardenkaart Zwartewaterland opgesteld. Het plangebied heeft een archeologische verwachtingswaarde van 0%. Op basis van de gemeentelijke erfgoedverordening geldt in dit geval dat bij een lage verwachting geen archeologisch onderzoek nodig is. 4.8.3

Conclusie

Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.8.4

Cultuurhistorie

4.8.5

Aanwezige cultuurhistorische waarden

Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd stads- en/of dorpsgezicht. Ook zijn binnen het plangebied geen aangewezen rijks- en gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle objecten of structuren aanwezig. Derhalve herbergt het plangebied geen specifieke cultuurhistorische waarden die bescherming vanuit het wijzigingsplan behoeven. 4.8.6

Conclusie

Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8.7

Conclusie

Het aspect archeologie en cultuurhistorie levert vooralsnog geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling. Archeologisch onderzoek moet hier uitsluitsel over geven.

4.9 4.9.1

Bedrijven en milieuzonering Beoordelingskader

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. De VNG brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudo-wetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan minimale richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelgrens van het bedrijf waar de bedrijfsactiviteiten plaats kunnen vinden (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ‘rustige woonwijk’. Indien het

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

17

bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNG-richtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter). 4.9.2 Toets op voorgenomen ontwikkeling De beoogde ontwikkeling van de paardenschuur hoeft in het kader van bedrijven en milieuzonering niet afgewogen te worden. 4.9.3

Conclusie

Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10 Externe veiligheid 4.10.1 Beoordelingskader Voor de beoordeling van het aspect externe veiligheid gelden de volgende kaders: • • • •

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); Besluit externe veiligheid transportroutes; Regeling basisnet; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb).

Daarnaast kunnen het Activiteitenbesluit en Vuurwerkbesluit van belang zijn. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) staan regels over de veiligheidsafstanden en over de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Uitgangspunt voor deze circulaire is de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Deze circulaire heeft betrekking op het beleid van de ministers van Infrastructuur en Milieu en van Veiligheid en Justitie over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving. Voor de uitwerking en toepassing van de risiconormen is zoveel mogelijk aangesloten bij Bevi en Revi. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geeft onder andere veiligheidsafstanden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen aan. De normstelling is in lijn met het Bevi. De risicoafstanden en de manier van risicoberekening zijn opgenomen in het Revi.

Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu adviseert om voor standaard buisleidingen met aardolieproducten de afstanden aan te houden uit het RIVM rapport Risicoafstanden voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen K1K2K3 (augustus 2008). Voor afwijkende gevallen en andere brandbare chemische vloeistoffen zijn berekeningen nodig. Voor het berekenen van risico’s van ondergrondse gasleidingen ('hogedruk aardgastransportleidingen') is het computerprogramma CAROLA beschikbaar.

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

18

Externe Veiligheidsbeleid Gemeente Zwartewaterland De gemeente Zwartewaterland wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. In die zin draagt zij een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om externe veiligheid. Om die verantwoordelijkheid in te vullen heeft de gemeente in november 2013 het externe veiligheidsbeleid geformuleerd. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om duidelijk te maken welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente Zwartewaterland aanwezig zijn en hoe met deze en toekomstige risico’s dient te worden omgegaan. Dit betekent dat onder meer invulling wordt gegeven aan de wettelijke verplichting om het groepsrisico (GR) en plaatsgebonden risico (PR) te overwegen. De gemeente Zwartewaterland streeft naar een verantwoord evenwicht tussen de risico’s en de behoefte aan activiteiten die de risico’s veroorzaken. Dit streven is gebaseerd op de overtuiging dat de veiligheidsrisico’s een onderdeel zijn van het maatschappelijke verkeer. De gemeente kan daarbij niet op alle gevaarlijke activiteiten direct invloed uitoefenen. Deze verantwoordelijkheid ligt ook bij de gebruiker of eigenaar en bij de provinciale- en rijksoverheid. Dit laat onverlet dat de gemeente wel een verantwoordelijkheid heeft om veiligheidsrisico’s te minimaliseren en beheersbaar te maken door grenzen te stellen en deze te handhaven.

Op het gebied van externe veiligheid wil de gemeente Zwartewaterland dit bereiken door het hanteren van beleidsregels 4.10.2 Toets op voorgenomen ontwikkeling Middels onderstaande uitsnede van de risicokaart Nederland zijn de volgende aspecten van externe veiligheid onderzocht: • • • •

Risicovolle inrichtingen; Transport over weg, water en spoor; Hogedrukaardgastransportleidingen en K1-, K2- en K3 brandstofleidingen; Bovengrondse hoogspanningslijnen

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

19

Uitsnede risicokaart externe veiligheid (bron: atlasleefomgeving.nl) 4.10.3 Conclusie Het aspect 'externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

20

4.11 Besluit Milieu-effectrapportage 4.11.1 Beoordelingskader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • • • • •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4);

Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven.

Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 4.11.2 Conclusie Dit plan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit wijzigingsplan.

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

21

5 Financiële uitvoerbaarheid 5.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de exploitatie van het plan en de eventueel daaruit voortvloeiende planschade besproken.

5.2

Exploitatie

Conform artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening dient een onderzoek te worden verricht naar de uitvoerbaarheid van het plan. Onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is een gemengd stelsel met een publiekrechtelijk en een privaatrechtelijk spoor, dat voorziet in kostenverhaal, binnenplanse verevening en de mogelijkheid tot het stellen van locatie-eisen. Dit stelsel is opgenomen als afdeling 6.4 in de Wro en ook wel bekend als de zogenaamde Grondexploitatiewet. De Grondexploitatiewet geeft gemeenten de mogelijkheid en verplichting om de kosten van grondexploitaties te verhalen op en te verdelen tussen de grondeigenaren in het plangebied. Daarnaast biedt het stelsel gemeenten de mogelijkheid om eisen te stellen aan de kwaliteit van de inrichting van het gebied en de fasering van de ontwikkeling. Uitgangspunt daarbij is, dat een grondeigenaar in beginsel de mogelijkheid heeft om zijn eigen perceel te ontwikkelen. De gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Er worden privaatrechtelijk afspraken gemaakt tussen gemeente en de initiatiefnemer over de kosten. Hiermee is het kostenverhaal 'anderzins' verzekerd. Er hoeft daardoor geen exploitatieplan opgesteld te worden.

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

22

Bijlagen Bijlage 1: Digitale watertoets

18 april 2023 | ROB milieu- en omgevingsaspecten ‘Bouw paardenschuur t.o. Werkerlaan 4, Hasselt’ | Witpaard

23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12724999/1