7.1.i. Raadsvoorstel Lijst van categorie n gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen vereist is
Tekst van het document
Raadsvoorstel Raadsvergadering: 14 april 2011 Agendapunt:
Portefeuillehouder: W.I. Meijer Portefeuille: Ruimte Voor informatie: Eenheid Ontwikkeling en beheer, M. Pot, m.pot@zwartewaterland.nl, 038 385 3050 Bijlage(n):
Onderwerp: Lijst van categorieën gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen vereist is.
Voorstel: 1. De lijst van categorieën van gevallen vaststellen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist; 2. De bevoegdheid om een exploitatieplan vast te stellen of te besluiten geen exploitatieplan vast te stellen delegeren aan het college van burgemeester en wethouders voor zover het omgevingsvergunningen betreft waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist of wijzigingsplannen als bedoeld in artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening.
Aan de gemeenteraad,
1. Samenvatting 1.1 Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is de procedure voor (grootschalige) afwijkingen van het bestemmingsplan gewijzigd. Het projectbesluit is veranderd in een “omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.12 lid 1 onder a onder 3º”. De procedure daarvan is complex en bevat de eis dat het college een zogenaamde verklaring van geen bedenkingen (vvgb) aanvraagt bij de gemeenteraad. De wet biedt de mogelijkheid om categorieën van gevallen aan te wijzen waarvoor deze vvgb niet benodigd is. Gelet op de lastenverlichting voor de burger en de gemeentelijke organisatie is het wenselijk om een aantal categorieën van gevallen aan te wijzen. 1.2 De gemeenteraad is bevoegd om bij bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen voor ontwikkelingen van een bepaalde omvang een exploitatieplan vast te stellen of te besluiten om dit niet te doen als de kosten anderszins zijn verzekerd. Voor ontwikkelingen die vallen onder de categorieën waarvoor geen vvgb meer nodig is, maar waarvoor wel een exploitatieplan moet worden opgesteld, wordt voorgesteld om deze bevoegdheid aan burgemeester en wethouders te delegeren. Dit geldt ook voor wijzigingsplannen.
2. Reden raadsbesluit 2.1 Met de invoering van de Wabo is een aantal planologische instrumenten uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) gehaald en in de Wabo opgenomen. Dit geldt onder andere voor ontheffingen van het bestemmingsplan. De zogenaamde ontheffing voor kruimelgevallen (voorheen artikel 3.23 Wro en daarvoor artikel 19 lid 3 WRO) is opgenomen onder artikel 2.12 lid 1 onder a onder 2º en het voormalig projectbesluit (de oude artikel 19 lid 1 en lid 2 WRO) is opgenomen onder artikel 2.12 lid 1 onder a onder 3º van de Wabo. Dit voorstel heeft betrekking op de voormalige projectbesluiten. Deze worden omschreven in de Wabo als: “omgevingsvergunning voor activiteiten die niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening en waarvan de motivering een goede ruimtelijke onderbouwing bevat”. De bevoegdheid om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12 lid 1 onder a onder 3º van de Wabo te verlenen is toegekend aan het college van burgemeester en wethouders, wat afwijkt van de projectbesluitprocedure waarvoor de gemeenteraad bevoegd was. Wel moet het college, voordat een dergelijke omgevingsvergunning kan worden verleend, een vvgb aanvragen bij de gemeenteraad. Deze vvgb heeft alleen betrekking op de planologische aspecten van de omgevingsvergunning. Na afweging van deze aspecten door de gemeenteraad wordt de vvgb afgegeven of geweigerd.
Zonder vvgb kan geen omgevingsvergunning worden verleend. Omdat bij de verlening van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12 lid 1 onder a onder 3º van de Wabo wordt afgeweken van een door de raad vastgesteld bestemmingsplan, is het logisch dat de raad een doorslaggevende stem heeft in de procedure. Deze extra stap betekent echter wel dat de procedure complex is en dat veel tijd besteed wordt aan de aanlevertermijnen voor de raad. Hierdoor moet een aanvrager lang wachten op een besluit en bestaat het gevaar dat de vrij krappe termijnen uit de Wabo worden overschreden. Bij kleinere ontwikkelingen, bijvoorbeeld de wijziging van een kantoor naar een woning of andersom, kan dit een onevenredig zware procedure betekenen gezien de geringe ruimtelijke en maatschappelijke invloed. In het kader van lastenverlichting voor zowel burger als gemeentelijke organisatie zou voor sommige gevallen een lichtere procedure wenselijk zijn. Ook is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen in werking getreden. Bij termijnoverschrijding kan de aanvrager een dwangsom eisen van de gemeente en beroep instellen. Zeker in de periode van het zomerreces is het onmogelijk om de omgevingsvergunning binnen de gestelde termijn te verlenen. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de Wabo hiermee rekening gehouden.
In artikel 6.5 lid 3 van het bij de Wabo behorend Besluit omgevingsrecht (Bor) is bepaald dat de gemeenteraad categorieën van gevallen kan aanwijzen waarin een vvgb niet is vereist. In dergelijke gevallen kan het college besluiten over de verlening van de omgevingsvergunning. Uw raad heeft in de vergadering van 7 oktober 2010 al gebruik gemaakt van deze mogelijkheid om een aantal concrete projecten in Zwartsluis aan te wijzen. Wij stellen u bij deze voor om een aantal algemene gevallen aan te wijzen. 2.2 In artikel 6.12 lid 1 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop bouwplannen van een bepaalde omvang plaatsvinden. Deze categorieën bouwplannen zijn omschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het betreft bijvoorbeeld de bouw van een of meer woningen of andere hoofdgebouwen. In lid 2 van artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad kan besluiten om af te zien van het
vaststellen van een exploitatieplan als de kosten anderszins verzekerd zijn (bijvoorbeeld door een privaatrechtelijke overeenkomst) of als de te verhalen kosten te laag zijn. De vaststelling van een exploitatieplan of het besluit om daarvan af te zien, is altijd gekoppeld aan de vaststelling van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12 lid 1 onder a onder 3º van de Wabo. Indien uw raad besluit voor een aantal gevallen de volledige bevoegdheid om op omgevingsvergunningaanvragen te beslissen over te dragen, is het niet praktisch als het bijbehorende exploitatieplan nog door uw raad moet worden vastgesteld of als uw raad moet besluiten dat geen exploitatieplan nodig is. Dit geldt ook voor wijzigingsplannen op grond van artikel 3.6 lid 1 van de Wro. De bevoegdheid voor deze wijzigingen is toegekend aan burgemeester en wethouders en de kaders voor het wijzigingsplan zijn opgenomen in een bestemmingsplan dat eerder door uw raad is vastgesteld. De wetgever heeft voor deze situaties een delegatiebevoegdheid opgenomen in artikel 6.12 lid 3 Wro. Daarin is bepaald dat de bevoegdheden om een exploitatieplan vast te stellen of te besluiten om dat niet te doen, kunnen worden gedelegeerd aan burgemeester en wethouders, voorzover het een wijzigingsplan of een omgevingsvergunning betreft.
Het is niet mogelijk om beslissingen over exploitatieplannen bij een bestemmingsplan te delegeren. 3. Toelichting en overzicht van beleidskeuzes 3.1 De voorgestelde categorieën van gevallen zijn gebaseerd op twee uitgangspunten: kleinschaligheid en uitvoering. Kleinschaligheid heeft betrekking op ontwikkelingen die weinig invloed hebben op de omgeving en waarvoor een lange procedure als onevenredig kan worden gezien. Met uitvoering worden ontwikkelingen bedoeld die een uitwerking zijn van beleidskaders die eerder door uw raad zijn vastgesteld. Voor grotere ontwikkelingen of nieuwe beleidskeuzes moet wel een vvgb bij uw raad worden gevraagd, maar geniet het in principe de voorkeur om het bestemmingsplan als instrument te gebruiken in plaats van de omgevingsvergunning. Het bestemmingsplan is meer geschikt als beleidskader en moet altijd door uw raad worden vastgesteld. Voorgesteld wordt alle gevallen, waarbij met een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12 lid 1 sub a sub 3 Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, aan te wijzen als categorieën van gevallen waarvoor geen vvgb vereist is, tenzij: 1.
het project in strijd is met een structuurvisie, stedenbouwkundige visie, ruimtelijke randvoorwaarden of een vergelijkbaar ruimtelijk kader dat door uw raad is vastgesteld of wanneer een dergelijk kader ontbreekt; Toelichting: Met het vaststellen van structuurvisies en stedenbouwkundige visies en plannen geeft uw raad de kaders aan voor de uitwerking van initiatieven. Alleen voor een planologische ontwikkeling die niet binnen deze eerder vastgestelde kaders past, is het dan nodig om uw raad een vvgb te vragen. Voor planologische besluiten (omgevingsvergunningen) waarbij vooruit gelopen wordt op een toekomstig bestemmingsplan, bijvoorbeeld het bouw- en woonrijp maken, hoeft uw raad dan niet te worden geraadpleegd.
2. indien sprake is van woningbouw, het aantal te bouwen woningen meer dan twee bedraagt, tenzij het project niet in strijd is met een visie of kader als bedoeld in categorie 1; Toelichting: Het toevoegen van maximaal twee woningen heeft weinig ruimtelijke invloed en dergelijke aanvragen worden vaak alleen door particulieren gedaan. Meestal betreft het alleen een stedenbouwkundige afweging of de ontwikkeling gewenst is. Bij grotere woningbouwontwikkelingen is het vaak wenselijk dat een bestemmingsplan als juridisch kader wordt opgesteld in plaats van een afwijking via omgevingsvergunning. Wanneer meerdere woningen in het besluit zijn betrokken, maar uw raad heeft al ingestemd met een ruimtelijk kader waar deze binnen passen, geldt de beperking van maximaal twee woningen niet. 3. het uitbreidingen van of bijbehorende bouwwerken (bijgebouwen) bij bestaande agrarische gebouwen in het buitengebied groter dan 500 m² betreft; Toelichting: Het Bor bevat een limitatieve lijst met gevallen waarbij gebruik kan worden gemaakt van de “kruimelgevallenontheffing”. Uitbreiding van bijgebouwen of nieuwbouw daarvan is tot op zekere hoogte mogelijk met deze eenvoudige procedure (tot 150 m² oppervlak en 5 meter hoogte in het buitengebied). Het kan echter in specifieke gevallen voorkomen dat ruimere bebouwingsmogelijkheden gewenst zijn.
De uitgebreide procedure met aanvraag van een vvgb is echter onevenredig zwaar voor bouwprojecten met een oppervlakte kleiner dan 500 m². 4. het aanpassingen in de openbare ruimte betreft waarvoor een door de gemeenteraad vastgesteld sectoraal beleidsplan noodzakelijk c.q. gewenst is; Toelichting: Aanpassingen in de openbare ruimte komen meestal voort uit sectorale beleidsplannen die eerder door uw raad zijn vastgesteld zoals het verkeersplan of het waterplan. De meeste aanpassingen betreffen geen grootschalige wijzigingen. Juridisch gezien is echter vaak een uitgebreide omgevingsvergunning met vvgb nodig voor dergelijke aanpassingen. 5. sprake is van een activiteit binnen het beschermd stadsgezicht; Toelichting: Het beschermd stadsgezicht van Hasselt wordt als cultuurhistorisch zeer waardevol gezien. Er is daarom een zogenaamd “beschermend” bestemmingsplan door uw raad vastgesteld. Voor grote afwijkingen van dit plan is het belangrijk deze zorgvuldig voor te bereiden. 6. het bouwen van winkels, kantoren, bedrijven, maatschappelijke voorzieningen en horecagelegenheden met een oppervlakte groter dan 500 m² betreft, tenzij het project niet in strijd is met een visie of kader als bedoeld in categorie 1; Toelichting: Het toevoegen van voorzieningen en bedrijven met een oppervlakte kleiner dan 500 m² heeft weinig ruimtelijke invloed.
Expliciet willen wij nog noemen dat ook het afwijzen van aanvragen om een omgevingsvergunning wordt beschouwd als een categorie waarvoor geen vvgb benodigd is. In dergelijke gevallen wordt namelijk besloten om niet van het eerder door uw raad vastgestelde bestemmingsplan af te wijken Het voordeel van deze lijst van gevallen is dat de procedure voor ruimtelijke ontwikkelingen sneller kan. Daarnaast worden de administratieve lasten voor burger en gemeente verminderd en wordt de kans op een dwangsom bij niet tijdig beslissen
verkleind. Het aanwijzen van de lijst betekent wel dat de gemeenteraad zijn bevoegdheid om over deze categorieën van gevallen te besluiten, overdraagt. Opgemerkt wordt nog dat de wettelijke bevoegdheid met betrekking tot de voormalige artikel 19 lid 2 procedures (oude Wet op de Ruimtelijke Ordening) aan burgemeester en wethouders toegekend was. Een groot deel van deze gevallen moet nu met een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12 lid 1 onder a onder 3º van de Wabo worden mogelijk gemaakt. Dat zou betekenen dat uw raad een verklaring moet geven over onderwerpen die eerder alleen door het college werden afgehandeld. Alternatief Deze lijst van categorieën is ingestoken vanuit het principe dat voor geen enkele omgevingsvergunning een vvgb nodig is, tenzij uw raad specifiek heeft aangegeven voor bepaalde onderwerpen deze bevoegdheid te willen behouden. Het is ook mogelijk om als uitgangspunt te hanteren dat u voor elke omgevingsvergunning een vvgb wilt afgeven, behalve voor specifieke onderwerpen 3.2 Het delegeren van de bevoegdheid om te besluiten over exploitatieplannen bevordert de efficiënte afhandeling van ruimtelijke plannen waarvoor u de bevoegdheid om inhoudelijk te besluiten hebt overgedragen aan burgemeester en wethouders of waarvoor wettelijk deze bevoegdheid al aan hen is toegekend. 4. Middeleninzet Niet van toepassing. 5.
Betrokkenheid burgers en instanties Niet van toepassing. 6. Aanpak en planning Na uw besluit wordt dit bekendgemaakt in de Stadskoerier en op de website van onze gemeente en wordt de lijst ter inzage gelegd. Het besluit treedt in werking na bekendmaking.
Wij stellen u voor te besluiten conform bijgevoegd ontwerp raadsbesluit.
Burgemeester en wethouders van Zwartewaterland, de secretaris, de burgemeester,
mr. D. Leentjes
ing. E.J. Bilder
Raadsbesluit De raad van de gemeente Zwartewaterland; Overwegende, dat de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist dat in een aantal procedures voor een omgevingsvergunning een verklaring van geen bedenkingen aan onze raad moet worden gevraagd; de proceduretermijn voor een omgevingsvergunning aanzienlijk langer is wanneer een verklaring van geen bedenkingen moet worden aangevraagd en dit zowel de burger als het gemeentelijk apparaat extra lasten bezorgt; deze verklaring wettelijk gezien ook vereist kan zijn in gevallen waar het uitvoering van beleid of kleinschalige ontwikkelingen betreft; onze raad in veel van deze gevallen geen noodzaak ziet tot inhoudelijke betrokkenheid en het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen; Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders, d.d. 22 maart 2011; Gelet op het bepaalde in artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht en artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening; Besluit: A
alle gevallen, waarbij met een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12 lid 1 sub a sub 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken, aan te wijzen als categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen vereist is, tenzij: 1. Het project in strijd is met een structuurvisie, stedenbouwkundige visie, ruimtelijke randvoorwaarden of een vergelijkbaar ruimtelijk kader dat door uw raad is vastgesteld of wanneer een dergelijk kader ontbreekt; 2. Indien sprake is van woningbouw, het aantal te bouwen woningen meer dan twee bedraagt (met uitzondering van het bepaalde in de eerste categorie), tenzij het project niet in strijd is met een visie of kader als bedoeld in categorie 1; 3. Het uitbreidingen van of bijbehorende bouwwerken (bijgebouwen) bij bestaande gebouwen in het buitengebied groter dan 500 m² betreft; 4. Het aanpassingen in de openbare ruimte betreft waarvoor een door de gemeenteraad vastgesteld sectoraal beleidsplan noodzakelijk c.q. gewenst is; 5. Sprake is van een activiteit binnen het beschermd stadsgezicht; 6. Het bouwen van winkels, kantoren, bedrijven, maatschappelijke voorzieningen en horecagelegenheden met een oppervlakte groter dan 500 m² betreft, tenzij het project niet in strijd is met een visie of kader als bedoeld in categorie 1;
B
De bevoegdheid om een exploitatieplan vast te stellen of te besluiten geen exploitatieplan vast te stellen te delegeren aan het college van burgemeester en wethouders voor zover het omgevingsvergunningen betreft waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist of wijzigingsplannen als bedoeld in artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Zwartewaterland van 14 april 2011. de griffier,
de voorzitter,
A.J. Kastelein-Renkema
ing. E.J. Bilder