1.1 Motivering
Tekst van het document
De uitkomst hiervan wordt vastgelegd in een eerstvolgende actualisatie van de omgevingsvisie en wordt doorvertaald in het omgevingsplan. Het buitengebied zonder duidelijk aanwezige agrarische sector verandert fundamenteel van karakter. Behoud en beleefbaarheid van de agrarische sector is daarom uitgangspunt. Tegelijk zijn er andere ruimteclaims op het buitengebied (wonen, energie, natuur, recreatie). Daardoor kan de agrarische sector de huidige omvang mogelijk niet behouden. Behoud kan ook worden bereikt door (gedeeltelijke) transities in de sector. Van belang is dat het agrarisch ondernemerschap niet in gevaar komt. 4.3.1.3 Wonen Ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestaties moeten in evenwicht zijn Woningbouw vindt zoveel mogelijk binnen de bestaande bebouwde omgeving plaats. Dit gaat vóór uitbreiding van het bebouwd gebied. Echter, bouwen buiten bestaand bebouwd gebied zal niet altijd te voorkomen zijn. In die gevallen zorgen we voor een zorgvuldige inpassing in groen en landschap volgens de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en het Groenbeleidsplan. Het is gebaseerd op het provinciale beleid dat ervan uit gaat dat nieuwe ontwikkelingen mogen als zij bijdragen aan het in-standhouden van en versterken van ruimtelijke kwaliteit. Voor alle nieuwe en grootschalige ontwikkelingen in het buitengebied geldt dat een goede ruimtelijke inpassing verplicht is.
Naast deze basisinspanning kan het zijn dat er extra kwaliteitsprestaties nodig zijn. Ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestaties moeten in evenwicht zijn. Nieuwe woonkavels in kernen en op bestaande erven behoren tot de mogelijkheden. Alleen voor karakteristieke woningen worden extra mogelijkheden toegestaan in gebruik en bouw. 4.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de omgevingsvisie Het voorliggende initiatief draagt bij aan zorgvuldig ruimtegebruik en is in lijn met het beleid uit de omgevingsvisie. Door middel van het ruimtelijk kwaliteitsplan blijft de inrichting en het aanzicht bewaard, en wordt er geen afbreuk gedaan aan de natuurlijke waarden van het gebied. Deze worden zelfs versterkt door de verwijdering van verharding, het gebruik van bloemrijk gras en diverse inheemse bomen en struiksoorten. Stedenbouwkundig blijven de woning passen binnen het huidige beeld van agrarische bedrijfspercelen en wonen. Hoewel de bedrijvigheid in de huidige situatie beëindigd is beperken de nieuwe woningen de bedrijvigheid van de nabije agrariërs niet, zie ook hoofdstuk 7.1. Deze ontwikkeling vindt niet plaats in de bestaande bebouwde omgeving, zoals de kern Hasselt. Door middel van de KGO wordt dit initiatief zorgvuldig ingepast in het buitengebied, en versterkt daarmee de ruimtelijke kwaliteit.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de ambities uit de Omgevingsvisie. 4.3.2
Beleidsregel Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
Naar aanleiding van het provinciale KGO beleid heeft de gemeente Zwartewaterland een eigen KGO regeling opgesteld. Hierin is een lokale en meer specifieke invulling gegeven aan het beleid. De gemeentelijke beleidsregel Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) biedt duidelijkheid over de manier waarop de KGO in de gemeente Zwartewaterland wordt toegepast. De beleidsregel heeft tot doel om een transparante en consistente beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen te garanderen. De beleidsregel is van toepassing bij alle ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied die niet passen in het bestemmingsplan Buitengebied, onderdeel uitmakend van het tijdelijk omgevingsplan. In de KGO wordt onderscheid gemaakt in het leveren van een basisinspanning en een aanvullende kwaliteitsprestatie. Wanneer er sprake is van een grootschalige ontwikkeling kan niet worden volstaan met de inpassing van de ontwikkeling zelf. Er zal dan een aanvullende kwaliteitsprestatie moeten worden geleverd. De hoogte van de te leveren prestatie moet daarbij in balans zijn met de schaal en impact van de ontwikkeling. De beleidsregel KGO is van toepassing bij alle ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied die niet passen in het tijdelijk omgevingsplan, onderdeel ‘bestemmingsplan Buitengebied’. In dit geval is er sprake van de beëindiging van een agrarisch bedrijf.
Het landschappelijk inpassingsplan is opgesteld om te voldoen aan de basisinspanning van de KGO. De beleidsregel is uitgewerkt in een rekenmodel waarbinnen eenduidige criteria zijn benoemd aan de hand waarvan de vereiste investering in kwaliteit kan worden bepaald. De methodiek is geïnspireerd op het werkboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van de provincie. Het kwaliteitsgericht denken, waarbij enkel de impact en schaal van de ontwikkeling bepalend is voor de hoogte van de ruimtelijke investering, is uitgewerkt naar een concreet toepasbaar rekenmodel. In de berekeningsmethodiek wordt een vergelijking gemaakt tussen de bestaande en de gewenste situatie. Aan de hand van een aantal parameters wordt bepaald wat de ruimtelijke impact van de ontwikkeling is. Hierbij is onderscheid gemaakt in wijzigingen in bebouwingsoppervlakte en wijzigingen in functie en grootte van het erf. De impact wordt uitgedrukt in een percentage, dat kan variëren van 0% tot 100%. Wanneer het percentage hoger is dan 20% is er sprake van een grootschalige ontwikkeling en moet er een aanvullende kwaliteitsprestatie geleverd worden. Voor de voorgenomen ontwikkeling is het rekenmodel voor het erf aan de Boerderijweg 2 in Hasselt ingevuld.
4.3.2.2 Toetsing initiatief aan de KGO Bij het invullen van het rekenmodel voor de voormalige agrarische locatie aan de Boerderijweg 2 is er onderscheid gemaakt tussen de karakteristieke woonboerderij met schuur en de agrarische bedrijfsgebouwen. De bestaande bebouwing is geclassificeerd als karakteristiek, en wordt derhalve ook getypeerd als gebiedspassend. De overige agrarische bedrijfsgebouwen is getypeerd als gebiedsneutraal. De bestaande grootte van het erf komt niet helemaal overeen met het bestemde agrarische bouwvlak. Het bestemde agrarische bouwvlak is groter dan het huidige agrarische bedrijfsperceel. De huidige agrarische functie is gebiedsgebonden, daarom wordt conform de beleidsregel een milieucategorie gehanteerd van nul. In de plansituatie blijft de karakteristieke bebouwing staan met een oppervlakte van een circa 390 m2. De bebouwing is beoordeeld als karakteristiek en daarmee waardevol en is daarom gebiedspassend beoordeeld. Samen met de gebiedsneutrale woning met bijgebouw ontstaat een woonerf waarin de bebouwing met elkaar in juiste proporties staan. Hierdoor ontstaat een passender erfensemble. Ook op dit erf zijn de nieuwe woningen als gebiedsneutraal beoordeeld. Omdat de functie van agrarisch wordt veranderd in wonen, wordt de nieuwe functie als gebiedsneutraal beoordeeld. De oppervlakte van de drie gezamenlijke woonerven is ongeveer 6.770
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld m2 kleiner dan het huidige bestemde agrarische bouwvlak. Deze 6.770 m2 krijgt de gebiedspassende bestemming agrarisch onbebouwd gebied. De ontwikkeling in het projectgebied heeft een kleine maatschappelijke meerwaarde. Enerzijds doordat de landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt en hiermee eveneens een fors dakoppervlak met asbest wordt gesaneerd. Anderzijds omdat de karakteristieke bebouwing op het erf in stand wordt gehouden en de karakteristiek erfopzet wordt teruggebracht. Daarnaast wordt ook een typerende hooiberg voor deze erven teruggebouwd op de locatie en in gebruik genomen als bijgebouw. Daarmee is er sprake van een forse investering in de cultuurhistorische waarden van het erf. Bepaling van de ruimtelijke impact De ontwikkeling op het erf Boerderijweg 2 heeft een impact van 19,75%. Dat betekent dat de ontwikkeling wel een ruimtelijke impact heeft, maar dat die impact beperkt is en met een KGObasisinspanning ruimtelijk acceptabel gemaakt kan worden. De basisinspanning wil zeggen dat de kwalitatieve maatregelen bepekt mogen blijven tot het eigen erf. Op die manier is sprake van een ontwikkeling die ruimtelijke kwaliteit toevoegt. Hier heeft het Oversticht een advies voor opgesteld op basis van welke voorwaarden er kan worden voldaan aan de landschappelijk inpassing. Deze adviezen zijn overgenomen in het ruimtelijk kwaliteitsplan.
Een weergave van de ingevulde rekenmodellen KGO is hieronder weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld Afbeelding 4.4: Ingevuld KGO-rekenmodel Boerderijweg 2, Hasselt (bron: BJZ.nu)
4.3.3
Samen zijn we Zwartewaterland: Wonen in onze gemeente (Bouwsteen Wonen)
In Zwartewaterland is het goed wonen: groen, ruim, sociaal en leefbaar. Helaas is het gemiddeld genomen in Zwartewaterland de laatste jaren steeds moeilijker om een woning te vinden. De Bouwsteen Wonen richt zich op het woonbeleid zodat er in Zwartewaterland gewoond kan worden in een veilige gezonde omgeving. De gemeente heeft de ambitie om de komende jaren in te zetten op het toevoegen van ca. 750 woningen tot 2030. Woningbouw vindt zoveel mogelijk binnen de bestaande bebouwde omgeving plaats. Dit gaat vóór uitbreiding van het bebouwd gebied. Echter, bouwen buiten bestaand bebouwd gebied zal niet altijd te voorkomen zijn. In die gevallen wordt gezorgd voor een zorgvuldige inpassing. Zwartewaterland heeft een zeer omvangrijk buitengebied. Ook in het buitengebied staan diverse, vaak vrijstaande, woningen al dan niet op een knooperf. In het buitengebied worden woningen toegevoegd die passen in het landschap. Het uitgangspunt voor nieuwe woningen is goede kwaliteit van de openbare ruimte en een zorgvuldige inpassing in groen en landschap in lijn met de ‘Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving’ en het Groenbeleidsplan. 4.3.3.1 Toetsing van het plan aan de Bouwsteen Wonen Met het voornemen wordt een bestaande karakteristieke woonboerderij gesplitst in drie woningen.
Tevens wordt er op basis van de gemeentelijke KGO-regeling een compensatiewoning gerealiseerd ter compensatie voor het slopen van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. Het voornemen leidt tot een toename van woningen in het buitengebied. Het plan richt zich op het revitaliseren van het perceel door verouderde bebouwing te vervangen door nieuwbouw. Daarnaast is het woonperceel landschappelijk ingepast. Het plan is dan ook ruimtelijk gezien passend in de omgeving in het buitengebied. Geconcludeerd wordt dat het voornemen past binnen de bouwsteen wonen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingsveiligheid
Wettelijk kader
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. 5.2
Situatie in en bij het plangebied
Er is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied. In onderstaande afbeelding is een uitsnede weergegeven van de Landelijke Signaleringskaart Externe Veiligheid. Zoals te zien is in afbeelding 6.1 bevinden er zich geen risicobronnen binnen het plangebied. Ten oosten van het plangebied loopt er een buisleiding van de Nederlandse Gasunie. Deze buisleiding brengt een plaatsgebonden risico van PR 10-8 met zich mee, evenals een aandachtsgebied voor brand. Er zit ruim 450 meter tussen het plangebied en het aandachtsgebied.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld
Afbeelding 5.1: Uitsnede omgevingsveiligheid, plangebied in rood (Bron: Atlas Leefomgeving)
5.3
Conclusie
Er bevinden zich geen risicobronnen op het plangebied. Het voornemen introduceert ook geen nieuwe risicobron in het gebied. Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld
Hoofdstuk 6
Beschermen van de waterbelangen
Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.
6.1
Geldend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 6.1.3
Provinciaal beleid
Binnen de omgevingsverordening van de provincie Overijssel zijn geen specifieke aanwijzingen op het plangebied met betrekking tot water. Er geldt enkel een werkingsgebied peilbesluiten, maar deze is niet van toepassing op het voornemen. 6.1.4
Beleid Waterschap
In de waterschapsverordening van Drents Overijsselse Delta zijn 2 gebiedsaanwijzingen opgenomen op de planlocatie: ‘Grondwaterlichaam werkingsgebied’ en ‘Waterkwaliteit werkingsgebied’. Grondwaterlichaam werkingsgebied Er geldt voor dit gebied een meldplicht voor het graven van een oppervlaktewaterlichaam als de vaste bodem tussen minimaal 40 cm en maximaal 80 cm -mv komt te liggen. Er is een (klein) oppervlaktewaterlichaam beoogd in het landschappelijk inpassingsplan. Er dient, minimaal 2 weken voor het graven, te worden gemeld dat deze activiteit plaatsvindt bij het waterschap.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld Mocht de beoogde hoogte van de vaste bodem onder het oppervlaktewaterlichaam dieper dan 80 cm -mv liggen, dan is er een vergunningsplicht voor de activiteit. Waterkwaliteit werkingsgebied Onder deze gebiedsaanwijzing moet er rekening worden gehouden dat er geen verontreinigde stoffen in het water of de bodem worden verspreid door loosactiviteiten. Zoals aangetoond in paragraaf 7.2 kan er niet worden uitgesloten dat er verontreinigingen in de bodem zitten. Een vervolgonderzoek moet aantonen dat eventuele werkzaamheden het water niet verontreinigen.
6.2
Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied
6.2.1
Watertoets
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Waterhuishoudkundige aspecten
Voor het voorliggende plan is raad gepleegd via het water advies. Deze is meegenomen bij deze motivering als bijlage. Hieruit is gebleken dat er sprake is van de korte procedure. Het waterschap gaat akkoord met het plan, mits er wordt voldaan aan de uitgangspunten uit de standaard waterparagraaf met bijbehorende aanvullende adviezen. Voorkeursbeleid hemelwater Er wordt gebruik gemaakt van een gescheiden rioolstelsel. Hemelwater kan direct in de bodem infiltreren; de grote hoeveelheid verharding die wordt verwijderd, en het kruidenrijke gras wat wordt geplant bevorderd de infiltratie van hemelwater. Compensatie bij verharding Er is geen sprake van netto verharding bij dit plan. De infiltratie en waterberging zal verbeterd worden door de ingrepen. Herinrichting In de huidige situatie wordt hemelwater op de grote hoeveelheid verharding afgevoerd naar het riool. In de nieuwe situatie komt er een significant groter oppervlakte voor hemelwater om te infiltreren. Dit is dan ook expliciet de bedoeling in de nieuwe situatie. Het watersysteem zal niet significant veranderen als gevolg van deze ontwikkeling. Door de toegenomen infiltratie zal het grondwaterpeil ietwat verhogen, wat gunstig is voor het kraggenlandschap. Het gebruik van uitlogende materialen Er wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen.
Wetgeving lozen in oppervlaktewater Er wordt geen water geloosd in het nabije oppervlaktewater. Er is derhalve ook geen vergunnings- of meldingsplicht voor deze ontwikkeling. Oppervlaktewaterlichamen (watergangen) BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld Als er een activiteit plaatsvindt binnen het beperkingsgebied van nabije watergangen moet er, afhankelijk van de type activiteit, een melding worden gemaakt bij het waterschap Drents Overijsselse Delta. Overstromingsrisico Het plan ligt binnen een overstromingsrisicogebied.
6.4
Conclusie
Vanuit het beleid van de waterschappen gelden er een mogelijke meldplicht en vergunningsplicht. Ook moet een vervolgonderzoek aan de bodem aantonen dat er geen verontreiniging van het water plaatsvindt bij werkzaamheden. Mits de benoemde maatregelen uit 6.3 worden gevolgd worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld
Hoofdstuk 7
Bescherming gezondheid en het milieu
Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties houdt het bevoegd gezag op basis van afdeling 5.1.4 van het Bkl rekening met het beschermen van de gezondheid en het milieu. Hieronder zijn de onderwerpen weergegeven waarvoor in deze afdeling instructieregels zijn gesteld en wordt aangegeven of deze relevant zijn voor dit plan. Onderwerp
Relevante instructieregels Bkl
Relevant voor het project?
Kwaliteit van de buitenlucht Geluid door activiteiten Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Geluid rond luchthavens Trillingen
Paragraaf 5.1.4.1
Ja, zie paragraaf 7.3.
Paragraaf 5.1.4.2 Paragraaf 5.1.4.2a
Ja, zie paragraaf 7.1. Ja, zie paragraaf 7.1.
Paragraaf 5.1.4.3
Nee, het plangebied ligt niet nabij een luchthaven.
Slagschaduw van windturbines Bodemkwaliteit Geur
Paragraaf 5.1.4.4
Paragraaf 5.1.4.4a Paragraaf 5.1.4.5 Paragraaf 5.1.4.6
Nee, het plangebied ligt op 4 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorlijn. Nee, nabij het plangebied bevinden zich geen windturbines. Ja, zie paragraaf 7.2. Ja, zie paragraaf 7.4.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten ‘gezondheid’ en ‘duurzaamheid en klimaatadaptatie’ behandeld.
7.1
Geluid door activiteiten
7.1.1
Wettelijk kader
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De geluidsgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreffen gebouwen of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de in paragraaf 5.1.4.2 Bkl opgenomen instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden gelden op basis van artikel 7.11 Bkl specifieke regels. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties zelf de mate van bescherming tegen geluid. 7.1.2
Situatie plangebied
Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Geluid door wegen en spoorwegen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld De geluidsaandachtsgebieden van Rijks-, provinciale, gemeente-, waterschaps- en spoorwegen worden opgenomen in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Indien door de wegbeheerder nog geen geluidaandachtsgebieden zijn berekend gelden de volgende afstanden: • • •
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.
In voorliggend project worden er (nieuwe) geluidsgevoelige objecten gerealiseerd. Het plangebied ligt binnen een geluidsaandachtgebied van een ontsluitingsweg; deze is echter hoofdzakelijk in gebruik als route voor bestemmingsverkeer, en is geen drukbezochte route voor doorgaand verkeer. Afbeelding 7.1 geeft het geluid van wegverkeer weer:
Afbeelding 7.1: wegverkeerslawaai Boerderijweg 2, Hasselt (Bron: Atlas Leefomgeving, bewerkt)
Het geluidsniveau op het plangebied komt niet boven de 45 dB uit, behalve op de ontsluitingsweg; hier is het geluidsniveau circa 46-55 dB. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geluid door industrieterreinen Het plangebied ligt niet binnen het aandachtsgebied van een (gezoneerd) industrieterrein. Geluid door overige geluidbelastende activiteiten Om eventuele hinder van overige geluidbelastende activiteiten te beoordelen, wordt gebruik gemaakt van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan ‘het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige gebouwen anderzijds.’ Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In 2024 is er een nieuwe handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ uitgebracht. De nieuwe handreiking is bedoeld voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en andere werkterreinen en het inwaarts zoneren daarvan. De handreiking biedt handvatten om op grond van het Bkl een aanvullende regeling in het omgevingsplan op te nemen waarmee geluid- en geurwaarden die normaal op de gevel van een geluids- of geurgevoelig gebouw gelden, op een andere locatie te laten gelden. Gedurende de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld overgangsfase onder de Omgevingswet is er in veel gevallen echter nog sprake van het omgevingsplan van rechtswege, waar de bestemmingsplannen onderdeel van uitmaken. Hiermee is de zoneringssystematiek uit 2009 nog aan de orde, waardoor de nieuwe handreiking niet aansluit op het omgevingsplan. Daarom kan nog gebruik worden gemaakt van de systematiek uit 2009. Volgens deze systematiek dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Het plangebied kan worden gekenmerkt als een gemengd gebied vanwege de wisselwerking van wonen en agrarische bedrijvigheid. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden opgenomen. Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Interne werking Bij een toetsing aan de interne werking is de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving, en andersom of de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt aan de Boerderijweg 3. Het betreft een melkveehouderij. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter in een gemengd gebied. De gevels van de beoogde woningen zijn ca. 75 meter verwijderd van de koeienstal. Er is derhalve geen sprake van een belemmerende situatie voor de woning. Ook wordt de melkveehouderij niet in zijn bedrijvigheden beperkt. 7.1.3
Conclusie
De nieuw beoogde woning ligt niet binnen de richtafstand van omliggende bedrijfsactiviteiten, en ondervindt er dus geen hinder aan. De voorgenomen activiteiten houden in voldoende mate rekening met het aspect geluid.
7.2
Bodemkwaliteit
7.2.1
Wettelijk kader
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu heeft het Rijk voor het aspect bodem instructieregels opgesteld. Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Bij het vaststellen van die waarden wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een omgevingsplan kan per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Het omgevingsplan kan ook hogere waarden bevatten dan de waarden, bedoeld in bijlage IIA. Een omgevingsplan bepaalt tevens dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde alleen is
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 7.2.2
Situatie plangebied
Sigma Geo-& Milieutechniek B.V. heeft in september 2025 een verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 uitgevoerd op de projectlocatie. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 2 bij deze motivering. Het onderzoek heeft, op basis van zintuigelijke waarnemingen, puin-, basteen- en plasticresten waargenomen. Er zijn géén asbestverdachte materialen waargenomen. Op basis van de resultaten is een vervolgonderzoek noodzakelijk voordat er in de grond geroerd mag worden. Dit verdiepende bodemonderzoek is in de periode september/ november 2025 uitgevoerd conform NTA-5755. Het vervolgonderzoek heeft betrekking op een boringslocatie waar een matig verhoogd gehalte minerale olie is gemeten, en dus een matige verontreiniging mogelijk is. Onderzoek heeft uitgewezen dat er circa minimaal 15 m3 aan grond matig verontreinigd is met minerale oliën en/of vluchtige aromaten. Mochten er ter plaatse van de verontreiniging grondwerkzaamheden plaatsvinden, wordt geadviseerd om de matig verontreinigde grond afzonderlijk af te graven en af te voeren. 7.2.3
Conclusie
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, mits er rekening wordt gehouden met het bovenstaande advies.
7.3
Luchtkwaliteit
7.3.1
Wettelijk kader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze instructieregels gelden rijksomgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) en zijn aangewezen in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Voor activiteiten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project valt onder NIBM als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de standaardgevallen niet in betekenende mate valt, zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. 7.3.2
Situatie plangebied
Conform artikel 5.54 sub b valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld • • •
één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Gelet op de aard en omvang van deze gevallen, is er zonder meer sprake van een plan dat ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 7.3.3
Conclusie
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.4
Geur
7.4.1
Wettelijk kader
Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een woonfunctie. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Activiteiten waarvoor deze regels gelden zijn onder andere het exploiteren van zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (veehouderijen) en andere agrarische activiteiten. 7.4.2
Situatie plangebied
De beoogde geurgevoelige gebouwen bevinden zich niet binnen de richtafstand voor geur van nabije bedrijven. De dichtstbijzijnde veehouderij is de melkveehouderij aan de Boerderijweg 3. Voor dergelijke bedrijven gelden standaard richtafstanden op geurgevoelige gebouwen: 50 meter. Het bouwvlak van de boerderij is 50 meter van het bouwvlak van het plangebied verwijderd. De afstand tussen de veehouderij en de beoogde woningen bedraagt circa 75 meter. De afstand tussen de veehouderij en de beoogde compensatiewoning is circa 130 meter. Gezien de afstand tussen de schuren van de veehouderij en de geurgevoelige woningen in het projectgebied meer dan 50 meter bedraagt, wordt geconcludeerd dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt de betreffende veehouderij als gevolg van voorgenomen ontwikkeling niet (verder) in de bedrijfsvoering en ontwikkelmogelijkheden belemmerd. 7.4.3
Conclusie
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.5
Trillinghinder
7.5.1
Wettelijk kader
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillinghinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In het omgevingsplan zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. 7.5.2
Situatie plangebied
In dit geval bevindt de dichtstbijzijnde spoorlijn zich op circa 4 kilometer van het projectgebied. Op basis van de SBR-richtlijn, de Beleidsregel Trillinghinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen bedraagt de gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillinghinder als gevolg van een spoorweg kan optreden 100 meter van het spoor wat kan worden uitgebreid tot 250 meter. Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk naar trillingshinder voor het voorliggende initiatief. 7.5.3
Conclusie
Het aspect ‘trillingen’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
7.6
Gezondheid
7.6.1
Wettelijk kader
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. 7.6.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval wordt er geen functie gerealiseerd die risico’s voor de gezondheid van omwonenden met zich mee brengt. De ontwikkeling vindt ook niet plaats in de nabijheid van functies die risico’s voor de gezondheid met zich mee brengen. Daarnaast wordt de agrarische functie wegbestemd op het plangebied. Verder is er geen sprake van negatieve effecten op het gebied van geluid, geur en trillingen. Vanuit dit oogpunt kan geredeneerd worden dat de kwaliteit van de leefomgeving door de beoogde activiteit verbetert dan wel niet (onevenredig) verslechtert. 7.6.3
Conclusie
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
7.7
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
7.7.1
Wettelijk kader
Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p Ow). Met het oog op deze doelen wordt het plan aan de omgevingsaspecten ‘duurzaamheid’ en ‘klimaatadaptatie’ getoetst.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld 7.7.2
Situatie plangebied
Er wordt een grote hoeveelheid verharding verwijderd, wat voor een hogere mate aan infiltratie zorgt. Daarbij is het gebruik van kruidenrijk gras en lokale begroeiing gunstig voor de biodiversiteit en brengt het verkoeling waar voorheen sprake was van warmtevasthoudende materialen, zoals asfalt. Dit is allemaal onderdeel van een klimaatbestendige omgeving, en helpt extreme warmte of regenval te compenseren. 7.7.3
Conclusie
Het project houdt in voldoende mate rekening met duurzaamheid en klimaatadaptatie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld
Hoofdstuk 8
Bescherming van de natuur
In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om de bescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, beschermde flora en fauna en regels ter bescherming van houtopstanden.
8.1
Gebiedsbescherming
8.1.1
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen kan het plan worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • • •
8.1.2
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 8.1.3
Houtopstanden
Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Omgevingswet als bepaald in artikel 11.111 van het Bal. Dit geldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. Op basis van dit artikel kan tevens een herplantplicht gelden. • •
De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000 m²); De houtopstand ligt buiten de ‘bebouwde kom houtopstanden’ en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld 8.1.4
Situatie plangebied
8.1.4.1 Natura 2000-gebieden Het plangebied bevindt zich op 2 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de uiterwaarden van het Zwarte Water. Gelet op de ruimte afstand is directe hinder, bijvoorbeeld in de vorm van geluid of lichthinder, uitgesloten. Naast directe hinder kan er ook sprake zijn van indirecte hinder in de vorm van stikstofdepositie. Om dit te beoordelen, is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd, deze is opgenomen in bijlage 3 van deze motivering. Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de aanlegfase en gebruiksfase blijkt dat in beide fases van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 8.1.4.2 NNN-gebieden Het dichtstbijzijnde gebied dat tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) hoort, bevindt zich op 850 meter van het plangebied. Gelet op deze afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling is er geen sprake van enige aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. 8.1.4.3 Houtopstanden De specifieke zorgplicht voor velling- en herbeplantingsactiviteiten houdt in dat activiteiten met nadelige gevolgen voor de oogmerken van de regels (art. 11.112 Bal) moeten worden voorkomen, beperkt, ongedaan gemaakt of achterwege gelaten.
De oogmerken richten zich op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. In grote lijnen beschermt de Omgevingswet bossen van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, voor zover deze buiten de bebouwde kom (‘houtopstanden’) liggen. Houtopstanden op erven of in tuinen vallen niet onder deze bescherming. Het is verboden om houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In het plangebied worden geen beschermde houtopstanden gekapt; de aanwezige begroeiingen bevinden zich op een erf. Daarom is de specifieke zorgplicht voor velling- en herbeplantingsactiviteiten niet van toepassing. Het plangebied ligt weliswaar buiten de bebouwde kom, maar er worden geen bomen gekapt ten behoeve van het plan. De specifieke zorgplicht geldt dus niet.
8.2
Soortenbescherming
8.2.1
Wettelijk kader
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 8.2.2
Situatie plangebied
In september 2025 is door bureau Bleijerveld een quickscan flora en fauna uitgevoerd op de planlocatie. Deze quickscan is opgenomen als bijlage bij deze motivering. Uit deze quickscan is gebleken dat er door het voornemen eventueel beschermde diersoorten kunnen worden aangetast. Het gaat hierbij om vleermuizen, broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten, en broedvogels met jaarrond beschermde nesten. Het onderzoek raadt het volgende aan: Vleermuizen Er moet nader onderzoek worden uitgevoerd naar de functie van de aanwezige gebouwen voor vleermuizen in de periode 15 mei – 15 juli en 15 augustus – 30 september. Broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten Ingrepen voor de sloop van de schuur moeten buiten het broedseizoen van deze vogels plaatsvinden. Broedvogels met jaarrond beschermde nesten Door de sloop van een van de gebouwen gaan 9 nestplaatsen verloren van de boerenzwaluw. Hiervoor is een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit vereist. Verder dient er aanvullend onderzoek naar de mogelijke verblijfplaatsen voor de huismus gedaan te worden.
8.3
Conclusie
Het voorliggende initiatief veroorzaakt geen excessieve stikstofdepositie op een nabijgelegen natura 2000 gebied. Er zijn een aantal aanvullende onderzoeken benodigd naar fauna soorten die zich in het gebied kunnen bevinden, evenals een flora-en fauna activiteiten vergunning. Deze voorwaarden voor verdere activiteiten worden in de regels geborgd. Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld
Hoofdstuk 9
9.1
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
9.2
Archeologie
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Op het plangebied geldt geen archeologische dubbelbestemming. Er hoeft geen archeologisch (voor)onderzoek gedaan te worden.
9.3
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover relevant in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart Overijssel bevinden zich in of nabij het plangebied geen cultuurhistorische waarden die kunnen worden aangetast als gevolg van het voornemen.
9.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld
Hoofdstuk 10
10.1
Infrastructuur en openbare ruimte
Wettelijk kader
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied.
10.2
Verkeer en parkeren
10.2.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die daardoor ontstaat. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •
Verstedelijkingsgraad: Weinig stedelijk Stedelijke zone: Buitengebied
In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval wordt van het gemiddelde uitgegaan. 10.2.2 Parkeerbehoefte Functie/activiteit Parkeernorm per woning/ per 100 m2 bvo Koop, huis, twee1,6 onder-een-kap Koop, huis, 2,1 vrijstaand Totaal
Aantal woningen/ bvo 2
Totaal
2
4,2
3,2
7,4
In het ruimtelijk kwaliteitsplan is voorzien in exact 8 parkeerplaatsen. Hiermee wordt aan de parkeerbehoefte voldaan. 10.2.3 Verkeersgeneratie en ontsluiting Op basis van de te hanteren uitgangspunten bedraagt de verwachte verkeersgeneratie: • •
Koop, huis, twee-onder-een-kap: 7,8 per woning Koop, huis, vrijstaand: 8,2 per woning.
De totale verkeersgeneratie per etmaal bedraagt dan ook (2*7,8)+(2*8,2)= 32 verkeersbewegingen. De bestaande wegenstructuur is van ruimvoldoende omvang om de verkeersstromen veilig te kunnen verwerken. Ook wordt opgemerkt dat de verandering in de verkeerssituatie in de praktijk niet onevenredig groot zal zijn, sinds er huidig ook al veel woonverkeer en werkverkeer naar en van de locatie komt; dit heeft te maken met de agrarische functie en de bedrijfswoning die reeds aanwezig is. In de praktijk zal het effect op de verkeerssituatie daarom nagenoeg verwaarloosbaar zijn.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld
10.3
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het voornemen voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld
Hoofdstuk 11
11.1
M.e.r.- Beoordeling
Wettelijk kader
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • • • •
In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.
Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
11.2
Situatie plangebied
Met het voornemen is sprake van de beëindiging van bepaalde agrarische activiteiten. Na beëindiging van deze activiteiten vindt er binnen het plangebied uitsluitend wonen plaats. De genoemde ontwikkeling valt niet onder een van de categorieën uit bijlage V van het bestemmingsbesluit. Zoals aangetoond in de paragraaf over de ladder van duurzame verstedelijking is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals beschreven in rij J11 van bijlage V OB. Er is dus geen merbeoordelingsplicht of mer-plicht.
11.3 Conclusie Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld
Hoofdstuk 12
12.1
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen. In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen.
Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
12.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
12.2.1 Participatie Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Voor het voorliggende initiatief is een participatietraject doorlopen, deze is als bijlage meegenomen voor de motivering. Er zijn geen bezwaren op dit plan waargenomen door belanghebbenden. De buurt is dan ook voldoende geïnformeerd. 12.2.2 Afstemming overlegpartners Het plan wordt voorgelegd aan de relevante overlegpartners. 12.2.3 Zienswijzen Er zijn geen zienswijzen ingediend op dit plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f, Boerderijweg 2, Hasselt
Vastgesteld
Hoofdstuk 13
13.1
Juridische verantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggende omgevingsplanwijziging: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
13.2
Opzet van de regels
13.2.1 Algemeen Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven, betreft het hier een TAM-omgevingsplan. Het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit de planregels en de bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • • • •
Inleidende regels; Functieregels en gebiedsaanwijzingen; Algemene regels aan activiteiten; Overgangsrechtbepalingen.
13.2.2 Preambule Om duidelijk te maken hoe dit TAM-omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden: Dit TAM-omgevingsplan is gericht op de beëindiging van een melkveehouderij aan de Boerderijweg 2 in Hasselt. Dit TAM-omgevingsplan is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22f) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Zwartewaterland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22f van het omgevingsplan van de gemeente Zwartewaterland. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22f' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22f' gelezen worden.