2b. Bijlage 2 -Hoofdrapport Verkenning bodemdaling veenweidegebied Overijssel
Tekst van het document
Natuur en landschap 1. Behoud landschap en cultuurhistorisch belangrijke landschappen en landschapselementen. 2. Bevorderen van leefgebied van weidevogels. 3. Tegengaan van verdroging natuur en daardoor bijdragen aan de Natura 2000 doelen in het veenweidegebied en het aangrenzende zandgebied. Cultureel erfgoed en archeologie 4. Behoud van cultureel erfgoed (bouwwerken en landschappelijke elementen zoals dijken) en archeologie. Gebouwen en infrastructuur 5. Voorkomen / beperken aantasting van gebouwen. 6. Voorkomen / beperken aantasting van wegen en andere infrastructuur. Waterbeheer 7. Veilige en beheerbare waterkering. 8. Verbeteren waterkwaliteit. 9. Behouden voorraad zoet grondwater (bijvoorbeeld voor drinkwaterproductie). 10. Beperken kosten waterbeheer. Klimaatadaptatie 11. Klimaatadaptatie: vergroten weerstand en/ of veerkracht tegen extreme regenbuien, zachtere winters, extreme hitte en droge periodes. Verder speelt het vraagstuk van waterveiligheid, de gebieden liggen achter dijken. Uitstoot broeikasgassen door landgebruik 12. Verminderen CO2 emissie of toename vastlegging CO2. 13. Afname CH4 emissie. 14. Afname N2O emissie. Economie 15. Ontwikkelingsperspectief voor de landbouw versterken. 16. Ontwikkelingsperspectief voor recreatie versterken. 17. Perspectieven voor duurzame energieproductie en biobased circulaire economie versterken. Tabel 1.
Oogst uit het gebied van maatschappelijke opgaven in de veenweiden
53
3.4 Strategische vragen rond de toekomst van de veenweiden Om te horen hoe de belangrijkste stakeholders tegenover deze verkenning staan is een zogenaamde ‘Ronde langs de velden’ gemaakt. Op basis van deze percepties zijn strategische vragen voor de toekomst van de veenweiden geformuleerd. We hebben deze vragen ook getoetst bij betrokkenen.
3.2). Vooral het areaal heide met daarin veenmoerassen nam af. Een kleine groep mensen maakte zich al zorgen over landschap en natuur, maar verder stonden milieuproblemen zoals klimaatverandering, zure regen en afname biodiversiteit nauwelijks op de agenda.
We beginnen met een kijk naar het verleden. Toen baseerden we onze keuzes op andere verhalen dan nu. En kwamen we met andere oplossingen. Het verhaal dat was We willen nooit meer honger dus we moeten meer voedsel produceren. Dat was het leidende principe na de oorlog. De ‘woeste gronden’ werden ontgonnen en in gebruik genomen voor voedselproductie en bebouwing (Figuur
Figuur 3.1 Vlugschrift uit 1970 om lagere slootpeilen te stimuleren.
De drang naar meer productie betekende ook: de behoefte aan meer controle op de productieomstandigheden in de landbouw. Dat werd gedaan door het graven van sloten, aanleggen van drainage en gebruik van kunstmest, gewasbeschermingsmiddelen, betere rassen, ruilverkaveling en opleiden van boeren. Voor de veenweiden betekende dit verhaal ook inzetten op peilverlaging. De slagzin werd: ‘Een hoger inkomen door een lager slootpeil’. Dit werd van harte gestimuleerd door overheden (Figuur 3.1).
Figuur 3.2 Verandering in grondgebruik in Nederland (1900 - 1970)
Figuur 3.3 Overzicht van thema's en aspecten die spelen rond voedsel en landbouw. Bron: PBL Publicatie: De macht van het menu.
54
Verschil van inzicht over functies In Nederland is voedseltekort in principe verleden tijd. Gezien de mondiale bevolkingsgroei zal ‘nooit meer honger’ vast een uitdaging blijven waaraan de Nederlandse landbouw haar bijdrage zal blijven leveren. Naast innovaties op het gebied van landbouwproductie zullen ook nieuwe oplossingen een plek moeten krijgen, zoals een ander eetpatroon, met andere eiwitbronnen en minder verspilling. Uitdagingen voor de landbouw Ondertussen kraakt ons voedselsysteem in zijn voegen. De Nederlandse landbouw veroorzaakt per eenheid product minder milieubelasting dan landbouw in andere landen. Volgens de Balans van de Leefomgeving wordt een kilo groenten, vlees of melk in Nederland duurzamer geproduceerd dan elders in Europa. Maar omdat de boer weinig verdient aan een kilo product, gaat hij zoveel produceren dat de milieubelasting uiteindelijk toch hoog is. De overheid reageert hierop gewoonlijk met meer milieuwetgeving. Wat volgt is een voor de boer uitputtende combinatie van investeren in productieverhoging en investeren in milieumaatregelen. Het is druk rond de boer, zoals figuur 3.3 illustreert. Uitdagingen voor natuurbeheerders In het veenweidegebied van Overijssel bevinden zich diverse natuurgebieden. De WeerribbenWieden behoort, samen met de Rottige Meente (Fryslân) en Olde Maten tot het grootste laagveenmoerasgebied in Europa.
