CConstaterende datZwartewaterland
Koppel je AI →
Document · PDF

1.4. Bijlagen bij regels

Raadsvergadering 21 mei 2026, gemeente ZwartewaterlandBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Boerderijweg 2 te Hasselt10.856 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Boerderijweg 2, Hasselt

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Boerderijweg 2, Has selt vastgesteld

Inhoudsopgave

Bijlagen bij de regels

3

Bijlage 1

Ruimtelijk Kwaliteitsplan

4

Bijlage 2

Quickscan flora/fauna

19

BJZ.nu Bestemmingsplannen

2

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Boerderijweg 2, Has selt vastgesteld

Bijlagen bij de regels

BJZ.nu Bestemmingsplannen

3

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Boerderijweg 2, Has selt vastgesteld

Bijlage 1

Ruimtelijk Kwaliteitsplan

BJZ.nu Bestemmingsplannen

4

Ruimtelijk kwaliteitsplan Boerderijweg 2, Hasselt

Inhoudsopgave

2

1. Inleiding

3

2. Omgevingsanalyse

4

3. Beleid

8

4. Uitgangspunten landschapsplan

10

5. Onderbouwing landschapsplan

11

6. Aanleg en beheer

13

Colofon

14

1. Inleiding Voorliggend plan heeft betrekking op het agrarisch bedrijfsperceel aan de Boerderijweg 2 in Hasselt. Op het perceel bevindt zich een melkveebedrijf met een ligboxenstal, kapschuur en karakteristieke schuur met woonboerderij. Initiatiefnemer is voornemens om het perceel te herontwikkelen naar woningbouw. Ter compensatie van de sloop van de bedrijfsgebouwen mag er een vrijstaande woning worden gerealiseerd. De karakteristieke bebouwing mag worden gesplitst in drie woningen. BJZ.nu is gevraagd een visie te geven op de inrichting van het perceel in de gewenste situatie, waar in voorliggend ruimtelijk kwaliteitsplan invulling aan wordt gegeven. Het voorliggende ruimtelijk kwaliteitsplan is gebaseerd op een analyse van het landschap. Daarnaast zijn de wensen van de initiatiefnemer in het plan verwerkt. In hoofdstuk 2 is allereerst een analyse van het gebied uitgevoerd. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een beschrijving gegeven van relevante beleid. Op basis van de analyse en het beleid wordt in hoofdstuk 4 vervolgens ingegaan op de uitgangspunten voor de landschappelijke inpassing. De uitgangspunten zijn vervolgens in hoofdstuk 5 verder uitgewerkt in een erfinrichtingsplan. Hoofdstuk 6 gaat nader in op de beplantingen en het beheer. Afbeelding 1 Ligging van het projectgebied (Bron: Plattekaart)

3

Afbeelding 2 Luchtfoto projectgebied (Bron: Street smart)

2. Omgevingsanalyse Ondergrond

Geomorfologie

Bodem Madeveengronden op zand zonder humuspodzol

Ontgonnen veenvlakte

Koopveengronden op zand Vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of loss.

Geomorfologie valt in te delen in verschillende landvormen. Het gebied ligt in een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of löss. Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa’s heeft eertijds in sommige terreingedeelten vrij veel dekzand opgenomen en in lage gebieden weer afgezet, waar vervolgens soms weer geringe verstuiving plaats vond. Het op deze wijze afgezette materiaal ligt zowel relatief laag als relatief hoog.

Ter plaatse van het projectgebied is sprake van koopveengronden op zand. Koopveengronden op zand zijn voormalige hoogveengebieden die zijn afgegraven voor turfwinning. Na ontginning bleef een dun veenrestant of venige humuslaag achter op zandige ondergrond. De gronden zijn ontwaterd, geëgaliseerd en vaak in gebruik genomen als landbouwgrond. Ze komen voor in voormalige veenontginningsgebieden, vooral in Oost- en Noord-Nederland.

Afbeelding 3 Geomorfologische kaart (Bron: Bodemdata)

Afbeelding 5 Bodemkaart (Bron: Bodemdata)

Hoogte

Grondwatertrappen

VI III

II

4

Het projectgebied ligt in een laaggelegen gebied. De gronden rondom het perceel liggen circa een halve meter onder NAP. De gronden op het perceel liggen 10 cm boven NAP.

De grondwatertrap in het projectgebied is 3. De grondwaterstand ligt gemiddeld tussen de 26 cm en 96 cm. Het betreffen relatief natte gronden.

Afbeelding 4 AHN hoogtekaart (Bron: AHN-viewer)

Afbeelding 6 Grondwatertrappenkaart (Bron: Bodemdata)

2. Omgevingsanalyse

1875

1925

Landschapstype Het projectgebied ligt in het buitengebied van de gemeente Zwartewaterland. In afbeelding 7 is de ontwikkeling van dit landschap in de omgeving van het projectgebied tussen 1875 en 2024 te zien. Het landschap rond het projectgebied kan worden getypeerd als het veenontginningslandschap. Rond de Boerderijweg bij Hasselt strekt zich een karakteristiek veenontginningslandschap uit, gevormd door de ontginning van hoog- en laagveen in de middeleeuwen en vroege nieuwe tijd. Het gebied heeft een regelmatige, rationele verkaveling die direct herleidbaar is tot de ontginningsstructuur: lange, smalle kavels liggen evenwijdig aan elkaar en worden begrensd door sloten en weteringen die destijds zijn gegraven om het veen te ontwateren. De wegen volgen hetzelfde patroon en lopen vaak in rechte lijnen, wat een herkenbaar geometrisch landschap oplevert. Tussen de open percelen liggen verspreid enkele erven en boerderijen, veelal geplaatst op de iets hogere zandruggen of oeverwallen die de overgang markeren tussen het veen en het zandiger achterland. Deze erven vormen geen dicht bebouwde kernen, maar liggen los van elkaar langs de wegen, waardoor een karakteristieke lintbebouwing is ontstaan. De boerderijen zelf zijn vaak oriënterend op de weg en op de lange kavelstructuur die erachter ligt, wat de relatie tussen bebouwing en verkaveling versterkt.

Het open karakter van het landschap is nog steeds goed zichtbaar. De percelen worden hoofdzakelijk gebruikt als grasland of akkerland, met slechts beperkte beplanting langs de kavelranden. Houtsingels en bomenrijen komen vooral voor bij de erven, als windsingel of erfbeplanting. Verspreid in het landschap liggen daarnaast enkele bosjes die een meer besloten karakter geven aan delen van het gebied. In een aantal van deze bosjes bevinden zich cultuurhistorisch waardevolle eendenkooien of de restanten daarvan. Deze kooien, ooit gebruikt voor het vangen van eenden, zijn vaak herkenbaar aan hun ronde of langgerekte vorm en de aanwezigheid van waterpartijen met omringende beplanting. Zij vormen waardevolle relicten van het vroegere gebruik van het veen- en waterrijke landschap en herinneren aan een tijd waarin de relatie tussen mens en waterbeheer nog direct zichtbaar was in de inrichting van het gebied.

5

Hoewel het landschap in de loop van de twintigste eeuw deels is gemoderniseerd en plaatselijk nieuwe functies heeft gekregen, zoals kleinschalige recreatie en agrarische nevenactiviteiten, blijft de onderliggende structuur van de veenontginning goed herkenbaar. De rechtlijnige kavels, de waterlopen, de verspreide erven en de bosjes met eendenkooien of hun restanten vormen samen een leesbaar patroon dat de geschiedenis van ontginning, ontwatering en agrarisch gebruik vertelt. Dit maakt het landschap rond de Boerderijweg tot een representatief voorbeeld van het veenontginningslandschap in de Kop van Overijssel

In 1875 is een duidelijke smalle opstrekkende verkaveling te zien. Ook zijn diverse eendenkooien zichtbaar op de kaarten rondom het projectgebied. Het projectgebied is nog onbebouwd.

In 1925 is te zien dat de gronden steeds meer verkaveld zijn. Ook zijn hier de eendenkooien goed zichtbaar. Op dit kaartbeeld is ook goed zichtbaar dat de gronden zijn ontgonnen vanaf de wetering ten oosten van het projectgebied.

1975

2024

In 1950 zijn de gronden opnieuw verkaveld. Toch is de kenmerkende smalle opstrekkende verkaveling nog zichtbaar. De eerste bebouwing is voor het eerst zichtbaar in het projectgebied. De eendenkooi ten zuiden is verdwenen en bestaat uitsluitend uit een bosperceel.

In bovenstaande afbeelding is het huidige landschap te zien met zijn moderne kenmerken. De kenmerkende verkaveling is nog aanwezig. Ook is er meer bebouwing en woon- of boerderijpercelen aanwezig.

Afbeelding 7 Historische kaarten (Bron: Topotijdreis)

2. Omgevingsanalyse Potentiële natuurlijke vegetatie

De gronden rondom het projectgebied bieden van nature een goede basis voor de volgende beplanting:

Aan de hand van het bodemtype en het grondwaterniveau kan de potentiële natuurlijke vegetatie (PNV) worden bepaald. Dit is de vegetatie die op de locatie voor zou komen zonder menselijk ingrijpen of rampen.

Door in het projectgebied gebruik te maken van de plantensoorten die passen bij deze natuurlijke ondergrond, wordt zwak plantmateriaal voorkomen.

Op basis van de analyse van de natuurlijke ondergrond is het bijpassende bostype voor het projectgebied bepaald. Voor het projectgebied is dat het bostype ‘Gewoon Elzenbroek’. Bij de plantkeuze verdient het de voorkeur om aan te sluiten bij de vastgestelde PNV.

6

Sorbus aucuparia

Wilde Lijsterbes

Betula pubescens

Zachte berk

Viburnum opulus

Gelderse Roos

Alnus glutinosa

Zwarte els

3. Beleid Omgevingsvisie Overijssel De omgevingsvisie Overijssel is de provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De provincie Overijssel stuurt op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Bestaande kwaliteiten moeten worden beschermd en er moeten verbindingen worden gelegd tussen deze bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Dat wil zeggen dat nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit vormen essentiële gebiedskenmerken het uitgangspunt. Hierna wordt ingegaan op de gebiedskenmerken in de omgeving van het projectgebied. Natuurlijke laagte: Laagveengebied Laagveengebieden beslaan grote gebieden, waar onder invloed van stagnerend water en grondwater uitgestrekte veenmoerassen zijn ontstaan. Hier bestonden diverse verlandingsstadia naast elkaar: open water – rietmoeras – opgaand moerasbos. Het semi-natuurlijk laagveenrestant van de Weerribben en de Wieden bestaat uit relicten van dit gebiedstype met een hoge waterkwaliteit en natuurkwaliteit. Het landschap is samengesteld uit rietland op een pakket veenlagen (kraggen) en vaarten, afgewisseld met bos en is ontstaan door turfwinning, rietteelt en extensieve veehouderij. Ook in de overige veenweidelandschappen is een hoog waterpeil van belang om inklinking tegen te gaan. Het open karakter is zowel ruimtelijk waardevol, als voor weidevogels en ganzen.

Laag van agrarisch cultuurlandschap: Maten en Flierenlandschap Laaggelegen kleinschalig landschap dat zich langs de beken, in de natuurlijke laagten heeft ontwikkeld. Langs de ontwateringssloten haaks op de beek werd vaak hakhout aangeplant. Dit diende tevens als perceelsafscheiding – daar, waar de ontwateringssloot niet altijd watervoerend – was in geval van beweiding. Rond de beek ontstond een lineair landschap, met daaromheen in de natte laagtes een matenlandschap. Kleinschalig landschap langs beken en in laagten met veel variatie in ruimtelijke opbouw: de open ruimte van de watergang, de coulissen van hakhoutstruweel, de open kamers van de hooien weilanden, met hier en daar een broekbos op de nattere plekken. Vloeivelden maakten onderdeel uit van het bemestingssysteem. Het Maten- en Flierenlandschap is veelal de contramal van het essenlandschap en het oude hoevenlandschap en was daar functioneel aan verbonden. Als ontwikkelingen plaats vinden in of nabij het Maten en Flierenlandschap, dan dragen deze bij aan versterking van het historische lineaire landschap met open ‘kamers’ en coulissen, aan accentuering van de overgang naar hogere gronden, de toegankelijkheid, de beleefbaarheid en het vasthouden van water. Inrichting van nog gave delen richt zich op het behouden van de cultuurhistorische waarden.

Laagveengebieden

Dekzandvlakte en ruggen Afbeelding 8 Natuurlijke laagte (Bron: Omgevingsvisie Overijssel)

Maten en flierenlandschap

Jong heide- en broekontginningslandschap

Afbeelding 9 Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Omgevingsvisie Overijssel)

8

3. Beleid Landschapsontwikkelingsplan Zwolle, Zwartewaterland en Kampen Het projectgebied ligt in het deelgebied ‘Broekgebieden’. Kenmerken: • Vlak open landschap, met voornamelijk weilanden. • Opstrekkkende verkaveling met ‘slagen’, smal en langgerekt. • Boerderijen en woningen zijn georienteerd op en aan de weg en aan de ontginningsbasis. • Eendenkooien met beplanting. • Weteringen en sloten, soms met rietkragen. Gewenste ontwikkelingen: • Handhaven en versterken van de openheid, het accent ligt op de landbouw. • Handhaven en versterken van de smalle, langgerekte kavels, gescheiden door sloten. • Aanleggen van opgaande beplanting (met name bomen) langs de wegen (ontginningsassen), bij de eendenkooien en erven. • Handhaven en versterken van de lange zichtlijnen vanaf de ontginningsassen. • Ontwikkelen van natte natuur bij de weteringen (bijvoorbeeld de steenwetering). • Bevorderen van weidevogelgebieden. Bij nieuwbouw op de erven is het van belang dat er wordt aangesloten bij de structuur van het erf (voor en achter), het erfensemble (hoofd- en bijgebouwen), de gebouwen (architectuur, kleur, materiaal), de begrenzing van het erf (open of besloten), het relief (terp of geen terp), het kavel- en waterpatroon en de ligging van in het landschap.

9

4. Uitgangspunten landschapsplan Rond de Boerderijweg bij Hasselt strekt zich een karakteristiek veenontginningslandschap uit, gevormd door de ontginning van hoog- en laagveen in de middeleeuwen en vroege nieuwe tijd. Het gebied heeft een regelmatige, rationele verkaveling die direct herleidbaar is tot de ontginningsstructuur: lange, smalle kavels liggen evenwijdig aan elkaar en worden begrensd door sloten en weteringen die destijds zijn gegraven om het veen te ontwateren. De wegen volgen hetzelfde patroon en lopen vaak in rechte lijnen, wat een herkenbaar geometrisch landschap oplevert. en kampenlandschap of Oude Hoevenlandschap. Het kampenlandschap is een kleinschalig en afwisselend cultuurlandschap dat zich kenmerkt door een mozaïek van kleine akkers, weilanden en bosjes, vaak onregelmatig van vorm en omgeven door houtwallen, singels of greppels. Het ligt meestal op hogere, zandige gronden, vaak aan de randen van beekdalen of op zandruggen. De structuur is historisch gegroeid, met verspreid liggende boerderijen of kleine buurtschappen, ingebed in het groen. Kenmerkend zijn de essen – hoger gelegen akkers – en de kampen, die als kleine ontginningen uit bos of heide zijn ontstaan. De overgangen tussen hoog en laag zijn geleidelijk, waarbij de natte laagten vaak begroeid zijn met elzen of wilgen.

Behoud van bestaande elementen • De bestaande groenstructuren rondom het erf en langs de weg blijven behouden. • Het open karakter van het omliggende weiland blijft zichtbaar. Aanvulling met nieuwe beplanting • Aanplant van drie solitaire bomen ter versterking van het landschappelijk beeld. • Aanplant circa 140 meter aan gemengde haag als erfafscheiding en structuurversterking. • Aanleg van erfbeplanting met inheemse boomsoorten. • Aanleg van een hoogstam fruitboomgaard op het voorerf. Versterking van landschapsstructuur en biodiversiteit • Door de aanplant van inheemse soorten wordt de biodiversiteit op en rond het erf verhoogd. • De singel en struikbeplanting bieden schuilgelegenheid en voedsel voor vogels en kleine zoogdieren.

10

Legenda 1. Nieuwe boerderijwoningen Te splitsen van de bestaande woonboerderij en schuur 2. Schuurwoning met inpandig bijgebouw 3. Bijgebouwen 4. Parkeerplaats 5. Aan te planten hoogstam fruitboomgaard 2 st: Pyrus communis 'Conference' (Peer) 3 st: Prunus domestica 'Opal' 3 st: Prunus avium 'Stella' (Kers) Aanplantmaat: 16-18cm stamomtrek Alle toegepaste fruitrassen zijn zelfbestuivend, waardoor onderlinge kruisbestuiving niet vereist is. 6. Kruidenrijk grasland (Cruydthoeck) 7. Aan te planten gemengde haag Totaal oppervlak: 140m1 met uiteindelijke hoogte max. 150cm Plantwijze: dubbele plantrij, 4 stuks per strekkende m1 Leveringskwaliteit plantmateriaal: bosplantsoen 80-120cm Sortiment haag: 50% Crataegus monogyna (Meidoorn) 50% Prunus spinosa (Sleedoorn) 8. Aan te planten solitaire erfbomen Castanea sativa (Tamme kastanje) Tilia platyphyllos (Zomerlinde) Juglans regia (Walnoot) Aantal: 3 stuks Aanplantmaat: 16-18cm stamomtrek, solitair 9. Bestaande erfsingel aanvullen Alnus glutinosa (Gewone els) Fraxinus excelsior (Gewone es) Betula pendula (Ruwe berk) Salix fragilis (Kraakwilg) Aan te planten op open plekken. Aanplantmaat:10-12cm stamomtrek

8 l1

ee

rc Pe

3

4

9

7

4 el 2

rce

Pe

1 8

7

1 2

1

8 el 4

4 el 3

rce

rce

Pe

5

Pe

3

3 4

2 7 6

Boerderijweg 2, Hasselt Formaat: A3 Schaal: 1:500 Datum: Oktober 2025

5. Onderbouwing landschapsplan In het landschapsplan wordt op twee aspecten ingegaan, namelijk: de erfinrichting en de groenstructuren. De erfinrichting gaat in op de situering van de bebouwing op de erven en de groenstructuren gaat in op de passende beplanting in het gebied.

Erfinrichting

De herontwikkeling van het voormalige melkveebedrijf naar vier wooneenheden volgt het uitgangspunt van erfcompactheid. De bebouwing wordt geconcentreerd rond de bestaande boerderij en het stenen bijgebouw, zodat een samenhangend erfensemble ontstaat. De vrijstaande schuurwoning met bijgebouw (perceel 4) krijgt een compacte vormgeving waarbij het bijgebouw in de kopgevel is geïntegreerd (circa 10 bij 18 meter), waardoor een functioneel eenheid ontstaat in plaats van verspreide volumes. Dit maakt het erf efficiënt indeelbaar en garandeert voldoende privacy tussen de wooneenheden. De overige woningen worden gevoegd in de karakteristieke woonboerderij met vrijstaande stenen schuur. Uitgangspunt hierbij is dat de karakteristieken van het gebouw behouden blijven. Er wordt bij de vrijstaande schuur een kapschuur gerealiseerd als bijgebouw. De woningen in de woonboerderij kunnen gebruik maken van de hooiberg. De hooiberg op perceelgrens 1 en 2 wordt vormgegeven met respect voor de historische periode van deze ontginningsboerderijen en functioneert als gezamenlijk bijgebouw. De erfopzet onderscheidt duidelijk tussen een representatieve, meer gestructureerde voerzijde aan de Boerderijweg en een open, landschappelijk ingeklede achterzijde. Het voorerf markeert de overgangsplek tussen de weg en het woongebied en behoudt de karakteristieke erfsfeer.

Het achtererf blijft zoveel mogelijk open en vervult een belangrijke rol in de waarneming van de erfruimte: het contrast tussen de georganiseerde erfkern en het open achterliggende landschap zorgt voor een helder, herkenbaar erfbeeld. Erfscheidingen worden uitgevoerd als groene haagstructuren in plaats van schuttingen, zodat het erfensemble niet uit elkaar valt. Waar mogelijk worden deze aangevuld met losse erfstruiken en solitaire bomen, wat een natuurlijk erfkarakter waarborgt. De percelen worden informeel gescheiden door een fruitgaarde of bloementuin, die tegelijk functioneert als gedeelde erfruimte en versterkt de ruimtelijke eenheid van het ensemble. Deze aanpak sluit aan bij het historische erfkarakter, waarin moestuinen, fruitgaarden en erfbomen belangrijke inrichtingselementen vormden.

11

Landschappelijk

Het projectgebied ligt in een open veengebied. Rond de Boerderijweg bij Hasselt strekt zich een karakteristiek veenontginningslandschap uit, gevormd door de ontginning van hoog- en laagveen in de middeleeuwen en vroege nieuwe tijd. Het gebied heeft een regelmatige, rationele verkaveling die direct herleidbaar is tot de ontginningsstructuur: lange, smalle kavels liggen evenwijdig aan elkaar en worden begrensd door sloten en weteringen die destijds zijn gegraven om het veen te ontwateren. De wegen volgen hetzelfde patroon en lopen vaak in rechte lijnen, wat een herkenbaar geometrisch landschap oplevert. De herontwikkeling respecteert deze structuur volledig door bebouwing te concentreren op de bestaande agrarische bedrijfsperceel, waarbij het achterliggende landschap achter het erf volledig vrij blijft van bijkomende bebouwing. Dit behoud van openheid garandeert dat de karakteristieke ruimtelijke gelaagdheid van het veenontginningslandschap behouden blijft. De groenstructuur van het erf is opgebouwd uit verschillende complementaire lagen. De bestaande houtsingel aan de noordzijde vormt een belangrijke groene achtergrond en erfscheiding, die plaatselijk wordt versterkt met inheemse boomsoorten als els, es, berk en wilg. Dit versterkt de structuur van de opstrekkende verkaveling en sluit aan bij de karakteristieke lineaire beplanting van het ontginningslandschap.

Lokaal wordt een kruidenrijke onderlaag aangebracht in deze singel, die bloemrijke vegetaties bevordert en een aantrekkelijke zone vormt voor vlinders, bijen en andere insecten. De aanplanting van drie solitaire erfbomen (tamme kastanje, zomerlinde en walnoot) draagt bij aan de herkenbare erfstructuur en sluit aan bij het historische beeld van de agrarische bedrijfspercelen, waar fruitbomen een vaste inventaris vormden. Deze bomen versterken de landschappelijke schaal en zorgen voor een harmonische relatie met de omliggende groenstructuren. De aanplanting van een fruitboomgaard (peren, pruimen en kersen) herinnert aan de historische boerenperceel op deze locatie en draagt bij aan voedselproductie en erfkarakter. De kruidenrijke grasland-inzaai (Cruydthoeck) op de achterpercelen biedt voedsel en habitat voor insecten, die op hun beurt weer voedsel vormen voor vogels en kleine zoogdieren. Samen creëren deze lagen een gevarieerd, ecologisch waardevol landschap waarin beleving, natuurwaarde en herkenbaarheid van het ontginningslandschap hand in hand gaan. De gelaagde vegetatiestructuur zorgt voor seizoenale variatie en draagt bij aan ecologische robuustheid, waardoor het geheel een toekomstbestendig landschap vormt waarin natuur en cultuur harmonieus samengaan.

Legenda 1. Nieuwe boerderijwoningen Te splitsen van de bestaande woonboerderij en schuur 2. Schuurwoning met inpandig bijgebouw 3. Bijgebouwen 4. Parkeerplaats 5. Aan te planten hoogstam fruitboomgaard 2 st: Pyrus communis 'Conference' (Peer) 1 st: Prunus domestica 'Opal' 1 st: Prunus avium 'Stella' (Kers) Aanplantmaat: 16-18cm stamomtrek Alle toegepaste fruitrassen zijn zelfbestuivend, waardoor onderlinge kruisbestuiving niet vereist is. 6. Kruidenrijk grasland (Cruydthoeck) 7. Aan te planten gemengde haag Totaal oppervlak: 140m1 met uiteindelijke hoogte max. 150cm Plantwijze: dubbele plantrij, 4 stuks per strekkende m1 Leveringskwaliteit plantmateriaal: bosplantsoen 80-120cm Sortiment haag: 50% Crataegus monogyna (Meidoorn) 50% Prunus spinosa (Sleedoorn) 8. Aan te planten solitaire erfbomen Castanea sativa (Tamme kastanje) Tilia platyphyllos (Zomerlinde) Juglans regia (Walnoot) Aantal: 3 stuks Aanplantmaat: 16-18cm stamomtrek, solitair 9. Bestaande erfsingel aanvullen Alnus glutinosa (Gewone els) Fraxinus excelsior (Gewone es) Betula pendula (Ruwe berk) Salix fragilis (Kraakwilg) Aan te planten op open plekken. Aanplantmaat:10-12cm stamomtrek

8 el 1

e erc

P

3

4

9

7

4 l2

ee erc

1

P

8

7

1

5 2

1

8

4 l3

l4

ee erc

ee erc

P

P

3

3 4

2 7 6

Boerderijweg 2, Hasselt Formaat: A3 Schaal: 1:500 Datum: Oktober 2025

6. Aanleg en beheer 6.1 Algemene aanplantinstructie 1. Het aanplanten van een landschapselementen kan plaats vinden tussen (half) november en (half) maart, mits het niet vriest. 2. Voor de aanplant wordt vaak gekozen voor een zogeheten bewortelde stek met de maat 200-250 cm hoogte vanaf de wortelhals. 3.Indien u niet direct alle bomen kunt aanplanten, dan kunt u ervoor kiezen de bomen tijdelijk op te kuilen. Kies hiervoor een vochtige schaduwrijke plaats uit. Het opkuilen kan door een gat in de grond te graven en daar de bomen met de wortels in te zetten. Bedek de wortels met de vrijgekomen grond.

6.2 Specifieke aanplantinstructie Solitaire boom Voor het aanplanten is een ruim plantgat noodzakelijk waarin de wortels zich wijd kunnen uitspreiden. Het plantgat dient daarom ongeveer een afmeting te hebben van 70x70x70cm groot. Spit na het graven de bodem van het plantgat los. Bomenrij 1. Voor het aanplanten is een ruim plantgat noodzakelijk waarin de wortels zich wijd kunnen uitspreiden. Het plantgat dient daarom ongeveer een afmeting te hebben van 70x70x70 cm groot. Spit na het graven de bodem van het plantgat los. 2. Plaats daarna een boompaal van onbehandeld hout naast de boom (maat 250 cm lengte bij 8 cm doorsnede), op circa 15 cm van de boom, aan de kant van de heersende windrichting (zuidwesten). Bevestig de jonge boom met sisal boomtouw aan de boompaal. Knoop het touw aan de paal en draai het touw circa 3 maal in een 8-vorm om de boom. Leg een knoop in het touw om deze aan de paal te bevestigen. Snijd overtollig touw af. 3. U kunt nu het plantgat weer dichtgooien. Pas indien nodig bodemverbetering toe door bijvoorbeeld potgrond te mengen met de grond uit het plantgat. 4. Plaats bij een bomengroep de bomen ruim uit elkaar, de minimale plantafstand is 6 meter. Een volwassen boom kan al snel een kroon ontwikkelen van 10 meter breed. Haag Voor het ontwikkelen van een dichte haag is de aanplant van 1 rij met bosplantsoen voldoende, meer rijen mag ook.

Per strekkende meter kunt u 4 stuks bosplantsoen aanplanten. Graaf voor het planten een sleuf, die diep en breed genoeg is om de wortels van het plantgoed er ruim in te leggen. Eventueel kunt u een draad spannen als hulpmiddel bij het graven van de plant- sleuf. Sluit de plantsleuf na aanplant weer af met aarde.

13

Kruidenrijk grasland • De voorkeursperioden voor zaaien zijn augustus-september of februari-maart. Dit heeft ermee te maken dat veel planten koude- en weersinvloeden nodig hebben om te kunnen kiemen. Bij voorkeur niet zaaien als de grond drijfnat is (in ieder geval op zware kleigrond). Ook zaaien tijdens vorst of sneeuw wordt afgeraden. • De benodigde hoeveelheid zaaigoed hangt af van de bodem: 1 g/m2 op klei en 1,25 g/m2 op zand. Het zaad van inheemse, meerjarige planten is vaak stof-fijn, waardoor een kleine hoeveelheid zaad al genoeg is. • Meng het zaaigoed met licht vochtig zand (niet nat). Hiervoor kunt u bijvoorbeeld straatzand gebruiken. Dit steekt mooi af tegen de overwegend donkere ondergrond. Op die manier kunt u goed zien waar u al zaden gestrooid heeft. Ga voor menging uit van ongeveer 1 emmer zand op iedere 100 gram zaad of 1 kruiwagen zand voor 1 kg zaad. Hoogstamfruitboom Hoogstambomen kunnen meer dan 10 meter hoog en breed worden. Het is daarom belangrijk bij aanplant de fruitbomen op ruime afstand van elkaar te planten. Plant daarom appelbomen minstens 10 meter uit elkaar, peren en kersen 8 meter en pruimen 6 meter uit elkaar. Voor het planten is een ruim plantgat noodzakelijk waarin de wortels zich wijd kunnen uitspreiden. Snoei de jonge boom meteen na de aanplant.

6.3 Specifiek beheer Solitaire boom Beheer is bij een solitaire boom niet of nauwelijks nodig. Door middel van een visuele beoordeling kan worden bekeken of onderhoudssnoei noodzakelijk is. Het verdient aanbeveling om regelmatig zogeheten zuigers, schurende takken en dood hout te verwijderen. Snoeien kan over het algemeen in de wintermaanden, met uitzondering van haagbeuk, walnoot, wilde paardenkastanje, esdoorn en berk. Bomenrij Zo min mogelijk snoeien heeft de voorkeur, omdat er zo weinig mogelijk wonden ontstaan. De boom zal met de mogelijkheden van de groeiplaats uitgroeien tot een volwassen boom. Haag De beste snoeiperiode is eind februari of begin maart. Kruidenrijk grasland • Maai de vegetatie het eerste jaar zodra deze 20-25 cm hoog is. Maai met een zeis, bosmaaier met een messenblad (geen draadkop!) of een cyclomaaier zodat het maaisel kan worden afgevoerd. Gebruik geen klepelmaaier, aangezien deze het maaisel te fijn maakt waardoor harken/oprapen niet mogelijk

• •

is. Maai niet te laag (> 5 cm boven grond). Afvoeren van maaisel voorkomt dat een viltige laag van oud maaisel op de bodem ontstaat. Deze belemmert kieming van zaden en verstikt eventuele kiemplanten. Vanaf het tweede jaar bestaat het beheer eveneens uit maaien en afvoeren van maaisel. Frequentie en tijdstip van maaien is afhankelijk van de productiviteit van de begroeiing. Over het algemeen geldt dat tweemaal per jaar maaien (en afvoeren) volstaat: de eerste maaibeurt tussen half mei en half juni en de tweede maaibeurt later in de zomer.

Hoogstamfruitboom De vormsnoei is vooral belangrijk bij de jonge bomen. Elke soort heeft zijn eigen specifieke vorm. Fruitbomen kunnen het beste jaarlijks gesnoeid worden. Het gaat daarbij om vervanging van minder vitaal, afgedragen vruchthout, het verwijderen van ziek hout en het verwijderen van verkeerd geplaatste nieuwe scheuten.

Colofon

Project:

Hasselt, Boerderijweg 2

Auteur:

BJZ.nu

Datum:

Oktober 2025

Status:

Concept

www.bjz.nu 0546 434 466 info@bjz.nu

Vestiging Almelo Twentepoort Oost 16a 7609 RG Almelo

14

Vestiging Zwolle Dr. van Wiechenweg 2 8025 BZ Zwolle

Vestiging Utrecht Wattbaan 51 3439 ML Nieuwegein

Vestiging Groningen Helperpark 284 9723 ZA Groningen

1

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Boerderijweg 2, Has selt vastgesteld

Bijlage 2

Quickscan flora/fauna

BJZ.nu Bestemmingsplannen

19

Quickscan flora en fauna Boerderijweg 2 Hasselt

Quickscan flora en fauna Boerderijweg 2 Hasselt

Titel

Quick Scan flora en fauna, Boerderijweg 2 Hasselt

Uitvoering

Bureau Bleijerveld

Opdrachtgever

BJZ.nu Dr. Van Wiechenweg 2 8025 BZ Zwolle

Datum

15 september 2025

Status

1e versie

Schoterlandseweg 53 8451 KB Oudeschoot mob 06-40559568 mobleijerveld@gmail.com

Inhoudsopgave 1

Inleiding 1.1 Aanleiding & doel 1.2 Methoden 1.3 Plangebied 1.4 Ingreep

1 1 2 2 2

2

Beschermde gebieden 2.1 Aanwezigheid beschermde gebieden 2.2 Effecten 2.3 Effecten NNN 2.4 Effecten Natura 2000 2.5 Houtopstanden

5 5 5 5 5 6

3

NDFF-gegevens

7

4

Beschermde soorten 4.1 Planten 4.2 Zoogdieren 4.3 Vleermuizen 4.4 Vogels 4.5 Amfibieën 4.6 Reptielen 4.7 Vissen 4.8 Vlinders 4.9 Libellen 4.10 Ongewervelden 4.11 Specifieke zorgplicht 4.12 Samenvatting

8 8 8 9 10 10 11 11 11 11 12 12 13

5

Conclusies 5.1 Beschermde gebieden 5.2 Beschermde soorten

14 14 14

Bronnen Bijlage I. Wettelijk kader en beleidsbeleid

15

1 1.1 Aanleiding & doel

Inleiding

Op Boerderijweg 2 in Hasselt (gem. Zwartewaterland) is een melkveehouderij gevestigd. Het voornemen bestaat om de bedrijfsgebouwen te slopen en een extra woning te realiseren. Het plan kan een negatief effect hebben op beschermde gebieden en soorten uit de Omgevingswet (Ow, 2024). In dit kader is een quickscan flora en fauna van de locatie uitgevoerd.

Figuur 1. Globale ligging plangebied (rood).

Het onderhavige rapport beschrijft de resultaten van de quickscan van beschermde natuurwaarden in en rond het plangebied. De rapportage kan dienstdoen als onderbouwing bij omgevingsplanwijzigingen en of vergunningaanvragen in het kader van de Omgevingswet. Een quickscan betreft een beoordeling van de aanwezige natuurwaarden in en rond het plangebied op basis van beschikbare gegevens, een terreinbezoek en ecologische kennis. De quickscan is een momentopname en geen standaard veldinventarisatie waarbij meerdere veldrondes in een seizoen worden uitgevoerd. Een quickscan geeft daardoor een beperkter beeld dan een standaardveldinventarisatie. Omdat het onderzoek een momentopname betreft kan geen rekening worden gehouden met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en beheer na afloop van het onderzoek.

Quickscan flora en fauna, Boerderijweg 2 Hasselt

1

1.2 Methoden

Bij de beoordeling van het plangebied is een bronnenonderzoek verricht naar het voorkomen van beschermde soorten. Daarvoor zijn de gegevens van de Nederlandse Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Op 28 augustus 2025 is het plangebied bezocht. Daarbij is gelet op de aanwezigheid van beschermde soorten en sporen (verblijfplaatsen, wissels, pootafdrukken en dergelijke). Verder is het terrein beoordeeld op de geschiktheid voor beschermde soorten (habitatbeoordeling).

1.3 Plangebied

Het plangebied wordt gevormd door het terrein van een melkveehouderij. Op het erf staan zes gebouwen. Het gaat om een moderne ligboxenstal (nr. 1), een boerderij met deel uit 1960 (nr. 2) en een stal uit 1960 (nr. 3). De drie gebouwen staan tegen elkaar aan maar zijn niet geschakeld gebouwd. Verder staan op het erf een grote kapschuur (nr. 4), een kleine kapschuur (nr. 5) en een hooischuur (nr. 6). Het erf is bestraat rond de gebouwen. Verder bestaat het uit gazon en ruw gras. Langs de noordkant van het erf, in de voortuin en rond de hooischuur staan oudere bomen. Op het erf is geen oppervlaktewater aanwezig. Langs de zuidkant en oostkant lopen kavelsloten. Rond het erf liggen weidepercelen, enkele erven en een vochtig bosperceel.

Figuur 2. Luchtfoto plangebied (rood)

1.4 Ingreep

Het voornemen bestaat om gebouw 1, 4, 5 en 6 te slopen en hiervoor in de plaats een extra woning te realiseren. De deel van de boerderij (nr. 2) en gebouw 3 worden verbouwd tot woning.

Quickscan flora en fauna, Boerderijweg 2 Hasselt

2

Figuur 4. Gebouw 1.

Figuur 5. Interieur gebouw 1.

Figuur 6. Gebouw 2.

Figuur 7. Interieur gebouw 2.

Figuur 8. Gebouw 3.

Figuur 9. Interieur gebouw 3.

Quickscan flora en fauna, Boerderijweg 2 Hasselt

3

Figuur 4. Gebouw 4.

Figuur 5. Interieur gebouw 4.

Figuur 6. Gebouw 5.

Figuur 7. Interieur gebouw 5.

Figuur 8. Gebouw 6.

Figuur 9. Interieur gebouw 6.

Quickscan flora en fauna, Boerderijweg 2 Hasselt

4

2 2.1 Aanwezigheid beschermde gebieden

Beschermde gebieden

Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden. Ten westen van de locatie ligt Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Het gebied is ook onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Ten noorden van het plangebied liggen ook onderdelen van het NNN. De afstand tot het Natura 2000-gebied bedraagt minimaal circa 2,3 km, de afstand tot het NNN circa 900 meter.

Figuur 10. Ligging plangebied t.o.v. beschermde natuurgebieden.

2.2 Effecten

Een effectbeoordeling van een gebied beschermd door de Omgevingsverordening is alleen aan de orde wanneer het plangebied overlapt met een beschermd gebied. Natura 2000-gebieden zijn beschermd onder de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor deze gebieden dienen ook grensoverschrijdende effecten of externe werking te worden meegewogen.

2.3 Effecten NNN

Het plangebied overlapt niet met Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit betekent dat directe effecten niet optreden en geen toetsing van het plan aan de kernkwaliteiten van de beschermde gebieden is vereist.

2.4 Effecten Natura 2000

Het plangebied overlapt niet met Natura 2000-gebieden. Hierdoor zijn directe effecten zoals oppervlaktevermindering niet aan de orde. Gelet op de afstand tot Natura 2000-gebieden en de bestemming wonen is externe werking als gevolg van bijvoorbeeld trilling, geluid, licht en verdroging op voorhand uit te sluiten met uitzondering van stikstofdepositie. De toetsing van het plan aan het stikstofbeleid valt buiten het kader van dit onderzoek. Hiervoor wordt verwezen naar de toelichting op het omgevingsplan.

Quickscan flora en fauna, Boerderijweg 2 Hasselt

5

2.5 Houtopstanden

De specifieke zorgplicht voor vellings- en herbeplantingsactiviteiten stelt dat activiteiten met nadelige gevolgen voor de oogmerken voor de regels (art. 11.112 Bal) voorkomen of beperkt dien te worden, ongedaan te worden gemaakt of achterwege te worden gelaten. De oogmerken hebben betrekking op de natuur- bescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. In grote lijnen beschermt de Omgevingswet bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Onder meer houtopstanden op erven of in tuinen vallen niet onder de bescherming van de Omgevingswet. Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In het plangebied worden geen houtopstanden gekapt en de begroeiingen bevinden zich op een erf. De specifieke zorgplicht specifieke zorgplicht voor vellings- en herbeplantingsactiviteiten is daarom niet aan de orde. Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom maar er worden geen bomen gekapt ten behoeve van het plan. De specifieke zorgplicht specifieke zorgplicht voor vellings- en herbeplantingsactiviteiten is daarom niet aan de orde.

Quickscan flora en fauna, Boerderijweg 2 Hasselt

6

3

NDFF-gegevens

In de databank van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn van de afgelopen vijf jaar de gegevens opgevraagd van een gebied van circa vijf kilometer (uurhok) rond de locatie. In het plangebied zijn geen waarnemingen van bedreigde of beschermde soorten gedaan. In de directe omgeving huismus waargenomen ter plaatse van het erf ten noorden van het plangebied. In het bos ten zuiden van het erf is een kleine broedkolonie van blauwe reiger vastgesteld. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de waargenomen soorten in het totale uitgevraagde gebied (regio). Soortgroep Vleermuizen

Zoogdieren

Vogels Jaarrond beschermd cat. 1-4

Jaarrond beschermd cat. 5

Soort Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Watervleermuis Bever Boommarter Bunzing Egel Hermelijn Otter Steenmarter 132 soorten Boerenzwaluw Boomvalk Buizerd Havik Huismus Huiszwaluw Ooievaar Ransuil Sperwer Steenuil Torenvalk Blauwe reiger Bonte vliegenvanger Boomkruiper Draaihals Gekraagde roodstaart Grauwe vliegenvanger

Status Hrl Hrl Hrl Hrl Hrl Hrl Nat Nat Nat Nat Hrl Nat Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl

Soortgroep

Reptielen Amfibieën Vissen Vlinders Libellen

Kevers Planten

Quickscan flora en fauna, Boerderijweg 2 Hasselt

Soort Groene specht Grote bonte specht Grutto Kleine bonte specht Oeverzwaluw Ringmus Spreeuw Tapuit Tureluur Veldleeuwerik Wulp Zeearend Zwarte mees Zwarte roodstaart Heikikker Poelkikker Grote modderkruiper Aardbeivlinder Zilveren maan Beekrombout Gevlekte glanslibel Gevlekte witsnuitlibel Kempense heidelibel Oostelijke witsnuitlibel Rivierrombout Sierlijke witsnuitlibel Gestreepte waterroofkever -

Status Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Vrl Hrl Hrl Nat Nat Nat Nat Nat Hrl Nat Hrl Hrl Hrl Hrl -

7

4 4.1 Planten

Beschermde soorten

De buitenruimte van het erf is grotendeels bestraat. Tussen bestrating en rond sommige gebouwen staat wat soortenarm, ruige begroeiing. In de vegetatie kwamen verschillende soorten voor van stikstofrijke milieus zoals grote brandnetel, Canadese fijnstraal, grote weegbree, knopkruid sp., varkensgras, melganzenvoet, hondsdraf en gewone paardenbloem. Er zijn geen bedreigde of beschermde plantensoorten aangetroffen. Effecten Een negatief effect op bedreigde of beschermde flora is uitgesloten.

4.2 Zoogdieren

Alle inheemse soorten zoogdieren met uitzondering van de mol zijn in meer of mindere mate beschermd. In het plangebied zijn geen zoogdieren of sporen waargenomen. Vanwege het hoge aandeel bestrating en de beperkte oppervlakte opgaande begroeiing is de locatie marginaal geschikt voor algemene muizensoorten zoals gewone bosmuis en huisspitsmuis. Voor dergelijke soorten geldt een algemene vrijstelling in geval van ruimtelijke ingrepen. In het gebied zijn bever, boommarter, bunzing, egel, hermelijn, otter en steenmarter waargenomen

Bever Bever wordt regelmatig rond de IJssel in het westen van de regio. Het erf is evident niet geschikt als leefgebied voor bever omdat vrijwel het gehele terrein bestraat en bebouwd is. Rond het erf lopen alleen kleine kavelslootjes en ontbreekt geschikte begroeiing zoals wilgenstruweel en moerasvegetatie. Een belang van het plangebied voor bever is uit te sluiten.

Bunzing/hermelijn/wezel In de regio is slechts één waarneming bekend van bunzing. Hermelijn is verscheidene malen waargenomen in het noorden van de regio. Wezel is niet waargenomen. Het is aannemelijk dat de drie soorten met lage dichtheid in de regio voorkomen. Vanwege het hoge aandeel bestrating en de beperkte oppervlakte opgaande begroeiing is de locatie niet geschikt als leefgebied.

Egel Verspreid over de regio zijn verschillende waarnemingen van egel gedaan, met name in woongebieden en beboste gebieden. Het plangebied bestaat voornamelijk uit bestrating en verder wat ruig gras. Opgaande begroeiing komt nauwelijks voor en blijft behouden. Verblijfplaatsen van egel in het plangebied zijn uitgesloten. In theorie zouden egels in de tuin van de woning kunnen voorkomen maar hier zijn geen wijzigingen voorzien. Een negatief effect op egel is niet aan de orde.

Otter Otter wordt regelmatig waargenomen in de grotere wateren in de regio, inclusief weteringen in de polder. Het erf is evident niet geschikt als leefgebied voor otter

Quickscan flora en fauna, Boerderijweg 2 Hasselt

8

omdat vrijwel het gehele terrein bestraat en bebouwd is. Rond het erf lopen alleen kleine kavelslootjes Een belang van het plangebied voor otter is uit te sluiten.

Steenmarter Verspreid over de regio zijn verschillende waarnemingen van steenmarter gedaan, voornamelijk als verkeersslachtoffer. De gevels en daken van de gebouwen zijn enkelwandig of bieden nauwelijks ruimte (riet tegen pannen). De stille zolders van gebouw 2 en 3 zijn potentieel geschikt als verblijfplaats maar op de zolders zijn geen steenmarter of sporen van aanwezigheid aangetroffen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van steenmarter is uit te sluiten. Het plangebied is niet van belang als leefgebied voor steenmarter omdat het vrijwel geheel uit bebouwing en bestrating bestaat. Effecten In het plangebied kunnen algemene licht beschermde muizensoorten voorkomen waarvoor een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ingrepen. Voor muizen zijn geen mitigerende maatregelen denkbaar die redelijkerwijs uitvoerbaar zijn. Een negatief effect op strikter beschermde zoogdieren is uitgesloten. 4.3 Vleermuizen

Alle soorten vleermuizen zijn strikt beschermd in de Ow onder de Europese Habitatrichtlijn. Het leefgebied inclusief de verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd. Verblijfplaatsen bevinden zich in holten van bomen en besloten of donkere ruimten van bouwwerken. Verblijfplaatsen Van de gebouwen op het erf zijn gebouwen 1, 4, 5, 6 en 7 geconstrueerd uit metalen plaatmateriaal, sandwichpanelen en golfplaten. De gevels en het dak zijn enkelwandig. Eventuele daklijsten bestaan uit metalen plaatmateriaal. Enkele gebouwen hebben een basis van metselwerk maar hierin komt geen spouw en de muren zijn laag. Deze gebouwen zijn ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De oorspronkelijke deel en stal (gebouw 2 & 3) hebben massieve gevels en geen daklijsten. Het dak is gedekt met pannen. Tegen de panlatten is riet bevestigd dat in goede staat verkeerd. Tussen het riet en de pannen kan een smalle ruimte aanwezig zijn die geschikt is als verblijfplaats. Op de zolders zijn geen vleermuizen of sporen van gebruik aangetroffen. Vlieg- en foerageerroutes Het plangebied bestaat grotendeels uit bebouwing en bestrating terwijl opgaande begroeiing nauwelijks voorkomt. Een belang van het terrein voor vlieg- en foerageerroutes is uit te sluiten. Effecten Bij de renovatie van gebouw 2 en 3 tot woning zullen ook werkzaamheden aan het dak plaatsvinden zoals het aanbrengen van dakisolatie.

Hierdoor kunnen verblijfplaatsen verloren gaan en kan sterfte optreden indien hier verblijfplaatsen aanwezig zijn.

Quickscan flora en fauna, Boerderijweg 2 Hasselt

9

4.4 Vogels

Alle inheemse broedvogels zijn beschermd. De Ow maakt onderscheid tussen vogels zonder en met vaste broedplaatsen. Van vogels zonder vaste broedplaats zijn alleen de broedsels beschermd en niet het leefgebied. Van vogels met een vaste broedplaats is naast de broedplaats (jaarrond) ook het functionele leefgebied beschermd.

Broedvogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen In de gebouwen en opgaande begroeiing nabij gebouwen kan een beperkt aantal algemene vogelsoorten tot broeden komen zoals witte kwikstaart en holenduif.

Broedvogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Kenmerkende vogelsoorten met vaste nestplaatsen die op agrarische erven voorkomen zijn kerkuil, steenuil, boerenzwaluw, huiszwaluw en huismus. Voor beide uilen zijn alleen de zolders van gebouw 2 en 3 potentieel geschikt. In de overige gebouwen ontbreken verborgen ruimten. De zolders zijn vermoedelijk niet toegankelijk voor uilen. Op de zolders zijn geen uilen of sporen van aanwezigheid aangetroffen. Van boerenzwaluw waren negen nesten in de ligboxenstal (gebouw 1) aanwezig die nog bezet waren of dit jaar gebruikt zijn. Huiszwaluw broedt onder nissen aan de buitenzijde van gebouwen. Aan de gebouwen zijn geen nesten aangetroffen. Van huismus waren enkele vogels in de ligboxenstal (gebouw 1) aanwezig waaronder een jong dat nog gevoerd werd. De vogels vlogen heen en weer tussen de stal en het erf ten noorden van het plangebied (Boerderijweg 4). Hier was ook sociaal gedrag van huismussen te horen. In ligboxenstallen broeden huismussen meestal in diepe nissen achter het spant langs de kopgevel. Dergelijke nissen zijn in de stal niet aanwezig en nergens is nestmateriaal waargenomen. De aanwezigheid van nestplaatsen van huismus in gebouw 1 wordt uitgesloten geacht. De aanwezigheid van nestplaatsen onder de pannen van gebouw 2 en 3 is niet uit te sluiten.

De overige gebouwen zijn ongeschikt als nestplaats vanwege de openheid van de constructie, de toepassing van metalen plaatmateriaal en het ontbreken van zichtbaar nestmateriaal. Effecten Door het slopen of renoveren van de gebouwen tijdens het broedseizoen kunnen broedsels van vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen verstoord worden. Dit geldt ook voor broedsels in begroeiing die dicht op de gebouwen staat (alleen 3 en 6).

Door de sloop van gebouw 1 gaan negen vaste nestplaatsen van boerenzwaluw verloren. Door de renovatie van gebouw 2 en 3 gaan mogelijk nestplaatsen van huismus verloren. 4.5 Amfibieën

Alle soorten amfibieën zijn in meer of mindere mate beschermd. In de regio zijn de strikter beschermde soorten heikikker en poelkikker waargenomen. Van beide soorten is een populatie bekend ten oosten van Hasselt. Het plangebied bestaat vrijwel geheel uit bebouwing, bestrating en kort grasland. Voor amfibieën in het algemeen vormt dit geen geschikt leefgebied.

Quickscan flora en fauna, Boerderijweg 2 Hasselt

10

Effecten Een negatief effect op amfibieën is uit te sluiten. 4.6 Reptielen

Alle soorten reptielen zijn in meer of mindere mate beschermd. In de regio zijn geen populaties reptielen bekend en het plangebied voldoet niet aan de habitateisen van reptielen. Een belang van het plangebied voor reptielen is uitgesloten. Effecten Een negatief effect op reptielen in het algemeen is uit te sluiten.

4.7 Vissen

In het plangebied komt geen oppervlaktewater voor en het plan is niet van invloed op de kavelsloten langs het erf. Effecten Een negatief effect op vissen in het algemeen is uitgesloten.

4.8 Vlinders

In de omgeving zijn twee beschermde soorten vlinders aangetroffen, te weten aardbeivlinder en zilveren maan.

Aardbeivlinder De aardbeivlinder is een zeldzame soort die beperkt is tot natuurterreinen met schrale vegetatie waarin de waardplanten moerasspirea, bosaardbei, tormentil of dauwbraam voorkomen. In de regio komt de soort zeer lokaal voor in het noorden van de regio. Het plangebied voldoet niet aan de habitateisen van aarbeivlinder en de waardplanten ontbreken. Een belang van het plangebied voor aardbeivlinder is uitgesloten.

Zilveren maan Zilveren maan is een zeldzame soort. De habitat bestaat ui natte tot vochtige, schrale graslanden en bloemrijke hooi- of rietlanden. In de regio komt de soort lokaal voor in het noorden van de regio. Het plangebied voldoet niet aan de habitateisen van zilveren maan en de waardplanten ontbreken. Een belang van het plangebied voor zilveren maan is uitgesloten. Effecten Een negatief effect op beschermde soorten vlinders is uitgesloten. 4.9 Libellen

In de regio zijn verschillende soorten beschermde libellen waargenomen. Het betreffen soorten van stromende wateren, goed ontwikkelde laagveenmoerassen en vennen. In het plangebied ontbreekt oppervlaktewater en de kavelsloten langs het erf voldoen niet aan de habitateisen van beschermde soorten libellen. Hierdoor is een belang van het plangebied voor libellen in het algemeen uit te sluiten. Effecten Een negatief effect op beschermde soorten vlinders is uitgesloten.

Quickscan flora en fauna, Boerderijweg 2 Hasselt

11

4.10 Ongewervelden

De overige beschermde soorten ongewervelden zijn gebonden aan specifieke habitats. Geen van deze habitats is aanwezig in en rond het plangebied. Effecten Een negatief effect op beschermde soorten ongewervelden is uitgesloten.

4.11 Specifieke zorgplicht

In de wet is een specifieke zorgplicht opgenomen voor de volgende soorten: • • • •

Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl; Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V Hrl; dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal).

In de Nationale Databank Flora en Fauna zijn geen waarnemingen van RodeLijst-soorten uit de voornoemde groepen in het plangebied gedaan. Op basis van het karakter van het plangebied zijn Rode-Lijstsoorten uit te sluiten. Maatregelen in het kader van de specifieke zorgplicht zijn niet vereist.

Quickscan flora en fauna, Boerderijweg 2 Hasselt

12

4.12 Samenvatting

Op het erf is een beperkt aantal algemene, licht beschermde muizensoorten te verwachten waarvoor een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ingrepen. In gebouw 2 en 3 is de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen mogelijk. In de gebouwen moet rekening worden gehouden met broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten. In gebouw 1 zijn negen vaste nestplaatsen van boerenzwaluw aanwezig. In gebouw 2 en 3 zijn mogelijk vaste nestplaatsen van huismus aanwezig. Andere beschermde soorten zijn uit te sluiten of er is geen negatief effect op te verwachten. Tabel 1: Beschermde soorten die binnen de planlocatie worden verwacht op basis van bestaande gegevens en het veldbezoek. SOORTGROEP

TOELICHTING

BESCHERMDE SOORTEN GEEN

Planten

Alle soorten

Zoogdieren

Alle

Vleermuizen

Verblijfplaatsen

Vleermuizen

Foerageergebied

X

Vleermuizen

Vliegroutes

X

Broedvogels

Niet jaarrond beschermd

Broedvogels

Jaarrond beschermd

NATIONAAL

HR

VR

X Alg. vrijstelling Potentieel gebouw 2 &3

Amfibieën

Potentieel Boerenzwaluw

9 st. in gebouw 1

Huismus

Mog. in gebouw 2 & 3

X

Reptielen

Alle soorten

X

Vissen

Alle soorten

X

Vlinders

Alle soorten

X

Libellen

Alle soorten

X

Ongewervelden

Alle soorten

X

Quickscan flora en fauna, Boerderijweg 2 Hasselt

13

5

Conclusies

5.1 Beschermde gebieden

Vanwege de kleine schaal van het project en de afstand tot beschermde natuurgebieden is een negatief effect op beschermde natuurgebieden op voorhand uit te sluiten met uitzondering van stikstofdepositie. De toetsing van het plan aan het stikstofbeleid valt echter buiten het kader van dit onderzoek.

5.2 Beschermde soorten

Vleermuizen (Ow-Habitatrichtlijn, Bal 11.46) Door de renovatie van gebouw 2 en 3 kan verstoring, sterfte en verlies van verblijfplaatsen optreden. Daarom dient een nader onderzoek naar de functie van de gebouwen voor vleermuizen plaats te vinden. Het onderzoek naar verblijfplaatsen moet gebeuren in de periode 15 mei – 15 juli en 15 augustus – 30 september. Broedvogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen (Ow-Vogelrichtlijn, Bal 11.37) In de gebouwen kunnen broedsels aanwezig zijn. Bij sloop en renovatie tijdens het broedseizoen kan sterfte van vogels en verstoring van broedsels optreden. Daarom dienen deze ingrepen buiten het broedseizoen plaats te vinden. De piek van het broedseizoen beslaat de periode van 15 maart tot 15 juli, maar eerdere en vooral latere broedgevallen zijn mogelijk. In de periode van 1 september tot 1 maart is de kans op broedgevallen gering. Broedvogels met jaarrond beschermde nestplaatsen (Ow-Vogelrichtlijn, Bal 11.37) Door de sloop van gebouw 1 gaan negen nestplaatsen van boerenzwaluw verloren. Hiervoor is een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit van de Omgevinswet vereist. Onder het dak van gebouw 2 en 3 kunnen nestplaatsen van huismus aanwezig zijn. Door de renovatie gaan eventuele nestenplaatsen verloren. Daarom dient aanvullend onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van nestenplaatsen van huismus. Tabel 2.

Maatregelen en vervolgacties n.a.v. quick scan Soortgroep

Soort

Maatregel/vervolgactie

Planten

Alle

¾

Vleermuizen

Alle

Nader onderzoek gebouw 2 en 3

Zoogdieren

Alle

¾

Vogels z. vaste verblijfplaats

Alle

Sloop buiten (1 mrt) 15 mrt–15 jull (1 sep)

Vogels met vaste verblijfplaats

Boerenzwaluw

Vergunning en mitigatieplan

Huismus

Aanvullend onderzoek 1 apr – 15 mei

Amfibieën

Alle

¾

Reptielen

Alle

¾

Vissen

Alle

¾

Ongewervelden

Alle

¾

Quickscan flora en fauna, Boerderijweg 2 Hasselt

14

Bronnen www.ndff.nl www.overijssel.nl

Quickscan flora en fauna, Boerderijweg 2 Hasselt

15

Bijlage I

Wettelijk kader en beleidskader

Omgevingswet Algemeen

De Omgevingswet omvat de regels voor alle activiteiten in de fysieke leefomgeving. De wet bundelt 26 wetten die gaan over de regels met betrekking tot onder meer infrastructuur, bouwwerken, water, lucht, bodem, milieu, cultureel erfgoed en natuur. De wet beoogt een vereenvoudiging van de regels voor de fysieke leefomgeving en een duurzame ontwikkeling en beschermen en verbeteren van het leefmilieu. Om alle regels voor de fysieke leefomgeving op een gestructureerde manier te regelen, is er sprake van een stelsel Omgevingswet. Het stelsel Omgevingswet kent een bepaalde opbouw, die bepalend is voor waar de relevante onderdelen terug te vinden zijn met betrekking tot de verschillende onderwerpen van de fysieke leefomgeving, waaronder natuurbescherming. Het stelsel bestaat uit een algemene wettekst – de Omgevingswet zelf – dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in zogenaamde uitvoeringswetten (Algemene Maatregelen van Bestuur, of AMvB’s) en de Omgevingsregeling.

AMvB

De inhoud van de AMvB’s verschillen per AMvB. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staat de uitwerking van algemene regels voor activiteiten die rechtstreeks werken, waaronder een vergunningplicht voor zogenaamde Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten, voor zowel initiatiefnemers als overheden. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staat de uitwerking van algemene regels voor bouwwerken die rechtstreeks werken, eveneens voor initiatiefnemers en overheden. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de uitwerking van normen en instructieregels voor bestuursorganen, waaronder de kaders voor vergunningverlening. In het Omgevingsbesluit (Ob) staan de spelregels voor initiatiefnemers en bestuursorganen, onder meer met betrekking tot bevoegdheden, totstandkomingsprocedures en handhavingsbepalingen. Naast de AMvB’s, is er een Omgevingsregeling (Or), waarin de technische en administratieve regels staan, bijvoorbeeld de aanvraagvereisten voor een vergunning voor een Natura 2000-activiteit of Flora- en fauna-activiteit.

Gebiedsbescherming Natura 2000 Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden die zijn samengesteld uit ofwel Speciale Beschermingszones (SBZ’s) conform de Europese Vogelrichtlijn, ofwel SBZ’s conform de Europese Habitatrichtlijn, of een combinatie van SBZ’s. De oppervlakte en de kwaliteit van de habitattypen dan wel de omvang en kwaliteit van de populatie van soorten en de maatregelen om de doelstellingen te realiseren, moeten worden uitgewerkt in een beheerplan.

Zorgplicht Natura 2000

In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationaal natuurgebieden (art. 11.6 Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. Er moet worden nagegaan of nadelige gevolgen op voor

hand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, dan verplicht de specifieke zorgplicht om met betrekking tot deze gevolgen passende preventieve maatregelen te nemen (art. 11.6, 2e lid onder d), of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen (art. 11.6, 2e lid onder f). Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de effectiviteit van deze maatregelen worden gemonitord. De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000activiteiten maar ook voor activiteiten die conform een Natura 2000-beheerplan worden uitgevoerd. Beoordeling vergunningsplicht

Er is een onderscheid tussen een ‘Natura 2000-activiteit’ en andere type activiteiten. Een ‘Natura 2000-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een:

‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’ Een Natura 2000-activiteit is vergunningplichtig (art. 5.1, lid 1 Ow), tenzij er sprake is van een ‘vergunningsvrij geval’ (art. 11.16 t/m 11.21 Bal). Activiteiten die nodig zijn voor het beheer van Natura 2000-gebieden (om de doelstellingen te kunnen halen) of geen significante gevolgen hebben, vallen niet onder de regels voor een Natura 2000-activiteit. Er moet dan eerst worden getoetst wat de effecten zijn van een activiteit op Natura 2000-gebieden voordat duidelijk is hoe de activiteit moet worden aangeduid. Gezien de huidige praktijk is er daarmee de noodzaak voor het uitvoeren van een voortoets die deze helderheid kan bieden. De uitslag van deze toets is van belang voor het vervolg van de behandeling van de activiteit. Is er sprake van een Natura 2000-activiteit dat niet vergunningsvrij is, dan is er een nader onderzoek nodig in de vorm van een passende beoordeling voordat een vergunning kan worden verleend. De regels waar een Passende Beoordeling aan moet voldoen staan in art. 16.53c Ow en art. 8.74b Bkl.

Is er ondanks mitigatie nog steeds sprake van een significant gevolg, dan kan de vergunning voor het project worden verleend als de zogenaamde ADC-toets met succes is doorlopen (art. 8.74b, lid 2 en 3 Bkl). Met betrekking tot de bepaling van mogelijke nadelige gevolgen als gevolg van de depositie van stikstof, is er met betrekking tot de toetsing van Natura 2000activiteiten in de wet een verplichting opgenomen tot het gebruik van Aerius Calculator (artikel 4.15 Or). Als er uit de voortoets naar voren komt dat de activiteit geen ‘Natura 2000activiteit’ is of als er sprake is van een vergunningsvrij geval, is er mogelijk nog wel sprake van een ‘activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied of bijzonder nationaal natuurgebied’. Hoewel deze type activiteit niet in het stelsel Omgevingswet wordt genoemd, blijkt uit de wettekst en de toelichtingen hierop dat activiteiten op deze wijze moeten worden geïnterpreteerd: ondanks dat er geen vergunningplicht geldt, blijft de specifieke zorgplicht voor deze activiteiten van toepassing (zie hiervoor).

Vergunningsvrije gevallen In het Bal is een aantal vergunningsvrije gevallen aangewezen waarvoor derhalve geen vergunningplicht geldt. Dit betreft onder meer: • • • •

stikstofdepositie door tijdelijke activiteiten, zoals bouw- en sloopactiviteiten, het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk (art. 11.17 Bal)7; In een programma (bijv. Natura 2000-beheerplan) aangewezen Natura 2000-activiteiten die voldoen aan art. 11.21 Bal, mits het programma voldoet aan de eisen zoals aangegeven in art. 11.18, lid 2 Bal; In een omgevingsverordening aangewezen Natura 2000-activiteiten die voldoen aan art. 11.19 en art. 11.21 Bal; In een ministeriele regeling aangewezen Natura 2000-activiteiten die voldoen aan art. 11.20 en 11.21 Bal.

Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland Aanwijzing & bescherming

De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform art. 2.44 Ow. De instructieregels voor de aanwijzing, begrenzing en de reikwijdte van het NNN zijn opgenomen in artikel 7.5 en Artikel 7.6 Bkl. In de Omgevingsverordening zijn (instructie)regels gesteld voor Omgevingsplannen van gemeenten en projectbesluiten (art. 7.8, 1e lid Bkl). Deze regels zijn gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

Wezenlijke kenmerken en waarden

De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden vastgesteld per Omgevingsverordening door de provincie conform artikel 7.7 Bkl. In de Omgevingsverordening is daartoe een natuurbeheerplan vastgesteld waar in de regel de bestaande natuurwaarden en het ambitieniveau zijn aangegeven middels natuurbeheertypen. Het hangt echter per provincie af hoe zij de wezenlijke kenmerken en waarden hebben gedefinieerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16902262/1