1a. Bijlage 1 - Concept-startdocument Gebiedsgerichte aanpak Noordwest-Overijssel
Tekst van het document
CONCEPT-STARTDOCUMENT GEBIEDSGERICHTE AANPAK NOORDWEST OVERIJSSEL TEVENS REGIONALE VEENWEIDESTRATEGIE 1.0 INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING
2
HOOFDSTUK 1 DE GEBIEDSGERICHTE AANPAK NOORDWEST OVERIJSSEL 1.1 Doel Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel (GGA NWO) 1.2 Doel van dit startdocument 1.3 Inleiding en leeswijzer 1.4 Procedurele afspraken Startdocument
4
HOOFDSTUK 2 UITGANGSPUNTEN GEBIEDSGERICHTE AANPAK NWO
8
HOOFDSTUK 3 OPGAVEN VOOR DE GEBIEDSGERICHTE AANPAK NWO
9
HOOFDSTUK 4 OVERIGE CONCLUSIES UIT DE GEBIEDSANALYSE 4.1 Werken vanuit de thematiek van de Rode Draden 4.2 Verwerken van het advies van de Deelgebiedscommissies 4.3 Gezichtspunten en belangen duidelijk in beeld
13
HOOFDSTUK 5 AAN DE SLAG IN DE GGA NWO 5.1 Inleiding 5.2 Toekomstperspectief Noordwest Overijssel 2030 en 2050 5.3 Werken aan de Gebiedsagenda 5.4 Onderzoek (landelijk en in Noordwest Overijssel) 5.5 Waar gaan we eerst aan werken
16
HOOFDSTUK 6 ORGANISATIE VAN DE GEBIEDSGERICHTE AANPAK NWO 6.1 Inleiding 6.2 Organisatie overkoepelend en per deelgebied 6.3 Stakeholders in dit gebiedsproces 6.4 Communicatie en participatie 6.5 Planning en financiering
22
HOOFDSTUK 7 HET BREDERE KADER 7.1 Relatie met andere actuele gebiedsprocessen 7.2 Relatie van regionaal niveau met landelijk niveau 7.3 Interbestuurlijk programma Vitaal Platteland (IBP-VP) 7.4 Klimaatakkoord 7.5 Stikstofwet
28
BIJLAGEN 1. Plannen, afspraken, beleid en onderzoek, die de basis vormden voor de inhoudelijke Uitgangspunten voor de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel
2. Gebiedsanalyse Noordwest Overijssel, inclusief 3 bijlagen (apart document) 3. Regiegroep over aanbevelingen Deelgebiedscommissies 4. Samenstelling Regiegroep en Deelgebiedscommissies Noordwest Overijssel
34 35 36 40
1
SAMENVATTING Zoals in de begin 2021 vastgestelde Uitgangspunten voor de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel staat, werken overheden en maatschappelijke partners aan een integraal Toekomstperspectief voor een leefbaar en vitaal platteland, dat economisch, ecologisch, milieutechnisch en waterhuishoudkundig duurzaam is en goed is om te wonen, werken en recreëren. Dit concept-Startdocument is het vertrekpunt voor het gebiedsproces in Noordwest Overijssel, dat zal leiden naar een Gebiedsagenda en een Toekomstperspectief met een Uitvoeringsstrategie voor het gebied. Zowel de opgaven (het wat) als het proces (het hoe) staan erin beschreven. Alle 19 partners in dit gebiedsproces, vertegenwoordigd in de Regiegroep Noordwest Overijssel, bespreken dit concept-Startdocument in hun besturen. Op 6 april 2022 wil de Regiegroep tot een definitief Startdocument komen, dat dan het bestuurlijk commitment heeft van alle partners op inhoud en proces. Waar werken we aan? De in de Uitgangspunten benoemde opgaven, zijn uitgewerkt in de Gebiedsanalyse die in 2021 is uitgevoerd. Daarbij zijn data verzameld, opgaven en (beleids-)wensen geïnventariseerd uit de verschillende beleidsvelden, zijn verbanden gelegd tussen de verschillende thema’s en zijn er conclusies getrokken over de thematiek die voor het komen tot een Gebiedsagenda en Toekomstperspectief van belang zijn.
De Gebiedsanalyse is een gezamenlijk product van de Regiegroep Noordwest Overijssel, de Deelgebiedscommissies en het Programmateam. Uit de Gebiedsanalyse volgen de opgaven voor Noordwest Overijssel. Er is onderscheid gemaakt tussen het wettelijk kader en bestaand beleid & wensen. De hoofdopgaven van de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel zijn het tegengaan van bodemdaling en de reductie van broeikasgassen (veenweide) en de reductie van stikstofuitstoot. Die opgaven zijn hieronder kort uitgewerkt. • De opgave voor veenweide komt voort uit het Klimaatakkoord en behelst een emissiereductie van broeikasgassen (met name CO2) uit de veenbodem van (indicatief voor Noordwest Overijssel:) 110.000 – 140.000 CO2-eq. in 2030 (met verdere reductie in 2050). De opgave komt overeen met wat in het rapport Verkenning bodemdaling veenweidegebieden Overijssel is genoemd het scenario remmen (vernatten) en dat dan voor het gehele veenweidegebied. Het tegengaan van bodemdaling is, ook los van de klimaatopgave, een doel om aan te werken. • De opgave voor stikstof komt voort uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering en behelst een landelijke emissiereductie van 26% in 2030 en 50% in 2035.
Door de emissiereductie, onder andere via de landelijke bronmaatregelen, moet in 2030 de helft van het oppervlak Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde (KDW) zitten en moet deze stikstofgevoelige natuur weer helemaal gezond moet zijn. Hoewel bovenstaande sectorale opgaven de hoofdopgaven zijn voor de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel, wordt wel degelijk aan een integraal Toekomstperspectief gewerkt. Behalve dat dat als beste manier wordt beschouwd om doelen te bereiken die op draagvlak kunnen rekenen, is het ook de opgave vanuit het Klimaatakkoord en (in mindere mate) vanuit de Gebiedsgerichte Aanpak Stikstof. Hoe gaan we aan het werk? De opgaven en thema’s beïnvloeden elkaar: er is samenhang, maar hier en daar schuurt het ook tussen de verschillende thema’s. Uit de analyse van kansen en knelpunten, zijn
2
Rode Draden gedestilleerd van waaruit we werken aan de Gebiedsagenda en het Toekomstperspectief. Het betreft de volgende Rode Draden: 1. Aanpak stikstof- en veenweide / bodemdalingsproblematiek logische twee-eenheid in Noordwest Overijssel 2. Naar een robuust watersysteem waarin gebruik en peil in balans zijn en maatwerk mogelijk is 3. Bronmaatregelen zorgen voor reductie van stikstofemissie en robuustere natuur 4. Versterken weidevogelgebieden biedt veel kansen 5. Samenwerking tussen natuur en landbouw levert voor allebei wat op 6. Verdienmodellen uit maatschappelijke diensten zijn voor duurzame landbouw van essentieel belang 7. Spreiding recreatie en toerisme van belang voor leefbaarheid en sector zelf 8. Vrijkomende grond als aanjager voor het gebiedsproces 9. Samenwerking tussen betrokken partijen, herstel vertrouwen en langjarig beleid 10. Omgaan met nieuwe informatie en (beleids-)ontwikkelingen 11. Werken in deelgebieden maakt lokaal maatwerk mogelijk 12. Kennis en ervaring opdoen en delen en bottom-up initiatieven dragen bij aan het Toekomstperspectief voor Noordwest Overijssel 13. Koppelkansen van de grote opgaven parallel aan de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel zoveel mogelijk benutten 14. Financieringsvraagstuk voor en na 2030 Organisatie Binnen de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel werken gebiedspartners op verschillen niveaus samen.
