CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening fysieke leefomgeving Zutphen 2021

Raadsvergadering 11 oktober 2021, gemeente ZutphenBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving Zutphen 202128.731 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Artikel 6:20 Veilige toegang 1. Een afgemeerd schip beschikt over een toegang die geen gevaar of schade kan veroorzaken. 2. Een binnenschip hoeft niet over een toegang te beschikken als: a. de feitelijke situatie dit onmogelijk maakt door laad- of loshandelingen, of b. het afmeren van korte duur is.

Artikel 6:21 Verbod gebruik hoofdmotor 1. Het is verboden aan de IJsselkade en in de Industriehaven, zoals deze zijn weergegeven op de bij dit hoofdstuk behorende kaart, op een afgemeerd schip de hoofdmotor in werking te hebben, behalve direct voor vertrek of vlak na aankomst van het schip. 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 6:22 Laden en lossen 1. Het is verboden te laden of te lossen op een schip dat op ondeugdelijke wijze is afgemeerd. 2. Het is verboden om de Safe Working Load van aan de wal geplaatste bolders te overschrijden. De Safe Working Load van bolders geldt bij een verticale troshoek van maximaal 45 graden. 3. Het college kan van het in dit artikel bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 6:23 Gebruik van ankers 1. Het is verboden een anker te gebruiken, tenzij: a. ligplaats wordt genomen in een boeienspan of een palenligplaats, of b. dit gebeurt door een drijvende kraan, waarbij zeker is gesteld dat gebruik van een anker geen schade toebrengt aan de in de onderwaterbodem aangebrachte leidingen, kabels, duikers of oever- of kadeverdedigingswerken en het voornemen daartoe overeenkomstig het tweede lid aan de havenmeester is gemeld. 2. De in het eerste lid, onder b. bedoelde melding vindt direct plaats per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal of per e-mail. 3. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 6:24 Gebruik generator door binnenschepen 1. Het is verboden om in een haven en aan de IJsselkade aan boord van een binnenschip een generator te gebruiken, behalve direct voor vertrek of vlak na aankomst. 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 6:25 Verrichten van werkzaamheden 1. Het is verboden om aan, buitenboord of onder een schip of aan een voorwerp aan boord van een schip werkzaamheden te verrichten of doen verrichten, die verband houden met de bedrijfsgereedheid, de aanpassing, het herstel of de verbetering van het schip of het voorwerp, tenzij: a. het schip ligplaats heeft op of bij een scheepswerf of herstellingsinrichting waarvoor een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend, of b. per scheepsbezoek aan de haven de te verrichten werkzaamheden ten hoogste drie dagen in beslag nemen en er door de werkzaamheden geen gevaar, schade of hinder kan ontstaan, en: i. als de werkzaamheden plaatsvinden op een tankschip of aan of in een brandstoftank van een schip en er voor de reparatiewerkzaamheden door een gasdeskundige als bedoeld in artikel 4.1 van de Arbeidsomstandighedenregeling een Veiligheids- en Gezondheidsverklaring is afgegeven voor de uit te voeren werkzaamheden; ii. doelmatige brandblusmiddelen en personen die met het gebruik van die middelen bekend zijn beschikbaar zijn, én iii. de werkzaamheden plaatsvinden op ten minste 25 meter van gevaarlijke stoffen of brandbaar materiaal. 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 6:26 Ontsmetten van schepen 1. Het is verboden een schip of de lading te ontsmetten door het te behandelen met gassen of met stoffen die gassen afstaan. 2. In afwijking van het eerste lid is het verboden een schip, geladen met los gestorte bulklading in vaste vorm die is behandeld met gassen of met stoffen die gassen afstaan, te ontsmetten, tenzij dit wordt gedaan door een gasmeetdeskundige die in het bezit is van een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 71, tweede en vierde lid van de Wet gewasbescherming en biociden, en er voor het schip een verklaring is afgegeven dat het schip en de lading voldoende vrij zijn van gassen of stoffen.

3. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

Afdeling 6.4 Toezicht en handhaving

Artikel 6:27 Aanwijzingen 1. Het college kan mondeling of schriftelijk aanwijzingen geven in het belang van de orde en veiligheid in de haven en de kade, in het bijzonder ter regeling van het scheepvaartverkeer, het nemen van ligplaats en ter voorkoming van gevaar, schade of hinder. 2. Degene tot wie een aanwijzing is gericht, is verplicht de aanwijzing onmiddellijk op te volgen.

Hoofdstuk 7 Hemelwaterafvoer (Gereserveerd)

Hoofdstuk 8 Omgevingshinder Afdeling 8.1 Geluidhinder

Artikel 8:1 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 8:3 van dit hoofdstuk, gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

3. In een aanwijzing, als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende delen: a. Zutphen centrum; b. overig Zutphen; c. Warnsveld dorpskern; d. overig Warnsveld. 4. Het maximum aantal dagen of dagdelen dat kan worden aangewezen is 8 voor de gebieden, vermeld in het derde lid, onder a. en c., en 4 voor de gebieden, vermeld in het derde lid, onder b. en d.. 5. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 6. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 7. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 65 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter of op 50 meter afstand als het dichtstbijgelegen gevoelige gebouw op meer dan 50 meter afstand ligt. 8. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt in inen aanpandige gebouwen niet meer dan 50 dB(A) in de periode van 7.00-19.00 uur en 45 dB(A) in de periode van 19.00-24.00 uur. 9. Bij het bepalen van de geluidswaarde, als bedoeld in het zevende lid, worden geen correcties toegepast voor tonaal en muziekgeluid.

Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 10. Op de dagen, als bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 8:3 van dit hoofdstuk - uiterlijk om 24.00 uur beëindigd.

Artikel 8:2 Melding incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting in de delen ‘Zutphen centrum’ en ‘Warnsveld dorpskern’ toegestaan maximaal 4 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 8:3 van dit hoofdstuk niet van toepassing zijn, mits de houder

van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan melding heeft gedaan. 2. Het is een inrichting in de delen ‘overig Zutphen’ en ‘overig Warnsveld’ toegestaan maximaal 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 8:3 van dit hoofdstuk niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan melding heeft gedaan. 3. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 2 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden voor sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan melding heeft gedaan. 4. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 6. De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 7.

Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 65 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter of op 50 meter afstand als het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw op meer dan 50 meter afstand van de inrichting ligt. 8. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt in inen aanpandige gebouwen niet meer dan 50 dB(A) in de periode van 7.00 -19.00 uur en 45 dB(A) in de periode van 19.00 - 24.00 uur. 9. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 8:3 van dit hoofdstuk - uiterlijk om 24.00 uur beëindigd. Bij het bepalen van de geluidswaarde, als bedoeld in het zevende lid, worden geen correcties toegepast voor tonaal en muziekgeluid. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 10. De houder van een inrichting die een melding, als bedoeld in dit artikel, heeft gedaan, moet omwonenden minimaal een week van tevoren informeren over de te houden festiviteit.

Artikel 8:3 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f. en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d. van het Besluit geluidhinder gelden; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus, zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast; e. Tabel

LAr.LT op de gevel van

7.00-19.00

19.00-23.00

23.00-7.00

uur

uur

uur

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

gevoelige gebouwen LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 2. Het eerste lid geldt niet als artikel 8:1 of artikel 8:2 van toepassing is.

Artikel 8:4 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben

of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt, tenzij dit op grond van andere wet- en/ of regelgeving is toegestaan. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, als bedoeld in het eerste lid. 3. Het college kan vrijstelling verlenen van het verbod voor bepaalde, door het college aangewezen handelingen, mits de door het college te stellen algemene regels worden nageleefd.

Afdeling 8.2 Diverse hinder

Artikel 8:5 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in Bijlage 1, artikel 1.8 onder i. of onderdelen daarvan, als het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen, tenzij dit op grond van andere wet- en/ of regelgeving is toegestaan. 2. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 3. Het college kan bij de aanwijzing, als bedoeld in het eerste en tweede lid, nadere regels stellen.

Artikel 8:6 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, als bedoeld in het eerste lid. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 12:3 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a. de bescherming van natuur en landschap; b. de bescherming van een stadsgezicht.

Artikel 8:7 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Het verbod van artikel 8:6, eerste lid is niet van toepassing op een door het college aangewezen plaats. 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen vermeld in artikel 8:6, vierde lid, onder a. en b..

Artikel 8:8 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainingsof proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben, tenzij dit op grond van andere wet- en/ of regelgeving is toegestaan. 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

Artikel 8:9 Beperking verkeer in natuurgebieden

1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d. bedoelde personen. 4.

Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8:10 Voorschriften natuurgebieden en andere terreinen Onverminderd het bepaalde in artikel 8:9 kan het college ten aanzien van door hem bij besluit aangewezen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik bedoelde terreinen voorschriften stellen:

a. in het belang van de openbare orde; b. in het belang van de zedelijkheid; c. ter voorkoming van gevaar, schade en overlast; d. ter bescherming van het milieu; e. in het belang van de volksgezondheid.

Hoofdstuk 9 Ondergrondse infrastructuren Afdeling 9.1 Inleidende bepalingen

Artikel 9:1 Toepasselijkheid Dit hoofdstuk is van toepassing op de procedures en voorschriften voor de aanleg, instandhouding inclusief het nemen van maatregelen, waaronder de verplaatsing en opruiming van kabels en leidingen in of op openbare gronden.

Artikel 9:2 Nadere regels 1. Het college kan ter uitvoering van dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. 2. Deze nadere regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verlegging, verplaatsing en opruiming van kabels en leidingen, het medegebruik van voorzieningen en het opstellen van voorschriften op het gebied van markering, afzetting en het toepassen van proefsleuven.

Afdeling 9.2 Aanvragen en melden van graafwerkzaamheden

Artikel 9:3 Instemmingsvereiste 1. Het is verboden zonder of in afwijking van het door het college verleende instemmingsbesluit en zonder de afstemming van voorgenomen werkzaamheden met overige netbeheerders, kabels en/ of leidingen in of op openbare gronden aan te leggen, in stand te houden, te wijzigen, te verplaatsen of op te ruimen.

