1.2. Bijlagen bij motivering
Tekst van het document
Aantal
Diepte (m-mv)
Nummers
verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740 bovengrondse dieselolietank Boringen
2
ca.0.5
7+8
Peilbuis
1
ca.3.0
6*
3
ca.0.5
3 t/m 5
1
ca.2.0
2
1
ca.2.5
1
werktuigenberging Boringen Peilbuis
december ’25
15
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
vervolg tabel 9: veldwerkprogramma Onderdeel
Aantal
Diepte (m-mv)
Nummers
16
ca.0.5
12 t/m 27
3
ca.2.0
9 t/m 11
1
ca.3.0
1*
overige onbebouwde deel van het plangebied Boringen Peilbuis
*= peilbuis is gecombineerd uitgevoerd nader bodemonderzoek volgens NTA-5755 Boringen
1
ca.2.0
100
Peilbuizen
4
max.0.8
101 t/m 104
3.2 Resultaten van het veldonderzoek bodemopbouw De boorprofielbeschrijvingen van alle verrichte boringen met bijbehorende zintuiglijke waarnemingen zijn grafisch uitgewerkt en opgenomen in bijlage 3. In tabel 10 is op basis van de waarnemingen de lokale bodemopbouw beschreven. tabel 10: lokale bodemopbouw bodemlaag m-mv 0.0-1.0 1.0-2.5 2.5-3.0
hoofdbestanddeel
toevoeging
kleur
zand veen zand
zwak siltig, plaatselijk zandlagen zwak siltig
donkerbruin/grijs/geel donkerbruin/grijs lichtgrijs
veldmetingen grondwater De resultaten van de veldwaarnemingen van het grondwater zijn weergegeven in tabel 11. tabel 11: veldwaarnemingen grondwater Peilbuis
filtertraject m-mv
grondwaterstand m-mv
voorpompen liter
pH
Pb1 Pb6
1.5-2.5 2.0-3.0
0.97 1.18
5 5
6.8 6.5
EGV geleidingsvermogen µS/cm 681 676
troebelheid (NTU) 11 15
In de genomen grondwatermonsters is plaatselijk een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). De peilbuizen hebben voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook zijn de peilbuizen zorgvuldig en met een voldoende laag debiet afgepompt zodat de grondwaterstand in de peilbuizen slechts gering is gedaald tijdens afpompen (< 50 cm). Daarom wordt aangenomen dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming, en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak hebben (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrixstoringen bij de analyse en ab- en adsorptie organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen.
december ’25
16
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
zintuiglijke waarnemingen Het bij de boringen vrijkomende bodemmateriaal is zintuiglijk beoordeeld op eventuele afwijkingen. De zintuiglijke waarnemingen zijn omschreven en grafisch weergegeven in bijlage 3. De afwijkende waarnemingen staan in de onderstaande tabel 12 weergegeven. tabel 12: afwijkende waarnemingen boring
diepte m-mv.
zintuiglijke waarnemingen
1
0.06-0.5
baksteensporen
2 t/m 4
0.06-0.5
baksteenresten
9
0.0-0.8
puinresten, plasticresten
18
0.07-0.5
baksteensporen
21
0.0-0.5
baksteensporen
22+23
0.0-0.5
puinsporen
26
0.07-0.5
baksteensporen
27
0.0-0.5
plasticresten
100
0.0-0.9
puinresten
101
0.5-0.8
puinsporen
102
0.0-0.8
puinresten
grondwater Het bemonsterde grondwater bevatte geen zintuiglijk waarneembare afwijkingen. asbest Tijdens de locatie-inspectie is aandacht geschonken aan de aanwezigheid van asbest op het maaiveld, hierbij is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het opgeboorde monstermateriaal (grond) is zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal. Op basis van zintuiglijke waarnemingen van het opgeboorde monstermateriaal zijn plaatselijk puin- en baksteenresten waargenomen. De puinresten zijn beoordeeld als gemengd puin. De herkomst hiervan is bij ons niet bekend. Op basis van zintuiglijke waarnemingen van het opgeboorde monstermateriaal is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen (indicatieve waarneming). Hierbij wordt opgemerkt dat in dit onderzoek handboringen zijn uitgevoerd met een 5 cm edelman boor de trefkans op het aantreffen van asbesthoudend materiaal (t.g.v. verdringing van materiaal) is kleiner dan bij het graven van inspectiegaten volgens NEN-5707+C2. Bij het graven van proefgaten of proefsleuven ontstaat een beter beeld van eventueel aanwezig bodemvreemd materiaal. Met nadruk wordt vermeld dat onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in de bodem/puin geen onderdeel uitmaakt van het onderhavige onderzoek dat volgens NEN-5740 is uitgevoerd.
Het onderhavige onderzoek kan daarom geen uitspraak doen over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem op de onderhavige locatie. Opgemerkt dient te worden dat geen asbestanalyses van grond en/of puin e.d. hebben plaatsgevonden. Asbestanalyses maken geen deel uit van verkennend bodemonderzoek in het kader van de NEN-5740. Tevens wordt opgemerkt dat de zintuiglijke beoordeling op asbest en de locatie-inspectie niet opgevat dient te worden als een onderzoek uitgevoerd op basis van NEN-5707+C2 (asbestonderzoek in grond) en/of NEN-5897+C2 (monsterneming en analyse van asbest in onbewerkt bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat). Alleen een asbestonderzoek volgens NEN-5707+C2 / NEN-5897+C2 geeft meer zekerheid over de aanwezigheid van asbest in de bodem resp. puin. De chemische samenstelling van eventueel aanwezig verhardingsmateriaal is niet in dit onderzoek onderzocht.
december ’25
17
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
4
CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK
In dit hoofdstuk worden de uitvoering, het toetsingskader en de resultaten van de chemische analyses besproken. Vervolgens worden de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek geïnterpreteerd Het chemisch onderzoek van grond is uitgevoerd door het NEN-EN-ISO 17025 geaccrediteerde milieulaboratorium van SGS en Omegam. Alle analyses zijn geanalyseerd volgens het accreditatieschema AS3000 “laboratoriumanalyses voor milieuhygiënisch bodemonderzoek”, waarvoor SGS en Omegam zijn geaccrediteerd en erkend door het ministerie van I&W. De conservering van grond- en grondwatermonsters is uitgevoerd conform SIKB protocol 3001 “conserveringsmethoden en conserveringstermijnen voor milieumonsters”. 4.1
Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek
verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740 grond Teneinde in het kader van het verkennend bodemonderzoek een indruk te krijgen van de algemene kwaliteit van de grond zijn de grondmonsters, welke tijdens het veldonderzoek zijn genomen, in het laboratorium met elkaar gemengd tot grondmengmonsters. grondwater Uit de geplaatste peilbuizen zijn grondwatermonsters genomen en geanalyseerd. In onderstaande tabel 13 wordt de samenstelling van de grondmengmonsters, het grondwatermonster, de monsternamediepte en de uitgevoerde analyses weergegeven. tabel 13: analyseschema Monsterboringnummer(s) code bovengrondse dieselolietank
diepte (m-mv)
zintuiglijke waarnemingen
analysepakket
8
0.06-0.26
-
minerale olie/vluchtige aromaten(*)+AS3000
6
2.0-3.0
-
NEN-grondwater(**) +AS3000
grond MM1 grondwater Pb6
verklaring van de gebruikte afkortingen en codes:(1) * NEN-grond = Standaard Pakket Grond omvat AS3000 voorbehandeling, 9 zware metalen, PAK (10-VROM), minerale olie (GC), PBC’s, droge stof, organische stof en lutum; **NEN-water = Standaard Pakket Grondwater omvat AS3000 voorbehandeling zware metalen, vluchtige aromaten (incl. naftaleen), chloorhoudende oplosmiddelen, chloorbenzenen, minerale olie, styreen en bromoform; Zware metalen = barium (Ba)/cadmium (Cd)/Cobalt(Co)/koper (Cu)/lood (Pb)/nikkel (Ni)/zink (Zn)/Molybdeen (Mo)/kwik(Hg); Vluchtige aromaten = Benzeen (B), Tolueen (T), Ethylbenzeen (E), Xylenen (X), Naftaleen (N) Styreen (S) (BTEXNS); PCB = Polychloorbifenylen; PAK = Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen; VOH = Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen. Bromoform = Tribroommethaan
december ’25
18
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
vervolg tabel 13: analyseschema Monsterboringnummer(s) code werktuigenberging
diepte (m-mv)
zintuiglijke waarnemingen
analysepakket
grond MM2
2 t/m 4
0.06-0.5
baksteen
NEN-grond(*)+AS3000
MM3
1
0.06-0.5
baksteen
NEN-grond(*)+AS3000
1
1.5-2.5
-
NEN-grondwater(**) +AS3000
grondwater Pb1
overige onbebouwde deel van het plangebied grond MM4
12 t/m 15
0.0-0.5
baksteen
NEN-grond(*)+AS3000
MM5
9+21 t/m 23
0.0-0.5
puin/baksteen
NEN-grond(*)+AS3000
MM6
16+17+25
0.0-0.5
-
NEN-grond(*)+AS3000
MM7
18+26
0.07-0.5
baksteen
NEN-grond(*)+AS3000
MM8
27
0.0-0.5
plastic
NEN-grond(*)+AS3000
MM9
1+9+10+11
0.5-2.0
-
NEN-grond(*)+AS3000
MM10
9
0.5-0.8
plastic, puin
NEN-grond(*)+AS3000
6
2.0-3.0
-
NEN-grondwater(**) +AS3000
grondwater Pb6
verklaring van de gebruikte afkortingen en codes:(1) * NEN-grond = Standaard Pakket Grond omvat AS3000 voorbehandeling, 9 zware metalen, PAK (10-VROM), minerale olie (GC), PBC’s, droge stof, organische stof en lutum; **NEN-water = Standaard Pakket Grondwater omvat AS3000 voorbehandeling zware metalen, vluchtige aromaten (incl. naftaleen), chloorhoudende oplosmiddelen, chloorbenzenen, minerale olie, styreen en bromoform; Zware metalen = barium (Ba)/cadmium (Cd)/Cobalt(Co)/koper (Cu)/lood (Pb)/nikkel (Ni)/zink (Zn)/Molybdeen (Mo)/kwik(Hg); Vluchtige aromaten = Benzeen (B), Tolueen (T), Ethylbenzeen (E), Xylenen (X), Naftaleen (N) Styreen (S) (BTEXNS); PCB = Polychloorbifenylen; PAK = Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen; VOH = Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen. Bromoform = Tribroommethaan
december ’25
19
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
nader bodemonderzoek volgens NTA-5755 grond In onderstaande tabel 14 wordt de samenstelling van de grondmonsters, de monsternamediepte en de uitgevoerde analyses in het kader van het nader onderzoek weergegeven. tabel 14: analyseschema Monstercode
boringnummer(s)
diepte (m-mv)
zintuiglijke waarnemingen
analysepakket
1
100
1.0-1.5
-
2
101
0.5-0.8
puinsporen
3
102
0.5-0.8
puinresten
4
103
0.5-0.8
-
5
104
0.5-0.8
-
minerale olie/vluchtige aromaten(*)+AS3000 minerale olie/vluchtige aromaten(*)+AS3000 minerale olie/vluchtige aromaten(*)+AS3000 minerale olie/vluchtige aromaten(*)+AS3000 minerale olie/vluchtige aromaten(*)+AS3000
NTA-5755 grond
verklaring van de gebruikte afkortingen en codes:(1) * NEN-grond = Standaard Pakket Grond omvat AS3000 voorbehandeling, 9 zware metalen, PAK (10-VROM), minerale olie (GC), PBC’s, droge stof, organische stof en lutum; **NEN-water = Standaard Pakket Grondwater omvat AS3000 voorbehandeling zware metalen, vluchtige aromaten (incl. naftaleen), chloorhoudende oplosmiddelen, chloorbenzenen, minerale olie, styreen en bromoform; Zware metalen = barium (Ba)/cadmium (Cd)/Cobalt(Co)/koper (Cu)/lood (Pb)/nikkel (Ni)/zink (Zn)/Molybdeen (Mo)/kwik(Hg); Vluchtige aromaten = Benzeen (B), Tolueen (T), Ethylbenzeen (E), Xylenen (X), Naftaleen (N) Styreen (S) (BTEXNS); PCB = Polychloorbifenylen; PAK = Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen; VOH = Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen. Bromoform = Tribroommethaan
december ’25
20
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
4.2
Toetsingscriteria
De analyseresultaten van de onderzochte monsters worden vergeleken met de volgende waarden: • Kwaliteitseisen uit het Besluit Bodemkwaliteit (bijlage B, regeling bodemkwaliteit 2022); • Interventiewaarde bodemkwaliteit (bijlage IIa, Besluit activiteiten leefomgeving); • Signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering (Bijlage Vd, Besluit kwaliteit leefomgeving = interventiewaarden Circulaire bodemsanering 2013). De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de, door het Rijk beschikbaar gestelde Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa). Toetsingen zijn voorlopig uitgevoerd volgens tijdelijke kaders van de Omgevingswet, in afwachting van formele vaststelling door Rijkswaterstaat medio 2024. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend. De in deze tabel genoemde kwaliteitseisen hebben de volgende betekenis: Landbouw/natuur Wonen Industrie Interventiewaarde Signaleringsparameter
= = = = =
bestaande kwaliteit in ‘schone’ gebieden geschikte toestand voor functie Wonen geschikte toestand voor functie Industrie aanwezigheid van mogelijke onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu beoordeling of sanering nodig is bij historische grondwaterverontreiniging
De kwaliteitseisen voor een aantal stoffen in de bodemmonsters zijn afhankelijk van het gehalte aan organische stof en lutum. Deze gehalten zijn in het laboratorium bepaald en verwerkt in de toetsingstabel. Voor de beoordeling van de verontreinigingssituatie wordt behalve met de toetsingstabel, ook rekening gehouden met de zintuiglijke waarnemingen en eventueel met het gebruik van de bodem. Bij de beoordeling worden de volgende termen toegepast: tabel 14: overzicht van de toegepaste termen bij de toetsing volgens het kader van de Omgevingswet. kwaliteitseis
ondergrens kwaliteitsklasse
bovengrens kwaliteitsklasse
landbouw/natuur1 wonen2 industrie matig verontreinigd sterk verontreinigd
landbouw/natuur wonen industrie interventiewaarde bodemkwaliteit
landbouw/natuur wonen industrie matig verontreinigd -
De locatie wordt als verontreinigd beschouwd, indien in een (meng)monster stoffen aanwezig zijn in een concentratie hoger dan de kwaliteitseis landbouw/natuur. Overschrijding van de kwaliteitseis industrie houdt in dat er een vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat en dat een nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Daarnaast zijn er twee bijzondere toetsingsregels: voor de klasse landbouw/natuur en voor de indeling in de bodemkwaliteitsklasse wonen: 1 De kwaliteit van de grond overschrijdt niet de kwaliteitseis landbouw/natuur als bij meting van X stoffen in de grond het rekenkundige
gemiddelde van maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de kwaliteitseis landbouw/natuur. De verhoging mag per stof maximaal 2x de kwaliteitseis landbouw/natuur voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen (met uitzondering van nikkel) geldt dat de verhoogde gehalten kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de kwaliteitseis wonen van de betreffende stof. X
2
7
16
27
37
Y
1
2
3
4
5
2 De kwaliteit van de bodem overschrijdt niet de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen wanneer bij meting van X stoffen maximaal Y
stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de maximale waarde voor kwaliteitsklasse wonen. De verhoging mag per stof ten hoogste de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen vermeerderd met de achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de gehalten van de gemeten stoffen kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de maximale waarde voor kwaliteitsklasse industrie van de betreffende stof. X
2
7
16
27
37
Y
1
2
3
4
5
december ’25
21
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
4.3
Analyseresultaten en interpretatie
In deze paragraaf zijn de resultaten van de chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters, gerelateerd aan toetsingswaarden, weergegeven in tabelvorm. Na de tabellen worden de onderzoeksresultaten besproken. In bijlage 4 zijn van alle uitgevoerde analyses de analysecertificaten opgenomen. In bijlage 5 zijn de toetsingsresultaten opgenomen. 4.3.1
Verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740
In tabel 15 staat een samenvatting weergegeven van de toets resultaten van de onderzochte mengmonsters van de boven en ondergrond. tabel 15: samenvatting toets resultaten boven- en ondergrond grondmengmonster
zintuiglijk
landbouw/ natuur
wonen
industrie
-
minerale olie
matig verontreinigd
sterk verontreinigd (> I)
toetsing eindoordeel
-
-
industrie*
-
wonen*
-
industrie*
bovengrondse dieselolietank MM1
-
BTEXN
werktuigenberging MM2 MM3 landbouw/ natuur wonen industrie
baksteen
overige lood, onderzochte zink, parameters PAK’s baksteen overige kobalt zink onderzochte parameters beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse landbouw / natuur /
maximale waarde landbouw/natuur < gehalte (gssd) ≤ maximale waarde wonen beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse wonen maximale waarde wonen < gehalte (gssd) ≤ maximale waarde industrie beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse industrie
matig verontreinigd
maximale waarde industrie < gehalte (gssd) ≤ interventiewaarde beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse matig verontreinigd
sterk verontreinigd >I
beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse sterk verontreinigd
*= beoordeling is excl. onderzoek naar PFAS-verbindingen, onderzoek naar deze verbindingen is vanaf 8 juli 2019 verplicht bij beoordeling van hergebruiksmogelijkheden van de grond
december ’25
22
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
vervolg tabel 15: samenvatting toets resultaten boven- en ondergrond grondmengmonster
zintuiglijk
landbouw/ natuur
wonen
industrie
matig verontreinigd
sterk verontreinigd (> I)
toetsing eindoordeel
-
landbouw/natuur*
-
industrie*
-
landbouw/natuur*
-
industrie*
-
landbouw/natuur*
-
industrie*
-
matig verontreinigd*
overige deel van het plangebied MM4 MM5 MM6 MM7 MM8 MM9 MM10 landbouw/ natuur wonen industrie
baksteen
alle onderzochte parameters puin/baksteen overige minerale onderzochte olie parameters alle onderzochte parameters baksteen overige minerale onderzochte olie parameters plastic alle onderzochte parameters overige minerale onderzochte olie parameters plastic, puin overige minerale olie onderzochte parameters beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse landbouw / natuur /
maximale waarde landbouw/natuur < gehalte (gssd) ≤ maximale waarde wonen beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse wonen maximale waarde wonen < gehalte (gssd) ≤ maximale waarde industrie beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse industrie
matig verontreinigd
maximale waarde industrie < gehalte (gssd) ≤ interventiewaarde beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse matig verontreinigd
sterk verontreinigd >I
beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse sterk verontreinigd
*= beoordeling is excl. onderzoek naar PFAS-verbindingen, onderzoek naar deze verbindingen is vanaf 8 juli 2019 verplicht bij beoordeling van hergebruiksmogelijkheden van de grond
december ’25
23
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
onderzoeksresultaten grondwater In tabel 16 staat een samenvatting weergegeven van de toets resultaten van de onderzochte grondwatermonsters. tabel 16: samenvatting toets resultaten grondwater Peilbuis
zintuiglijk
<streefwaarde
>streefwaarde
>signaleringsparameter
toetsing eindoordeel
-
<signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering
-
<signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering
bovengrondse dieselolietank Pb6* (2.0-3.0)
-
overige onderzochte parameters
barium, koper
werktuigenberging Pb1 (1.5-2.5)
overige barium onderzochte parameters overige onbebouwde deel van het plangebied
-
Pb6* (2.0-3.0) <streefwaarde >streefwaarde en <signalerings parameter >signalerings parameter
overige barium, koper <signaleringsparameter onderzochte beoordeling parameters grondwatersanering Bij overschrijding zijn er geen significante risico’s voor mens, plant of dier aanwezig. Bij overschrijding zijn er geen significante risico’s voor mens, plant of dier aanwezig. Bij overschrijding zijn er mogelijk significante risico’s voor mens, plant of dier aanwezig (voormalige interventiewaarde).
*deze peilbuizen zijn gecombineerd uitgevoerd
interpretatie onderzoeksresulaten bovengrondse dieselolietank bovengrond (0.06-0.26 m-mv) Bovengrondmonster MM1 bevat een verhoogd gehalte minerale olie dat voldoet aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie. peilbuis 6 (2.0-3.0 m-mv) Het grondwater ter plaatse van peilbuis 6 bevat een verhoogd gehalte barium en koper (zware metalen) t.o.v. de streefwaarde, de gemeten gehalten overschrijden de signaleringsparameter beoordeling grondwater niet. werktuigenberging bovengrond (0.06-0.5 m-mv) Bovengrondmengmonster MM2 verhoogde gehalten lood, zink (zware metalen) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) die voldoet aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen. Bovengrondmonster MM3 een verhoogd gehalten zink (zware metalen) dat voldoet aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie en een verhoogd gehalte kobalt (zware metalen) dat voldoet aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen. peilbuis 1 (1.5-2.5 m-mv) Het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 bevat een verhoogd gehalte barium (zware metalen) t.o.v. de streefwaarde, het gemeten gehalte overschrijdt de signaleringsparameter beoordeling grondwater niet.
december ’25
24
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
overige onbebouwde deel van het plangebied bovengrond (0.0-0.5 m-mv) Bovengrondmengmonster MM4 bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur. Bovengrondmonster MM5 bevat een verhoogd gehalte minerale olie dat voldoet aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie. Bovengrondmengmonster MM6 bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur. Bovengrondmonster MM7 bevat een verhoogd gehalte minerale olie dat voldoet aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie. Bovengrondmonster MM8 bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur. ondergrond (0.5-2.0) Ondergrondmengmonster MM9 bevat een verhoogd gehalte minerale olie dat voldoet aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie. Ondergrondmonster MM10 bevat een verhoogd gehalte minerale olie dat voldoet aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse matig verontreinigd (=matig verontreinigd). peilbuis 6 (2.0-3.0 m-mv) Het grondwater ter plaatse van peilbuis 6 bevat een verhoogd gehalte barium en koper (zware metalen) t.o.v. de streefwaarde, de gemeten gehalten overschrijden de signaleringsparameter beoordeling grondwater niet.
december ’25
25
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
De plaatselijk verhoogd gemeten gehalten zware metalen, PAK’s en minerale olie in de boven- en/of ondergrond zijn op basis van zintuiglijke waarnemingen deels te relateren aan de zintuiglijk waargenomen bodemvreemde bijmengingen in het opgeboorde monstermateriaal. In algemene zin geldt dat in gebieden welke reeds langere tijd door de mens in gebruik zijn (o.a. langdurige bewoning of menselijk gebruik) worden vaker verhoogde gehalten aan o.a. zware metalen, PAK’s en /of minerale olie in de grond gemeten. In algemene zin wordt opgemerkt dat antropogene beïnvloeding van een locatie in de meeste gevallen een negatief effect heeft op de kwaliteit van de bodem. Voor veengrond geldt dat deze organische verbindingen bevat die in analyses als minerale olie kunnen worden gerapporteerd. Verder geldt dat zware metalen van nature voor komen in bepaalde mineralen en kunnen zo in lage concentraties in de bodem terechtkomen. Zware metalen bezitten veelal een geringe mobiliteit in de bodem en hechten zich met name aan sliben kleideeltjes. Zware metalen komen van nature in bepaalde concentraties in de bodem voor. Deze concentraties kunnen verhoogd voorkomen in het stedelijk milieu. De afgifte vindt onder andere plaats door dakpannen, dakgoten, kabels en leidingen, verkeer en afval.
Ook depositie van zware metalen op de bodem door industriële activiteiten is een mogelijke oorzaak van verhoogde concentraties. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) omvat een groep van meer dan 200 stoffen, die bestaan uit twee of meer aan elkaar verbonden benzeenringen, die ontstaan bij de onvolledige verbranding van koolstofbevattende materialen. Het zijn teerachtige stoffen die ontstaan bij de onvolledige verbranding van koolstofhoudende materialen als hout, fossiele brandstoffen, tabak of levensmiddelen. De aanwezigheid van PAK’s in de bodem zijn vaak het gevolg van de aanwezigheid van teerhoudende of koolstofhoudende stoffen, zoals bv. koolas, verbrandingsresten of teerresten. Ze kunnen zowel een synthetische als een natuurlijke oorsprong hebben. PAK’s kunnen ook worden aangetroffen bij de vervaardiging en verwerking van rubber, kunststoffen, verf, lakken, minerale olie en teerproducten. In de chemische grondstoffenindustrie dienen ze als tussenproducten bij verschillende syntheses, bijvoorbeeld van verfstoffen en farmaceutica. Ten aanzien van het voorkomen van verhoogde gehaltes zware metalen in het freatisch grondwater kan worden opgemerkt dat dergelijke verhoogde gehaltes op tal van onverdachte locaties in Nederland regelmatig voorkomen. De gehaltes worden vaak in verhoogde mate aangetoond zonder dat daarbij sprake is van een verontreinigingsbron.
De verhoogde gehaltes zware metalen kunnen o.a. worden veroorzaakt door wisselende milieuomstandigheden in de bodem alsmede door diverse bodemprocessen. Zo kan het onvoldoende herstelde evenwicht tussen grond en grondwater ten tijde van de bemonstering een mogelijke oorzaak zijn van het verhoogd voorkomen van zware metalen. Deels kunnen zware metalen van nature, door uitloging uit sedimenten, afhankelijk van het redoxpotentiaal, in verhoogde mate in het grondwater voorkomen, het betreft in deze gevallen natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden.
december ’25
26
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
concrit Voor de toetsing van de bodemkwaliteit kan naast de toetsing aan de kwaliteitseisen uit het Besluit Bodemkwaliteit (bijlage B, regeling bodemkwaliteit 2022) en de interventiewaarde bodemkwaliteit (bijlage IIa, Besluit activiteiten leefomgeving) gebruik worden gemaakt van de functienormen uit de Regeling Bodemkwaliteit. De module Concrit van de Risicotoolbox bodem is de applicatie voor de berekening van de risico's voor de mens bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De module voorziet in een toetsing of een bodemgehalte of grondwaterconcentratie niet leidt tot onaanvaardbare risico's voor de mens en geeft ook een indicatie of mogelijk ecologische risico's aanwezig zijn. De uitkomst kan gebruikt worden ter onderbouwing van de waarde voor toelaatbare kwaliteit bodem. Op een bodem met een kwaliteit die niet voldoet aan de waarde die is vastgelegd als toelaatbare kwaliteit bodem mag de activiteit niet uitgevoerd worden of uitgevoerd worden onder voorwaarden. M.b.v. de module Concrit van de Risicotoolbox wordt de humane risico-index (RI-waarde) berekend. De humane risico-index kan groter of kleiner zijn dan 1.
Een Risico (RI) Index is een beleidsmatige indicator: - een waarde kleiner dan 1 (RI < 1) betekent dat de beleidsmatige grenswaarde niet overschreden wordt; - een waarde groter dan 1 (RI > 1) betekent dat de beleidsmatige grenswaarde overschreden wordt, en dat er potentieel problemen voor de beoordeelde vorm van bodemgebruik kunnen zijn. Bij berekening van het hoogst gemeten gehalte zink (zware metalen) in het bovengrondmonster MM3 geldt voor de functie wonen met tuin dat de risicoindex voor zink kleiner is dan 1 en dat het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR-humaan) niet wordt overschreden. Op basis van de rekenkundige benadering levert het verhoogd gemeten gehalte zink geen belemmering voor het gebruik als wonen met tuin.
opmerking t.a.v. lood in de bodem Een bodemverontreiniging met lood kan vooral voor jonge kinderen een gezondheidsrisico vormen. De wetenschappelijke kennis laat zien dat de huidige interventiewaarde bodem onvoldoende bescherming biedt voor de gezondheid van deze kinderen. De GGD heeft de wettelijke taak gemeenten te adviseren over de gezondheidsrisico’s van omgevingsfactoren en de publiekscommunicatie daarover. De loodinname die bij kinderen leidt tot één of drie IQ-puntenverlies kan met het blootstellingsmodel CSOIL worden omgerekend naar een gehalte lood in bodem. In onderstaande tabel staan de berekende gezondheidskundige risicowaarden voor lood in bodem weergegeven. Bij de beoordeling van het gezondheidsrisico van lood in bodem wordt het gemeten loodgehalte in de bodem gebruikt (dus niet het gestandaardiseerde loodgehalte). In onderstaande tabel staan ook de handelingsperspectieven en gebruiksadviezen. Voor plaatsen waar jonge kinderen veel in contact komen met grond, gaat de voorkeur uit naar een voldoende bodemkwaliteit voor lood. Het is een beleidsmatige afweging hoe de risicowaarden in de praktijk worden toegepast en welke acties men hieraan koppelt. De GGD wordt bij voorkeur vroegtijdig hierbij betrokken.
Op basis van de gemeten gehalten lood in bovengrondmonster MM2 (150 mg/kg d.s) geldt bij het gebruik als grote moestuin, wonen met tuin en plaatsen waar kinderen spelen een matige bodemkwaliteit voor lood. Voor meer informatie wordt verwezen naar “”Lood in bodem en gezondheid van de GGD” of de plaatselijke GGD
december ’25
27
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
figuur 4: gezondheidskundige risicowaarden en handelinsperspectieven voor lood in bodem
Opmerking: Wanneer het gehalte van een parameter beneden de rapportagegrens van AS3000 ligt mag er, conform de Wijziging Regeling Bodemkwaliteit (Stc. 122, 27 juni 2008), voor de betreffende parameter van uit worden gegaan dat deze voldoet aan de achtergrondwaarde (AW2000), e.e.a. geldt voor de gecorrigeerde som 1,2dichlooretheen, gecorrigeerde som dichloorpropaan en som xylenen. Op basis van de circulaire bodemsanering 2009 zijn de toetsingswaarden voor barium (zware metalen) tijdelijk ingetrokken. Indien er op een locatie sprake is van een antropogene bron kan het gemeten gehalte barium indicatief worden getoetst aan de voormalige interventiewaarde
december ’25
28
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
4.3.2 Nader bodemonderzoek volgens NTA-5755 Het uitgevoerde nader bodemonderzoek op basis van NTA 5755 heeft betrekking op het terreindeel t.p.v. en rondom de boring 9. In de ondergrond t.p.v. de boring 9 is een matig verhoogd gehalte minerale olie gemeten (= bodemkwaliteitsklasse matig verontreinigd). nader bodemonderzoek volgens NTA-5755, conceptueel model en opzet van het nader bodemonderzoek Het nader onderzoek is opgezet volgens de NTA 5755 ‘Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek – Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging’, NTA 5755 (NEN, juni 2022). Ten behoeve van het opstellen van een passende onderzoeksopzet wordt gebruik gemaakt van een zogenaamd conceptueel model. Een conceptueel model is een denkmodel waarin een beschrijving en/of visualisatie wordt gegeven van de bronnen, verspreidingsroutes en potentiële risico’s en receptoren van een bodemverontreiniging in relatie tot het bodemsysteem waarin deze zich bevindt. Het conceptuele model kan dienen als raamwerk voor het opzetten van onderzoeksactiviteiten en het identificeren van kennisleemtes.
Een conceptueel model is een beschrijving van de verontreinigingssituatie aangevuld met een beschrijving van het systeem (bodemopbouw en grondwater) waarin de verontreiniging zich bevindt en welke processen (verspreiding door grondwaterstroming, biologische afbraak, vastlegging) van invloed zijn op de verontreiniging en de receptoren van die verontreiniging (gebruik locatie, bedreigde objecten bijvoorbeeld een grondwaterwinning of oppervlaktewater et cetera). Een conceptueel model is dus een geschematiseerde beschrijving van alles wat er van de verontreiniging bekend is en het generieke gedrag van die stof in bodem en grondwater. Het conceptueel model heeft tot doel, de onderzoeksopzet zo goed mogelijk te laten aansluiten op de specifieke situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie.
De meest voor de hand liggende onderdelen of bouwstenen van een conceptueel model komen in dit hoofdstuk aan de orde: ► Historische informatie(vooronderzoek volgens NEN-5725) ► Bodemopbouw, geologie en topografie (bodemsamenstelling, aanwezigheid afsluitende lagen, grondwaterstromingsrichting) ► Infrastructuur ► Hydrologie ► Geochemie ► Gedrag en verdeling van de verontreinigingen in de bodem (mobiele of immobiele verontreiniging, dichtheid, oplosbaarheid, afbraak, verontreiniging aanwezig in boven of ondergrond en/of grondwater) ► Identificatie van receptoren, bedreigde objecten ► Ruimtelijke ontwikkelingen Deze lijst bevat de meest voor de hand liggende onderdelen waaruit geput kan worden voor het opstellen van een conceptueel model en kan afhankelijk van het project naar eigen inzicht worden uitgebreid. Afhankelijk van de locatie is het niet nodig alle onderdelen terug te laten komen, maar het weglaten van één van de onderdelen zal wel overwogen moeten gebeuren omdat de genoemde bouwstenen wel worden gezien als de basis voor een goed conceptueel model.
december ’25
29
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
Hieronder worden voor deze bouwstenen voorbeelden genoemd waar aandacht aan kan worden besteed bij het opstellen van een conceptueel model. Afhankelijk van de aard van de verontreiniging wordt in het model tevens rekening gehouden met informatie over bodemchemie (zuurgraad, redoxomstandigheden, afbraakprocessen van verontreiniging in de bodem). Daarnaast kan, afhankelijk van de schaalgrootte en de bestemming van het terrein tevens informatie over de geologie, topografie, en ruimtelijke ontwikkelingen in het model worden verwerkt. Naast de bovengenoemde aspecten waarover informatie bekend is, zijn vraagtekens en onzekerheden een belangrijk onderdeel van het conceptueel model. Dit zijn onderdelen van het model waarover geen informatie bekend is, zoals bijvoorbeeld; nog niet onderzochte terreindelen, de diepteligging en continuïteit van een afsluitende laag, de ligging van een riool, of onbekende verspreidings- en blootstellingsroutes. In het conceptueel model worden dus zowel de bekende, als de onbekende (door het onderzoek nog in te vullen) aspecten van de verontreinigingssituatie weergegeven. Het conceptueel model vormt zo de basis voor de hypothesestelling en de strategiebepaling in het nader onderzoek, waarbij bovenstaande wordt toegepast op onderhavig onderzoek.
uitwerking conceptueel model De belangrijkste onderzoeksvraag en onderzoeksstrategie is: ● het bepalen van de omvang van een mobiele verontreinigingssituatie (NTA 5755, § 6.2.3); Het nader bodemonderzoek moet inzicht geven in de omvang van de verontreiniging en welke eventuele risico’s de verontreiniging heeft op de voorgenomen herontwikkeling. Op basis van het conceptueel model en de doelstelling van het nader bodemonderzoek is meer informatie nodig met betrekking tot de omvang van de verontreiniging in de grond. Deze informatiebehoefte bestaat concreet uit de volgende onderzoeksvragen: • is er sprake van een toelaatbare bodemkwaliteit of is sanering noodzakelijk in het kader van de voorgenomen herontwikkeling? • wat is de omvang van de verontreiniging Onderhavig nader bodemonderzoek heeft betrekking op het terreindeel t.p.v. en rondom boring 9 uit het voorgaande verkennend bodemonderzoek. Ten behoeve van het conceptueel model is ervan uitgegaan dat de gemeten verontreiniging minerale olie in de grond samenhangt met een mobiele, lokale verontreiniging met een onduidelijke kern. Er wordt vanuit gegaan dat de verontreiniging in dit geval ontstaan is t.g.v. een plaatselijke bodembelasting. Naar verwachting is er in dit geval sprake van een concentratiegradiënt.
De vermoedelijke schaalgrootte van de verontreiniging in de grond wordt in eerste instantie als kleinschalig ingeschat, i.c. de omvang van het matig verontreinigde oppervlak (concentratie boven de bodemkwaliteitsklasse matig verontreinigd) bedraagt maximaal 500 m2.
december ’25
30
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
De onderzoeksvragen zijn vertaald in de hieronder in tabel 17 weergegeven aspecten van het conceptueel model. tabel 17: aspecten van het conceptueel model terreindeel onderzoeksaspect
boring 9 grond
vermoedelijke bron van verontreiniging aard van de verontreiniging vermoedelijke compartimentering verwachte schaalgrootte van de verontreiniging verdeling van de verontreiniging mogelijke verspreidingsroutes
mogelijke lekkage / morsen van brandstof het gaat om een mobiele verontreiniging met minerale olie ondergrond
in deze fase gezien de compartimentering niet onderzocht -
<500 m2
-
lokaal en mobiel
-
verticale en horizontale verspreiding van de mobiele verontreiniging in de onverzadigde zone de verontreiniging kan in de grond worden afgebroken door microorganismen, maar dit gebeurt langzaam. In zuurstofrijke bodems breken vooral de lichtere oliecomponenten redelijk snel af, terwijl zware oliefracties lang blijven vluchtige aromaten vormen vooral een inademingsrisico, terwijl minerale olie vooral bij direct huid- of watercontact schadelijk kan zijn. Inademing, huidcontact en inslikken zijn de drie belangrijkste blootstellingsroutes, waarbij inademing het meest relevant is voor vluchtige aromaten, en huidcontact/inslikken eerder voor minerale olie
-
mogelijke afbraak/omzetting
mogelijke risico’s
grondwater
-
-
Ten behoeve van het nader onderzoek wordt een strategie gehanteerd waarbij afperkende boringen nabij en rondom boring 9 uit het voorgaande verkennend bodemonderzoek worden geplaatst. Door middel van bodemverkenning en bemonstering van de grond is getracht de gemeten verontreiniging met minerale olie in de grond te verifiëren en zoveel mogelijk de omvang en/of de verspreiding van de geconstateerde verontreiniging vast te stellen.
december ’25
31
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
In tabel 18 zijn de onderzoeksaspecten weergegeven. tabel 18: gehanteerde onderzoeksaspecten terreindeel nader onderzoek
boring 9 grond
terreindeel grondwater
compartiment
ondergrond
in deze fase gezien de compartimentering niet onderzocht
analyseparameters verwachte schaalgrootte van de verontreinigingen rasterafstand afperking in het veld
minerale olie <500 m2
-
max.ca. 5 meter aan de hand van zintuiglijke beoordeling, olie/water-reactie max. ca. 2.0 m-mv -
-
diepte boringen toelichting
-
Het onderzoeksprogramma is ruimtelijk weergegeven in bijlage 2. In deze bijlage zijn alle geplaatste boringen geprojecteerd. onderzoeksresultaten nader bodemonderzoek grond In tabel 19 staat een samenvatting weergegeven van de toets resultaten van de onderzochte monsters van de boven en ondergrond. tabel 19: samenvatting toets resultaten grond grondmengmonster/ boring 100 (1.0-1.5) 101 (0.5-0.8) 102 (0.5-0.8) 103 (0.5-0.8) 104 (0.5-0.8) landbouw/ natuur wonen
zintuiglijk puinsporen puinresten
landbouw/ natuur BTEXN, minerale olie BTEXN
wonen
industrie
matig verontreinigd
-
-
-
sterk verontreinigd (> I) -
-
minerale olie -
-
-
industrie*
-
landbouw/natuur*
-
landbouw/natuur*
-
landbouw/natuur*
BTEXN, minerale olie BTEXN, minerale olie BTEXN, minerale olie beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse landbouw / natuur /
toetsing eindoordeel landbouw/natuur*
maximale waarde landbouw/natuur < gehalte (gssd) ≤ maximale waarde wonen beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse wonen
industrie
maximale waarde wonen < gehalte (gssd) ≤ maximale waarde industrie beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse industrie
matig verontreinigd
maximale waarde industrie < gehalte (gssd) ≤ interventiewaarde beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse matig verontreinigd
sterk verontreinigd >I
beoordeling omgevingswet: kwaliteitsklasse sterk verontreinigd
*= beoordeling is excl. onderzoek naar PFAS-verbindingen, onderzoek naar deze verbindingen is vanaf 8 juli 2019 verplicht bij beoordeling van hergebruiksmogelijkheden van de grond
december ’25
32
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
verspreiding verontreiniging met minerale olie in de grond t.p.v. boring 9 Ten behoeve van de interpretatie van de onderzoeksresultaten en de omvangbepaling is tevens gebruik gemaakt van de onderzoeksresultaten uit het verkennend bodemonderzoek. Uit de onderzoeksresultaten van het verkennend- en nader bodemonderzoek blijkt dat de ondergrond plaatselijk een licht tot matig verhoogd gehalte minerale olie bevat. In horizontale richting is de matige verontreiniging met minerale olie in de grond (gehalten voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse matig verontreinigd) middels de afperkende boringen voldoende afgeperkt. Boring 101 bevat nog wel een verhoogd gehalte minerale olie dat voldoet aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie. In het verticale vlak is de matige verontreiniging met minerale olie (gehalten boven de bodemkwaliteitsklasse matig verontreinigd) middels onderzoek van de diepere laag van 1.0-1.5 m-mv t.p.v. boring 100 analytisch afgeperkt. Op basis van de bekende onderzoeksresultaten is t.p.v. het plangebied naar schatting tenminste ca. 14 m3 grond sterk verontreinigd met minerale olie en/of vluchtige aromaten (gehalten boven de ondergrens bodemkwaliteitsklasse matig verontreinigd) (ca. 28 m2 x ca. 0.5 m, traject gemiddeld ca. 0.5 tot ca. 1.0 m-mv). Bij de schatting is gerekend met een gemiddelde matig verontreinigde laagdikte van ca. 0.5 meter.
Aangezien de buitenste afperkende boringen nog niet allemaal in alle richting zijn afgeperkt tot gehalten onder de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur kan op basis van de bekende resultaten geen uitspraak worden gedaan omtrent de omvang van het volume met minerale olie verontreinigde grond (gehalten groter dan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur). ontstaan van de bodemverontreiniging T.a.v. bodemverontreinigingen wordt onderscheid gemaakt tussen verontreinigingen die zijn ontstaan voor 01-01-1987 (historische verontreinigingen) en verontreinigingen die zijn ontstaan na 01-01-1987 (nieuwe verontreinigingen, 'zorgplicht gevallen'). Op de locatie is reeds vanaf de jaren ’60 een agrarisch bedrijf gevestigd. De verontreiniging is niet direct te relateren aan het bekende bodemgebruik op dit deel van de locatie. Dit deel van de locatie heeft, op basis van luchtfoto’s, geen direct gebruik gekend. Wel is te zien dat er af en toe grond wordt opgeslagen. Op basis de bekende informatie is t.a.v. het ontstaan van de verontreiniging niet met zekerheid aan te geven in welke periode deze is ontstaan.
december ’25
33
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek worden de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan. 5.1
Verkennend milieukundig bodemonderzoek NEN-5740
zintuiglijke waarnemingen Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde monstermateriaal plaatselijk puin-, baksteen- en plasticresten waargenomen. Op basis van zintuiglijke waarnemingen is in het opgeboorde bodemmateriaal geen asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming). eindconclusie verkennend bodemonderzoek NEN-5740 Ondergrondmonster MM10 (boring 9) bevat een verhoogd gehalte minerale olie dat voldoet aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse matig verontreinigd (=matig verontreinigd). Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek is aansluitend t.p.v. de boring 9 een nader, afperkend, bodemonderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 5.2). Middels een nader (afperkend) onderzoek kan de omvang van de verontreiniging in de bodem worden vastgesteld. Het doel van het nader bodemonderzoek is ook om te kunnen beoordelen of er sprake is van een ontoelaatbare bodemkwaliteit. Voor het overige zijn in de onderzochte boven- en ondergrondmengmonsters enkele stoffen verhoogd gemeten in gehalten die tenminste voldoen aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie. Bij berekening van het hoogst gemeten gehalte zink in de bodem m.b.v. de webapplicatie Concrit geldt daarnaast voor het gebruik voor wonen met tuin dat de risico-index kleiner is dan 1 en dat de MTR-humaan waarde niet wordt overschreden.
In het grondwater zijn verhoogde gehalten barium en koper (zware metalen) gemeten t.o.v de streefwaarde, de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering worden niet overschreden. Wel geldt t.a.v. de plaatselijk gemeten gehalten lood dat geldt bij het gebruik als grote moestuin, bij wonen met tuin en plaatsen waar kinderen spelen een matige bodemkwaliteit voor lood.
december ’25
34
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
toetsing hypothese In tabel 21 is de hypothese en de noodzaak tot vervolgonderzoek beoordeeld aan de hand van de onderzoeksresultaten. tabel 21: toetsing hypothese Locatie
Hypothese
Correct?
Verkennend onderzoek met nieuwe hypothese?
Nader onderzoek?
bovengrondse dieselolietank
de bovengrond voldoet aan wonen/industrie, het grondwater voldoet aan de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering
ja
nee, onderzoeksinspanning voldoende
werktuigenberging
de bovengrond voldoet aan wonen/industrie, het grondwater voldoet aan de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering
ja
nee, onderzoeksinspanning voldoende
overige onbebouwde deel van het plangebied
bovengrond voldoet aan wonen/industrie, ondergrond voldoet aan landbouw/natuur, grondwater voldoet aan de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering
nee, de ondergrond is plaatselijk matig verontreinigd
nee, onderzoeksinspanning voldoende
nee, er zijn geen gehalten boven de grenswaarde/ interventiewaarde, de toetsingswaarden voor nader onderzoek, de MTR-humaan of de signaleringsparameters grondwater gemeten nee, er zijn geen gehalten boven de grenswaarde/ interventiewaarde, de toetsingswaarden voor nader onderzoek, de MTR-humaan of de signaleringsparameters grondwater gemeten ja, nader, afperkend, onderzoek wordt noodzakelijk geacht
Opgemerkt wordt dat de conclusies betrekking hebben op de chemische gesteldheid van de bodem (excl. asbest). Een asbestonderzoek in grond of puin conform de NEN 5707+C2 resp. NEN 5897+C2 maakt geen onderdeel uit van de scope van onderhavig onderzoek. Op basis van dit onderzoek dat volgens NEN-5740 is uitgevoerd kan geen uitspraak worden gedaan omtrent de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in de bodem of puin. Indien een formele uitspraak over het voorkomen van asbest in de bodem gewenst is dient een asbestonderzoek uit gevoerd te worden conform de NEN 5707+C2 of NEN 5897+C2.
december ’25
35
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
5.2
Nader bodemonderzoek NTA 5755
verspreiding verontreiniging in grond Op basis van de bekende onderzoeksresultaten is t.p.v. het plangebied naar schatting tenminste ca. 14 m3 grond matig verontreinigd met minerale olie en/of vluchtige aromaten (gehalten boven de bodemkwaliteitsklasse matig verontreinigd) (ca. 28 m2 x ca. 0.5 m, traject gemiddeld ca. 0.5 tot tenminste ca. 1.0 m-mv). Bij de schatting is gerekend met een gemiddelde matig verontreinigde laagdikte van ca. 0.5 meter. Hierbij moet worden opgemerkt dat boring 101 nog wel een verhoogd gehalte minerale olie bevat dat voldoet aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse industrie. Aangezien de buitenste afperkende boringen nog niet in alle richting zijn afgeperkt tot gehalten onder de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur kan op basis van de bekende resultaten geen uitspraak worden gedaan omtrent de omvang van het volume met minerale olie en verontreinigde grond (gehalten groter dan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur). ontstaan van de bodemverontreiniging Op basis de bekende informatie is t.a.v. het ontstaan van de verontreiniging niet met zekerheid aan te geven in welke periode deze is ontstaan. Afwijkingen t.o.v.
normen en protocollen Ten aanzien van de gemeten gehalten vluchtige aromaten in de monsters 100 t/m 104 geldt dat deze geroerd zijn bemonsterd in een pot (vanwege de zintuiglijke afwezigheid van brandstof). Derhalve geldt dat de gehalten vluchtige aromaten moeten worden beschouwd als indicatief. Er hebben bij de uitvoering van werkzaamheden geen andere afwijkingen plaatsgevonden t.o.v. de geldende protocollen 2001, 2002 en/of overige geldende analysemethoden.
december ’25
36
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
Aanbevelingen 1●) Op basis van zintuiglijke waarnemingen van het opgeboorde monstermateriaal zijn plaatselijk puin- en baksteenresten waargenomen. De puinresten zijn beoordeeld als gemengd puin. De herkomst hiervan is bij ons niet bekend. Geadviseerd wordt om t.p.v. het terreindeel waar puinresten in de bodem zijn aangetoond een verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707 uit te voeren. 2●) Wanneer in het kader van bv. herontwikkeling grondwerkzaamheden worden voorzien t.p.v. en rondom boring 9, wordt geadviseerd om de matig met minerale olie verontreinigde grond te saneren. Op deze wijze wordt voorkomen dat grond met een verschillende milieuhygiënische kwaliteit worden vermengd. Indien wordt overgegaan tot sanering van de verontreiniging geldt dat er sprake is van een milieubelastende activiteit saneren van de bodem (paragraaf 3.2.23 Bal) en de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde (paragraaf 3.2.22 en 4.120 Bal). Voor deze milieubelastende activiteiten gelden bodemvoorschriften Voor het saneren van de bodem gelden algemene rijksregels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Hoofdstuk 3 van het Bal bevat de aanwijzing van wat er onder de milieubelastende activiteit valt en wat vergunningplichtig is. Ook staat hier welke inhoudelijke regels gelden.
In hoofdstuk 2, 4 en 5 van het Bal staat per activiteit aangegeven of de initiatiefnemer een melding moet verrichten of informatie moet aanleveren bij het bevoegd gezag. Voor de activiteit saneren van de bodem geldt zowel een meldplicht als een verplichting om gegevens en bescheiden te overleggen. Bij de melding moet ook een plan van aanpak/ MKB-plan worden opgesteld. Hierbij moeten de wettelijke termijnen in acht worden genomen. Voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit gelden bodemvoorschriften uit paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het gaat om voorschriften over voorafgaand bodemonderzoek, zorgvuldig graven en tijdelijke opslag. 3●) In het kader van de beoogde herontwikkeling wordt de actuele diffuse bodemkwaliteit getoetst aan de beoogde bodemkwaliteitsfunctie. Op het moment dat deze normstelling wordt overschreden voor een functie, treden hier potentiële risico’s op. Het treffen van maatregelen of voorschriften kan dan noodzakelijk of wenselijk zijn. De gemeente houdt bij het aanwijzen van de bodemkwaliteitsklasse rekening met de functie die in het omgevingsplan aan die locatie is toegedeeld. Mogelijk dat in dit geval de kwaliteitseis wonen wordt toegedeeld en dat de grond met de kwaliteitsklasse matig verontreinigd binnen de locatie moet worden afgevoerd.
Om na te gaan of e.e.a in dit geval, in het kader van de functiewijziging, aanleiding geeft tot belemmeringen van het gebruik van de locatie of dat er mogelijk maatregelen dienen te worden getroffen, wordt geadviseerd de resultaten van dit onderzoek samen met de beoogde plannen en de toekomstige terreinindeling met de gemeente af te stemmen. 4●) Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. Op basis van de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moeten voor de milieubelastende activiteiten graven in bodem > 25 m3, het toepassen van grond en het opslaan van grond meldingen worden ingediend via het Omgevingsloket DSO. Met behulp van de ‘Vergunningscheck’ in het DSO kan worden nagegaan om welke meldingen het gaat in de betreffende situatie. In dit verkennend bodemonderzoek is geen onderzoek uitgevoerd naar PFAS stoffen in de bodem. De in dit onderzoek opgenomen toetsing is excl. onderzoek naar PFAS-stoffen, onderzoek naar deze verbindingen is bij definitieve beoordeling van evt. hergebruiksmogelijkheden van evt. af te voeren grond alsnog nodig.
december ’25
37
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
Algemeen/opmerkingen/betrouwbaarheid/uitsluitingen Het onderhavige onderzoek heeft betrekking gehad op het onbebouwde deel van de locatie gelegen aan de Boerderijweg 2 te Hasselt (zie bijlage 2). Op basis van het onderhavige onderzoek kan alleen een uitspraak worden gedaan omtrent de bodemkwaliteit van het onderzochte terreindeel, zie bijlage 2. Op basis van het onderhavige onderzoek kan geen uitspraak worden gedaan: omtrent de bodemkwaliteit van niet onderzochte terreindelen, de milieuhygiënische bodemkwaliteit van niet bekende verdachte terreindelen, de milieuhygiënische bodemkwaliteit van niet verkende bodemlagen, de milieuhygiënische kwaliteit van het diepere grondwater etc. Door het plangebied liepen in het verleden enkele sloten / watergangen welke zijn gedempt. In de boringen t.p.v./nabij de vermoedelijke situering van de gedempte sloten / watergangen binnen het onderzoeksgebied zijn geen bodemvreemde bijmengingen of afwijkingen waargenomen. Opgemerkt wordt dat de situering van de gedempte sloten/watergangen alsmede de aard van het dempingsmateriaal plaatselijk kan afwijken. Daarnaast kan op basis van dit onderzoek geen uitspraak worden gedaan omtrent de eventuele aanwezigheid van asbest in de bodem/puin.
Indien echter een formele uitspraak over het voorkomen van asbest in de bodem gewenst is dient een asbestonderzoek uit gevoerd te worden conform de NEN 5707+C2 of NEN 5897+C2. Alleen een asbestonderzoek volgens NEN-5707+C2 / NEN5897+C2 geeft meer zekerheid over de aanwezigheid van asbest in de bodem resp. puin. In algemene zin wordt opgemerkt dat bij analyse van mengmonsters de gehalten in de individuele deelmonsters van een mengmonster zowel hoger als lager kunnen zijn dan de aangetoonde gehalten in het betreffende mengmonster. Er kan in gevallen waarbij sprake is van ruime overschrijdingen van de achtergrondwaarde, gemeten in een mengmonster, niet worden uitgesloten dat individuele deelmonsters gehalten boven de tussen- of interventiewaarde bevatten. T.a.v. historische (bodem) informatie van de locatie wordt opgemerkt dat de geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Voor het verkrijgen van historische informatie is Sigma Geo- & Milieutechniek afhankelijk van deze bronnen, waardoor Sigma Geo- & Milieutechniek niet kan instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie. Het kan voorkomen dat niet alle bronnen zijn geraadpleegd, doordat ze niet voorhanden waren. Hierdoor kan informatie ontbreken. Dit bodemonderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving en methoden.
Een bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid echter uitgevoerd door het, conform de geldende richtlijnen, steekproefsgewijs bemonsteren van de bodem d.m.v. een representatief geacht aantal monsters, waardoor het, op basis van de resultaten van een bodemonderzoek, onmogelijk is om garanties af te geven ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Een verkennend bodemonderzoek geeft nooit volledige zekerheid omtrent de toestand van de bodem ter plaatse van een locatie. Het onderzoek dient geïnterpreteerd worden als een inschatting van de verontreinigingssituatie op een bepaald moment. Het is echter op basis van dit onderzoek nooit uit te sluiten dat er lokaal afwijkingen in de bodem voorkomen. Het kan op basis van dit onderzoek niet uitgesloten worden dat zich op de locatie verontreiniging bevindt welke in dit onderzoek niet is aangetroffen/ontdekt. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt. Eventuele toekomstige activiteiten, calamiteiten, sloopwerkzaamheden, bouwrijp maken en/of aanvoer van grond van elders, kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden.
Tijdens werkzaamheden in de bodem dient men alert te blijven op waarneembare bijzonderheden, die kunnen duiden op eventuele verontreinigingen Het onderzoek is gebaseerd op informatie van derden en het verrichten van een beperkt aantal boringen en analyses, conform de geldende richtlijnen. Hierdoor is het mogelijk dat niet alle informatie is verkregen, dan wel dat niet alle afwijkingen in de bodem zijn geconstateerd. Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. aanvaardt derhalve op generlei wijze aansprakelijkheid voor de gevolgen/schade dan wel enige andere indirecte incidentele of gevolgschade welke voortvloeien uit beslissingen welke worden genomen op basis van de onderzoeksresultaten van het onderhavige onderzoek als in de praktijk blijkt dat de verontreinigingssituatie anders is dan in dit onderzoek vermeld.
december ’25
38
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
6
LITERATUURLIJST 1. 'Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond' (Nederlandse norm 5740+C1: november 2024). 2. 'Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek (Nederlandse norm 5725:2023, oktober 2023).). 3. Bodem-Monsterneming van grondwater, NEN 5744, (NNI maart 2011). 4. NEN 5707+C2; Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond; uitgifte december 2017. 5. NTA 5755, Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek, NNI, juni 2022). 6. Boringen zijn geplaatst volgens de eisen uit het SIKB-protocol 2001 (vigerende versie). 7. Grondmonsters zijn genomen volgens de eisen uit het SIKB-protocol 2001 (vigerende versie), grondwatermonsters zijn genomen volgens de eisen uit het SIKB-protocol 2002 (vigerende versie). 8. De conservering van monsters in het veld is uitgevoerd volgens de eisen uit de SIKBprotocollen 2001 en 2002 (vigerende versie). 9. Classificatie van onverharde grondmonsters, NEN 5104, september 1989. 10. NEN 5897+C2; Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat; uitgifte december 2017
december ’25
39
verkennend- en nader milieukundig bodemonderzoek Boerderijweg 2 te Hasselt
7
COLOFON
opdrachtgever project omvang rapport datum projectleider
Auteur D. van Wuijkhuijse
december ’25
: : : : :
BJZ.nu Boerderijweg 2 te Hasselt 40 blz. 8-12-2025 ing. A.D.M. van Wuijkhuijse
Paraaf
Gecontroleerd door H. Kroon
Paraaf
Datum
Status
08 december 2025
definitief
40
BIJLAGE 1 TOPOGRAFISCH OVERZICHT IJij B ax F
Sigma Geo- & Milieutechniek Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 http://www.sigma-bm.nl email: info@sigma-bm.nl
BIJLAGE 1 TOPOGRAFISCH OVERZICHT (HISTORISCH) IJij B ax F
2000
1980
1965
1950
1930
Sigma Geo- & Milieutechniek Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 http://www.sigma-bm.nl email: info@sigma-bm.nl
1900
1880
Sigma Geo- & Milieutechniek Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 http://www.sigma-bm.nl email: info@sigma-bm.nl
g we erij erd Bo
BIJLAGE 2A ONDERZOEKSLOCATIE
104 103
9/100 101 102
3
bovengrondse dieseltank
2
onderzoekslocatie
werktuigenberging
104 103
9/100 101 102
2
A G S
Geo- & Milieutechniek
01
1
klinker / cm t ov m aaiveld
0 1 50
03 0 -7
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, licht beige, grijs, edelm an -50
2
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, donker bruin, grijs, edelm an
3
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, licht beige, geel, edelm an
100
-100
1
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, donker bruin, grijs, edelm an
2
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, licht beige, geel, edelm an
50 -60
100
150 4
4
200
-200
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, licht beige, geel, zuigerboor
200 t ype dat um boorm eest er gws (m -m v)
250
-200
g r on d b or in g 0 5 -0 9 -2 0 2 5 V e ld w e r k e r 1 .2
04 300
300 t ype dat um boorm eest er gws (m -m v)
-300
p e ilb u is m e t 1 f ilt e r 0 5 -0 9 -2 0 2 5 V e ld w e r k e r 1 .5
gras / cm t ov m aaiveld
0 1 50
gras / cm t ov m aaiveld
0 1
2
-90 0
100
-50
150
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, licht beige, geel, edelm an
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, donker bruin, grijs, edelm an
50
3
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, licht beige, geel, edelm an
4
100
200 t ype dat um boorm eest er gws (m -m v)
3 150 4 200
-200
g r on d b or in g 0 5 -0 9 -2 0 2 5 V e ld w e r k e r 1 .2
05 -200
g r on d b or in g 0 5 -0 9 -2 0 2 5 V e ld w e r k e r 1 .2
gras / cm t ov m aaiveld
0 1
-50
g r on d b or in g 0 5 -0 9 -2 0 2 5 V e ld w e r k e r
06
klinker / cm t ov m aaiveld
0 1 50 t ype dat um boorm eest er
bodem profielen b ijla g e 3 : BOORPROFIELEN Br in k w e g 2 , Ar r ie n 2 5 -M 1 1 8 8 5 N EN 6 6 9 3
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, zwak hum eus, donker bruin, grijs, edelm an
50 t ype dat um boorm eest er