2e. Bijlage 5 - Almanak Mastenbroek
Tekst van het document
• •
Er sprake is van grote peilverschillen tussen aangrenzende peilvakken, waardoor een sterke lokale kwel- of wegzijgingsstroom tussen het grondwater in de betreffende peilvakken plaatsvindt. De tussen de peilvakken in liggende buffer vangt dan de stroming af waardoor zowel kwel als wegzijging kleiner worden. Als aan de afvoerbehoefte voldaan kan worden: het teveel aan water in de buffer moet wel worden afgevoerd. Een gecontroleerd peilbeheer is dus nodig. De inrichting van de buffer redelijkerwijs mogelijk is. Aanleg van een buffergebied betekent functiewijziging met alle uitdagingen die daarbij horen.
55
SCENARIO STOPPEN: HYDROLOGISCHE CONCLUSIES EN KANSRIJKE SYSTEEMMAATREGELEN
56
Peil tot aan maaiveld
Kansrijke locaties opzetten peil tot aan maaiveld
Peil Koekoekspolder gelijk aan maaiveld Mastenbroekerpolder
Kansrijke locaties opzetten peil Koekoekspolder
SCENARIO STOPPEN: HYDROLOGISCHE CONCLUSIES EN KANSRIJKE SYSTEEMMAATREGELEN In het werkscenario ‘stoppen’ zijn als maatregelen opgenomen: peilverhoging in de sloten tot aan maaiveld en het onderwater zetten van de Koekoekspolder. In het algemeen geldt hydrologisch3 gezien dat peilopzet tot aan maaiveld kansrijk is als: De kansrijkheid van een dergelijke maatregel heeft veel meer aspecten dan alleen hydrologische. Aanlegaspecten, financiële aspecten, waterkwaliteitsaspecten, enzovoorts moeten worden meegenomen in de afweging. De beschreven principes zijn alleen opgesteld met hydrologische argumenten. 3.
•
•
•
•
De grondwaterstand in het perceel in droge omstandigheden niet lager dan 40 cm onder maaiveld komt. Dit geldt zeker als er sprake is van een bovenliggende kleilaag van minimaal 40 cm dik. Het perceel voldoende doorlatend is in horizontale richting. Er is voldoende doorlatendheid nodig in het perceel om het water uit de sloten snel genoeg in het perceel te kunnen laten infiltreren. Zandige veenpercelen voldoen hier in het algemeen aan. Er geen sprake is van grote wegzijging naar de omgeving. Evenals bij de onderwaterdrainage geldt dat het water niet moet weglekken naar de omgeving. De grondwaterstand in de ondergrond mag niet veel lager zijn (bijvoorbeeld 2 meter) dan de grondwaterstand in het perceel. Aan de waterbehoefte voldaan kan worden. Aangezien meer water nodig is in de sloten zal de waterbehoefte toenemen. Voor sommige gebieden geldt dat het water in droge periodes moeilijk aan te voeren is. De aanwezigheid van voldoende water in droge periodes is een randvoorwaarde voor deze maatregel.
Het opzetten van peil tot boven maaiveld – dat wil zeggen het aanleggen van open water – is hydrologisch gezien altijd kansrijk voor het stoppen van bodemdaling. Men voorkomt hiermee dat zuurstof bij het veen kan komen, desondanks geldt ook hiervoor dat wel aan de waterbehoefte voldaan moet worden. Voor Kamperveen en de Mastenbroekerpolder betekent dit dat het onder water zetten van de Koekoekspolder effectief is voor het stoppen van bodemdaling. Voor een aantal gebieden is het opzetten van peil tot aan maaiveld gunstig, voor andere niet. Deze staan aangegeven in de kaart (geel).
57
Hoofdstuk 6
58
EFFECTEN WERKSCENARIO’S: - DOORGAAN HUIDIG PEILBEHEER - REMMEN BODEMDALING - STOPPEN BODEMDALING
59
Een blik op het oosten, vanaf de Kamperzeedijk tussen de Mastenbroekerpolder rechts en het Kampereiland aan de linkerzijde, en aan de horizon het Zwarte Water 60
INLEIDING Zoals ook beschreven in bijlage 2 beoordelen we de effecten voor onderstaande thema’s: • landbouw • natuur • infrastructuur en kabels & leidingen • bebouwing • watersysteem • broeikasgassen Deze beoordelingen zijn tot stand gekomen op basis van meerdere sessies met experts van waterschappen, provincies en gemeenten. In alle gevallen is bij de beoordeling beargumenteerd, hoe tot de beoordeling is gekomen. Er zal altijd een mate van subjectiviteit zitten in de beoordeling. Het is dan ook het advies om deze beoordelingen niet als absoluut te zien maar ze te gebruiken in de gebiedsgesprekken die nog volgen in het proces.
De effecten zijn onder te verdelen in twee typen: 1. effecten die het direct gevolg zijn van het aanleggen van de systeemmaatregelen 2. effecten die het gevolg zijn van de verandering van de systeemwerking ná implementatie van de maatregelen Voor het beoordelen van de effecten werken we met een vijfpuntsschaal en wordt beoordeeld ten opzichte van de huidige situatie. De huidige situatie is de referentie en is neutraal, score 0. • • • • •
Een effect is neutraal, scoort 0, als het gewenste gebruik of functie niet noemenswaardig verschilt van de huidige situatie. Een effect is positief, scoort +, als de omstandigheden voor het gewenste gebruik of functie verbetert ten opzichte van de huidige situatie. Een effect is zeer positief, scoort ++, als de omstandigheden voor het gewenste gebruik of functie duidelijk verbetert ten opzichte van de huidige situatie. Een effect is negatief, scoort -, als de omstandigheden voor het gewenste gebruik of functie verslechtert ten opzichte van de huidige situatie. Een effect is zeer negatief, scoort - -, als de omstandigheden voor het gewenste gebruik of functie sterk verslechtert ten opzichte van de huidige situatie.
61
LANDBOUW Met de Waterwijzer (Stowa, 2018) wordt bepaald wat de theoretische gewasopbrengst of afname/toename van gewasopbrengst is, bij een gegeven bodemdaling en bijbehorende grondwaterstanden. De effecten van bodemdaling op de landbouw kunnen zo kwantitatief in beeld gebracht worden.
In de huidige situatie is de landbouwopbrengst in ca. 40% van het gebied maximaal. In ca. 60% wordt de landbouwopbrengst met 30 tot 50% verminderd als gevolg van bodemtype en hydrologische omstandigheden. De landbouwomstandigheden zijn dus suboptimaal. Dat hangt samen met de relatief beperkte drooglegging, maar
ook met kleinere percelen dan bijvoorbeeld in de naastgelegen Noordoostpolder.
doorgaan huidig peilbeheer na implementeren systeemmaatregelen
scenario Remmen bodemdaling na implementeren systeemmaatregelen
scenario Stoppen bodemdaling na implementeren systeemmaatregelen
Het oordeel is (licht) negatief omdat:
Het oordeel is neutraal omdat:
Het oordeel is zeer negatief omdat:
• Er enige vermindering van het landbouwpotentieel optreedt, doordat delen van het gebied sneller dalen dan andere. De droogleggingen variëren daardoor meer binnen een peilgebied, waardoor er op de laagst gelegen percelen meer kans is op inundatie of natte omstandigheden en op de hoger gelegen percelen schade door droogte.
• Het landbouwpotentieel verbetert door de aanleg van onderwaterdrainage (al dan niet combinatie met de bufferzone). Oorzaken: [1] schade door verdroging wordt beperkt door de inlaat van water via de drains [2] schade door vernatting wordt op diverse plaatsen ook beperkt omdat de drains drainerend werken in de winter/natte situatie. • De beperking van bodemdaling leidt tot minder variaties van droogleggingen binnen peilgebieden. Aan de zuidrand neemt het landbouwpotentieel licht af, onderwaterdrainage werkt daar niet optimaal. • De bufferzone leidt daarentegen tot sterke vermindering van het landbouwpotentieel, vanwege het onderwater zetten en de uitstraling via het grondwater naar naastgelegen percelen.
• Het bestaande landgebruik niet goed meer mogelijk is vanwege de veel optredende plas-dras-omstandigheden in het gebied. Dit leidt tot: • a) vermindering van de grasopbrengst • b) vermindering van toegankelijkheid vee • c) vermindering van toegankelijkheid tractors/maaimachines • De vernatte percelen zijn negatief voor de bestaande teelten. Teelten die natte omstandigheden prefereren zijn kansrijker. Echter, er is nog weinig praktijkervaring rondom het economisch rendement, in ieder geval niet met een intensieve bedrijfsvoering. Bij een eventueel toekomstig positief economisch perspectief voor de natte teelten, verandert het oordeel over dit werkscenario.
-
Legenda 0 tot 30% 30 tot 50% 50 tot 100%
62
0
De kleuren tonen drie klassen in hoeverre de maximale opbrengst wordt verminderd door de combinatie bodemtype/ hydrologische omstandigheden.
--
NATUUR Natura2000 + overige natuur
Weidevogels
Verdroging of vernatting door veranderende grondwaterstromen (kwel/ infiltratie) kan leiden tot het niet halen van (Natura2000) doelstellingen. Afname van de waterkwaliteit kan ook een negatief effect hebben op aanwezige natuurwaarden. Natuurdoeltypen zijn hier indicatoren voor.
Voor weidevogels is onder meer een hoge (voorjaars) grondwaterstand van groot belang voor een geschikte leefomgeving met voldoende voedsel. Andere factoren die van belang zijn voor de weidevogelgebieden zijn het beheer van de graslanden en de mate van openheid van de graslanden.
Foerageergebied ganzen en smienten
scenario Remmen bodemdaling na implementeren systeemmaatregelen
scenario Stoppen bodemdaling na implementeren systeemmaatregelen
NVT
NVT
NVT
Niet van toepassing. Geen Natura2000 gebieden aanwezig
0 Weidevogels
Natura2000
Natura2000 + overige natuur
Huidige situatie
doorgaan huidig peilbeheer na implementeren systeemmaatregelen
Niet van toepassing. Geen Natura2000 gebieden aanwezig
0
Niet van toepassing. Geen Natura2000 gebieden aanwezig
+
Het oordeel is neutraal omdat:
Het oordeel is neutraal omdat:
Het oordeel is (licht) positief omdat:
• Er nauwelijks verandering is in (voorjaars)grondwaterstanden. Dit komt omdat het peil wordt aangepast aan bodemdaling conform huidig beleid/praktijk. Hierdoor blijft het geschikt areaal voor weidevogels gelijk aan de huidige situatie. • Er naar verwachting geen verandering plaatsvindt in mate van intensiteit van het landbouwbedrijf wat betreft maaimethodes/frequenties etc.
• Er geen negatief effect hoeft op te treden, als er door de agrariërs rekening wordt gehouden met broedende weidevogels. Betreding van percelen is naar verwachting eerder mogelijk, wat een negatief effect kan hebben op de weidevogels als er geen vogelvriendelijke maatregelen worden genomen. De onderwaterdrainage zorgt door snellere afvoer ook voor lagere voorjaarswaterstanden, wat kan leiden tot afname van geschikt areaal voor weidevogels. • De bufferzone lokaal kansen biedt voor weidevogels evenals kleine delen van de naastgelegen nattere percelen.
• Er sprake is van hogere voorjaarsgrondwaterstanden in gebieden die nu te droog zijn voor weidevogels. In sommige gebieden (met name het zuidoosten) komt de grondwaterstand niet boven maaiveld en ontstaan plas-dras situaties. In andere delen komt het water wel boven maaiveld, waardoor de kansen voor veel weidevogels aldaar klein zijn. • De verwachting is dat de intensiteit van landbouw of ander ruimtegebruik in dit scenario extensiveert, wat gunstig is voor de weidevogels.
63
INFRASTRUCTUUR EN KABELS & LEIDINGEN Infrastructuur
64
Het oordeel is negatief omdat:
Het oordeel is (licht)positief omdat:
Het oordeel is (licht) negatief omdat:
• Verdergaande bodemdaling leidt tot meer schade aan de wegen.
• Verzakkingen en bijbehorende schade aan wegen wordt verminderd door het remmen van de bodemdaling. Dit geldt alleen voor wegen die zijn aangelegd op een veen en/of klei-veen ondergrond. • 1,4 km weg onder water door aanleg van waterbuffer
• 151 km aan wegen overlast ondervindt door het opzetten van het waterpeil tot aan maaiveld. • De overlast bestaat uit kans op opdrijven van wegen en aanpassingen van wegen die nodig zijn, maar ook aan duikers en bruggen door hogere waterstanden. • De bodemdaling wordt vrijwel geheel gestopt, waardoor schade door verzakkingen niet meer voorkomt bij funderingen van bruggen/duikers/ kunstwerken. • Wegen kunnen in natte periodes onder water komen te staan.
0-5 mm/ jaar
0-5 mm/ jaar
0-5 mm/ jaar
373 km
Kabels en leidingen Riool
+
484 km
-
521 km
5-10 mm/jaar 147 km
5-10 mm/jaar 54 km
5-10 mm/jaar 21 km
>10 mm/jaar
>10 mm/jaar
>10 mm/jaar
22 km
-
Gas en Elektra
Effecten van bodemdaling zijn voor beide categorieën negatief op twee manieren: 1. Door ongelijke zakking treden scheuringen op of ontstaat gebrek aan doorstroming. 2. Door verlies van veendikte krijgen leidingen mogelijk te weinig dekking (grond boven de kabel). Een minimum van 1 meter is noodzakelijk om schade aan de leidingen te voorkomen. Precieze dekkingen en diepteliggingen zijn niet bekend. Om te bepalen hoeveel kilometer aan rioolleidingen bodemdaling ervaren zijn drie categorieën gebruikt: < 5 mm bodemdaling per jaar, 5 tot 10 mm/jaar en > 10 mm/jaar.
scenario Stoppen bodemdaling na implementeren systeemmaatregelen
-
Kabels & leidingen Onder de categorie riool vallen persleidingen (meestal waterschap) en vrij verval leidingen (gemeenten). De data van gemeente Kampen en gemeente Staphorst ontbreken. Onder de categorie gas en elektra vallen lagedruk gasleidingen, laagspanningskabels en middenspanningskabels.
scenario Remmen bodemdaling na implementeren systeemmaatregelen
Wegen
De aanwezige wegen kunnen op twee manieren schade ondervinden binnen de beschouwde scenario’s. 1. Door bodemdaling; e.g. scheuren, problemen bij overgangen kunstwerken. Het effect van bodemdaling op wegen wordt kwantitatief bepaald door te analyseren hoeveel kilometer weg aan een bepaalde hoeveelheid bodemdaling blootgesteld wordt. Er zijn drie categorieën gebruikt: < 5 mm bodemdaling per jaar, 5 tot 10 mm/jaar en > 10 mm/jaar. 2. Het opzetten van het peil; noodzaak tot verhogen van de weg, mogelijke problemen met stabiliteit, uitspoeling wegfundering. Weergegeven is het aantal kilometer weg wat door het opzetten van het peil problemen kan ondervinden.
doorgaan huidig peilbeheer na implementeren systeemmaatregelen
5 km
+
1 km
++
Het oordeel is negatief omdat:
Het oordeel is positief omdat:
Het oordeel is zeer positief omdat:
• Door ongelijke zakking treden scheuringen op of ontstaat gebrek aan doorstroming. Door verlies van veendikte krijgen leidingen mogelijk te weinig dekking (grond boven de kabel). Een minimum van 1 meter is noodzakelijk om schade aan de leidingen te voorkomen. Precieze dekkingen en diepteliggingen zijn niet bekend.
• Bodemdaling wordt beperkt.
• Er nauwelijks nog bodemdaling optreedt.
0-5 mm/ jaar
0-5 mm/ jaar
0-5 mm/ jaar
40 km
59 km
68 km
5-10 mm/jaar 32 km
5-10 mm/jaar 22 km
5-10 mm/jaar 18 km
>10 mm/jaar
14 km
>10 mm/jaar
5 km
>10 mm/jaar
0 km
0-5 mm/ jaar
1201 km
0-5 mm/ jaar
1587 km
0-5 mm/ jaar
1748 km
5-10 mm/jaar 519 km
5-10 mm/jaar 194 km
5-10 mm/jaar 68 km
>10 mm/jaar
>10 mm/jaar
>10 mm/jaar
97 km
37 km
1 km
BEBOUWING
De gebouwen in de veenweidegebieden van Overijssel lopen door (ongelijke) bodemdaling twee soorten risico’s. Ten eerste het risico op paalrot voor huizen die op houten palen zijn gefundeerd. Paalrot wordt veroorzaakt door het dalen van het grondwaterniveau, waardoor houten palen die voorheen onder water stonden nu aan zuurstof worden blootgesteld en hierdoor gaat rotten, met als gevolg verzakking, scheefstand en andere schade. Dit speelt alleen bij scenario’s die leiden tot lage(re) grondwaterstanden. Ten tweede kan (ongelijke) bodemdaling leiden tot schade aan constructies en aansluitingen met nutsleidingen, vooral bij woningen die helemaal niet gefundeerd zijn. De (ongelijke) bodemdaling heeft ook tot gevolg dat bijvoorbeeld tuinen en erven sneller zakken dan de gefundeerde woningen.
Zakkingen & paalrot
Zakkingen & paalrot
doorgaan huidig peilbeheer na implementeren systeemmaatregelen
scenario Remmen bodemdaling na implementeren systeemmaatregelen
scenario Stoppen bodemdaling na implementeren systeemmaatregelen
-
+
--
Het oordeel is negatief omdat:
Het oordeel is (licht) positief omdat:
Het oordeel is zeer negatief omdat:
• In de bebouwde gebieden van de gemeenten van Genemuiden en Zwartewaterland is nu reeds sprake van verzakking van tuinen, wegen en mogelijk bebouwing. Er is geen inventarisatie beschikbaar, maar het is bij deze gemeente bekend dat dit speelt. De verzakkingen zorgen voor ongemak, maar ook voor extra kosten in het beheer en onderhoud van wegen, leidingen, riolen en overige openbare ruimte. • Over paalrot is niks bekend.
• Verzakkingen en bijbehorende schade van woningen vermindert mogelijk iets, doordat uitzakken van de grondwaterstand in de zomer wordt voorkomen. Dit geldt voor woningen en boerderijen die niet op terpen staan en mogelijk voor woningen in stedelijk gebied. • Door de aanleg van de bufferzone is het nodig om enkele huizen aan te passen en is er mogelijk hinder door vernatting voor dicht bij de buffer gelegen huizen. Dit leidt tot een lokaal nadeel.
• Woningen die niet op terpen staan te maken krijgen met zeer natte omstandigheden, wat leidt tot natschade. • Het verhogen van het peil tot maaiveld leidt naar verwachting tot hogere grondwaterstanden in de directe omgeving. Het bebouwde gebied in de veengebieden (o.a. Blokzijl, Giethoorn) krijgt te maken met nattere omstandigheden, wat leidt tot meer natte kruipruimten en optrekkend vocht. • Verzakking door bodemdaling wordt daarentegen vrijwel geheel gestopt.
65
WATERSYSTEEM: WATERAANVOER EN -AFVOER scenario Remmen bodemdaling na implementeren maatregelen
doorgaan huidig peilbeheer na implementeren maatregelen
scenario Stoppen bodemdaling na implementeren maatregelen
-
0
-
Gemiddelde wateraanvoer Zie toelichting op volgende pagina Getallen in de kaarten: totale hoeveelheid benodigde wateraanvoer per jaar
Legenda
300 tot 400 mm/jaar
> 750 mm/jaar
200 tot 300 mm/jaar
500 tot 750 mm/jaar
100 tot 200 mm/jaar
400 tot 500 mm/jaar
< 100 mm/jaar
Gemiddelde waterafvoer Zie toelichting op volgende pagina
18 Mm3 per jaar
28 Mm3 per jaar
Afvoerbehoefte
Afvoerbehoefte
+
-
0
20 Mm3 per jaar
Getallen in de kaarten: totale hoeveelheid benodigde waterafvoer per jaar
Legenda
66
300 tot 400 mm/jaar
> 750 mm/jaar
200 tot 300 mm/jaar
500 tot 750 mm/jaar
100 tot 200 mm/jaar
400 tot 500 mm/jaar
< 100 mm/jaar
-104 Mm3 per jaar
-114 Mm3 per jaar
-91 Mm3 per jaar
WATERSYSTEEM: WATERAANVOER EN -AFVOER doorgaan huidig peilbeheer na implementeren maatregelen
scenario Remmen bodemdaling na implementeren maatregelen
gemiddelde wateraanvoer Wateraanvoer en afvoer Systeemmaatregelen hebben effect op het waterbeheer van het gebied. Voor onderwaterdrainage moet er extra water aangevuld worden ini de zomerperiode, om het grondwater aan te vullen. In deze periode kunnen er watertekorten zijn (zeker in dit gebied) waardoor het water niet beschikbaar is, en daarnaast vergt het investeringen om het water er te krijgen.
-
0
scenario Stoppen bodemdaling na implementeren maatregelen
-
Het oordeel is neutraal omdat:
Het oordeel is negatief omdat:
Het oordeel is (licht) negatief omdat:
• Deze vergelijkbaar is met de huidige situatie.
• In de peilgebieden met de onderwaterdrainage en de buffers neemt de waterbehoefte toe met 10 Mm3/jaar. Deze extra aanvoer is juist nodig in de zomer, wanneer er kans is dat er minder water beschikbaar is.
• De wateraanvoer licht toeneemt. Er is extra water nodig om het peil tot aan maaiveld op te zetten, dit kan met name gebeuren in een periode dat er voldoende water beschikbaar is. Aanvullen in de zomer, wanneer er kans op watertekort is, blijft echter nodig ivm verdamping.
In het voorjaar neemt de waterafvoer toe om de grondwaterstanden naar beneden te krijgen; in deze periode zijn er al pieken in de afvoer.
gemiddelde waterafvoer
0
Afvoerbehoefte
-
+
Het oordeel is neutraal omdat:
Het oordeel is negatief omdat:
Het oordeel is positief omdat:
• Deze vergelijkbaar is met de huidige situatie.
• De waterafvoer toeneemt met 10 Mm3/ jaar, met name doordat in het voorjaar de grondwaterstand naar beneden wordt gebracht. In deze periode is er al een kans op pieken in de afvoer en dit vergt dus veel van de waterbeheerder.
• De waterafvoer neemt in zijn totaliteit af met 13Mm3/jaar. Dit betekent minder kosten om uit te malen.
67
WATERSYSTEEM: OPVOERHOOGTE GEMALEN Bodemdaling van de veengebieden leidt ertoe dat de hoogteverschillen tussen binnendijkse (de veengebieden) en buitendijkse gebieden (een rivier, kanaal of het IJsselmeer) toenemen en daarmee ook de hoogte die een gemaal moet overbruggen om water uit de veenpolders te pompen (‘opvoerhoogte’).
Op onderstaande kaarten zijn de gemalen weergegeven met het effect van bodemdaling op de opvoerhoogten. De kleuren geven aan in hoeverre de huidige opvoerhoogte toeneemt door bodemdaling bij het scenario Doorgaan en - in mindere mate - bij remmen. Bij het scenario Stoppen neemt de huidige opvoerhoogte af.
De belangrijkste gemalen zijn groter en met naam weergegeven.
doorgaan huidig peilbeheer na implementeren maatregelen
scenario Remmen bodemdaling na implementeren maatregelen
scenario Stoppen bodemdaling na implementeren maatregelen
Legenda
Legenda
68
Hoe nadelig deze veranderingen zijn hangt samen met de geschatte verandering van energieverbruik en de snelheid waarmee aanpassingen nodig zijn. Deze vragen zijn onderwerp van aanvullend onderzoek.
Legenda
> 50 cm extra opvoerhoogte
> 50 cm extra opvoerhoogte
40 -50 cm extra opvoerhoogte
40 -50 cm extra opvoerhoogte
0 tot 10 cm opvoerhoogte minder
30 -40 cm extra opvoerhoogte 20 -30 cm extra opvoerhoogte
30 -40 cm extra opvoerhoogte 20 -30 cm extra opvoerhoogte
10 tot 50 cm opvoerhoogte minder
10 -20 cm extra opvoerhoogte
10 -20 cm extra opvoerhoogte
50 tot 75 cm opvoerhoogte minder 75 tot 100 cm opvoerhoogte minder
0 -10 cm extra opvoerhoogte
0 -10 cm extra opvoerhoogte
>125 cm opvoerhoogte minder
WATERSYSTEEM: EFFECTEN OP WATERVEILIGHEID doorgaan huidig peilbeheer na implementeren maatregelen
-
Keringen en de wateropgave Zie onderstaande toelichting op de scocre.
0
Het oordeel is negatief omdat de bodemdaling doorgaat in het huidige tempo.
Toenemend veiligheidsrisico door bodemdaling De normen voor primaire veiligheid zijn gebaseerd op een risicobenadering: risico is kans * gevolg. Bij toenemende bodemdaling wordt het gebied achter dijkring 10 voor de Mastenbroekerpolder en het gebied achter dijkring 11 voor Kamperveen lager. Bijgevolg wordt de schade die ontstaat als een dijk doorbreekt groter. Daarbij zal het LIR (lokaal individueel risico) ook toenemen als gevolg van hogere stroomsnelheden nabij de bres en diepere inundaties in de polders. De mogelijkheid is er dat de normen voor dijken langs dijkring 10 en 11 strenger zullen worden bij toekomstige verdergaande bodemdaling. Voor regionale veiligheid geldt hetzelfde, hoewel in de Mastenbroekerpolder alleen de kering tussen Koekoekspolder en Mastenbroekerpolder als regionale kering is aangewezen. Als het hoogteverschil tussen de kruinhoogte van de dijk en achterland groter wordt, worden de regionale normen mogelijk ook strenger. Op dit moment worden regionale keringen genormeerd op schadeklassen per overstroming. Bij meer potentiële schade, worden de eisen aan de regionale keringen eveneens strenger. Dit effect is in het bovenste figuur (rechts) geïllustreerd voor een fictief profiel. De verticale schaal is opgerekt om het mechanisme duidelijk te maken.
scenario Stoppen bodemdaling na implementeren maatregelen
scenario Remmen bodemdaling na implementeren maatregelen
+ Het oordeel is positief omdat de bodemdaling stopt/ sterk afremt.
Het oordeel is neutraal omdat de bodemdaling geremd wordt.
Afname van stabiliteit binnenwaarts door bodemdaling Een van de faalmechanismen waarop de veiligheid van een dijk wordt getoetst is de stabiliteit van de taluds. Door een instabiel talud bestaat de kans dat de dijk gaat afschuiven, zeker als er ook sprake is van overslag van water. Bodemdaling kan een negatieve invloed op dit faalmechanisme hebben vanwege het feit dat bodemdaling aan één of beide zijdes van de kering zorgt voor steilere taluds en daarmee meer risico op instabiele kades. Dit mechanisme is geïllustreerd in onderstaande figuur (onder).
Dijkring 10
Illustratie gevolgen regionale veiligheid naar aanleiding van bodemdaling:
Voortschrijdende tijd en bodemdaling
Illustratie faalmechanisme ‘Stabiliteit Binnenwaarts’:
Voortschrijdende tijd en bodemdaling
Dijkring 11
Primaire kering Regionale kering
69
Een blik op het zuiden, vanaf de Kamperzeedijk tussen de Mastenbroekerpolder en het Kampereiland, met rechts de Koekoekspolder met glastuinbouw 70
BROEIKASGASSEN: CO2 doorgaan huidig peilbeheer na implementeren maatregelen Snelheid/ hoeveelheid CO2 uitstoot De hoeveelheid CO2 die wordt uitgestoten door oxidatie van veen wordt per scenario kwantitatief in beeld gebracht. Dit wordt berekend met behulp van de fysische eigenschappen van veen en de verwachte bodemdaling per scenario. In de kaarten staat de totale hoeveelheid uitgestoten ton CO2 per jaar voor de deelgebieden Mastenbroek/Koekoekspolder en Kamperveen. In dit onderzoek is niet gekeken naar de impact van veenoxidatie op de andere broeikasgassen lachgas en methaan. Het wordt aanbevolen dit in het vervolg wel mee te nemen.
-
scenario Remmen bodemdaling na implementeren maatregelen
+
scenario Stoppen bodemdaling na implementeren maatregelen
++
Het oordeel is negatief omdat:
Het oordeel is positief omdat:
Het oordeel is zeer positief omdat:
• Doorgaan met het huidige peilbeheer ertoe leidt dat de bodemdaling voortz et, waardoor de CO2 uitstoot per jaar hoog is. Door opraken van het veen wordt de totale CO2 uitstoot autonoom lager.
• Remmen bodemdaling ertoe leidt dat de lage/ holle grondwaterstanden in de zomer worden aangevuld. De veenoxidatie neemt daardoor af. Dit leidt tot een significante afname van de CO2 uitstoot (afname van 35%.)
• Door het peil op te zetten tot maaiveld de veenoxidatie sterk afneemt, waardoor de CO2 uitstoot sterk afneemt. Het oordeel is (zeer) positief want veel minder veenoxidatie (afname van (60%).
70.000 ton CO2 per jaar
40.000 ton CO2 per jaar
20.000 ton CO2 per jaar
Legenda geen veen/ geen co2 uitstoot 1 tot 2.500 Kg/ha/jr 2.500 tot 5.000 Kg/ha/jr 5.000 tot 10.000 Kg/ha/jr 10.000 tot 15.000 Kg/ha/jr 15.000 tot 20.000 Kg/ha/jr > 20.000 Kg/ha/jr
15.000 ton CO2 per jaar
15.000 ton CO2 per jaar
10.000 ton CO2 per jaar
71
Lacunes en leemten in kennis: Omdat geen inventarisatie beschikbaar is van zakkingen en paalrot bij bebouwing is in de vervolgfase een inventarisatie en effectbeoordeling nodig om te onderzoeken bij hoeveel woningen dit speelt. Wel bekend is dat het voorkomen van paalrot, ten opzichte van west Nederland relatief klein van omvang is. Het in het westen bekende beeld speelt hier naar verwachting veel minder. In de effecten- en kostenanalyse ontbreekt soms brondata. Een voorbeeld is diepteligging van riolering/gasleidingen/elektra. Bij vervolgonderzoek verdient het aanbeveling om deze data te ontsluiten/onderzoeken. Bij de berekeningsresultaten in bijlage 2 is aangegeven waar en welke data ontbreekt. De relatie tussen bodemdaling en gaswinning is niet onderzocht. Al na de drooglegging van de Noordoostpolder zijn er maatregelen getroffen in verband met verzakkingen (schaderegeling). Er spelen vragen in gemeente Steenwijkerland over verzakkingen. Er zijn echter weinig/geen gevallen/problemen bekend (bron: gemeente Steenwijkerland). Voor de gebieden is het gehalte organische stof in de veenlagen niet bekend. Dit maakt veel uit voor de grootte van effecten. Een hoog gehalte organische stof betekent snellere bodemdaling door veenoxidatie en meer CO2-uitstoot. Naast CO2 zijn lachgas (NO2) en methaan (CH4) andere belangrijke broeikasgassen.
Deze zijn niet berekend, aangezien hier geen bruikbare berekeningsmethodiek voor beschikbaar is. De genoemde effecten op veiligheid zijn (nog) niet in getallen uitgedrukt. Hiervoor zijn overstromingsberekeningen nodig, die niet binnen de kaders van deze verkenning zijn uitgevoerd. De relatie met waterkwaliteit is zeer complex. Er is geen bruikbaar model aanwezig om hierover met cijfers onderbouwde uitspraken te doen. De precieze bodemprocessen bij veenoxidatie zijn nog niet goed genoeg begrepen en verdienen aandacht in het vervolg. Het is uit de praktijk bekend dat het effect van onderwaterdrainage sterk verschillend is per situatie. Er is een pilot gaande in het Staphorsterveld, die inzichten levert. Resultaten zijn echter niet zomaar toepasbaar op andere delen van het Overijssels veengebied. De maatregelen die zijn onderzocht in deze verkenning zijn niet alle kansrijke maatregelen. De effectiviteit van andere maatregelen is vooralsnog niet bekend op hetzelfde detailniveau als de in deze verkenning toegepaste. De kostenbeschouwingen zijn op basis van indicatieve getallen. Niet voor alle getallen is regionale informatie beschikbaar. Het verdient aanbeveling deze voor het vervolg te inventariseren.
72
Een blik op het Noorden vanaf de Hagedoornweg
VERKLARENDE WOORDENLIJST Boksloten Crux
Waterloop Een onderdeel van het veenweidegebied waar meerdere belangen bij elkaar komen, waar urgentie wordt gevoeld en waar dilemma’s sterk zichtbaar worden. Een crux helpt enerzijds de opgaven specifieker te onderzoeken, en anderzijds ook juist hier de oplossingen te zoeken
Deklaagweerstand Drooglegging Indicator
Weerstand veroorzaakt door een deklaag, waardoor grondwaterstromen worden beïnvloed Hoogteverschil slootpeil t.o.v. maaiveld Manier om effect te beschouwen; indicatoren helpen om abstracte thema’s toch kwantitatief in beeld te brengen Gezamenlijk onderzoek Grootschalige productielandschappen die relatief recent in gebruik zijn genomen.
Joint fact finding Jong ontginningslandschap Kampontginningen Kleiontginningslandschap Kraggenlandschap Kwelgebieden Laagveenontginning Maten- en flieren landschap Mediaan Oeverwal ontginningslandschap Peilvak Systeemmaatregelen Veenoxidatie
Wateropgave
Wegzijging Werkscenario’s
Ontginningen op iets minder vruchtbare grond aan de rand van een zandlandschap Open landschap met onregelmatig verkavelingspatroon Landschap bestaande uit trilveen, die ‘kraggen’ vormen met een hoge diversiteit aan vegetatie, zoals riet en veenmossen. Beschermd landschapstypen (habitatrichtlijn) Hier stroomt grondwater naartoe Open landschap met veenbodems, verkaveling ontstaan door occupatie vanuit de bewoonde hogere randen. Ontwatering met hoge dichtheid aan sloten en vaarten Laaggelegen kleinschalig landschap dat zich langs beken, in de natuurlijke laagten, heeft ontwikkeld Gemiddelde (de mediaan is de middelste waarde in een reeks getallen die gerangschikt zijn naar grootte) Hoger gelegen zandgronden met onregelmatige verkaveling Een geografisch afgebakend gebied waar één en hetzelfde waterpeil wordt nagestreefd Maatregelen met effect op het watersysteem/ hydrologische systeem van een gebied Veenoxidatie is in het beschouwde gebied de belangrijkste oorzaak van bodemdaling.
Oxidatie treedt op in veen boven het grondwaterniveau waar de toetredende zuurstof reageert met het organische materiaal en omzet in CO2 en nutriënten die op den duur uitspoelen, waardoor het bodemvolume afneemt en de bodem daalt (zie ook de beschrijving van de opgave in het hoofdrapport) De ruimtelijke en technische maatregelen die nodig zijn om de watersystemen op orde te brengen of te houden (te voldoen aan de in het kader van het Nationaal bestuursakkoord Water (NBW) afgesproken normen voor wateroverlast welke nader zijn uitgewerkt in de provinciale Waterverordening) Het grondwater stroomt hier weg naar omliggende gebieden met lagere grondwaterstanden Deze scenario’s zijn opgebouwd aan de hand van drie fundamentele denkrichtingen met de daarbij behorende mix van robuuste en beproefde maatregelen, waarbij bij elk van deze scenario’s de klimaatverandering is meeberekend. De werkscenario’s zijn illustratief maar hypothetisch; in de praktijk gaat het om maatwerk
73
74