2. Ook voor werkzaamheden van minder ingrijpende aard als bedoeld in Bijlage 1, artikel 1:9, onderdeel u. is een instemmingsbesluit, als bedoeld in het eerste lid, nodig. 3. Het instemmingsbesluit vervalt als daarvan niet uiterlijk binnen 12 maanden na afgifte van het besluit gebruik wordt gemaakt.

Artikel 9:4 Aanvragen en melden 1. Een grondroerder die werkzaamheden wil verrichten, vraagt daarvoor een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 9:3, aan bij het college. 2. Een grondroerder die werkzaamheden wil verrichten kan hierover vooroverleg voeren met het college om de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden. 3. Voor het aanvragen van een instemmingsbesluit, als bedoeld in dit artikel, moet gebruik worden gemaakt van het daartoe door het college vastgestelde formulier. 4. Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op gronden van een andere gedoogplichtige dan de gemeente Zutphen, wordt uiterlijk vier weken na ontvangst van de aanvraag, als vermeld in het eerste lid, het college schriftelijk in kennis gesteld van de uitkomsten van het (voor)overleg tussen de grondroerder en de overige gedoogplichtige(n). Het bovenstaande geldt niet voor zover artikel 5.5 van de Telecommunicatiewet van toepassing is. 5. Bij spoedeisende werkzaamheden, als bedoeld in Bijlage 1, artikel 1:9, onderdeel p., volstaat een melding bij voorkeur voorafgaand aan de start van de werkzaamheden via het meldsysteem als bedoeld in Bijlage 1, artikel 1:9, onderdeel p..

Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de melding uiterlijk binnen één werkdag na de uitvoering gemotiveerd worden gedaan aan het college, eveneens via het meldsysteem als bedoeld in Bijlage 1, artikel 1:9, onderdeel o.. 6. Als werkzaamheden worden verricht in de gebieden die staan aangegeven op een bij dit hoofdstuk van deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart is de uitzonderingsbepaling voor spoedeisende werkzaamheden, als bedoeld in het vijfde lid, niet van toepassing.

Artikel 9:5 Gegevensverstrekking 1. Bij een aanvraag voor een instemmingsbesluit moeten in ieder geval de volgende gegevens worden verstrekt:

a. een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel bij de eerste aanvraag van ieder kalenderjaar; b. een schriftelijke machtiging als het een aanvraag betreft voor de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels of leidingen voor of namens een netbeheerder; c. NAW-gegevens van de eigenaar, beheerder en exploitant van de kabels en/ of leidingen, naam en adres van de aannemer(s) en onderaannemer(s) die belast zijn met de werkzaamheden, maar ook de naam en telefoonnummer van de uitvoerder, zijnde een Nederlands sprekende contactpersoon voor de werkzaamheden; d. een opgave van het aantal, de soort en het beoogde gebruik van de kabels en/ of leidingen; e. welke belanghebbenden en instanties vooraf in kennis worden gesteld van de voorgenomen datum van aanvang, beëindiging en aard van de werkzaamheden; f. een uitvoeringsplan met daarin opgenomen: i. een opgave van het gewenste tracé; ii. een tekening op witdruk in schaal 1:1.000 of 1:500 met daarop aangegeven het gewenste tracé en één of meerdere straatnamen ter plaatse van de werkzaamheden en een doorsnede van zowel de bestaande als de nieuwe inhoud van de sleuf inclusief een geactualiseerde ondergrond; iii. de resultaten van het haalbaarheidsonderzoek over de beschikbare ruimte; iv.

een opgave van de objecten die ten tijde van de werkzaamheden worden geplaatst, van permanente als tijdelijke aard, maar ook van de situering daarvan; v. een omschrijving van eventuele opbrekingen; vi. de maatregelen die de bereikbaarheid van in de openbare gronden aanwezige kabels en/ of leidingen waarborgen; vii. het voorgenomen tijdstip van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden. 2. Als de werkzaamheden betrekking hebben op kabels en/ of leidingen van elektronische communicatienetwerken moeten, aanvullend op het eerste lid, bij de aanvraag ook de volgende gegevens worden verstrekt:

a. een opgave van het aantal kabels en/ of leidingen dat direct in gebruik wordt genomen en een opgave van het aantal kabels en/ of leidingen dat niet direct in gebruik wordt genomen; b. de doorsnede van de kabel(goot) en lengte en breedte van de kabelsleuf. 3. Bij de aanvraag voor een instemmingsbesluit voor werkzaamheden van minder ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 9:3, eerste lid, moeten in ieder geval de volgende gegevens worden verstrekt: a. een schriftelijke machtiging als het een aanvraag betreft voor de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/ of leidingen voor of namens een netbeheerder; b. NAW-gegevens van de eigenaar, beheerder en exploitant van de kabels en/ of leidingen, naam en adres van de aannemer(s) en onderaannemer(s) die belast zijn met de werkzaamheden, maar ook de naam en telefoonnummer van de uitvoerder, zijnde een Nederlands sprekende contactpersoon voor de werkzaamheden; c. de dagtekening van de melding; d. de lengte van de sleuf die wordt opengebroken; e. het oppervlak van het lasgat dat wordt opengebroken. 4. Het college kan nadere regels stellen over de te verstrekken gegevens en over de wijze waarop die moeten worden verstrekt.