Vegetatie in deze laagveengebieden is kwetsbaar en waardevol. Een groot deel ervan heeft de status van Natura 2000-gebied, een beschermingsprogramma op Europees niveau. Door de maaivelddaling in naastgelegen agrarische gebieden is er sprake van wegzijging van water en daardoor verdroging. Door water aan te voeren worden de negatieve effecten hiervan zoveel mogelijk beperkt. Terreinbeherende organisatie geven aan dat de doelen voor natuur, gezien de status van Natura2000, niet vrijblijvend zijn en als maatschappelijke opgave moeten worden gezien. Uitdaging voor overheden In gesprekken over de veenweiden lopen twee kijkrichtingen door en naast elkaar, waarbij betrokkenen op verschillende aspecten de nadruk leggen. De uitdaging voor overheden is om bij de ontwikkeling van de veengebieden een goede afweging te maken tussen: • De doorontwikkeling van het productielandschap. • De ontwikkeling van een productielandschap naar een multifunctioneler landschap.
De doorontwikkeling van het productielandschap Boeren produceren voedsel voor mensen die vaak weinig idee hebben van de keuzes die boeren daarbij moeten maken. De eisen aan duurzaamheid, dierenwelzijn en landschap worden tegelijkertijd steeds hoger en de rekening voor deze eisen wordt vrij eenzijdig bij boeren gelegd. Want in de winkel kiest een groot deel van de consumenten voor de laagste prijs. Omdat de prijzen onder druk staan moeten boeren steeds efficiënter, tegen een zo laag mogelijke kostprijs, produceren. Dat wordt steeds moeilijker want kosten voor land, arbeid, pootgoed en milieubescherming stijgen wel. Er zijn steeds meer boeren die willen stoppen, terwijl andere boeren juist willen uitbreiden. Daarbij verdwijnt elk jaar grond uit de landbouw naar woningbouw, waterberging en natuur. Tot slot is er ook nog ruimte nodig voor energieproductie. Gebrek aan ontwikkel- en investeringsruimte maakt het voor veel boeren moeilijk om hun bedrijfsvoering snel te veranderen. De agrarische sector zit vast en kan moeilijk van koers veranderen. Deze koersvastheid noemt het Planbureau voor de Leefomgeving ook wel padafhankelijkheid.
Padafhankelijkheid gaat over de beperkte mogelijkheden tot verandering wanneer opstartkosten van alternatieven hoog zijn, leereffecten de kosten van bestaande paden verlagen, en er reeds schaalvoordelen zijn behaald in de toeleverings- en afnamenetwerken rond het bestaande productiepad. Bron: PBL publicatie: Naar een wenkend perspectief voor de Nederlandse landbouw.
Naar een multifunctioneler landschap We gaan van een productielandschap naar een multifunctioneler landschap, waarin ruimte nodig is voor het NatuurNetwerk Nederland, waterberging, verstevigen van dijken, beekdalen, vastlegging van CO2, recreatie, toerisme en wonen. Nederlandse regeringen hebben, vanuit eigen ambities over water en biodiversiteit in Europees verband daarover afspraken gemaakt (Kaderrichtlijn water, Vogel en Habitatrichtlijn, Natura2000). Voor natuur zijn deze afspraken weer doorvertaald naar afspraken tussen Rijk en provincies. Terreinbeherende organisaties zoals Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en LandschappenNL worden afgerekend op halen van natuurdoelen. Het streven naar maximalisatie van de landbouwproductie wordt vervangen door het streven naar optimale functiecombinaties. Waarbij overheden in principe bepalen wat optimaal is.
55
In 2011 werd verantwoordelijkheid voor natuurontwikkeling en -beheer een provinciale aangelegenheid. Dit hebben Rijk en provincies afgesproken in het Natuurpact. Provincies werden verantwoordelijk voor de versterking van de natuur door het beheren en verbinden van natuurgebieden, instandhouding van bossen, beschermen van flora en fauna en investeren in een duurzame landbouw. Provincies staan aan de lat om samen het NatuurNetwerk Nederland te realiseren. Afgesproken is dat we in Nederland tot 2027 nog 53.600 ha aan het netwerk toevoegen. Dan is ongeveer 15% van Nederland deel van het natuurnetwerk (zie figuur 3.4). Figuur 3.4 Informatie over Natuurnetwerk Nederland
Zes strategische vragen rond de toekomst van de veenweiden Tijdens de bijeenkomst op 29 november met 30 agrarische ondernemers hebben we de verschillende kijkrichtingen en toekomstige uitdagingen met elkaar geconfronteerd. Dit leverde zes strategische vragen op die ook als zodanig worden herkend door Staatsbosbeheer en de gemeente Kampen. Dit zijn dus vragen die leven bij betrokkenen in de veenweidegebieden van Noordwest Overijssel. • Hoe kijken we aan tegen de ontwikkeling van het landschap en de regio? • Met welke snelheid willen en kunnen we veranderen? • Is ruilverkaveling onderdeel van de oplossingsrichting? • Wat is de visie op biodiversiteit en natuurontwikkeling? • Hoe werken we aan kringlooplandbouw in de veenweiden? • Wie draagt de kosten van maatregelen? Hoe kijken we aan tegen de ontwikkeling van het landschap en de regio? Er is behoefte aan een bestuurlijke uitspraak over de ontwikkeling van het landschap en de regio in relatie tot ambities op het gebied van tegengaan van emissies van broeikasgassen uit veenweidegebied en de toekomst van de melkveehouderij. Melkveehouderij is een belangrijke drager van het landschap en kan maatregelen nemen om veenoxidatie te remmen, maar kan deze niet stoppen. Om veenoxidatie te stoppen moet het landgebruik veranderen en
56
daarmee zal het landschap veranderen. Hoeveel moet het veenweidegebied van Overijssel bijdragen aan de emissiereductie van Overijssel/ Nederland? Aan welke ambitie geven bestuurders in welke gebieden prioriteit? Ook gezien het belang van grasland voor weidevogels. Met welke snelheid willen en kunnen we veranderen? De opgave om de uitstoot van broeikasgassen te beperken komt voort uit het Klimaatakkoord dat in 2015 in Parijs werd gesloten. Nederland heeft in december 2015, samen met 195 landen, het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend. Nederland heeft daarmee beloofd om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius. Volgens de website van het Klimaatakkoord willen we in 2030 wereldwijd bijna de helft (49%) minder broeikasgassen uitstoten dan in 1990. Elk land moet eigen, nationale maatregelen nemen om het wereldwijd afgesproken doel te halen. Nederland heeft ervoor gekozen om - met overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke partijen - een Klimaatakkoord te sluiten. Voor verschillende sectoren zijn doelen vastgesteld. We hebben vanaf 2019 nog 11 jaar tot 2030. Boeren willen het liefst investeren op natuurlijke momenten (vervangen machines, bouw en onderhoud stal) om kapitaalvernietiging te voorkomen. Aan de andere kant willen we maatregelen tegen veenoxidatie graag snel nemen en willen we nieuwe kennis snel in praktijk brengen.
Wie bepaalt de snelheid van veranderen en hoe verdelen we de kosten van investeringen?
Is ruilverkaveling onderdeel van de oplossingsrichting? Boeren en natuurbeheerders zien veenoxidatie en bodemdaling ook als ruimtelijke opgaven, terwijl overheden vaker denken aan oplossingen op het gebied van waterbeheer, natuurbeheer en bedrijfsvoering door de boer. Boeren en natuurbeheerders zien ruilverkaveling (en op kleinere schaal kavelruil), functieverandering en uitplaatsen van boeren als onderdeel van maatregelen. Dat zou je het ‘land voor land principe’ kunnen noemen. Kan en wil de overheid het instrument van ruilverkaveling inzetten voor de bodemdalingsproblematiek? Wat is de visie op biodiversiteit en natuurdoelen? Wat natuurdoelen betreft constateren we dat in gebieden waar bodemdaling doorgaat de natuur steeds meer te maken zal krijgen met wegzijging en dat beherende organisatie steeds meer maatregelen zullen moeten nemen tegen verdroging. Hoever willen/ moeten terreinbeherende organisaties daarin gaan en wat betekent dat voor beheerkosten? Wat betekent klimaatverandering voor natuurdoelen? Voor wat betreft biodiversiteit buiten natuurgebieden gaat het vooral over weidevogels. Vochtiger en meer kruidenrijk grasland biedt kansen voor weidevogels, zoals de wulp.
In hoeverre is er een beheerpakket mogelijk waarin een combinatie van maatregelen tegen bodemdaling en verbeteren leefomstandigheden weidevogels wordt gemaakt? En welke rollen kunnen overheden, natuurbeheerders en boeren spelen bij natuurontwikkeling? Hoe werken we aan kringlooplandbouw in de veenweiden? Aan welke landbouw werken we de komende decennia in de veenweiden? Welk antwoord kan een boerenbestuurder zijn of haar achterban geven op de vraag: wat moet ik doen om hier de komende 20 jaar te kunnen boeren? In haar landbouwvisie pleit minister Schouten voor kringlooplandbouw, als nieuw verhaal voor de landbouw. Door het beter sluiten van kringlopen kan de landbouw meer in balans komen met andere functies. De landbouwvisie benadrukt dat kringlooplandbouw een maatschappelijke opgave is die niet alleen op het bord van de landbouw ligt maar ook bij de consument, de keten en de
overheid. Hoe organiseren we dat alle partijen hun bijdrage willen en kunnen leveren? Tot voor kort waren veel stimulansen voor de landbouw vanuit onderzoek, beleid, de financiële wereld, de advieswereld en waterbeheer vooral gericht op kostprijsverlaging en productieverhoging (intensivering). Boeren baseerden hun bedrijfsstrategie op deze stimulansen en dit heeft geleid tot een voedselsysteem met een zeer koersvaste landbouw met beperkte mogelijkheden tot verandering. Willen overheden bij het ontwikkelen van de veenweiden rekening houden met deze padafhankelijkheid? Dan is het belangrijk om lopende afspraken te verhelderen en ervoor zorg te dragen dat veranderingen passen in de dynamiek van bedrijfsontwikkeling. Tegelijk voelen we ook de urgentie van klimaatverandering en achteruitgang van biodiversiteit. Als we snel willen veranderen dan moet het gesprek ook gaan over de vraag hoe investeringen naar voren kunnen worden geschoven. Welke nieuwe paden kunnen we ontwikkelen in relatie tot productie- en multifunctionelere landschappen? Dat komt allemaal samen in de vraag: hoe werken we aan kringlooplandbouw in de veenweiden? Wie draagt de kosten van maatregelen? De grond in de veenweiden is in veel gevallen in eigendom van de boer en productie staat centraal in dit landschap.
Hoe gaan we om met de verdeling van de kosten als het peil verder wordt verlaagd om landbouw mogelijk te maken, of als het peil wordt verhoogd om natuur mogelijk te maken? Geldt een bepaald peil alleen voor de periode van een peilbesluit of kunnen landeigenaren en landgebruikers erop rekenen dat er in het volgende peilbesluit geen grote veranderingen in peil plaatsvinden? Is vernatting door beperkte peilindexatie, waarbij het peil de bodemdaling niet meer helemaal volgt, een redelijke oplossing? En als dat zo is, hoeveel peilindexatie is eerlijk: 25%, 50% of 75%? Wat is een rechtvaardige oplossing voor eventuele waardedaling van land en hoe verdelen we eventuele nieuwe baten? Wil de overheid de onkosten, of in elk geval de onrendabele top, van maatregelen betalen? Welk deel van de POP gelden, Regiodeals en andere programma’s zetten we in voor de veenweiden?
57
Hoofdstuk 4
58
Methodiek en werkwijze Dit hoofdstuk beschrijft de gehanteerde methodiek en de wijze waarop in deze verkenning diverse werkstappen zijn doorlopen. In onderstaande figuur zijn de ‘werk’stappen weergegeven. Daarbij is cyclisch gewerkt; na elke stap zijn de uitkomsten in dialoog besproken en waar nodig bijgesteld en/of opnieuw onderzocht voordat gestart werd met de volgende stap. Deze dialoog vond plaats tijdens de maandelijkse interne projectteam bijeenkomsten en bij een tweetal expertsessies. Het hoofdstuk is niet technisch van aard. Achtergrondinformatie rondom de berekeningen en data-analyses staan beschreven in bijlage 2.
4.1 BASIS EN METHODIEK
4.2 ONDERZOEK NAAR TOEKOMSTPERSPECTIEVEN VIA WERKSCENARIO’S
4.3 EXPERTSESSIE 1
4.4 MODELBEREKENINGEN WERKSCENARIO’S & RESULTATEN
4.5 EXPERTSESSIE 2
4.6 EFFECTBEPALING WERKSCENARIO’S
59
4.1 Basis en methodiek Zoals gesteld in de inleiding maken we onderscheid tussen drie deelgebieden. Elk van deze deelgebieden heeft zijn eigen 'veenuitdagingen' door onderscheidende bodemopbouw en hydrologie, landgebruik en cultuurhistorie. Voor elk van deze deelgebieden zijn onderstaande elementen in beeld gebracht, die in de gebiedsalmanakken en in de synthese (hoofdstuk 2) verder zijn toegelicht: De historie van het gebied; zowel geologisch als cultuurhistorisch. • Een overzicht van ruimtelijke waarden en huidig landgebruik. • Karakteristieken van het gebied in termen van ondergrond en hydrologie. • Een probleemanalyse aan de hand van cruxen (zie kopje ‘focus via cruxen’). • De huidige snelheid van bodemdaling door veenoxidatie (de autonome situatie: werkscenario ‘doorgaan’) en de verandering van veendiktes. • De definitie van twee werkscenario’s met Verschillende ruimtelijke schaalniveaus De veenweideproblematiek kan op verschillende schaalniveaus worden bezien: Vanuit het perspectief van de agrariër gaat het vooral om het perceelniveau dat al dan niet hinder ondervindt van de gevolgen van bodemdaling. De gemeente zal bodemdaling eerder op wijkniveau bekijken. Het waterschap – verantwoordelijk voor de peilbesluiten – kijkt wellicht op het niveau van het bemalingsgebied, terwijl de provincie kijkt naar bijvoorbeeld landschappelijke consequenties of CO2uitstoot.
Ieder ruimtelijk schaalniveau heeft zijn eigen uitdagingen. Echter er is ook veel samenhang, dit komt uitgebreid aan bod in de gebiedsalmanakken. In de ruimtelijke analyses in deze studie wordt steeds gewerkt binnen verschillende schaalniveaus, om een compleet beeld te verkrijgen van zowel de uitdagingen als de oplossingen.
Werkscenario 'doorgaan'
•
•
elk principieel andere keuzes rondom waterbeheer (zie 4.2 ‘Onderzoek naar toekomstperspectieven met scenario’s’). Een detailbeschrijving van de gebruikte systeemmaatregelen in de uiteindelijke werkscenario’s (zie 4.4 ‘Modelberekeningen werkscenario’s en conclusies). De effecten op diverse thema’s zoals grondwaterstanden, snelheid van bodemdaling en veendiktes aan de hand van de werkscenario’s (zie 4.6 ‘Effectenbepaling werkscenario’s’).
Gebiedsalmanakken Bovenstaande informatie is gepresenteerd in de gebiedsalmanakken. De keuze hiervoor is vanwege een aantal belangrijke redenen: 1. Het doel van dit document is om de feiten, analyses en uitkomsten van de verkenning bodemdaling veenweide inzichtelijk te maken in het vervolgproces. Dit betekent dat de inhoud van het document begrijpelijk Veelal zijn ingrepen op het ene schaalniveau nodig om problemen op een ander schaalniveau op te lossen. Een voorbeeld hiervan kan zijn: een woonwijk kampt met verzakkingen van huizen door paalrot, als gevolg van een te lage grondwaterstand. Deze grondwaterstand is het gevolg van het lage oppervlaktewaterpeil dat de agrariërs nodig hebben voor een economisch rendabel grondgebruik. Door het lage peilniveau is er bodemdaling, waardoor het probleem zichzelf in stand houdt en de bodem naar de toekomst nog verder zal dalen, met toenemende schade aan de huizen tot gevolg. Een oplossing hiervoor kan zijn om het peil te verhogen (hoger schaalniveau), maar ook door onderwaterdrains in de percelen te leggen (lager schaalniveau). Het principe van schakelen tussen schaalniveaus is nodig voor het volledig verkennen van de inhoudelijke problematiek, maar ook om het begrip tussen verschillende probleemeigenaren te vergroten. Dit principe is een rode draad tijdens het hele proces van de totstandkoming van dit rapport.
Werkscenario 'remmen'
Werkscenario 'stoppen'
Figuur 4.1 Werkscenario's 'doorgaan', 'remmen' en 'stoppen'. Bron: Programmabureau Groene Hart / Ronald van der Heide (aangepast)
60
voor eenieder moet zijn. Vanwege de soms specialistische onderdelen, is veel gebruik gemaakt van infographics en beelden. 2. De problematiek gaat over ruimtelijke aspecten; verandering van de ruimte door bodemdaling en het onder druk staan van het huidige gebruik van dezelfde ruimte. Veel van de problematiek en de bijbehorende oplossingen spelen op diverse ruimtelijke schaalniveaus (zie kader 'verschillende ruimtelijke schaalniveaus'). Beelden, kaarten en infographics passen beter bij deze thematiek dan tekst. 3. De uitdagingen liggen in het heden, maar ook in de (verre) toekomst. Om iedereen een beter beeld te geven van de consequenties van bepaalde keuzes wordt gebruik gemaakt van verbeeldingen van mogelijke toekomsten. 4. Ieder gebied heeft zijn eigen verhaal. Om deze reden zijn de almanakken als zelfstandig leesbare bijlagen gepresenteerd, opdat ze als deelproduct inzetbaar zijn bij de gebiedsprocessen. Berekeningen en toetsing door expert judgment De gepresenteerde feiten, analyses en uitgevoerde berekeningen voor de werkscenario’s in dit onderzoek, en dan met name in de Gebiedsalmanakken, zijn voornamelijk gebaseerd op bestaande informatie en data. Bijlage 2 gaat dieper in op de herkomst van de data en de manier van de berekeningen. Daarbij is gebruik gemaakt van reeds bij waterschap, provincie en gemeentes aanwezige data.
Deze bestaande data zijn met bureaustudie en hulp van gebiedspartijen verzameld en vervolgens bewerkt en geanalyseerd, gebruikmakend van GIS-analyses. De resultaten van de analyses en berekeningen zijn voortdurend
gecontroleerd en verrijkt in een reeks ambtelijke werksessies met experts. Focus via 'cruxen' Tijdens de start van deze verkenning bleek dat de problematiek in sommige gebieden als urgent wordt gevoeld. In deze gebieden komen verschillende opgaves bij elkaar, waardoor dilemma’s zichtbaar worden. De discussie rondom deze gebieden is belangrijk voor het vervolgproces; daarom is gekozen om in deze studie de focus op deze gebieden te richten. Binnen het kader van deze studie worden deze gebieden ‘cruxen’ genoemd. Hierbij dient gezegd dat een crux zich dus op diverse schaalniveaus kan afspelen. Deze verkenning bodemdaling veenweide gaat niet exclusief over de cruxen. Andere problemen komen op middellange of lange termijn aan de orde, en de problematiek van de huidige cruxen kan zich uitbreiden naar andere locaties. Het is essentieel ook deze andere problemen en andere locaties als volwaardig te beschouwen, omdat we willen voorkomen dat we een 'point of no return' passeren, door deze niet in beeld te hebben. Daarnaast moeten oplossingen voor de cruxen integraal worden beschouwd en gewogen met gevolgen voor toekomstige oplossingsrichtingen voor de toekomst. Hiervoor is inzicht nodig in toekomstige opgaves en de consequenties van zekere keuzes. Deze zijn in deze studie in beeld gebracht met behulp van werkscenario’s (zie ook 4.2).
Zoals in hoofdstuk 3 beschreven is in het kader van de eerste ideevorming met een aantal stakeholders in de veenweiden van Noordwest Overijssel gesproken over hun beeld en percepties van de toekomst en hun beeld op de bestaande situatie.
4.2 Onderzoek naar toekomstperspectieven via werkscenario’s De toekomstige opgaves en bijbehorende effecten zijn onderzocht aan de hand van een drietal werkscenario’s. Deze scenario’s zijn opgebouwd aan de hand van drie fundamentele denkrichtingen. Bij elk van deze scenario’s voor de toekomst is klimaatverandering1 meeberekend. De gebruikte denkrichtingen zijn:
winnen om gestaag tot ruimtelijke adaptatie te komen, waar nodig. 'Stoppen': het beleid van overheden is in dit scenario gericht op het stoppen van bodemdaling door veenoxidatie. Het doel is om het veen te behouden en de ruimtelijke ordening op grote schaal aan te passen.
'Doorgaan': de voortzetting van het huidige beleid naar de toekomst rondom peilbeheer en ruimtegebruik. 'Remmen': het beleid van overheden is in dit scenario gericht op het remmen van de bodemdaling. Het belangrijkste doel is tijd te
Deze denkrichtingen zijn vertaald naar systeemmaatregelen om bodemdaling tegen te gaan. Klimaatscenario LG 2050, consistent met het uitgangspunt voor wateropgave berekeningen van het waterschap Drents Overijsselse Delta 1
61
4.3 Expertsessie 1: vertaling werkscenario’s in maatregelen De vertaling van denkrichtingen naar concrete maatregelen is in een expertsessie2 samen met ambtelijke vertegenwoordigers van gebiedspartijen uitgevoerd en nadien met specialisten aangescherpt en steekhoudend gemaakt. Hierbij is de groslijst aan maatregelen van bijlage 2 het startpunt geweest. Deze maatregelen zijn ter voorbereiding van de expertsessie gerubriceerd naar mogelijke maatregelen per denkrichting. Tevens zijn de maatregelen thematisch onderscheiden en opgenomen in bijlage 2. Uiteindelijk is ervoor gekozen om voor de werkscenario’s alleen systeemmaatregelen
toe te passen, die direct effect hebben op bodemdaling en/of het hydrologische systeem van het deelgebied, waardoor de bodemdaling wordt geremd of gestopt. Er zijn daarbij allerlei secundaire maatregelen denkbaar om bodemdaling te mitigeren of te compenseren. Deze mogelijk in te zetten maatregelen zijn onderdeel van het in de toekomst te voeren gebiedsproces en voor deze verkenning nog niet aan de orde. D.d. 15 mei 2018, aanwezigen waren vertegenwoordigers van de gemeenten Kampen, Steenwijkerland, Staphorst, waterschap Drents Overijsselse Delta en provincie Overijssel. 2
4.4 Modelberekeningen werkscenario’s en conclusies Een detailbeschrijving van de gebruikte systeemmaatregelen in de uiteindelijke werkscenario’s, de hydrologische conclusies na uitvoering van de modelberekeningen en kansrijke systeemmaatregelen zijn weergegeven in elk van de gebiedsalmanakken en beknopt samengevat in hoofdstuk 2 ‘Synthese’. Daarin zijn mogelijke secundaire maatregelen als suggestie toegevoegd, en niet verder uitgewerkt. Uitgangspunten voor de uitgevoerde modelberekeningen zijn opgenomen in bijlage 2.
Geen blauwdruk maar bouwstenen Geen van bovengenoemde scenario’s zijn bedoeld als werkelijkheid. Het zijn werkscenario’s, die de keuzeruimte voor elk van de deelgebieden op hoofdlijnen omspannen. Uit de effectenanalyse blijkt of voor sommige deelgebieden systeemmaatregelen aantrekkelijk kunnen zijn. Uit de uitkomsten van de scenario-analyse kunnen bouwstenen worden gedestilleerd voor het vervolgproces.
4.5 Expertsessie 2: beoordelen resultaten werkscenario’s De beoordeling van de resultaten van de werkscenario’s en het destilleren van bouwstenen is gebeurd samen met een brede vertegenwoordiging van overheidspartijen in een werksessie op 4 december 2018. De resulterende inzichten zijn wederom gerapporteerd in de Gebiedsalmanakken en dienen als aanbeveling voor het gebiedsproces.
62
De resultaten zijn niet alleen ruimtelijk geanalyseerd, maar ook in de tijd. Kantelpunten en 'showstoppers' worden benoemd en beschreven. Eind november 2018 is wederom gesproken met de belangrijkste stakeholders uit de veenweiden en zijn de kijkrichting(en) (zie 3.3) en vragen aan bestuurders (zie 3.4) voorgelegd en besproken.
4.6 Effectbepaling werkscenario’s In de Gebiedsalmanakken zijn eerst de ‘primaire’ effecten weergegeven van de systeemmaatregelen binnen de werkscenario’s. Het gaat hierbij om het effect op grondwaterstanden, het effect op de bodemdaling en het effect op de veendikte. Hierbij worden de resultaten van de werkscenario’s vergeleken met de autonome situatie (werkscenario ‘doorgaan’). Ook de effecten van de werkscenario’s op het watersysteem zijn in beeld gebracht. Naast de hydrologische effecten is beschouwd in hoeverre de systeemmaatregelen effect hebben op de beleving van het landschap. De effecten op beleving van het landschap zijn subjectief, aangezien elke gebruiker daar zijn eigen perceptie bij heeft. Daarom is er is geen oordeel maar een beschouwing gegeven over de optredende ruimtelijke effecten van de systeemmaatregelen. Beoordeling van effecten, kosten en baten De werkscenario’s leiden tot onderling wezenlijk verschillende inrichtingen van het veengebied, zowel wat betreft watersysteem als het potentieel voor gebruiksfuncties. Er zijn per scenario dan ook verschillende effecten op aanwezige functies. Deze effecten zijn in beeld gebracht via de eerdergenoemde gis-analyse met kaarten en infographics, maar ook beschrijvend, als kwantificering niet mogelijk is.
Indicatieve kosten-baten-analyse en overige effecten: Een aantal van de effecten leent zich goed voor monetarisatie, waardoor een indicatieve vergelijking van kosten en baten kan worden gemaakt, hetgeen vergelijken van de kansrijkheid van de denkrichtingen makkelijker maakt. Echter een aantal effecten is moeilijk monetariseerbaar, zoals de verslechtering of verbetering van natuurwaarden. Toch is het nodig dat deze toch in samenhang worden gebracht met de wel monetariseerbare effecten. Daarom zijn voor elk effect ‘indicatoren’ gedefinieerd, waarmee de kwantitatieve analyse wordt gedaan. De indicatoren helpen om abstracte thema’s, zoals bijvoorbeeld 'kansen voor veenweidevogels' toch kwantitatief te beschouwen. Een toelichting op de beschouwde thema’s, subthema’s en indicatoren staat in bijlage 3. Voor het vergelijk van effecten is de volgende aanpak gebruikt: Voor monetariseerbare effecten De in de vorige paragraaf beschreven indicatoren (aankoop van land in # ha, verzet van grond in m3 et cetera) zijn vermenigvuldigd met
kengetallen om een indicatie van veroorzaakte kosten te krijgen. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten: •
• • •
Het gaat alleen om directe (bouw-) kosten, er is geen rekening gehouden met opslagen zoals risico-opslagen, arbeidskosten, BTW enzovoorts. Er is geen rekening gehouden met levensduurkosten (‘life-cycle-costs). De kengetallen zijn afkomstig uit diverse literatuurbronnen en waar mogelijk vanuit het waterschap Drents Overijsselse Delta. De kengetallen hebben een wisselend prijspeil. Sommige zijn bijvoorbeeld afgeleid in 2014, andere vorig jaar. Geen van de kengetallen stamt uit een periode langer dan 5 jaar geleden. Er is niet gecorrigeerd voor huidig prijspeil.
De kengetallen en bronvermeldingen zijn weergegeven in bijlage 2. Daarnaast is voor elk van de scenario’s berekend wat het implementeren van een scenario zou kosten. Voor scenario ‘doorgaan’ is dit uitgedrukt in de meerkosten van het beheer een dalend gebied ten opzichte van een niet-dalend gebied plus de investeringen die nodig zijn om het waterbeheer van het gebied op de huidige wijze te kunnen blijven uitoefenen. Voor scenario’s ‘stoppen’ en ‘remmen’ zijn de investeringskosten van de maatregelen berekend, de effecten van de geïmplementeerde maatregelen en de besparingen op de kosten van beheer ten opzichte van het scenario ‘doorgaan’. Dit leidt tot indicatieve overzichten van de kosten om een werkscenario uit te voeren versus de effecten en bespaarde kosten. De belangrijkste resultaten hiervan zijn weergegeven in hoofdstuk 2 ‘synthese’. De totstandkoming en deelresultaten van de kostenanalyse is beschreven in bijlage 2. Beoordeling niet-monetariseerbare effecten De niet-monetariseerbare effecten zijn op een Likert-schaal (--, -, 0 , +, ++) gescoord. Dit is gebeurd in expertsessies met een diverse groep specialisten en gebiedsvertegenwoordigers van betrokken overheidspartijen op 4 december. De beoordelingen zijn onderbouwd en gevisualiseerd in de gebiedsalmanakken.
De weging van de kosten-baten-analyse in samenhang met de niet-monetariseerbare effecten is onderdeel van het gebiedsproces en bestuurlijk proces en maakt geen onderdeel uit van dit onderzoek.
63
64
verklarende woordenlijst Boksloten
Waterloop
Crux
Een onderdeel van het veenweidegebied waar meerdere belangen bij elkaar komen, waar urgentie wordt gevoeld en waar dilemma’s sterk zichtbaar worden. Een crux helpt enerzijds de opgaven specifieker te onderzoeken, en anderzijds ook juist hier de oplossingen te zoeken
Deklaagweerstand
Weerstand veroorzaakt door een deklaag, waardoor grondwaterstromen worden beïnvloed
Drooglegging
Hoogteverschil slootpeil t.o.v. maaiveld
Indicator
Manier om effect te beschouwen; indicatoren helpen om abstracte thema’s toch kwantitatief in beeld te brengen
Joint fact finding
Gezamenlijk onderzoek
Jong ontginningslandschap
Grootschalige productielandschappen die relatief recent in gebruik zijn genomen.
Kampontginningen
Ontginningen op iets minder vruchtbare grond aan de rand van een zandlandschap
Klei-ontginningslandschap
Open landschap met onregelmatig verkavelingspatroon
Kraggenlandschap
Landschap bestaande uit trilveen, die ‘kraggen’ vormen met een hoge diversiteit aan vegetatie, zoals riet en veenmossen. Beschermd landschapstypen (habitatrichtlijn)
Kwelgebieden
Hier stroomt grondwater naartoe
Laagveenontginning
Open landschap met veenbodems, verkaveling ontstaan door occupatie vanuit de bewoonde hogere randen. Ontwatering met hoge dichtheid aan sloten en vaarten
Maten- en flieren landschap
Laaggelegen kleinschalig landschap dat zich langs beken, in de natuurlijke laagten, heeft ontwikkeld
Mediaan
Gemiddelde (de mediaan is de middelste waarde in een reeks getallen die gerangschikt zijn naar grootte)
Oeverwal ontginningslandschap
Hoger gelegen zandgronden met onregelmatige verkaveling
Peilvak
Een geografisch afgebakend gebied waar één en hetzelfde waterpeil wordt nagestreefd
Systeemmaatregelen
Maatregelen met effect op het watersysteem/ hydrologische systeem van een gebied
Veenoxidatie
Veenoxidatie is in het beschouwde gebied de belangrijkste oorzaak van bodemdaling. Oxidatie treedt op in veen boven het grondwaterniveau waar de toetredende zuurstof reageert met het organische materiaal en omzet in CO2 en nutriënten die op den duur uitspoelen, waardoor het bodemvolume afneemt en de bodem daalt (zie ook de beschrijving van de opgave in het hoofdrapport)
Wateropgave
De ruimtelijke en technische maatregelen die nodig zijn om de watersystemen op orde te brengen of te houden (te voldoen aan de in het kader van het Nationaal bestuursakkoord Water (NBW) afgesproken normen voor wateroverlast welke nader zijn uitgewerkt in de provinciale Waterverordening)
Wegzijging
Het grondwater stroomt hier weg naar omliggende gebieden met lagere grondwaterstanden
Werkscenario’s
Deze scenario’s zijn opgebouwd aan de hand van drie fundamentele denkrichtingen met de daarbij behorende mix van robuuste en beproefde maatregelen, waarbij bij elk van deze scenario’s de klimaatverandering is meeberekend. De werkscenario's zijn illustratief maar hypothetisch; in de praktijk gaat het om maatwerk
Foto linkerpagina: natuurgebied De Olde Maten, in deelgebied Staphorsterveld Foto achterpagina: Mastenbroekerpolder
65
66