Enerzijds op bestuurlijk en ambtelijk niveau voor Noordwest Overijssel als geheel, anderzijds in een samenwerking in drie deelgebieden; Wieden Weerribben, Staphorsterveld en Polder Mastenbroek / Kamperveen. Deze indeling in deelgebieden is gemaakt omdat er op fysiek en organisatorisch gebied veel verschillen bestaan tussen de deelgebieden. In deze gebieden, waar zowel stikstof- als veenweide-problematiek aan de orde is, zijn Deelgebiedscommissies ingesteld. Tot het najaar van 2022 loopt het proces in Noordwest Overijssel om samen te komen tot een Gebiedsagenda. Dit is in feite de uitvoeringsstrategie 1.0 (met accent op stikstofmaatregelen) die later als onderdeel van het Toekomstperspectief verder wordt uitgewerkt. In de Gebiedsagenda komen maatregelpakketten die bijdragen aan de stikstofopgave en opgaven die daaraan zijn te koppelen. De Regiegroep (bestuurlijk) en de Deelgebiedscommissies (met lokale vertegenwoordiging van stakeholders) werken samen aan het Toekomstperspectief voor de middellange (2030) en de lange (2050) termijn. Daarbij is de inbreng van de Regiegroep vooral strategisch en vanuit de beleidskant en die van de Deelgebiedscommissies vooral operationeel, vanuit de praktijk en gericht op draagvlak.
Belangrijk in het proces om te komen tot een Toekomstperspectief, is dat er meer kennis wordt ontwikkeld op het gebied van veenweide en stikstof en dan met name over de effecten van maatregelen voor reductie van broeikasgassen en stikstof. Juist onderzoek in de deelgebieden van Noordwest Overijssel is van belang. Naast onderzoek, worden ook (lokale) initiatieven en (pilot-)projecten die bijdragen aan de opgaven, gestimuleerd. Dit, om aan doelrealisatie te werken, maar ook om kennis en ervaring op te doen. De totstandkoming van het Toekomstperspectief is een iteratief proces tussen planvorming, onderzoek en uitvoeringsprojecten. Het is ook een iteratief proces tussen Regiegroep en Deelgebiedscommissies. De benodigde werkorganisatie, onder ander bestaande uit het Programmateam, krijgt nog vorm.
3
HOOFDSTUK 1 DE GEBIEDSGERICHTE AANPAK NOORDWEST OVERIJSSEL 1.1 Doel Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel (GGA NWO) • Met betrokken overheden en maatschappelijke organisaties en met participatie van inwoners en ondernemers, komen tot een Gebiedsagenda en een gedragen Toekomstperspectief voor Noordwest Overijssel. • Gebiedsgericht werken aan integrale antwoorden op de grote opgaven die voor de toekomst van Noordwest Overijssel (en Nederland) van belang en urgent zijn. • Overkoepelend gremium zijn dat de lopende gebiedsprocessen verbindt. • Daarnaast gebiedsbreed aan aanvullende opgaven werkt met de focus op tegengaan van bodemdaling en CO2-uitstoot (Regionale Veenweidestrategie) en werken aan oplossingen voor de stikstofproblematiek (Gebiedsagenda stikstof). • Inzet om te komen tot duidelijkheid voor ondernemers en inwoners voor de langere termijn. Hieronder de kaart (links) van de veenweidegebieden in Noordwest Overijssel en (rechts) het deel van de kaart van de GGA Stikstof aangaande Noordwest Overijssel. Het betreft het grondgebied van de gemeenten Steenwijkerland, Staphorst, Zwartewaterland, Kampen en Zwolle. De Deelgebiedscommissies1 richten zich op de deelgebieden waar zowel de stikstof- als veenweideproblematiek speelt.
1.2 Doel van dit startdocument • Het voorbereiden van een gebiedsproces voor Noordwest Overijssel, dat leidt tot een gedragen Toekomstperspectief voor het gebied en een Gebiedsagenda. • Gezamenlijk gedragen beeld van de problematiek in het gebied en van de opgaven voor de Gebiedsgerichte aanpak NWO (op basis van de Uitgangspunten (hoofdstuk 2) en de Gebiedsanalyse (bijlage 2));
1
In hoofdstuk 6 staat de organisatie van de GGA NWO beschreven, waarin ook het hoe en waarom van de Deelgebiedscommissies is verwoord.
4
• • •
Gezamenlijk gedragen beeld van hoe we in dit gebiedsproces aan het Toekomstperspectief en de Gebiedsagenda gaan werken. Het bredere kader aangeven waarin dit gebiedsproces plaatsvindt (beleid, aanpalende (landelijke) processen, bestaande gebiedsprocessen). Bestuurlijke commitment van betrokken partijen ten aanzien van inhoud en proces.
Een eerder concept van dit Startdocument is tot stand gekomen met de IBP-VP-partners (overheden, Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland) ter voorbereiding van de start van een breder gebiedsproces. Dat heeft zijn functie gehad, vooral in het bestuurlijk vaststellen van de Uitgangspunten voor de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel in januari 2021 en het informeren van de algemene besturen (gemeenteraden, AB van het waterschap en Provinciale Staten). Het (aangepaste) Startdocument krijgt nu een nieuwe rol in het bredere gebiedsproces. Alle betrokken partijen, bestuurlijk vertegenwoordigd in de Regiegroep Noordwest Overijssel (RNWO), leggen in dit Startdocument vast aan welke opgaven en op welke manier ze gezamenlijk in de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel willen gaan werken. Over de Gebiedsanalyse is de RNWO geadviseerd door de drie Deelgebiedscommissies, voor de deelgebieden Wieden Weerribben, Staphorsterveld en Polder Mastenbroek / Kamperveen.
1.3 Inleiding Aanleiding Voor het starten van dit gebiedsproces zijn er meerdere aanleidingen, zoals de aankondigingen van een lange termijnvisie Veenweide in het waterbeheerplan van WDODelta en in de Omgevingsvisie Overijssel (beide 2016). Ook in het kader van Samen Werkt Beter is afgesproken (2016) dat het waterschap een Veenweidevisie opstelt. Dat werd van nog groter belang toen de peilbesluiten herzien moesten worden. Het belang van een integrale benadering van de bodemdaling maakte dat het waterschap, samen met de provincie, een verkenning liet uitvoeren naar de bodemdaling in Noordwest Overijssel, door Infram. Om een integrale afweging ten aanzien van de peilbesluiten te maken, heeft de provincie het waterschap vijf jaar uitstel gegeven voor het nemen van de peilbesluiten in Noordwest Overijssel. In 2018/2019 ontstond op landelijk niveau het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland (IBP-VP, zie § 7.3) en het Klimaatakkoord (zie § 7.4). Met het IBP-VP startte een ambtelijk en bestuurlijk platform voor een gebiedsplan dat zich op een Vitaal Platteland in Noordwest Overijssel richt, dus met een bredere scoop dan alleen bodemdaling. In het Klimaatakkoord is vervolgens de opdracht verwoord om per veenweidegebied een strategie (een Regionale Veenweidestrategie) op te stellen.
Waar het IBP is gericht op samenwerking tussen de vier overheidslagen, gaat het Klimaatakkoord uit van een gebiedsproces waarbij ook maatschappelijke partijen zijn betrokken. Nadat de Raad van State in de zomer van 2019 heeft aangegeven dat de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) juridisch onhoudbaar is, heeft de minister van LNV als één van de maatregelen om uit de stikstofcrisis te komen, de Gebiedsgerichte Aanpak Stikstof voorgesteld. Provincies hebben in de uitvoering daarvan een trekkende rol. Provinciale Staten van Overijssel hebben in oktober 2020 de doelstellingen en
5
werkwijze van de stikstofaanpak vastgesteld2. Daarvoor is een structuur met 5 schakels gemaakt. Deze schakels zijn onderling zo verbonden, dat zij elkaar versterken. Het betreft: 1. Bronmaatregelen, 2. Natuurversterking 3. Vergunningverlening, toezicht en handhaving 4. Gebiedsgerichte Aanpak (GGA) 5. Verdeling stikstofruimte Een van de schakels (4) is de Gebiedsgerichte Aanpak stikstof. Er wordt gewerkt in zes gebieden, waarvan Noordwest Overijssel er één is. Om een aantal gebiedsprocessen, dat inhoudelijk ook nog sterk verbonden is (veenweidestrategie en GGA stikstof), in het zelfde gebied naast elkaar te laten lopen, vinden de overheidsbestuurders geen goed idee. Besloten is dat in één gebiedsproces, nu geheten Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel, op te pakken en verder te ontwikkelen. Relatie met bestaande gebiedsprocessen en samenwerkingsverbanden In het gebied Noordwest Overijssel lopen al verschillende gebiedsprocessen (zie § 7.1). De inzet van de GGA NWO is, om te bevorderen dat deze processen én de eigen opgaven van de GGA NWO elkaar versterken in het licht van één Toekomstperspectief voor het gebied. Dit, zonder daarbij elkaars processen over te doen of over te nemen. Mogelijk kunnen ze een voertuig zijn om dit gebiedsproces mede vorm te geven. Mogelijk is hun rol vooral die van stakeholders.
Qua organisaties en betrokken bestuurders, is er veel overlap tussen de gebiedsprocessen. Dat maakt het gesprek over inhoud en proces wellicht gemakkelijker. Landelijke en regionale opgaven Behalve de bestaande gebiedsprocessen in Noordwest Overijssel, zijn er op landelijk niveau en regionaal niveau ook processen gaande, waar de GGA NWO zich toe moet verhouden. Dat zijn: de Gebiedsgerichte Aanpak Stikstof, het landelijk Veenplan, de Regionale Energie Strategie (RES) en de Nationale Parken Nieuwe Stijl, om er een paar te noemen (zie ook § 7.2). Het is duidelijk dat er vele opgaven zijn voor het gebied, met zowel landelijke, regionale als lokale oorsprong. Bovendien hangen veel opgaven met elkaar samen. Een integraal gebiedsproces is daarom essentieel. Dat betekent niet dat alle opgaven allemaal tegelijk door één gebiedscommissie moeten worden samengebracht en uitgevoerd. Het gaat er om een zó integraal gebiedsproces te hebben dat je geen essentiële opgaven mist, maar dat is afgebakend daar waar opgaven beter sectoraal of volgordelijk opgepakt kunnen worden, of indien die opgaven een te groot risico vormen voor het proces. Belangrijk uitgangspunt is dat we niet vanuit verschillende opgaven steeds opnieuw de mensen in
2
Doelen van de GGA stikstof: 1. het oplossen van knelpunten, zoals woningbouw- en infrastructuurprojecten, die stikstofruimte nodig hebben op korte termijn; 2. verdere versterking van de natuur en terugbrengen van de stikstofneerslag; 3. bijdragen aan een toekomstbestendig Overijssel, waarin we de stikstofopgave verbinden met de duurzame verandering van de landbouw, klimaatadaptatie, energietransitie en andere opgaven.
6
het gebied benaderen, maar dat opgaven en mogelijke oplossingsrichtingen integraal worden opgepakt en zo ook het gesprek over wordt gevoerd. Leeswijzer In hoofdstuk 2 staan de Uitgangspunten Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel, zoals die zijn vastgesteld door de colleges van de betrokken overheden. Hoofdstuk 3 is een verfijning van de inhoudelijke uitgangspunten. Het zijn de opgaven voor de GGA NWO, afkomstig uit de Gebiedsanalyse (bijlage 2). In hoofdstuk 4 komen de andere conclusies uit de Gebiedsanalyse aan de orde. In hoofdstuk 5 is verwoord waar we aan gaan werken in het kader van de GGA NWO, nu en op de iets langere termijn. Daarin is ook opgenomen hoe we dat doen. Hoofdstuk 6 is gewijd aan de organisatie van de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel. Daarin is ook aandacht voor communicatie, participatie, planning en financiën. Tenslotte wordt in hoofdstuk 7 het bredere kader, dat hierboven kort is beschreven, nog iets verder verdiept. Daarin is in paragraaf 7.3 aandacht voor het IBP-VP, omdat de overheden in het gebied (vier gemeenten, het waterschap en de provincie) in dit kader 2019 al een gezamenlijk plan Samen werken aan de kwaliteit van Noordwest Overijssel hebben vastgesteld, waarin is aangegeven waar de samenwerking op is gericht.
1.4 Procedurele afspraken concept-Startdocument Op 8 december 2021 is dit concept-Startdocument besproken in de Regiegroep Noordwest Overijssel. De daarbij overeengekomen wijzigingen, zijn verwerkt in dit document. Dit document wordt, via de betrokken leden van de Regiegroep en het Programmateam, aan de besturen van de partnerorganisaties voorgelegd. Een aantal gemeenten heeft aangegeven zijn gemeenteraden te betrekken (in verschillende vorm) bij de besluitvorming over het concept-Startdocument door de Colleges van B&W. In de bijeenkomst van de Regiegroep Noordwest Overijssel op 6 april 2022 wordt over eventuele (kleine) wijzigingsvoorstellen op het concept-Startdocument gesproken en besloten, waarna het Startdocument een definitieve status krijgt. Het concept-Startdocument, zoals dat aan de besturen van de partners wordt gestuurd, zal tevens naar het rijk gestuurd worden als Regionale Veenweidestrategie 1.0. Hieraan zal toegevoegd worden het rapport ‘Verkenning bodemdaling veenweidegebied Overijssel’ (Infram). Op basis van het concept-Startdocument, wordt door Gedeputeerde Staten een Statenvoorstel gedaan aan Provinciale Staten waarin gevraagd wordt, in het Coalitieakkoord gereserveerde middelen voor veenweide, beschikbaar te stellen voor het vervolg van de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel.
7
HOOFDSTUK 2 UITGANGSPUNTEN GEBIEDSGERICHTE AANPAK NOORDWEST OVERIJSSEL In januari 2021 hebben de Colleges van B&W van de gemeenten Steenwijkerland, Staphorst, Zwartewaterland en Kampen en van Gedeputeerde Staten en het DB van waterschap Drents Overijsselse Delta de Uitgangspunten voor de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel vastgesteld en hun algemene besturen (raden, Staten en AB) hiervan in kennis gesteld. Het gaat daarbij om onderstaande uitgangspunten. 1. Met deze Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel willen we komen tot een toekomstperspectief voor de middellange (2030) en lange termijn (2050) voor Noordwest Overijssel. Een toekomstperspectief voor een leefbaar en vitaal platteland, dat economisch, ecologisch, milieutechnisch en waterhuishoudkundig duurzaam is en goed is om te wonen, werken en recreëren. Opgaven die daarbij van belang zijn, zijn: a. Het tegengaan van bodemdaling (ten behoeve van verminderen uitstoot CO2, opslagcapaciteit van CO2 vergroten, het verduurzamen van de waterhuishouding, het verminderen van schade aan infrastructuur en gebouwen, het tegengaan van verslechtering van de waterveiligheid, het verminderen van de wegzijging van water uit de natuurgebieden, het verbeteren van de waterkwaliteit in de natuurgebieden, verbeteren van de habitat voor weidevogels, tegengaan verdroging) b.
Een duurzame toekomstperspectief voor ondernemers, waarbij ‘duurzaam’ staat voor een evenwicht tussen economie, ecologie en welzijn. c. Vermindering van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. d. Betere spreiding van recreatie en toerisme (ten behoeve van het voorkomen van het dichtslibben van het wegennet en waterwegennet, spreiding en eventueel groeimogelijkheden van economische kansen, beleving van de recreanten en toeristen, behoud en beleving cultuurhistorie en leefbaarheid in het gebied). e. Behouden en ontwikkelen van de verschillende landschappen in het gebied. f. Energietransitie (bijvoorbeeld ruimte voor zonnevelden, ingepast in het landschap, als bijdrage aan de energietransitie en lokale economie). g. Bijdragen aan circulaire economie (kringlooplandbouw, gebruik biomassa voor ophogen agrarische grond) h. Herstel biodiversiteit in natuurgebieden en op agrarische grond. 2. De Gebiedsgerichte Aanpak Stikstof (GGA stikstof) voor Noordwest Overijssel maakt integraal deel uit van dit gebiedsproces in Noordwest Overijssel (Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel). Gemeenten en waterschap nemen kennis van de uitgangspunten Gebiedsgerichte Aanpak Stikstof die Provinciale Staten hebben vastgesteld.
Gemeenten en waterschap spannen zich in om op basis van de op te stellen gebiedsanalyse een gezamenlijk vertrekpunt te bepalen voor de vervolgens op te stellen Gebiedsagenda. 3. De Regionale Veenweidestrategie Noordwest Overijssel (Klimaatakkoord) maakt integraal onderdeel uit van de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel. 4. Het Toekomstperspectief Noordwest Overijssel komt samen met gebiedspartijen tot stand vanuit een overkoepelend perspectief en een perspectief op deelgebiedsniveau. 5. De deelgebiedsperspectieven worden opgesteld door deelgebiedscommissies. De deelgebiedscommissies bestaan, naast betrokken overheden, uit regionale en lokale partijen, die inwoners van dat deelgebied vertegenwoordigen. 6. De deelgebiedscommissies worden voorgezeten door een wethouder, die zich ambtelijk kan laten vervangen. Bovenstaande inhoudelijke opgaven zijn afkomstig uit plannen, afspraken, beleid en onderzoek (zie bijlage 1).
8
HOOFDSTUK 3 OPGAVEN VOOR DE GEBIEDSGERICHTE AANPAK NOORDWEST OVERIJSSEL In 2021 is een Gebiedsanalyse uitgevoerd, waarin data zijn verzameld, opgaven zijn gedestilleerd uit de verschillende beleidsvelden, (beleids-)wensen zijn geïnventariseerd, verbanden zijn gelegd tussen de verschillende thema’s en conclusies zijn getrokken over de thematiek die voor het komen tot een Toekomstperspectief (zie § 5.2) en Gebiedsagenda (zie § 5.3) van belang zijn. De Gebiedsanalyse is een gezamenlijk product van de Regiegroep Noordwest Overijssel, de Deelgebiedscommissies en het Programmateam. Uit de Gebiedsanalyse volgen de opgaven voor Noordwest Overijssel. In onderstaande thematische opsomming is onderscheid gemaakt tussen enerzijds het wettelijk juridische kader en anderzijds het beleid / wensen. De opgaven vanuit het wettelijk kader zijn hard en wat betreft de thema’s veenweide/bodemdaling en stikstof de hoofdopgaven voor de GGA NWO. De tekst van dit hoofdstuk is letterlijk overgenomen uit de Gebiedsanalyse, met uitzondering van de tekst over het klimaatakkoord bij Veenweide / bodemdaling. Daar is een precisering aangebracht op basis van de recent beschikbaar gekomen Kadernotitie Veenplan 1e fase.
Veenweide / bodemdaling Kader (wettelijk / juridisch) Klimaatakkoord: • Emissiereductie 1 Mton CO2 uitstoot in veenweidegebieden (2030), indicatief aandeel NWO is tussen de 11 en 14 %, dus een indicatieve reductieopgave van 110.000 – 140.000 ton CO2/j. De opgave komt overeen met wat in het rapport Verkenning bodemdaling veenweidegebieden Overijssel is genoemd het scenario remmen en dat dan voor het gehele veenweidegebied. Overigens is er in het Inframrapport een andere rekenmethode toegepast (verfijnde berekening op basis van de lokale bodemkenmerken) dan op landelijk niveau (waar bovenstaande opgaven uit komen). Recent zijn nieuwe uniforme landelijke rekenregels voor CO2-uitstoot en effect van maatregelen bekend geworden. De gegevens uit het Inframrapport zullen hiermee opnieuw worden doorgerekend om de Overijsselse situatie goed te kunnen beoordelen in het landelijk perspectief. De deelgebieden verschillen van elkaar qua bodemsamenstelling en fysieke omstandigheden en dat maakt dat er naar verhouding in het ene deelgebied meer CO2-reductie behaald kan worden dan in het andere deelgebied. De maatregelen om de reductie te bereiken zullen ook verschillen, maar bij het remmen-scenario zal er in ieder geval een hogere grondwaterstand nodig zijn dan er nu is in de veenweidegebieden.
De genoemde Verkenning heeft per deelgebied een Almanak, waarin de bodemdalingsproblematiek en mogelijke maatregelen zijn beschreven. Het ingeschatte reductiepotentieel over de deelgebieden op basis de verkenning door Infram is als volgt percentueel verdeeld LET OP dit is indicatief!: o Deelgebied Wieden Weerribben (WW): 49% o Deelgebied Staphorsterveld (SV): 8 % o Deelgebied Polder Mastenbroek / Kamperveen (MP / KV): 43% Bovenstaande verdeling is gebaseerd op de CO2-reductie die wordt behaald bij het scenario ‘remmen’. • Oplopende opgave naar 2050. • Opstellen Regionale Veenweidestrategie (conform de uitgangspunten beschreven in § 7.4) Beleid / wensen • Deelgebieden herkennen de opgave tegengaan bodemdaling (wanneer het veen te droog is) en er is bereidheid om er wat aan te doen. Opgave is groot en complex. Er is geen / minder gevoel bij de opgave voor CO2 emissie.
9
Stikstof Kader (wettelijk / juridisch) De zogenoemde ‘kritische depositiewaarde’ (KDW) is één van de weinige indicatoren voor de staat van instandhouding van stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden die juridisch een toetsbare status heeft. Andere indicatoren zijn nog onvoldoende toetsbaar ook al kunnen dit soms belangrijkere indicatoren zijn. De rechter heeft geoordeeld dat op basis van de beschikbare indicatoren de staat van instandhouding onvoldoende is en dat de stikstofdepositie niet meer mag toenemen en de overheid maatregelen moet treffen waarmee de stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur daalt. Als gevolg hiervan is er een ‘landelijke reductieopgave stikstofdepositie’ en is voor diverse activiteiten ‘stikstof ontwikkelruimte’ nodig. Reductieopgave emissie stikstof (landelijk) Het beoordelen van de kwaliteit van de natuur wordt voor een belangrijk deel gedaan door het kijken of de stikstofdepositie beneden de KDW ligt. Het verbeteren van de kwaliteit van de natuur is o.a. vertaald in het doel om op een groter deel van de stikstofgevoelige natuur de stikstofdepositie lager te laten zijn dan de KDW (Wet stikstofreductie en natuurverbetering). De depositie doelen zijn vertaald in reductie opgaven van de stikstofemissie t.o.v. 2019. Deze geldt voor alle sectoren.
De landelijke reductie-opgave van de stikstofemissie bedraagt: o In 2025 10% emissiereductie; o In 2030 26 % emissiereductie; o In 2035 50 % emissiereductie. Door de emissiereductie, o.a. via de landelijke bronmaatregelen, werken we aan de landelijke reductieopgave stikstofdepositie waardoor in 2030 de helft van het oppervlak Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde (KDW) zit en deze stikstofgevoelige natuur weer helemaal gezond moet zijn (Wet stikstofreductie en natuurverbetering). Gedeputeerde Staten van Overijssel leggen volgens deze “stikstofwet” uiterlijk 1 juli 2023 een Provinciaal Gebiedsplan Stikstof voor aan de minister met de Overijsselse bijdrage aan de landelijk vereiste reductie. Voor alle gebieden in Overijssel en dus ook in Noordwest Overijssel wordt een Gebiedsagenda opgesteld, met daarin o.a. een voorstel hoe de landelijke bronmaatregelen ingezet kunnen worden en welke lokale maatregelen te nemen zijn om de 26 % emissiereductie te kunnen behalen. Deze Gebiedsagenda’s vormen input voor het wettelijk verplichte Provinciale Gebiedsplan Stikstof. Reductieopgave emissie stikstof (Noordwest Overijssel) De landelijke reductie-opgave stikstof is vertaald naar Noordwest Overijssel. Tevens is de stikstof opgave per gemeente in beeld gebracht (zie Gebiedsanalyse, bijlage 2).
Beleid / wensen: • Het oplossen van knelpunten voor ontwikkelingen die stikstofruimte nodig hebben, zoals de opgave voor woningbouw, bedrijventerreinen in NWO. Hoeveel stikstofruimte is nodig? Er is ook ruimte nodig voor agrarische activiteiten. • DGC WW: problematiek ligt er en wordt herkend • DGC MP/ KV: geen grote issues overschrijding KDW, wel de verstedelijksopgave regio Zwolle (zie ruimtegebruik). • Legaliseren PAS melders zou prioriteit no 1 moeten zijn
Natuur In de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel staat de opgave reductie van stikstofemissie voorop. De stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden neemt daardoor
10
af. Daarnaast werkt Samen Werkt Beter aan de ontwikkelopgave voor de Natura 2000gebieden aan het optimaliseren van het hydrologisch systeem grondwaterafhankelijke natuur (Wieden Weerribben en Olde Maten Veerslootlanden); verbeteren draagkracht in Natura 2000-gebieden voor soorten en oppervlak habitattypen (Wieden Weerribben en Olde Maten Veerslootlanden); en het realiseren van verbindingen. Kader (wettelijk / juridisch) Weerribben, Wieden en Olde Maten Veerslootlanden • Binnen Natura 2000 (vooral Ontwikkelopgave): Behoud verlandingsstadia (graven petgaten, sloten en greppels, maaien), Intensiveren beheer (afvoer organisch materiaal met stikstof), hydrologische maatregelen • In Wieden Weerribben: realisatie nieuwe natuur (deze processen zijn deels al uitgevoerd en in beheerplannen beschreven; realisatie in uitwerkingsgebieden (gele gebieden) van Natura 2000). • Aanwijzingsbesluit + Natura 2000 beheerplan Uiterwaarden IJssel, Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en Zwarte Meer • Ontwikkelopgave Natura 2000 samen, onder andere met KRW (kaderrichtlijn water) en NURG (nadere uitwerking rivierengebieden) • Nieuwe natuur: deel uiterwaard omzetten naar natuur (deze processen zijn al grotendeels uitgevoerd en in beheerplannen beschreven; realisatie in uitwerkingsgebieden (gele gebieden) van Natura 2000).