Artikel 9:6 Beslistermijnen 1. Een beslissing op een instemmingsaanvraag wordt genomen uiterlijk acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag. 2. Betreft het een aanvraag waarbij meerdere gedoogplichtigen zijn betrokken, dan beslist het college binnen acht weken na de dag van ontvangst van een volledig ingevulde aanvraag. 3. De termijnen, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen eenmaal met ten hoogste acht weken worden verdaagd. 4. Als van de bevoegdheid tot verdaging gebruik wordt gemaakt, stuurt het college vóór afloop van de termijnen zoals vermeld in het eerste en tweede lid, een schriftelijke bevestiging met motivering aan de grondroerder. 5. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.

Artikel 9:7 Voorschriften en/ of beperkingen 1. Het college kan met inachtneming van de uitvoeringsvoorschriften aan het instemmingsbesluit nadere voorschriften en/ of beperkingen verbinden in het belang van: a. de openbare orde; b. veiligheid, waaronder ook wordt verstaan: de verkeersveiligheid en/ of een goede doorstroming van het verkeer; c. het voorkomen of beperken van schade of overlast, waaronder ook wordt verstaan: de bescherming van eventuele archeologische vondsten, van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving; d. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder ook wordt verstaan: het veilig en doelmatig gebruik van openbare gronden en gebouwen en het doelmatig beheer en onderhoud ervan en het belang van nader aan te geven grote lokale evenementen als weekmarkten en kermissen; e. de ondergrondse ordening, waaronder ook wordt verstaan: het zo min mogelijk hinder veroorzaken voor al in de grond aanwezige werken en het niet in gevaar brengen of zonder noodzaak bemoeilijken van deze werken, waaronder ook verstaan worden: werken voor de riolering en de levering of het transport van elektronische informatie, gas, water en elektriciteit. 2. De voorschriften en/ of beperkingen, zoals vermeld in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op: a.

het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering bij aanleg, instandhouding, opruiming, onderhoud en verplaatsing van kabels en leidingen; b. het medegebruik van voorzieningen, zoals kabelgoten en geleidingen, die door derden of de gemeente Zutphen tegen marktconforme prijzen ter beschikking worden gesteld; c. een zekerheidsstelling voor de nakoming van verplichtingen die gesteld zijn bij de voorschriften en beperkingen aan het instemmingsbesluit; d. afmetingen van kasten en andere toebehoren behorende bij het netwerk. 3. De wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels en leidingen en medegebruik van voorzieningen moet gebeuren conform in de gemeente van toepassing zijnde uitvoeringsvoorschriften, zoals bedoeld in Bijlage 1, artikel 1:9, onderdeel q..

4. De grondroerder is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en beplanting terug te brengen in de oude staat, tenzij het college vooraf heeft aangegeven hier zelf zorg voor te willen dragen. 5. De grondroerder draagt de marktconforme kosten voor herstel die gebaseerd zijn op de uitvoeringsvoorschriften zoals bedoeld in Bijlage 1, artikel 1:9, onderdeel q.. 6. Als binnen vijf jaar na groot onderhoud of herinrichting van openbare gronden een grondroerder werkzaamheden moet uitvoeren, verlangt het college specifiek schadeherstel om de situatie terug te brengen in de oude staat. De hiermee gepaard gaande kosten zijn voor rekening van de grondroerder. 7. De grondroerder vergoedt aan de gemeente Zutphen de schade voortvloeiend uit de werkzaamheden, waarbij de omvang beperkt is tot vergoeding van de marktconforme kosten van de door de gemeente ter beschikking gestelde voorzieningen en van de meerdere marktconforme kosten van onderhoud. 8. Het verkrijgen van een instemmingsbesluit laat onverlet dat in voorkomende gevallen ook een omgevingsvergunning is vereist. Het college draagt zorg voor een samenhangende behandeling van vergunning en aanvraag voor een instemmingsbesluit. 9. Het college kan, onverminderd het bepaalde in derde lid het instemmingsbesluit wijzigen of intrekken, als: a.

de exploitant van de kabels en/ of leidingen niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van het instemmingsbesluit met de werkzaamheden als omschreven in het instemmingsbesluit is begonnen; b. de in het instemmingsbesluit vermelde werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen; c. blijkt dat het instemmingsbesluit op basis van onjuiste en/ of onvolledige gegevens is verleend; d. het instemmingsbesluit in strijd met enig wettelijk voorschrift is afgegeven; e. de exploitant van de kabels en/ of leidingen het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de uitvoeringsvoorschriften niet naleeft; f. dit noodzakelijk is vanwege de uitvoering van werken. 10. Het college gaat niet over tot intrekking of wijziging van het instemmingsbesluit dan nadat het college de houder van het instemmingsbesluit heeft gehoord. 11. Aan het besluit tot wijziging of intrekking van het instemmingsbesluit kan de verplichting worden verbonden om de betreffende leiding(en) te verleggen/ verplaatsen en/ of deze te verwijderen.

Artikel 9:8 (Mede)Gebruik van voorzieningen en vooroverleg 1. Een grondroerder moet op verzoek van het college bij de aanleg van kabels en leidingen in openbare gronden zoveel mogelijk (mede)gebruik maken van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde, voorzieningen. Deze verplichting geldt als dit technisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid. 2. Het vooroverleg als bedoeld in artikel 9:4, tweede lid dan wel een door het college geïnitieerd overleg naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in artikel 9:4, eerste lid is er ook op gericht te bepalen of en zo ja, langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid. 3. Als een grondroerder een marktconform aanbod wordt gedaan om gebruik te maken van vooraangelegde voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, of kabel- en leidingentunnels, is een grondroerder verplicht om voor de aanleg of uitbreiding van zijn netwerk van deze voorzieningen gebruik te maken. 4. Als de openbare gronden geen ruimte bieden voor de aanleg van nieuwe kabels en leidingen, moet een grondroerder een alternatief tracé kiezen.

Afdeling 9.3 Overige bepalingen

Artikel 9.9 Verleggen van netten 1. Op het nemen van maatregelen bij kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, waaronder het verplaatsen, op verzoek van de gemeente zijn de wettelijke regels van de Telecommunicatiewet van toepassing. 2. Op het nemen van maatregelen bij kabels en/ of leidingen die ten dienste staan van een netwerk voor nutsvoorzieningen in of op openbare gronden en niet vallend onder het eerste lid, waaronder het verplaatsen op verzoek van de gemeente of het anderszins nemen van maatregelen over in of op openbare grond aanwezige kabels en/ of leidingen, zijn de door het college vastgestelde regels van toepassing, tenzij en voor zover daarover andersluidende afspraken zijn overeengekomen tussen partijen:

a. de netbeheerder is verplicht op verzoek van de gemeente (aanwijzing) over te gaan tot het nemen van maatregelen voor kabels en/ of leidingen ten dienste van zijn netwerk, waaronder het verplaatsen, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken door of vanwege de gemeente; b. de gemeente en de netbeheerder zullen bij verwijdering, verlegging of aanpassing van kabels en/ of leidingen elkaars schade zo veel mogelijk beperken. Na een verzoek tot het nemen van maatregelen gaat de netbeheerder zo snel mogelijk over tot de uitvoering, maar niet later dan twaalf weken na de datum van ontvangst van het verzoek; c. de door het college vastgestelde regels zijn van toepassing voor een op aanvraag toe te kennen financiële tegemoetkoming (bij wijze van nadeelcompensatie) in het geval dat een netbeheerder schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel tot het normale bedrijfsrisico kan worden gerekend en de vergoeding van deze schade niet op een andere wijze is verzekerd. Deze beleidsregels over nadeelcompensatie zijn vastgelegd als “Nadeelcompensatieregeling kabels en leidingen UNOG gemeente Zutphen”.

Artikel 9:10 Breekverbod 1. Als er sprake is van extreme weersomstandigheden is het college bevoegd een breekverbod in te stellen. Of er sprake is van extreme weersomstandigheden is naar het oordeel van het college. 2. Tijdig of in ieder geval één dag voor beëindiging van het breekverbod, informeert het college de betrokken grondroerders hierover. 3. Betrokken grondroerders worden schriftelijk geïnformeerd over het breekverbod. 4. Als er sprake is van een breekverbod is het verboden breek- en graafwerkzaamheden uit te voeren in de openbare grond en/ of bestrating. 5. Het breekverbod is niet van toepassing bij spoedeisende werkzaamheden als gevolg van een ernstige belemmering of storing en waarvan uitstel niet mogelijk is.

Artikel 9:11 Eigendom 1. Als het eigendom, exploitatie of beheer van de kabel of leiding wordt overgedragen aan een andere netbeheerder, gaan de rechten en plichten volgens deze

verordening die betrekking hebben op de kabel of leiding van rechtswege over op de nieuwe netbeheerder. 2. De netbeheerder stelt het college onverwijld in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert. 3. Op het eigendom van de kabels en leidingen zijn de desbetreffende wettelijke bepalingen van toepassing.

Artikel 9:12 Niet-openbare kabels en leidingen 1. Bij werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van niet-openbare kabels en leidingen in openbare wegen en wateren is het bepaalde in deze verordening van overeenkomstige toepassing. 2. Het opnemen van het eerste lid van dit artikel in deze verordening houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente Zutphen met betrekking tot niet-openbare kabels en/ of leidingen.

Artikel 9:13 Informatieplicht 1. De netbeheerder stelt het college meteen en schriftelijk in kennis van het feit dat een kabel of leiding niet langer ten dienste staat van een net of netwerk in of op openbare gronden. 2. In dit kader kan van de netbeheerder een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/ of leidingen worden verlangd. De bewijslast van ingebruikname ligt bij de netbeheerder.

Artikel 9:14 Digitale gegevens 1. Het college kan nadere regels stellen over de te verstrekken gegevens en de wijze waarop die worden verstrekt. 2. Het college kan van een grondroerder verlangen dat het aanvragen van een instemmingsbesluit en het verstrekken van gegevens in digitale vorm gebeurt. 3. Het college kan van een grondroerder verlangen dat het melden van de aanvang van de werkzaamheden in digitale vorm gebeurt. 4. Uitgangspunt is dat gegevens die digitaal voorhanden zijn of moeten zijn ook in digitale vorm worden verstrekt.

Artikel 9:15 Overleg 1. Het college organiseert periodiek een overleg, waarvoor in elk geval de bij de gemeente Zutphen bekende netbeheerders en andere betrokken of belanghebbende partijen worden uitgenodigd. 2. In dit overleg worden de plannen van de gemeente Zutphen en van de diverse netbeheerders en andere betrokken of belanghebbende partijen besproken en eventueel afgestemd in het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk.

Afdeling 9.4 Handhavings- en toezichtsbepalingen

Artikel 9:16 Naleving voorschriften 1. Als een grondroerder zich niet houdt aan de voorschriften en beperkingen uit het instemmingsbesluit, kan het college het instemmingsbesluit intrekken. 2. Als een grondroerder zich niet houdt aan de voorschriften en/ of beperkingen bij of krachtens dit hoofdstuk, moet hij op aanzegging van het college de oorspronkelijke situatie herstellen.

Artikel 9:17 Bevoegdheid college Het college is bevoegd het werk stil te leggen, als er wordt gewerkt: a. zonder voorafgaande aanvraag of melding, als bedoeld in artikel 9:4 van dit hoofdstuk; b. in afwijking van de voorschriften en/ of beperkingen in het instemmingsbesluit; c. in strijd met het geldende breekverbod.

Hoofdstuk 10 Stads- en landschapsschoon Afdeling 10.1 Algemene bepalingen

Artikel 10:1 Aanvraag vergunning 1. Een aanvraag om vergunning moet door middel van het daartoe vastgestelde formulier worden ingediend bij het college.

2. Bij het aanvragen van een vergunning moeten de volgende gegevens worden overgelegd: a. situatietekening (schaal 1:500 of 1:1.000); b. een omschrijving van dat waarvoor vergunning wordt aangevraagd, onder opgave van de afmetingen, de materialen en de kleuren; c. geveltekeningen (schaal 1:100) (bestaande en nieuwe situatie); d. voor aanvragen als bedoeld in afdeling 10.2 van deze verordening tekeningen (schaal 1:10) of foto's (minimaal 9 x 12 cm) die voldoende duidelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag; e. tekening(en) met principe-details die verband houden met het uiterlijk. 3. Een aanvraag volgens het eerste lid moet ondertekend zijn door de rechthebbende of gebruiker van de onroerende zaak. 4. Wordt de vergunning aangevraagd door een ander dan de rechthebbende, dan moet de aanvraag mede ondertekend zijn door de rechthebbende van de onroerende zaak. 5. Als een aanvraag niet compleet is, stelt het college de aanvrager in de gelegenheid om de aanvraag binnen vier weken aan te vullen of te verbeteren.

Artikel 10:2 Adviserende instanties Het college kan voordat het op een aanvraag beslist advies vragen aan de welstandscommissie, als bedoeld in artikel 12 van de Woningwet, zijnde de CRKC. De commissie adviseert binnen vier weken nadat hen daartoe om advies is gevraagd.

Artikel 10:3 Beslissen en vergunning 1. Het college beslist binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag. Het college kan de beslissing verdagen. Het besluit tot verdaging maakt het college schriftelijk bekend aan de aanvrager waarbij de termijn wordt vermeld, waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 2. Een vergunning op grond van dit hoofdstuk wordt op naam gesteld van de rechthebbende of gebruiker van de onroerende zaak. 3. Bij de vergunning wordt een door het college gewaarmerkt exemplaar van de op de vergunning betrekking hebbende documenten gevoegd. 4. Aan een vergunning kan het college voorschriften en/ of beperkingen verbinden: a. in het belang van de verkeersveiligheid;

b. ter voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken. 5. Een vergunning op grond van artikel 10:5, geldt voor een periode van vijf jaar, gerekend vanaf de dag waarop deze is afgegeven. Na afloop van die periode wordt de vergunning geacht van rechtswege te zijn verlengd voor een nieuwe periode van vijf jaar, tenzij het college uiterlijk acht weken vóór dat tijdstip aan de vergunninghouder schriftelijk kenbaar heeft gemaakt dat de vergunning ophoudt te gelden.

Artikel 10:4 Weigeringsgronden 1. Een vergunning, als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden geweigerd: a. als hetgeen waarvoor vergunning wordt gevraagd, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast voor gebruiker van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken; d. als reclame niet in een functionele en/ of ruimtelijke relatie staat tot een onroerende zaak; e. als hetgeen waarvoor vergunning wordt gevraagd in strijd is met de volgens het tweede lid vastgestelde nadere regels. 2. Het college kan nadere regels stellen voor de beoordeling van een aanvraag.

Afdeling 10.2 Handelsreclame

Artikel 10:5 Verbodsbepaling Het is voor zowel de rechthebbende als de hoofdgebruiker op een onroerende zaak verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning die zaak of een daarop aanwezige zaak te gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van handelsreclame, die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is.

Artikel 10:6 Aanvraag om omgevingsvergunning voor het plaatsen van handelsreclame

1. In afwijking van het gestelde in artikelen 10:1 tot en met 10:5, en 12:7, derde lid, moet een aanvraag om omgevingsvergunning voor het plaatsen van handelsreclame ingediend worden bij het bevoegd gezag door middel van het daarvoor vastgestelde aanvraagformulier. 2. In het Besluit omgevingsrecht is bepaald welke gegevens en documenten met de aanvraag ingediend moeten worden.

Artikel 10:7 Uitzonderingen op verbodsbepaling 1. Het in artikel 10:5 gestelde verbod geldt niet voor: a. handelsreclame in het inwendige gedeelte van een onroerende zaak, tenzij deze ten doel heeft om handelsreclame te maken die vanaf de weg of vanaf een andere voor publiek toegankelijke plaats zichtbaar is; b. handelsreclame op borden, zuilen, muren of andere constructies, die door het college zijn aangewezen; c. bekendmakingen van openbare verkoping, aanbiedingen ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, voor zolang zij feitelijk betekenis hebben, mits: i. zij worden aangebracht op of aan de onroerende zaak, dat te koop, te huur of in pacht wordt aangeboden; ii. maximaal 2 bekendmakingen per onroerende zaak worden aangebracht; iii. een bekendmaking geen groter oppervlakte heeft dan 0,50 m2; d. handelsreclame voor het beroep, de dienst of het bedrijf, dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd, mits deze: i. niet is verlicht; ii. geen groter oppervlakte heeft dan 0,25 m2 en geen grotere afmeting in één richting heeft dan 0,50 meter; iii. direct tegen de gevel is aangebracht; iv. tussen de begane grondvloer en eerste verdiepingsvloer van de onroerende zaak is aangebracht; e.

aankondigingen, die volgens een wettelijke verplichting, dan wel volgens een wettelijk toegekende bevoegdheid worden aangebracht, mits de in de wet vermelde maten niet worden overschreden, of, als geen maten zijn

vastgesteld, deze geen grotere oppervlakte hebben dan 0,15 m2 en geen grotere afmeting in één richting van 0,50 m; f. opschriften betrekking hebbend op de naam en/ of aard van het in uitvoering zijnde bouwwerk en/ of namen van degenen, die bij het ontwerp en/ of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf en niet verlicht zijn, zulks voor zover zij feitelijk betekenis hebben; g. opschriften en aankondigingen aan gebouwen en inrichtingen van openbaar vervoer, als deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer; h. handelsreclame op de perrons van de spoorwegen. 2. Als door het bepaalde in het eerste lid geen omgevingsvergunning van het bevoegd gezag is vereist, moeten de daarin bedoelde reclame-uitingen, bekendmakingen, opschriften en/ of aankondigingen zodanig worden uitgevoerd en aangebracht, dat de verkeersveiligheid gewaarborgd blijft en de zaak en/ of de omgeving niet in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Artikel 10:8 Handhaving Als de met vergunning aangebrachte handelsreclame in een zodanige staat verkeert, dat de zaak en/ of de omgeving hierdoor wordt ontsierd, kan het bevoegd gezag de eigenaar of de gebruiker van de zaak bij aanschrijving gelasten daarin verbetering te brengen of te verwijderen. De aangeschrevene is verplicht aan deze last te voldoen op de daarbij aan te geven wijze en binnen de daarbij te stellen termijn.

Afdeling 10.3 Verlichting

Artikel 10:9 Verbodsbepaling Het is verboden zonder vergunning van het college gevels/ gebouwen aan te lichten.

Artikel 10:10 Uitzondering op verbodsbepaling Het verbod geldt niet voor kerken dan wel bijzondere gebouwen. Het verbod geldt eveneens niet voor de door het college aangewezen panden in het kader van een verlichtingsplan.

Afdeling 10.4 Het verven, sausen, bepleisteren en beplakken van bouwwerken

Artikel 10:11 Verbodsbepaling Het is verboden zonder vergunning van het college: a. het uiterlijk aanzien van een onroerende zaak met inbegrip van de ruiten, te wijzigen door dit geheel of ten dele te bepleisteren, te beplakken, te verven, te witten of anderszins van een bedekkende laag te voorzien, van een daarop aanwezige pleister- of verflaag of bedekkende laag te ontdoen dan wel de ruiten op enigerlei wijze te veranderen, één en ander indien en voor zover de onroerende zaak zichtbaar is vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is; b. het uiterlijk aanzien van gevels van gebouwde onroerende zaken te wijzigen als gevolg van reiniging; c. afrasteringen, schuttingen en andere bouwwerken te beschilderen in dat gedeelte van de gemeente dat als beschermd stadsgezicht in de zin van de Monumentenwet is aangewezen en voor zover deze zichtbaar zijn vanaf een weg of vanaf een ander voor publiek toegankelijke plaats.

Artikel 10:12 Uitzonderingen op verbodsbepaling Het verbod is niet van toepassing: a. bij herstel of onderhoud van een al bestaande toestand in dezelfde kleur en met gebruikmaking van dezelfde materiaalsoort; b. bij het wijzigen van de kleuren van geverfde lineaire bouwkundige elementen, waaronder in ieder geval worden begrepen, kozijn- en raamhout en dakgoten voor zover het een bouwwerk betreft, dat is gelegen buiten het gebied dat is aangewezen als beschermd stadsgezicht, mits de wijziging niet in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Artikel 10:13 Handhaving 1. Als bij herstel of onderhoud van een al bestaande toestand de betreffende onroerende zaak en/ of de omgeving in ernstige mate wordt/ worden ontsierd, is de eigenaar of de gebruiker van de zaak verplicht op schriftelijke last van het college

die maatregelen te treffen, die voor de opheffing van deze ontsiering worden voorgeschreven. 2. De door het college op grond van het eerste lid te geven voorschriften mogen alleen de kleur van de materialen, het materiaal zelf en de wijze van de daarmede uit te voeren bewerking betreffen. 3. Als het college bij de schriftelijke last te kennen heeft gegeven, dat het bouwwerk niet in dezelfde kleuren opnieuw mag worden geverfd, gesausd of bepleisterd, is voor het verven, sausen of bepleisteren eveneens een vergunning van het college vereist.

Afdeling 10.5 Opslag van oude materialen, caravans e.d.

Artikel 10:14 Verbodsbepaling 1. Onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken 3 en 11 van deze verordening, het Bouwbesluit, het ter plaatse geldende bestemmingsplan, dan wel de Wet Milieubeheer is het verboden zonder vergunning van het college een onroerende zaak geheel of gedeeltelijk te gebruiken voor het opslaan, plaatsen of aanwezig hebben in de open lucht, van de volgende voorwerpen, stoffen of opslagplaatsen: a. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, lof, pulp, ingekuilde landbouwproducten, puin, vuilnis, as, oude metalen, glas, afbraak, afval of lompen; b. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voertuigen of vaartuigen of onderdelen daarvan; c. caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere voor recreatieve doeleinden bedoelde voorwerpen, als het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; d. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan, als het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel, voor zover die voorwerpen, stoffen of opslagplaatsen zichtbaar zijn vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats; e. opslag van bouwmaterialen terwijl er geen zicht is op verwerking binnen afzienbare tijd.

2. Onder vuilnis of afval wordt mede begrepen: papier, resten van levensmiddelen, flessen, blikken, kratten of andere verpakkings- en emballagemateriaal, pallets, industrieel afval, huisafval en afgedankte voorwerpen.

Artikel 10:15 Uitzonderlingen op verbodsbepaling Het verbod geldt niet voor het hebben of opslaan van: a. afbraak, puin en oude materialen op of in een onroerende zaak voor de uitvoering of het onderhoud van openbare werken; b. afbraak, puin en oude materialen op, in of in de onmiddellijke nabijheid van een onroerende zaak, waarop of waarin onderhouds-, herstel-, bouw-, of sloopwerkzaamheden worden verricht of uitgeoefend, als en voor zover deze zaken voor bedoelde werkzaamheden nodig zijn, dan wel van de onroerende zaak waarop of waaraan zij worden verricht, afkomstig zijn, doch in ieder geval niet langer dan één week na beëindiging van die werkzaamheden.

Artikel 10:16 Handhaving Als er sprake is van het op ontoelaatbare wijze ontsieren van de zaak en/ of de omgeving kan het college de rechthebbende of hoofdgebruiker van de onroerende zaak, waarop voorwerpen, stoffen of opslagplaatsen als bedoeld in artikel 10:14 zijn aangebracht, aanschrijven hetzij om deze te verwijderen, hetzij om de door hen aan te geven voorzieningen te treffen binnen de door het college gestelde termijn.

Afdeling 10.6 Rolluiken, rolhekken, markiezen, zonneschermen, vlaggen en terrassen

Artikel 10:17 Nadere regels 1. Het college kan ten aanzien van rolluiken, rolhekken, markiezen, zonneschermen en vlaggen nadere regels stellen. 2. Het college kan nadere regels stellen voor terrassen die niet op openbare weg worden geplaatst.

Afdeling 10.7 Overige bepalingen

Artikel 10:18 Afwijkingsmogelijkheden Het college kan van de in dit hoofdstuk van deze verordening opgenomen bepalingen afwijken als: a. hieraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan; b. voor tijdelijke uitingen, onder meer zoals uitverkopen, waarbij een termijn kan worden gesteld.

Artikel 10:19 Slotbepaling Het in dit hoofdstuk bepaalde geldt niet, indien en voor zover hoofdstuk 5 van deze verordening, de Woningwet, de Erfgoedwet, de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer, de Afvalstoffenwet, de Wet chemische afvalstoffen, de Wet bodembescherming of de Verordening Grondwaterbeschermingsgebieden Gelderland van toepassing is.

Hoofdstuk 11 Wegen en water Afdeling 11.1 Wegen

Artikel 11:1 Voorwerpen op of aan een openbare plaats 1. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning (objectvergunning) van het bevoegd gezag een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, tenzij dit op grond van andere wet- en/ of regelgeving is toegestaan. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a. standplaatsen als bedoeld in artikel 2:14; b. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zutphen; c. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. 3. Het verbod in het eerste lid geldt tevens niet voor de volgende voorwerpen, mits wordt voldaan aan het bepaalde in het vijfde lid en aan de nadere regels uit hoofde van het zesde lid: a. uitstallingen; b. bouwobjecten;

c. nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen. 4. