a.2. Bijlage 1b - Ecologische quickscan
Tekst van het document
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
Ecologische quickscan
Kamperzeedijk 131a te Genemuiden In h e t k ade r v a n h e r i n r i c h t i n g
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU Het Laar 30d 6733BZ Wekerom 0318 655 626 info@deslijpkruik.nl www.deslijpkruik.nl
Colofon Titel
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
Betreft Ecologische quickscan Locatie
Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
Auteur
B. Visser, ecoloog
Controle
J. Mossink, ecoloog
Contactpersoon B. Visser, ecoloog visser@deslijpkruik.nl 06-39713509 Opdrachtgever dhr. H. Hoekman herman.hoekman@condorcartex.eu Datum
25-10-2021
Status
Versie 1.0
Projectcode
21BPA15 Kamperzeedijk Hasselt
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
Inhoud 1
Inleiding 4
1.1 Aanleiding en doel 1.2 Beschrijving locatie en ingreep 1.3 Opzet onderzoek 1.4 Kwaliteitsborg 2
Resultaten beschermde flora en fauna
7
2.1 Vaatplanten 2.2 Vogels 2.3 Vleermuizen 2.4 Grondgebonden zoogdieren 2.5 Vissen 2.6 Amfibieën 2.7 Overige soorten 2.8 Algemeen 3 Gebeidsbescherming 13 3.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) 3.2 Natura 2000 4
Conclusies en aanbevelingen
15
4.1 Overzicht van de bevindingen 4.2 Conclusies en aanbevelingen Literatuurlijst
17
Bijlagen 18 Bijlage A Wettelijk Kader
3
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
Inleiding 1.1 Aanleiding en doel In opdracht van de initiatiefnemer voerde adviesbureau De Slijpkruik Ecologie B.V. een ecologische quickscan uit aan de Kamperzeedijk 131A te Genemuiden. De initiatiefnemer heeft het voornemen om de locatie her in te richten. De locatie bestaat nu uit een woning met bijgebouw en 2 stallen/ schuren. Verder bestaat het terrein uit een bomenrij en gedeelten met ruigte. De toekomstige situatie bestaat uit een woning met bijgebouw. Om de ontwikkelingen mogelijk te maken is een bestemmingsplanwijziging vereist. Toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdelen ‘soortenbescherming’ en ‘gebiedsbescherming’ is noodzakelijk omdat effecten op beschermde soorten en natuurgebieden niet op voorhand zijn uitgesloten. Voor het onderzoek voldoet in eerste instantie een ‘quickscan’: een kort onderzoek op basis van een beknopt bronnenonderzoek en een veldbezoek, waarbij een deskundige inschatting wordt gemaakt van de mogelijke aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Ook wordt het effect van de ingreep op nabijgelegen Natura2000 gebieden of andere natuurgebieden zoals Natuur Netwerk Nederland (NNN) beoordeeld. Er is geen sprake van kap van bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen of houtopstanden groter dan in totaal 10 are buiten de bebouwde kom. Een Toets Houtopstanden is dus niet nodig.
De quickscan betreft een momentopname, er kan dus geen rekening worden gehouden met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en –beheer na afloop van het onderzoek. De quickscan kan leiden tot uitvoeriger onderzoek of tot een advies voor mitigerende/compenserende maatregelen. De geldigheidsduur van resultaten bedraagt voor zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar. 1.2 Beschrijving locatie en ingreep Het plangebied is gelegen aan de Kamperzeedijk 131a te Genemuiden (afbeelding 1.1). Het plangebied is ca. 5.100 m² groot en ligt in landelijk gebied tussen Kampen en Genemuiden (afbeelding 1.2). Het landschap rondom het bebouwingscluster bestaat overwegend uit open agrarisch grasland. Ten noorden van het plangebied ligt de weg ‘Kamperzeedijk’. Ook is er ten oosten van het plangebied een woning gelegen alsook aan de overkant van de weg. Ten westen van het plangebied bevindt zich een kolk met de daarbij behorende vegetatie in de oeverzones. Het plangebied bestaat uit de woning met het bijgebouw en uit de stallen/schuren op het terrein. De woning heeft een bakstenen muur met een rieten kap en houten boeiplanken. Ook heeft het huis een spouw. Het bijgebouw heeft dezelfde bouw als de woning met dezelfde materialen.
De oude veestal op het terrein bestaat ook uit een bakstenen muur met spouw en heefteen dak van golfplaten en houten boeiplanken. De wanden van de opslagschuur op het terrein zijn helemaal van hout gemaakt en het dak bestaat uit golfplaten. De wanden van deze schuur bestaan uit één laag hout en hebben dus geen spouw. Ook de ruigtes en bomenrij zijn meegenomen in het onderzoek. De werkzaamheden die plaats zullen vinden op het terrein zijn: •
Sloop van alle bestaande bebouwing;
•
Verwijderen van bomen en struiken die in de weg staan. Alle bomen en struiken die kunnen blijven staan, zullen behouden worden;
•
Bouwrijp maken van de plek die bestemd is voor nieuwbouw;
•
Nieuwbouw van een woning.
4
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
1.3 Opzet onderzoek De ecologische quickscan bestaat uit een beknopt literatuuronderzoek (verspreidingsatlassen, NDFF, websites etc.), een veldbezoek en rapportage met bevindingen en advies. De locatie is op 2 september 2021 bezocht door J. Mossink en B. Visser, ecologen van adviesbureau De Slijpkruik Ecologie B.V. . Tijdens dit onderzoek is het terrein verkend op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Daarbij is in het bijzonder gelet op (mogelijke) verblijfplaatsen van jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels, verblijfplaatsen van vleermuizen, sporen van marterachtigen en het daadwerkelijk voorkomen van beschermde soorten. Het locatiebezoek is onder zonnige omstandigheden uitgevoerd bij een temperatuur van 22 0C en matige wind, ZW 2 bft. 1.4 Kwaliteitsborging Door de inzet van deskundigen op gebied van ecologie en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethoden is de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. De Slijpkruik Ecologie B.V. is kandidaat-lid van en hanteert de richtlijnen van het Netwerk Groene Bureaus (NGB), soortinventarisatieprotocollen van het NGB en/of richtlijnen kennisdocumenten van BIJ12. Toetsing van de aanpak en uitwisseling van ervaringen met gemeenten, provincies en collega-onderzoekers vindt plaats op regelmatige basis. Garanties over aan-/afwezigheid van planten en dieren zijn niet te geven.
Daarvoor is de aard en de opzet van een quickscan niet toereikend. Daarbij is het een eenmalige momentopname en houdt het geen rekening met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderingen in terreingebruik en –beheer. Ook dient er rekening te worden gehouden met de veranderingen in wet- en regelgeving. De geldigheidsduur van de rapportage bedraagt voor de zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar.
5
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
Afb. 1.1: Kaart van het plangebied (rode cirkel) met de directe omgeving. Bron ondergrond: GoogelEarth 2021.
Genemuiden
Kampen
Afb. 1.2: Kaart met de globale ligging van de onderzoekslocatie (rode cirkel) ten opzichte van Genemuiden en Kampen. Bron ondergrond: GoogleEarth 2021.
6
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
Afb. 1.3: Ontwerp van de huidige situatie. Bron: 2121_PRES_structuurontwerp_16082021
Afb. 1.4: Ontwerp voor de nieuwe situatie. Bron: 2121_PRES_structuurontwerp_16082021
7
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
Resultaten bescher mde f lora en fauna 2.1 Vaatplanten Binnen het plangebied zijn geen beschermde vaatplanten waargenomen. Vanuit de NDFF zijn ook geen waarnemingen bekend van beschermde of bijzondere vaatplanten in de omgeving van het plangebied gedurende de afgelopen 5 jaar. Binnen het plangebied komen alleen algemeen voorkomende vaatplanten voor. Aangetroffen soorten zijn onder andere: brandnetel, akkerdistel, smeerwortel, fluitenkruid, gewone berenklauw, witte dovenetel en kompassla. Het plangebied is te voedselrijk om geschikt biotoop te vormen voor beschermde/bijzondere flora. Het plangebied voldoet derhalve niet aan de eisen die beschermde vaatplanten aan hun leefgebied stellen. Aanwezigheid van beschermde planten is derhalve uitgesloten. Effect: Binnen het plangebied zijn geen beschermde of bijzondere plantensoorten aangetroffen. Geschikte omstandigheden voor bijzondere vegetatie ontbreken. Effecten op beschermde planten zijn uitgesloten, nader onderzoek is niet nodig. 2.2 Broedvogels Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Van een aantal vogelsoorten is het nest jaarrond beschermd, dus ook buiten het broedseizoen.
Het gaat bijvoorbeeld om soorten die niet zelf hun nest bouwen maar voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van menselijke bebouwing, soorten die jarenlang dezelfde locatie gebruiken of soorten waarvan het nest ook buiten de broedperiode gebruikt wordt. Ook andere onderdelen van de leefomgeving van belang voor het functioneren van een jaarrond beschermde nestplaats zijn beschermd. Denk hierbij aan jachtgebied van uilen en roofvogels of schuil- en slaapplekken van huismussen. In de NDFF zijn in de omgeving rondom het plangebied in de laatste vijf jaar waarnemingen bekend van vogels met jaarrond beschermde nesten. Het gaat daarbij om de soorten; boerenzwaluw, boomvalk, buizerd, gierzwaluw, huiszwaluw, kerkuil, ooievaar, ransuil, slechtvalk, sperwer en torenvalk. Tijdens het veldbezoek is geconstateerd dat er binnen het plangebied geen geschikte verblijfplaatsen voor gierzwaluw, ooievaar, torenvalk of kerkuil aanwezig zijn. Dit is omdat er geen geschikte openingen of nestplaatsen voor de genoemde soorten aanwezig zijn. Zo heeft gierzwaluw een redelijk grote, vrije invliegopening nodig en torenvalk of kerkuil broeden vaak in nissen of soortgelijke structuren in oude gebouwen. Ooievaar heeft een hoge mast of iets dergelijks nodig om zijn nest op te bouwen. De beschreven nestplaatsen voor deze soorten zijn niet aanwezig binnen het plangebied.
Het voorkomen van verblijfplaatsen van deze soorten is derhalve uitgesloten. Wel zijn er verschillende nesten aangetroffen in de schuur en stal (afbeeldingen 2.1-2.3). Het was tijdens het veldbezoek niet te achterhalen van welke soort deze nesten zijn. Zo zouden de nesten van de soorten winterkoning, zwarte roodstaart, witte kwikstaart of boerenzwaluw kunnen zijn. Van deze soorten is het nest van de boerenzwaluw en de zwarte roodstaart jaarrond beschermd in Overijssel. Om uit te sluiten of een boerenzwaluw of zwarte roodstaart zijn nest in de schuur of stal heeft, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Mogelijk is er sprake van overtreding Artikel 3.1 lid 2 van de Wet Natuurbescherming (opzettelijk vernielen, beschadigen of weghalen nesten of rustplaatsen). Het onderzoek zal dan uitgevoerd worden conform de BMP- methode van SOVON, Hierbij zullen 2 inventarisaties tussen 20 mei - 30 juni overdag gedaan moeten worden (SOVON, 2021). Deze inventarisaties moeten met droge, zonnige weersomstandigheden geschieden. Dit onderzoek kan mogelijk worden gecombineerd met het nader onderzoek naar vleermuizen. De bomen in en rondom het plangebied zijn geïnspecteerd en er zijn geen horsten, kraaiennesten
8
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
of andere mogelijk jaarrond beschermde nesten waargenomen. Aanwezigheid van nestplaatsen van uilen of roofvogels is derhalve uitgesloten. Effect: Het twee schuren hebben potentie voor broedvogels met jaarrond beschermde nestplaatsen. De nesten in de schuur en stal zouden nesten van boerenzwaluw of zwarte roodstaart kunnen zijn. Het is niet uit te sluiten dat jaarrond beschermde nesten van boerenzwaluw of zwarte roodstaart worden verstoord of vernield. Mogelijk is er sprake van overtreding van Artikel 3.1 lid 2 van de Wet Natuurbescherming (opzettelijk vernielen, beschadigen of weghalen nesten of rustplaatsen). Nader onderzoek naar vogels met jaarrond beschermde nesten (boerenzwaluw en zwarte roodstaart) is noodzakelijk. Overige broedvogels Het plangebied is geschikt als broedlocatie voor algemene broedvogels, zoals onder andere merel en houtduif. Tijdens het veldbezoek is er één nest aangetroffen in een boom in het plangebied maar deze was verlaten (afbeelding 2.4). Wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd tijdens het broedseizoen kunnen nesten beschadigd/vernietigd of verstoord worden waardoor ouders het nest permanent verlaten. Negatieve effecten op broedvogels zijn te voorkomen door met de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen. Het broedseizoen is geen vastgestelde periode, uitsluitend van belang is aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten.
Indicatief wordt vaak de periode half maart - half augustus gehanteerd omdat in deze periode de kans op broedgevallen het grootst is maar eerdere of latere broedgevallen van met name houtduif kunnen voorkomen. Van de te verwachten overige broedvogels is het nest alleen beschermd in de periode dat het voor de voortplanting gebruikt wordt, ofwel vanaf de nestbouw totdat de jongen het nest permanent verlaten hebben. 2.3 Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn zwaar beschermd vanuit de Europese Habitatrichtlijn. Geschikte verblijfplaatsen zijn vaak beperkt beschikbaar. Door sloop, renovatie en bomenkap zijn de laatste decennia veel potentiële verblijfplaatsen verdwenen. Niet alleen verblijfplaatsen, maar ook lineair doorlopende landschapselementen waarlangs vleermuizen zich verplaatsen tussen slaapplek en foerageergebied (zogenaamde vliegroutes) en belangrijk foerageergebied zijn beschermd. Uit de omgeving van het plangebied zijn vanuit de NDFF waarnemingen bekend van gewone dwergvleermuis. Daarnaast is op basis van verspreidingsatlassen en eigen gebiedskennis aannemelijk dat ook ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis en meervleermuis in de omgeving voorkomen. Verblijfplaatsen Een aantal in Nederland voorkomende vleermuissoorten worden voornamelijk in gebouwen en holtes en scheuren in bomen aangetroffen.
Een voorwaarde is dat er geschikte, toegankelijke ruimtes voor vleermuizen aanwezig zijn. De bomen in het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd en er zijn geen voor vleermuizen geschikte holten of scheuren aangetroffen. De voormalige veestal in het plangebied is wel geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen. Tussen de boeiplanken en de muur aan beide kopse kanten is namelijk voldoende ruimte voor vleermuizen (afbeelding 2.5; 2.6 en 2.7). Mogelijk zal er sprake zijn van overtreding artikel 3.5 lid 2 (opzettelijk verstoren) en lid 4 ( beschadigen/vernielen van verblijfplaatsen). Het uitvoeren van nader onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of vleermuizen daadwerkelijk verblijfplaatsen in de stal hebben en zo ja om welke soort en welke functies (paar-, kraam-, zomerverblijfplaats) het gaat. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van het Vleermuisprotocol 2021 (opgesteld door o.a. Zoogdiervereniging, NGB en GAN). Dit houdt in minimaal vijf gerichte nachtelijke inventarisaties tussen half mei en eind september, uitgevoerd door erkend deskundigen
9
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
zoals benoemd in het protocol. Effect: Verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten in de voormalige veestal kunnen niet worden uitgesloten. Het is mogelijk dat gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger de geschikte plaatsen van de oude veestal als verblijfplaats gebruiken. De sloop van deze stal kan leiden tot overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming Artikel 3.5 lid 1 (doden/verwonden), 2 (opzettelijk verstoren) en 4 (beschadigen/ vernielen verblijfplaatsen). Nader onderzoek naar genoemde soorten is noodzakelijk. De overige gebouwen binnne het plangebied zijn ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Foerageergebied en vliegroutes Het terrein is geschikt als foerageergebied voor diverse vleermuissoorten die in de omgeving kunnen voorkomen. Het is aannemelijk dat vleermuizen ook daadwerkelijk boven het plangebied foerageren. Het relatieve belang van dit terrein is op voorhand beperkt door de aanwezigheid van alternatieven in de omgeving. Van essentieel foerageergebied is derhalve geen sprake. In het plangebied is een lijnvormige structuur in de vorm van een bomenrij aanwezig die vleermuizen als vliegroute kunnen gebruiken. Vanwege voldoende alternatieven in de omgeving is nader onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen niet noodzakelijk.
2.4 Grondgebonden zoogdieren Onder “grondgebonden zoogdieren” worden hier bedoeld alle zoogdieren met uitzondering van vleermuizen. Dit zijn knaagdieren, haasachtigen, insecteneters en marters. In de omgeving komen diverse grondgebonden zoogdieren voor. In de omgeving van het plangebied zijn diverse waarnemingen bekend van grondgebonden zoogdieren binnen de NDFF in de laatste vijf jaar. Zo zijn een aantal soorten in de omgeving van het plangebied waargenomen, namelijk de egel, haas, konijn, ree en vos. Deze soorten zijn allen beschermd via de Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor marterachtigen (marter, bunzing, hermelijn en wezel). Van deze soorten zijn vanuit de omgeving waarnemingen bekend waarbij het gaat om de soorten wezel en steenmarter. Tijdens het veldbezoek is een geschikte verblijfplaats voor steenmarter aangetroffen in de oude stal. Ook zijn sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van marters of op in het verleden aanwezige marters. Deze sporen zijn onder andere gebroken eierschalen en afgebeten veren (afbeelding 2.10) en krabsporen (afbeelding 2.8 en 2.9). Mogelijk leiden de werkzaamheden dus tot een overtreding van een verbodsbepaling van artikel 3.10 lid 2 van de Wet natuurbescherming.
Om vast te stellen of het terrein een belangrijke functie heeft voor marterachtigen is nader onderzoek naar marterachtigen noodzakelijk. Het vervolgonderzoek bestaat uit het plaatsen van cameravallen en sporenbuizen gedurende 4 weken in het voortplantingsseizoen, welke loopt van 15 maart tot 1 september, of minimaal 8 weken buiten het voortplantingsseizoen. Wanneer tijdens onderzoek wordt vastgesteld dat door de werkzaamheden vaste verblijfplaatsen, belangrijk jachtgebied of andere beschermde gebiedsfuncties verloren gaan dient ontheffing te worden aangevraagd bij de provincie Overijssel. Een onderdeel van een ontheffing is een activiteitenplan. Hierin wordt de mate van compensatie, mitigatie, de juiste periode van uitvoering en de gunstige staat van instandhouding behandeld. Geschikte verblijfplaatsen voor andere beschermde zoogdieren (zonder vrijstelling) ontbreken binnen het plangebied. Geschikte verblijfplaatsen voor otter en bever ontbreken binnen het plangebied. Daarnaast zijn van deze soorten ook geen sporen aangetroffen. Het voorkomen van de soorten binnen het plangebied is derhalve uitgesloten.
10
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
Het plangebied is geschikt leefgebied voor de egel. De struiken en ruigtes (afbeelding 2.11) zijn geschikt als vaste rust- en verblijfplaats en foerageergebied voor de egel. Nader onderzoek voor de egel wordt gecombineerd met het vervolgonderzoek naar marterachtigen. Als de egel wordt aangetroffen en de delen waar de struiken en ruigtes verwijderd gaan worden geschikt zijn als rust- of voortplantingsplaats, is een ontheffing nodig. Verder geldt voor alle in het wild levende dieren de algemene zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Ook zijn er binnen de NDFF waarnemingen bekend van haas, konijn, ree en vos. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen, wel geldt de algemene zorgplicht. Algemene kleine zoogdiersoorten zoals veldmuis, aardmuis, huismuis, huisspitsmuis en bruine rat kunnen voorkomen in de omgeving van het onderzoeksgebied. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkeling. Effect: Binnen het plangebied zijn sporen van marter gevonden en binnen het plangebied zijn geschikte verblijfplaatsen aanwezig voor deze soort. Daarom is nader onderzoek naar marterachtigen nodig. De overige soorten die te verwachten zijn, zijn niet beschermd en aangaande deze soorten zal zorgvuldig handelen met inachtneming van de zorgplicht voldoende zijn.
2.5 Vissen In de kolk naast het plangebied komen vissen voor maar de ingreep heeft geen effect op dit waterlichaam omdat deze buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden ligt. Daarom kunnen effecten op de kolk rederlijkerwijs uitgesloten worden. Effect: De ingreep heeft geen invloed op vissen of op leefgebied van vissen omdat de kolk buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden ligt. 2.6 Amfibieën In de NDFF zijn in de laatste 5 jaar waarnemingen bekend van amfibieën in de omgeving van het plangebied. Het gaat daarbij om de bastaardkikker. Het oppervlaktewater (de kolk) naast het plangebied kan mogelijk dienen als voortplantingswater van (algemene) amfibieën. Het plangebied is daarnaast geschikt als landhabitat en overwinteringslocatie voor algemeen voorkomende amfibieën. Voor deze mogelijk voorkomende algemene soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. 2.7 Overige soortgroepen (reptielen & ongewervelden) Binnen de NDFF zijn geen waarnemingen bekend in de afgelopen 5 jaar van overige soortgroepen zoals reptielen en ongewervelden. Tijdens het veldbezoek zijn wel ongewervelden waargenomen zoals libellen en vlinders. Het terrein voldoet aan de voorwaarden waaraan potentieel leefgebied van ongewervelden (libellen, kevers, weekdieren) moet voldoen en zal deze functie in de toekomst blijven vervullen.
Daardoor blijft het plangebied in de toekomst een geschikt potentieel leefgebied voor deze soortgroepen en is nader onderzoek naar deze soortgroep niet noodzakelijk. 2.8 Algemeen • Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Gezien de grootte van het project is het noodzakelijk om een ecologisch werkprotocol op te stellen om negatieve effecten op de flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen;
11
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
Afb. 2.1: Nest in de schuur.
Afb. 2.2: Tweede nest in de schuur.
Afb. 2.3: Één van de nesten in de stal.
Afb. 2.4: Nest in een te behouden boom.
Afb. 2.5: Geschikte ruimte voor vleermuizen tussen de boeiplanken en de muur aan de westkant van de stal.
12
Afb. 2.6: Geschikte ruimte voor vleermuizen tussen de boeiplanken en de muur aan de oostkant van de stal.
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
Afb. 2.7: Overzichtsfoto van de boeiplanken Afb. 2.8: Krabsporen van marter op de loshangende waarachter ruimte is voor vleermuizen aan de isolatieplaten in de stal. westkant van de stal.
Afb. 2.9: Close-up van krabsporen van marter op Afb. 2.10: Gebroken eierschalen en afgebeten veren de isolatieplaten in de stal. in de stal die duiden op vermoedelijk gebruik door steenmarter. Het is niet duidelijk of het om oude of recentere sporen gaat.
Afb. 2.11: Overzichtsfoto van de ruigte achter en naast de bebouwing.
13
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
3
Gebiedsbescher ming
De Wet natuurbescherming maakt onderscheidt tussen soort- en gebiedsbescherming. Bij het onderdeel ‘gebiedsbescherming’ wordt de aanwezigheid van beschermde natuurgebieden, zoals Natura 2000-gebieden en overige onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland en de beoordeling of er van het voornemen een (in)directe effect uitgaat behandeld. Is er sprake van een mogelijk negatief effect, dan is planaanpassing en/of nader onderzoek nodig.
3.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) De onderzoekslocatie ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. De kortste afstand tot het NNN bedraagt ongeveer 2.6 km (afbeelding 4.1 en 4.2). In het Natuurnetwerk Nederland is het ruimtelijke beleid gericht op behoud en ontwikkeling van kernkwaliteiten. Voorgenomen ingrepen worden getoetst aan het ‘nee, tenzij’ principe. Indien voorgenomen werkzaamheden significant negatieve gevolgen hebben voor de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen van het deelgebied kunnen deze alleen plaatsvinden indien de nadelige gevolgen worden gemitigeerd en de resterende schade gecompenseerd. Gezien voorgenomen ontwikkelingen is een negatief extern effect op kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van NNN uitgesloten. Het uitvoeren van een ‘Nee, tenzij’-toets is niet aan de orde. 3.2 Natura 2000 Natura 2000-gebied ‘Zwarte Meer’ ligt op ongeveer 2.6 km in noordelijke richting (afbeelding 4.1). Natura 2000-gebied ‘Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht’ ligt op ongeveer 5.4 km in westelijke richting. De kortste afstand tot stikstofgevoelige habitattypen is 5.4 km. Het perceel heeft geen landschappelijke binding met de Natura 2000-gebieden.
Gezien de voorgenomen activiteiten en de toekomstige inrichting en de ligging op ruim 2.6 km van het dichtsbijzijnde Natura 2000gebied zijn directe negatieve effecten (geluid, licht, trillingen etcetera) door sloop- en bouw- en realisatiewerkzaamheden en door het toekomstige gebruik van het projectgebied op aangewezen soorten van nabijgelegen Natura 2000-gebieden uitgesloten. De voorgenomen activiteiten leiden mogelijk wel tot een toename van stikstofemissie in zowel de realisatiefase als tijdens de toekomstige gebruiksfase. Uitstoot tijdens de sloop- en aanlegfase is niet meer van toepassing doordat er een bouwwvrijstelling geldt voor deze fasen. In de gebruiksfase kan er mogelijk een afname optreden door een afname van verkeersbewegingen en een duurzamere warmtebron ten opzichte van de huidige situatie. Met behulp van de online rekentool AERIUS Calculator kan berekend worden of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Voor ontwikkelingen waarbij is aangetoond dat er géén sprake is van een toename in stikstofdepositie (ofwel < 0,005 mol/hectare/jaar) is geen vergunning nodig. Is er wel sprake van een toename op stikstofgevoelige habitattypen dan dient nader bepaald te worden of er sprake is van significante negatieve effecten en daarmee vergunningplicht.
In de AERIUS-berekening die uitgevoerd is voor dit project (Rapport_Aerius berekening_Kamperzeedijk 131a_Genemuiden) is geconcludeerd dat er in de toekomstige gebruiksfase een afname van de stikstofdepositie wordt verwacht.
14
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
2.6
5.4
Afbeelding 3.1: Afstand van het plangebied tot Natura-2000 gebieden. Afstand tot Natura-2000 gebied Zwarte Meer (rode lijn) en de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen (blauwe pijl). Bron: AERIUS calculator, 2021.
Afbeelding 3.2: Afstand van het plangebied tot Natuurnetwerk Nederland (NNN). De gebieden behorend bij NNN komen overeen met de Natura-2000 gebieden. Bron: Atlas van Overijssel, 2021.
15
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
4
Conclusies en aanbevelingen 4.1 Overzicht van de bevindingen Soortbescherming Aanwezig Effect Aanbevelingen Flora - beschermde soorten nee geen geen Vleermuizen - verblijfplaatsen mogelijk mogelijk zie 4.2.1 Vleermuizen - vliegroutes mogelijk geen zie 4.2.1 Vleermuizen - essentieel foerageergebied mogelijk geen zie 4.2.1 Vleermuizen - lichtverstoring mogelijk mogelijk zie 4.2.1 Zoogdieren - gebouwbewonend mogelijk mogelijk zie 4.2.1 Zoogdieren - grond-/boombewonend geen geen geen Zoogdieren - vrijgestelde soorten mogelijk mogelijk zorgplicht Vogels - jaarrond beschermde nesten mogelijk mogelijk zie 4.2.1 Vogels - algemene broedvogels mogelijk mogelijk zie 4.2.1 Amfibieën - vrijgestelde soorten mogelijk mogelijk zorgplicht Overige beschermde soorten mogelijk mogelijk zorgplicht Gebiedsbescherming Aanwezig Effect Aanbevelingen Natura 2000 - doelsoorten/habitattypen nee geen geen Natura2000 - stikstof n.v.t geen zie 4.2.2 NNN nee geen geen
4.2
Conclusies en aanbevelingen
4.2.1 Soortenbescherming Vleermuizen • Binnen het plangebied zijn mogelijk geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen. De werkzaamheden leiden mogelijk tot het overtreden van een verbodsbepaling zoals genoemd in artikel 3.5 lid 1 (doden/verwonden) lid 2 (opzettelijk verstoren) en lid 4 (beschadigen of vernielen van jaarrond beschermde voortplantingsplaatsen of rustplaatsen) van de Wet natuurbescherming. Er is nader onderzoek nodig naar gebouwbewonende vleermuissoorten met de focus op gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. • Er is sprake van lijnvormige structuren die dienst kunnen doen als vliegroute voor vleermuizen. Vanwege het in stand houden van deze structuur wordt geen permanent nadelig effect verwacht en nader onderzoek niet nodig geacht. Wel dient vanuit de zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming onnodige lichtverstoring van foerageergebied voorkomen te worden. Dit kan door tijdens de aanleg- en gebruiksfase uitstraling van eventuele bouwlampen, buitenverlichting en straatverlichting naar boven te voorkomen. Gebruik bijvoorbeeld afschermende armaturen, beperk de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter, gebruik ‘batlampen’ en plaats niet meer verlichting dan nodig. • Er is mogelijk sprake van essentieel foerageergebied binnen de invloedssfeer van de
16
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
projectlocatie. De ingreep zal naar verwachting geen negatieve effecten hebben op dit eventuele foerageergebied omdat een groot deel van de beplanting behouden blijft. Wel dient vanuit de zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming onnodige lichtverstoring van foerageergebied voorkomen te worden. Dit kan door tijdens de aanleg- en gebruiksfase uitstraling van eventuele bouwlampen, buitenverlichting en straatverlichting naar boven te voorkomen. Gebruik bijvoorbeeld afschermende armaturen, beperk de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter, gebruik ‘batlampen’ en plaats niet meer verlichting dan nodig. Zoogdieren - gebouwbewoond en grondbewoond • Het plangebied wordt mogelijk gebruikt als essentieel leefgebied of als vaste rust- en verblijfplaats door marterachtigen en egel. Vervolgonderzoek naar deze soorten is daarom nodig en het vervolgonderzoek voor deze soorten kan volledig gecombineerd worden uitgevoerd. Ook kan het plangebied geschikt zijn voor haas en konijn. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling en is geen nader onderzoek nodig. Vogels - jaarrond beschermde nesten •
Het plangebied wordt mogelijk gebruikt als rust- of nestplaats door boerenzwaluw en zwarte roodstaart. Vervolgonderzoek naar deze soorten is daarom noodzakelijk om uit te sluiten dat de boerenzwaluw of de zwarte roodstaart het plangebied gebruikt als rust- of nestplaats.
Vogels - algemene broedvogels • Tijdens het broedseizoen kunnen nesten van algemene broedvogels in en rondom het plangebied verstoord, beschadigd of vernield worden. Voer werkzaamheden die kunnen leiden tot het vernielen of verstoren van nesten buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen is geen vaste periode maar voor de meeste soorten is de periode half maart half augustus een goede indicatie. Eerdere of latere broedgevallen zijn niet uitgesloten, met name van duiven. Bezette nesten zijn altijd beschermd, ongeacht de soort of periode. Tijdens het broedseizoen kunnen mogelijk verstorende werkzaamheden uitsluitend worden uitgevoerd nadat een erkend broedvogeldeskundige heeft vastgesteld dat er geen bezette nesten aanwezig zijn. Zo nodig worden werkzaamheden uitgesteld of maatregelen getroffen om verstoring of vernieling van nesten te voorkomen, bijvoorbeeld het instellen van een zone rondom het nest totdat de jongen het nest verlaten hebben. Overige soorten • Nader onderzoek naar overige beschermde soorten is niet aan de orde. Houdt wel rekening met de algemene zorgplicht die geldt voor alle dieren, beschermd of niet. t.a.v. zorgplicht en calamiteiten • Ten aanzien van álle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt de ‘Algemene zorgplicht’, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming.
Met name geldt dit voor algemene soorten zoogdieren en amfibieën, waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden en dat er ‘met zorg voor de natuur’ gewerkt dient te worden. Gezien het formaat en de aard van het project is het niet noodzakelijk om een ecologisch werkprotocol op te stellen om te voldoen aan de algemene zorgplicht;
17
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
• Worden er tijdens de werkzaamheden toch beschermde soorten aangetroffen, leg dan het werk tijdelijk stil en neem contact op een deskundige (volgens omschrijving van het Ministerie van EZ) op het gebied van flora en fauna. Overleg met de deskundige en bevoegd gezag moet in dat geval duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan. 4.2.2 Gebiedsbescherming • De locatie ligt buiten het NNN en het NNN ligt niet in de directe omgeving ervan. De activiteiten zullen niet leiden tot aantasting van kernkwaliteiten of doelstellingen van NNN. Een ‘nee, tenzij’-toets is daarom niet aan de orde. • De ontwikkelingen voortvloeiend uit het voornemen leiden gezien de aard van het project en de afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied niet tot effecten op doelstellingen of kernkwaliteiten van beschermde natuurgebieden (Natura 2000), met mogelijke uitzondering van stikstofgevoeligheid. Nadere toetsing naar effecten op aangewezen doelsoorten voor Natura 2000-gebieden zijn niet aan de orde met uitzondering van een stikstofberekening, zie volgende punt. • Het is gebleken uit de uitgevoerde stifstofberekening dat het voornemen niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op gevoelige habitattypen of leefgebieden. Er is geen vergunning nodig.
Literatuurlijst SOVON, 2021, Boerenzwaluw, Geraadpleegd op 09-09-2021 via https://stats.sovon.nl/stats/ soort/9920
18
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
Bijlage 1 Samenvatting wettelijk kader Bij een ecologische quickscan wordt de ingreep door ons getoetst aan de huidige natuurwetgeving de Wet natuurbescherming. In deze bijlage vind u een korte samenvatting van deze wetgeving. 1. Wet natuurbescherming in het kort De Wet natuurbescherming (Wnb) is de huidige wetgeving in de Nederlandse wet die bescherming van natuurge bieden reguleert. De wet is in 2017 ingevoerd als samenvoeging van de daarvoor geldende natuurwetten: de Flora- en Faunawet voor dier- en plantensoorten, de Natuurbeschermingswet voor natuurgebieden en landschappen, en de Boswet voor bos- en houtopstanden. Deze wetten zijn samengevoegd om de wetgeving omtrent natuurbescherming duidelijker en overzichtelijker te maken. De nieuwe Wet natuurbescherming regelt zowel de bescherming van natuurgebieden als dat van individuele soorten en bijbehorende habitats. 1.1 Algemene Zorgplicht Onder de algemene bepalingen (hoofdstuk 1) van de Wnb wordt de algemene zorgplicht bepaald. Hierin is bepaald dat iedereen zorg draagt voor natuurgebieden, planten, en dieren.
Artikel 1.11 lid 2 van de Wnb luidt als volgt: De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. b. c.
dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
1.2 Soortenbescherming De soortenbescherming bestaat uit drie beschermingsregimes met ieder hun eigen beschermde soortenlijsten en verbodsbepalingen: • • •
De Vogelrichtlijnsoorten (VR) (Art. 3.1-3.4) De Habitatrichtlijnsoorten (HR) (Art. 3.5-3.9) Overige soorten (Art 3.10-3.11)
Per beschermingsregime is vastgesteld aan welke voorwaarden voldaan moet worden voldaan om ontheffing of vrijstelling te verleend te krijgen door het bevoegd gezag (de provincie). Een tabel met een samenvatting van de geldende verbodsbepalingen is op de volgende pagina te vinden (tabel 1.1). De beschermde soorten uit de VR en HR zijn vastgesteld door de EU. voor de soorten uit de derde categorie geld dat provincies de vrijheid hebben om voor bepaalde soorten uit de laatste categorie vrijstelling te verlenen bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer en onderhoud. Gedetailleerde informatie over het onderdeel soortenbescherming, inclusief lijsten van beschermde soorten, is onder meer te vinden op de website van de Rijksoverheid.
19
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
Tabel 1.1: Samenvatting verbodsbepalingen soortenbescherming Wet natuurbescherming Paragraaf
Artikel Lid Verbodsbepaling
§ 3.1: Beschermingsregime Vogelrichtlijn
3.1
§ 3.2: Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn
§ 3.3: Beschermingsregime andere soorten
3.5
3.10
1
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.
2*
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
3
Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.
4
Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.
5
Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
1
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2
Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren
3
Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
4
Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
5
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
1
Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
* Het wegnemen van nesten is toegestaan MITS het buiten het broedseizoen en niet behorend tot een soort met een jaarrond beschermd nest.
20
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021
ECOLOGISCH ADVIESBUREAU
1.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van de door de EU aangewezen beschermde gebieden genaamd Natura2000 gebieden. Natura2000 gebieden zijn op te delen in Vogelrichtlijn-gebieden en Habitatrichtlijn-gebieden. Alle activiteiten die een mogelijk negatief effect kunnnen hebben op Natura-2000 gebieden zijn verboden, mits een vergunning is uitgegeven na het uitvoeren van een Habitattoets. Uit deze Habitattoets moet zijn gebleken dat doorde geplande activiteiten geen natuurlijke kenmerken van het gebied worden aangetast en de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van de soorten niet verslechtert en geen verstoring van soorten optreedt. Een vergunning wordt afgegeven door de betreffende provincie. Bovendien verordent de wet de provincies natuur aan te wijzen met bijzondere natuurlijke of landschappelijke waarde onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN, in de wet Ecologische Hoofdstructuur EHS genaamd). Dit De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Zij wijzen in hun structuurvisie of verordening de gebieden aan die onder het NNN vallen.
In of in de nabijheid van een NNN-gebied geldt het ‘nee, tenzij’-principe: nieuwe plannen of projecten zijn niet toegestaan als ze de wezenlijke (potentiële)waarden en kenmerken van het NNN-gebied significant aantasten, tenzij er sprake is van redenen van groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn. De schade dient in dat geval door mitigerende maatregelen zoveel mogelijk beperkt te worden. De restschade dient te worden gecompenseerd.
21
Ecologische quickscan Kamperzeedijk 131a te Genemuiden
25 oktober 2021