• Opgave samen met waterveiligheid, doorstroming • Stimuleren verbeterde condities weidevogels in vogelrichtlijngebied. Beleid / wensen • Verbetering kwaliteit natuur in alle niet Natura 2000-gebieden • Stimuleren toename biodiversiteit op alle gronden (natuurinclusief) buiten verplichting. • Stimuleren verbetering condities weidevogels (incl. predatie) • Monitoring biodiversiteit • Geleiding en zonering recreatiedruk (o.a. rondom Giethoorn en in Olde Maten) • WW: Landbouwvertegenwoordigers vragen de terreinbeherende organisaties hun best te doen te zoeken naar mogelijkheden om natuur (doelen/habitattypen) op plaatsen te ontwikkelen die minder effect hebben op de bedrijfsvoering van de landbouw. Opgemerkt dient te worden dat bepaalde abiotische factoren maken dat bepaalde habitattypen zich juist op bepaalde plekken ontwikkelen. Daarnaast bepalen de KDW's van bestaande habitattypen voor het grootste deel al de (beperkende) mogelijkheden voor stikstofemissie. • Herstellen van ecosystemen. Een laagveensysteem met alle successie-stadia. • Serieus kijken naar oogstbare natuur (rietteelt en extensief grazen en extensieve graslanden)
Landbouw Kader (wettelijk / juridisch) • Toekomstperspectief voor de agrarische ondernemers (starters, blijvers en stoppers) • De sector heeft (net als andere sectoren) een opgave voor emissiereductie CO2 en NH3 (26 % stikstofreductie in 2030) Beleid / wensen • Een verbetering van de vergoedingen (integraal) van maatschappelijke diensten, die ook op lange termijn renderen en agrariërs verleiden voor het leveren van maatschappelijke diensten.
11
• • • • • • • •
Consistent beleid met een integrale benadering Experimenteerruimte Maatregelen treffen die landbouwkundig en ecologisch logisch zijn Extensivering: grond beschikbaar houden en krijgen om niet verder te moeten intensiveren zodat agrarische bedrijven toe kunnen werken naar grondgebondenheid Koeien in de wei, extensivering, diversiteit agrarische bedrijven, weidevogels (kans voor de landbouw, draagt positief bij aan meerdere doelen), Verhoging biodiversiteit als onderdeel van een productiewijze met een duurzaam verdienmodel. Benutten van natuurlijke processen waarbij regionale kringlopen zo veel mogelijk gesloten worden. Hierbij blijft mest en voer zo veel mogelijk in de regio. Aanpak van onderop met het gebied.
Water(overlast) / droogte Kader (wettelijk / juridisch) • Waterkwaliteit en waterveiligheid verbeteren • Verminderen wateroverlast en watertekort • Verminderen emissie broeikasgassen: CO2, methaan en lachgas (Klimaatakkoord) • Klimaatrobuust in 2050, NBW (Nationaal Bestuursakkoord Water)-> systeemgericht, wateroverlast, normatief, verschillend per deelgebied & functie, klimaatadaptatie (bestuursakkoord Klimaatadaptatie Deltaplan) -> opgaven deels oppakken via peilbesluit Beleid / wensen • Gebruik/ functie en peil in balans krijgen/ adaptatie/ natte teelt (riettelers) meer ruimte voor waterberging en/of deels acceptatie van wat niet beïnvloedbaar is aan ‘klimaatverandering’ (tekort en overschot water) • Keuzes gaan over: robuuster watersysteem ontwikkelen, inzet techniek, acceptatie. • 2050: herstel toekomstig bestendig watersysteem: goede functies in gebied op goede plekken. Minder complex systeem, mogelijkheid systeem benutten en minder ‘regelen’. • Kansen voor drinkwatervoorziening benutten, waarbij de inzet is geen verdroging bte veroorzaken, dit is wellicht niet te voorkomen. • Een duurzaam watersysteem is een watersysteem gebaseerd op een balans tussen ecologische-, economische - en sociaal-culturele waarden • Water als ordenend principe voor ruimtelijke opgaves (aan de voorkant van het plannen maken rekening houden met bodem en water)
Leefbaar platteland Kader (wettelijk / juridisch) De omgevingswet verplicht om het item ‘gezondheid’ mee te nemen o.a. in Omgevingsvisie. Beleid / wensen • Voorzieningenniveau op peil houden • Betrokkenheid en eigenaarschap inwoners bij eigen omgeving • Voldoende werkgelegenheid • Balans tussen stimuleren toerisme (werkgelegenheid /instandhouding voorzieningen) en leefbaarheid (overlast) • Voldoende agrarische activiteiten als beheerders van het landschap en baken in de gemeenschap.
12
Overig ruimtegebruik Kader (wettelijk / juridisch) • Invulling RES (Klimaatakkoord) • Klimaatmitigatie (Klimaatakkoord) Beleid / wensen • Klimaatregio NOVI-gebied • DGC PM/KV Er is helderheid nodig over de ruimte voor woningbouw, bedrijventerreinen en infrastructuur. De gemeenten moeten concreet maken hoeveel ruimte ze nodig hebben, waar deze nodig is, wanneer en hoe ze aan deze ruimte denken te komen. Hieronder de gegevens van de gemeente Zwolle. • Zwolse Omgevingsvisie: tot 2030 komen er ongeveer 10.000 nieuwe woningen bij, waarvan 6.000 binnenstedelijk, 3.000 in af te bouwen wijken in Stadshagen. De overige 1000 komen bij Breecamp-west (meest westelijke puntje van Stadshagen) de voormalige IJsselcentrale en de kleine kernen Wijthmen en Windesheim. • In november 2019 is er in het Bestuurlijk Overleg MIRT tussen het rijk en regio afgesproken om te onderzoeken op welke manier de groei van wonen en werken in de regio op de lange termijn plaats kan vinden. En voor lange termijn betekent na 2030. Diverse scenario’s/perspectieven worden onderzocht. Op basis daarvan gaat een doorvertaling plaatsvinden wat dit voor de regio gebiedsgericht gaat betekenen. • Verstedelijkingsstrategie Regio Zwolle uitvoeren • Bossenstrategie: De opgave is om in Overijssel 1400 ha nieuw bos aan te leggen vooral buiten het NNN ('compensatie van wat er is gekapt voor N2000).
1e tranche: 170 / 275 ha binnen 3-5 jaar. Overige ambities zijn tussen landelijk –gezamenlijke provincies (nog niet uitgesplitst per regio) met ambitie om bos met 10 % van het bestaande oppervlak uit te breiden. Onderdelen zijn GBD, agroforestry en voedselbos. • Diverse opgaves doen een beroep op ruimte. Hierbij moet extra aandacht zijn voor het zo spaarzaam mogelijk zijn met ruimte. Er moet gestreefd worden naar meervoudig ruimtegebruik (stapelen van functies). Agrarische bedrijven hebben de grond nodig voor extensivering.
13
HOOFDSTUK 4 OVERIGE CONCLUSIES UIT DE GEBIEDSANALYSE 4.1 Werken vanuit thematiek van de Rode Draden De in hoofdstuk 3 genoemde opgaven en thema’s beïnvloeden elkaar: er is samenhang. Maar de puzzelstukjes uit de Gebiedsanalyse passen niet overal op elkaar, het schuurt hier en daar in de verhouding tussen de verschillende thema’s. Uit de analyse van knelpunten en kansen om aan te werken, zijn Rode Draden gedestilleerd. In de GGA NWO gaan we dan ook werken aan de opgaven, vanuit de thematiek zoals die in de Rode Draden (in hoofdstuk 5 van Gebiedsanalyse uitgebreid beschreven) is benoemd. Het gaat om de volgende Rode Draden: Inhoudelijk, uit de Gebiedsanalyse: 1. Aanpak stikstof- en veenweide / bodemdalingsproblematiek logische twee-eenheid in Noordwest Overijssel 2. Naar een robuust watersysteem waarin gebruik en peil in balans zijn en maatwerk mogelijk is 3. Bronmaatregelen zorgen voor reductie van stikstofemissie en robuustere natuur 4. Versterken weidevogelgebieden biedt veel kansen 5. Samenwerking tussen natuur en landbouw levert voor allebei wat op 6. Verdienmodellen uit maatschappelijke diensten zijn voor duurzame landbouw van essentieel belang 7. Spreiding recreatie en toerisme van belang voor leefbaarheid en sector zelf
Procesmatig, voor vervolgproces: 8. Vrijkomende grond als aanjager voor het gebiedsproces 9. Samenwerking tussen betrokken partijen, herstel vertrouwen en langjarig beleid 10. Omgaan met nieuwe informatie en (beleids-)ontwikkelingen 11. Werken in deelgebieden maakt lokaal maatwerk mogelijk 12. Kennis en ervaring opdoen en delen en bottom-up initiatieven dragen bij aan het Toekomstperspectief voor Noordwest Overijssel 13. Koppelkansen van de grote opgaven parallel aan de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel zoveel mogelijk benutten 14. Financieringsvraagstuk voor en na 2030 Hoe we deze Rode Draden gebruiken in de GGA NWO is beschreven in hoofdstuk 5.
4.2 Verwerken van het advies van de Deelgebiedscommissies De Deelgebiedscommissies (DGC’s) hebben de Regiegroep desgevraagd geadviseerd over de Gebiedsanalyse en het vervolgproces van de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel (zie hoofdstuk 6 van de Gebiedsanalyse, bijlage 2). De aanbevelingen richten zich op het zo integraal mogelijk werken, op kennisontwikkeling, op de regierol, op individuele kennisondersteuning van agrariërs, op planologische medewerking, op gesprekken met de rietsector, op het vraagstuk van het watersysteem, op bodemdaling, op natuur en landschap en op het belang van grond in het gebiedsproces. De Regiegroep waardeert enorm de inzet en betrokkenheid van de DGC’s bij het komen tot de Gebiedsanalyse en hun advies hierbij. De Regiegroep pakt de aanbevelingen van de Deelgebiedscommissies in het vervolgtraject op. Hoe de Regiegroep dat doet staat per onderwerp uitgebreid beschreven in bijlage 3. Daar waar het nu al aan de orde is, zijn de aanbevelingen, en de wijze waarop de Regiegroep daarmee wil omgaan, al verwerkt in dit Startdocument.
14
4.3 Gezichtspunten en belangen duidelijk in beeld De DGC’s hebben in korte tijd zich de problematiek, die voor ligt in de GGA NWO, eigen gemaakt en met veel inzet gewerkt aan inbreng voor het advies en voor de Gebiedsanalyse als geheel. Naast de inbreng en gesprekken in de werksessies van de DGC’s, was er de mogelijkheid om in samenwerkingsdocumenten bijdragen te leveren. Dat heeft veel informatie opgeleverd voor de Gebiedsanalyse. Dat maakt dat een aantal bijdragen vanuit een sectoraal gezichtspunt is aangedragen en niet persé wordt gedragen door de gehele Deelgebiedscommissie. Er was onvoldoende tijd om daarover uitgebreid met elkaar te spreken. Het maakt wél dat de verschillende gezichtspunten van de diverse partijen goed herkenbaar zijn in de beschrijvingen onder de Rode Draden en in het advies. Met name de agrarische leden van de DGC’s hebben een grote inbreng aan deze samenwerkingsdocumenten geleverd, hetgeen zichtbaar is in de Gebiedsanalyse (inclusief bijlagen). In de planvormingsfase, en mogelijk juist ook in de pilotprojecten, kunnen de gesprekken over de verschillende gezichtspunten verder worden gevoerd en kunnen er gezamenlijke gezichtspunten worden ontwikkeld. Niet alle belangen zijn duidelijk in beeld, omdat niet alle genodigde partijen deelnamen aan de vergaderingen van de DGC’s.
Dat is een gemiste kans om het gesprek te voeren tussen partijen die elkaar nodig hebben (recreatie-natuur-landbouw) en/of voordeel kunnen hebben van een integrale ontwikkeling. Wat betreft de stikstofopgave was er daardoor ook een vertekend beeld, omdat de industriële bedrijfstak, de bouw en de logistieksector ontbraken. Zij zullen mogelijk minder passen in een gebiedsproces zoals de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel. Maar ook hun stikstofopgave moet duidelijk in beeld zijn (op gemeentelijk niveau wel in beeld gebracht in de Gebiedsanalyse) en ook zij zijn verantwoordelijk voor het realiseren van de stikstofreductie-opgave van hun sector.
15
HOOFDSTUK 5 AAN DE SLAG IN DE GEBIEDSGERICHTE AANPAK NOORDWEST OVERIJSSEL 5.1 Inleiding In hoofdstuk 2 is al aangegeven dat we in de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel (GGA NWO) willen komen tot een Toekomstperspectief voor Noordwest Overijssel voor 2030 en 2050. De Gebiedsanalyse biedt zowel qua opgaven als qua thematiek (Rode Draden) een goede basis om hiermee aan de slag te gaan (zie § 5.2). Een ander belangrijk onderdeel van het werken in de GGA NWO is het komen tot een Gebiedsagenda. De gebiedsagenda’s van heel Overijssel worden door de provincie Overijssel verwerkt in een Gebiedsplan stikstof Overijssel, dat in 2023 aan de minister van LNV opgeleverd moet worden. In dat Gebiedsplan staan de kansen en mogelijkheden om op gebiedsniveau te werken aan stikstofreductie, maar ook de consequenties (bv financieel) en eventuele belemmeringen. In de Gebiedsagenda Noordwest Overijssel wordt hier vanuit Noordwest Overijssel de input voor geleverd. Hoe we hieraan gaan werken staat in § 5.3.
5.2 Toekomstperspectief Noordwest Overijssel 2050 en 2030 Vergezichten Veel van de opgaven, zoals benoemd in hoofdstuk 3, zijn gericht op realisatie in 2030. Zowel het Klimaatakkoord als de Stikstofwet hebben echter ook ver(der)gaande doelstellingen voor 2050. De Regionale Veenweidestrategie (RVS) dient voor 2030 gemaakt te worden mét doorkijk naar 2050. Die RVS kunnen we maken op basis van het Toekomstperspectief voor 2030 en 2050. Voor de agrarische familiebedrijven betekent 2050 dat er een nieuwe generatie aan het roer staat. Voor 2030 kunnen we er van uitgaan dat door autonome ontwikkeling (stoppende bedrijven zonder opvolger met huidige ondernemer van leeftijd 50+) een klein aantal bedrijven gestopt zal zijn. Dit geeft iets ruimte, maar de verwachting is niet dat het hier om grote aantallen gaat. Deze basisgegevens zijn essentieel in het nadenken en bediscussiëren van het Toekomstperspectief voor 2050 en 2030. Het vergezicht naar 2050 verhoudt zich beter tot het schaalniveau van Noordwest Overijssel, zonder daarbij de verbinding met de deelgebieden te verliezen. Het gaat om een integrale langetermijnvisie, met daarbij een kaart waarop niet de functies, maar de koers wordt aangegeven op basis van integrale afweging.
Een visie en strategie voor 2030, waarvoor de opgaven en financiering duidelijk zijn, leent zich beter voor uitwerking op deelgebiedsniveau, zonder daarbij de verbinding met het regionale niveau te verliezen. Het Toekomstperspectief voor de middellange termijn (2030) is een tussenstap richting de langetermijnvisie en kan dus geen plannen bevatten die contraproductief zijn aan die langetermijnvisie. In het planvormingsproces is een constante onderlinge verbinding essentieel is omdat de twee schaalniveaus in ruimte en tijd elkaar beïnvloeden (iteratief planproces). De Regiegroep en de Deelgebiedscommissies werken samen aan het Toekomstperspectief voor de middellange en de lange termijn. Daarbij is de inbreng van de Regiegroep vooral strategisch en vanuit de beleidskant en die van de Deelgebiedscommissies vooral operationeel, vanuit de praktijk en gericht op draagvlak. Dat is ook waar de energie op zit bij de Deelgebiedscommissies. Naast het nadenken en praten over de toekomst, is het essentieel voor het komen tot een Toekomstperspectief, dat er méér kennis komt over uitstoot van broeikasgassen en stikstof in de huidige situatie en na het nemen van maatregelen. Onderzoek en proefprojecten zijn daarvoor essentieel. Enerzijds onderzoek vanuit landelijke
16
programma’s, maar ook onderzoek op de situatie zoals die zich voordoet in de deelgebieden (meten is weten). Een nadere uitwerking hiervan staat in § 5.4 beschreven. De Regiegroep wil, voor het werken aan het Toekomstperspectief door de Deelgebiedscommissies, een aantal uitgangspunten meegeven. De Regiegroep voert de regie op de samenhang tussen de drie deelgebieden en toetst de inbreng voor het Toekomstperspectief ook op onderstaande Uitgangspunten voor het werken aan het Toekomstperspectief. Uitgangspunten voor het werken aan het Toekomstperspectief Op basis van dit Startdocument inclusief Gebiedsanalyse; • Nieuwe kabinetsplannen betrekken bij de planvorming; • Het Toekomstperspectief qua planning (2023) koppelen aan de Regionale Veenweidestrategie 2.0, waarin maatregelen en draagvlak centraal staan. Het is een visie, die daarna (RVS 3.0 in 2026) wordt voorzien van een uitvoeringsstrategie (zie ook § 7.4) • Het werken aan een integraal Toekomstperspectief voor het deelgebied is een proces waarbij steeds de uitkomsten en ervaringen van (experimentele) onderzoeken en pilotprojecten worden uitgewisseld en meegenomen. • Er is een wisselwerking in dit proces tussen de drie Deelgebiedscommissies en met de Regiegroep. • De inhoudelijke Rode Draden vormen een kapstok om het gesprek te voeren over het Toekomstperspectief.
• Er is niet één omlijnde werkwijze om te komen tot een Toekomstperspectief voor het deelgebied in de Deelgebiedscommissies. Er zijn verschillende mogelijkheden om het denkproces te stimuleren, zoals het denken in scenario’s, het bekijken van de verschillende alternatieven (technisch, systeemvolgend), ontwerpend onderzoeken, en / of het uitdenken en bespreken van opties voor samenwerking (publiek, publiekprivaat, privaat) om doelen te bereiken. Vanuit de programma-organisatie kunnen werkvormen, of het nadenken daarover, gefaciliteerd worden. • Er is nog veel onzeker, ook nadat de kabinetsplannen duidelijk zijn. Er is meer beleid in ontwikkeling, onderzoek is nog gaande en financiering van plannen ligt ook nog niet klaar voor de verdere toekomst (mogelijk wel met de kabinetsplannen). Niettemin is het van belang nu wél na te denken over de toekomst en daarbij ook aan te geven wat daarvoor nodig is. Vanuit de eigen kracht, vanuit het eigen gebied een toekomstperspectief schetsen maakt dat andere plannen daarin op passende wijze een plek kunnen krijgen, of dat duidelijk is dat dat niet in het toekomstperspectief past. Als je geen toekomstplan hebt, wordt je deel van andermans toekomstplan. Ook qua financiering is het van belang een duidelijk beeld te hebben waar je heen wilt en wat dat financieel betekent. Voor vage ideeën ontvangen we geen geld.
5.3 Werken aan de Gebiedsagenda Zes Gebiedsagenda’s en één provinciaal Gebiedsplan stikstof Tot het najaar van 2022 loopt het proces in Noordwest Overijssel om samen te komen tot een Gebiedsagenda. Dit is in feite de uitvoeringsstrategie 1.0, met in eerste instantie het accent op stikstofmaatregelen, die later als onderdeel van het Toekomstperspectief verder wordt uitgewerkt. In de Gebiedsagenda komen maatregelpakketten die bijdragen aan de verschillende opgaven. Het proces om te komen tot een Gebiedsagenda vindt plaats met gebiedspartners in Noordwest Overijssel en tegelijkertijd in 5 andere deelgebieden van Overijssel waardoor er in totaal 6 Gebiedsagenda’s komen. De stikstofmaatregelen uit de 6 Gebiedsagenda’s worden vertaald in het provinciale
17
Gebiedsplan Stikstof dat parallel aan de gebiedsagenda’s door de Provincie Overijssel wordt opgesteld. Dit maakt het mogelijk om tijdens het proces tussenversies van het Gebiedsplan te spiegelen aan de Gebiedsagenda. Een minimale variant van de Gebiedsagenda NWO bestaat in het najaar van 2022 uit voorstellen voor de aanpak van de stikstofemissie in NWO. Het provinciale Gebiedsplan is het aanbod van provincie Overijssel aan het rijk voor de aanpak van de stikstofopgave. Dit Gebiedsplan moet voor 1 juli 2023 worden aangeboden aan de minister van LNV. Right to challenge Het rijk heeft de resultaatsverplichting om de stikstofemissie te reduceren. Daarvoor heeft het rijk de wet stikstofreductie en natuurherstel vastgesteld en neemt het rijk bronmaatregelen. In de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel verkennen we samen met de gebiedspartners hoe we maatregelen op zodanige wijze kunnen nemen dat het passend is voor Noordwest Overijssel (Right to Challenge). We komen hiermee tot een voorstel voor de stikstofreductie (stikstofaanbod). Hiermee proberen we middelen vanuit het rijk naar Noordwest Overijssel te krijgen. Rode draden kapstok voor Gebiedsagenda Om te komen tot een Gebiedsagenda hebben we in de Gebiedsanalyse een aantal rode draden benoemd. De genoemde rode draden vertalen we naar voorstellen en maatregelen(pakketten) als onderdeel van de Gebiedsagenda.
De pakketten moeten bijdragen aan de verschillende opgaven. De effecten van de maatregelen(pakketten) worden zo mogelijk doorgerekend. Het proces naar de Gebiedsagenda werkt van grof naar fijn vanuit de rode draden en tegelijkertijd van fijn naar grof, dus vanuit concrete ideeën en kansen. De Gebiedsagenda heeft geen statisch maar een fluïde karakter, met ruimte voor nieuwe inzichten, aanvullend onderzoek etc. Dynamisch proces De agendafase bestaat uit een dynamisch proces met het Programmateam, de Deelgebiedscommissies, de gebiedspartners en overige betrokkenen. Er kunnen werkgroepen rondom thema’s worden ingericht en/of kleinere gebiedsprocessen worden gestart. De eerste stap is al gezet met een eerste inventarisatie in de Deelgebiedscommissies van kansen, initiatieven, pilotprojecten of ideeën daarvoor en andere uitvoeringsprojecten of -praktijken. In de komende tijd zullen er vervolgstappen worden gezet om samen de ideeën verder uit te werken, inzichtelijk te maken aan welke thematiek (rode draden) en opgaven ze bijdragen, hoe ze uitgevoerd zouden kunnen worden, wat het naar verwachting oplevert, en hoe de kennis die dat oplevert gemonitord en gedeeld kan worden. De lijst met ideeën/kansen/projecten is als bijlage aan de Gebiedsanalyse gevoegd. Er is in de Deelgebiedscommissies grote behoefte aan het op korte termijn starten van diverse uitvoeringsprojecten.
Data viewer blijft up-to date Ter ondersteuning van de Gebiedsanalyse en Gebiedsagenda heeft de provincie Overijssel een digitale database samengesteld. De gegevens in deze digitale database biedt bijvoorbeeld inzicht in de herkomst en neerslag van de stikstof in Overijssel en laten zien in hoeverre dit de Natura 2000-gebieden in de provincie beïnvloedt. Ook geeft het bijvoorbeeld inzicht in de dikte van het veenpakket, De database is voor iedereen toegankelijk en in te zien via https://ggahub-stikstof-overijssel.hub.arcgis.com.
18
Inhoud Gebiedsagenda De Gebiedsagenda bestaat uit een algemeen deel voor Overijssel als geheel en daarnaast het Gebiedspecifieke deel voor Noordwest Overijssel. Een inhoudsopgave bevat op hoofdlijnen de volgende onderdelen: ALGEMEEN DEEL (Overijssel, als onderdeel van GGA stikstof) • Inleiding • Uitgangspunten • Overzicht Rijksbronmaatregelen en Overijssels maatregelenpakket • Monitoring • Communicatie GEBIEDSDEEL (Noordwest Overijssel) • Analyse/aanleiding • Gebiedspecifieke maatregelen • Voorstel voor uitvoeringsagenda o 2030 o 2035 o 2050 • Uitvoering en financiering 2030 • Verantwoording / doorlopen proces totstandkoming Gebiedsagenda
5.4 Onderzoek (landelijk en in NWO) Op het gebied van veenweide (bodemdaling en uitstoot broeikasgassen) wordt veel onderzoek gedaan. Daarvoor is op landelijk niveau een onderzoeksprogramma (NOBV) gestart, dat ook (juist) op lokaal niveau onderzoek doet, om zo de verschillende (veen-) situaties in beeld te brengen. Daarnaast wordt ook veel onderzoek naar stikstof en stikstofreducerende maatregelen gedaan. Geconcludeerd kan worden dat er al veel onderzoek is gedaan, maar dat er ook nog kennishiaten zijn. Dat kan in algemene zin zijn of specifiek ten aanzien van de situatie in Noordwest Overijssel. Bij kennisvragen in de GGA NWO die niet al zijn onderzocht, zijn er mogelijkheden om het te laten onderzoeken binnen een onderzoeksprogramma. Hieronder een aantal belangrijke onderzoeksinstellingen (of daaraan gerelateerd). Het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) doet onderzoek naar de omvang van de uitstoot van broeikasgassen uit veen. Volgens het Klimaatakkoord moet deze uitstoot worden teruggebracht. Vanuit de Klimaatenveloppe ondersteunt de minister van LNV financieel het NOBV. Doel van het NOBV is de effectiviteit van verschillende maatregelen die de uitstoot van broeikasgassen verminderen te onderzoeken en de emissies beter te voorspellen. Daarbij worden tevens de effecten op bodemdaling in kaart gebracht.
Het NOBV doet onderzoek op verschillende locaties, waar aan uiteenlopende maatregelen en situaties gemeten wordt. Op alle locaties worden broeikasgasfluxen gemeten. Ook worden de bodemchemische en bodemfysische eigenschappen onderzocht en wordt er ook gemeten aan bodemdaling. In Rouveen wordt onderzoek gedaan naar het effect van onderwaterdrainage. Op deze meetlocatie wordt naast broeikasgasuitstoot ook intensief gemeten aan bodemdaling middels extensometers, waterpassen, LIDAR en INSAR. Emissies worden gemeten met automatische kamers en remote. In de Weerribben gaat NOBV emissies van broeikasgassen meten aan veenmosrietland en in de Wieden aan open water. Het uitvoerende onderzoeksconsortium (waar STOWA gemandateerd opdrachtgever voor is, legt verantwoording af aan de Regiegroep Veenweide. Er is een
19
begeleidingscommissie waarin de provincie Overijssel en waterschap Drents Overijsselse Delta ambtelijk in zijn vertegenwoordigd. Zeer recentelijk is het Veen Innovatie Programma (VIP NL) gestart, waarbij drie bestaande veenweide praktijkonderzoekslocaties (in Zuid-Holland, Noord-Holland en Friesland) samenwerken, en waarbij aansluiting gezocht wordt met onderzoekslocaties in Overijssel. Het rijk financiert 50% van de onderzoekskosten. Dit betreft onderzoek naar maatregelen tegen bodemdaling en uitstoot van broeikasgassen. Goede kans voor Noordwest Overijssel om lokaal onderzoek te doen. Wageningen University en Research (WUR) doet veel onderzoek dat relevant is voor de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel en onderzoeksresultaten zijn openbaar toegankelijk. Onderzoek richt zich natuurlijk op het terrein van de landbouw, maar ook bijvoorbeeld op de bodem, natuur, klimaat en op combinaties daarvan. Voor de Raad van de leefomgeving heeft de WUR bijvoorbeeld een onderzoek uitgevoerd naar de kostprijsverhoging van melk bij hogere waterstand in het veenweidegebied van het Groene Hart3. En naar effecten van ammoniak reducerende maatregelen in bedrijfsverband in veenweidegebied 4. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is het nationale instituut voor strategische beleidsanalyse op het gebied van milieu, natuur en ruimte.
Het PBL draagt bij aan de kwaliteit van de politiek-bestuurlijke afweging door het verrichten van verkenningen, analyses en evaluaties waarbij een integrale benadering vooropstaat. Het PBL is voor alles beleidsgericht. Het verricht zijn onderzoek gevraagd en ongevraagd, onafhankelijk en wetenschappelijk gefundeerd. Het PBL heeft zowel over veenweideproblematiek als stikstofproblematiek veel gepubliceerd. Naast deze onderzoeksbureaus wordt ook binnen Noordwest Overijssel al onderzoek gedaan door onder meer het Collectief Noordwest Overijssel met zijn GLB-pilot ‘Vooruit boeren op water en veen’. Het Nationaal Kenniscentrum Bodemdaling (NKB) heeft de functie van het toegankelijk maken van kennis op het gebied van bodemdaling, waaronder funderingsproblematiek. Er is nog veel onbekend, als het om bodemdaling en de effecten daarvan op bijvoorbeeld de CO2-uitstoot gaat. Ook de effecten van de verschillende maatregelen op de bodemdaling an sich of de CO2-uitstoot behoeft nog veel onderzoek. Via het NKB wordt de opgedane kennis snel gedeeld, zodat alle veenweidegebieden daar hun voordeel mee kunnen doen. In het advies over de Gebiedsanalyse van de Deelgebiedscommissies is aangegeven welke kennishiaten er zijn waar nader onderzoek naar gedaan zou moeten worden. Ook in de initiatieven/projectenlijst zijn onderzoeksprojecten genoemd.
In de Deelgebiedscommissies zullen deze onderzoeksvragen verder gespecificeerd worden en zal worden nagegaan of dit onderzoek al plaatsvindt (landelijk), dat het deel uit kan maken van een landelijk onderzoeksprogramma (met lokale pilotprojecten) of dat er aanvullend onderzoek noodzakelijk is.
3
Vernatting Groene Hart: kostprijs melk en CO2-prijs, C.H.G. Daatselaar, H. Prins, WUR Effecten van ammoniak reducerende maatregelen in bedrijfsverband Scenariostudie voor proeftuin Natura 2000 in veenweidegebied, A. Evers en anderen, WUR, ORG-ID en Projecten LTO-Noord 4
20
5.5 Waar gaan we eerst aan werken Regiegroep De leden van de Regiegroep bespreken het concept-Startdocument in het bestuur van hun organisatie, bepalen of ze er mee in kunnen stemmen (en commitment betuigen), en mandateren het Regiegroeplid om in de eerstvolgende vergadering van de Regiegroep te besluiten over eventuele wijzigingen. Overheden betrekken hier in meer of mindere mate hun algemene besturen bij. Op verzoek van de Regiegroep zullen Gedeputeerde Staten van Overijssel een voorstel doen aan Provinciale Staten (PS) over de inzet van voor de gereserveerde financiële middelen ten behoeve van het vervolg (onderzoek, proces) van de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel. Deelgebiedscommissies De Deelgebiedscommissies wijden zich de eerstkomende tijd aan het uitwerken van de initiatievenlijst en het zoeken naar gerichte kansen die bijdragen aan de doelstellingen van de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel. Eveneens wordt ingezet op het uitwisselen van kennis en delen van resultaten van praktijkonderzoek, onder meer door excursies naar proefboerderijen/praktijkbedrijven (coronaproof). Tevens kunnen de onderzoeksvragen gepreciseerd worden en bepaald worden hoe die uit te zetten, dan wel dat duidelijk wordt of de onderzoeken al plaatsvinden.
Na commitment van de partners op het Startdocument, zou het denken over een Toekomstperspectief kunnen starten met een ‘droomsessie’ over die toekomst. En met het voeren van verdiepende gesprekken over de Rode Draden. Programmateam Op verzoek van Regiegroep werkt het Programmateam een passende inrichting voor een werkorganisatie uit, dat deels gefinancierd wordt door de deelnemende partners en deels onderdeel uitmaakt van het verzoek aan PS. In de werkorganisatie zal de regierol van de provincie qua bemensing duidelijk tot uitdrukking komen, maar ook de andere partners zullen capaciteit leveren, waarbij de gevraagde inbreng van de overheden groter zal zijn dan die van de andere organisaties. De inzet is, naast advisering van de Regiegroep en de eigen bestuurder, met name gericht op het bijdragen aan onderzoek, pilotprojecten, visievorming, participatie in Deelgebiedscommissies en het delen en borgen van kennis in de eigen organisatie. We onderzoeken of ervencoaches en/of specialisten, voorzien in de behoefte van individuele agrarische ondernemers. Tevens wordt onderzocht of er voldoende beschikbaarheid is voor Noordwest Overijssel, of dat daar extra inzet op gepleegd moet worden. En zo ja, hoe dat dan vorm kan krijgen in het kader van de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel.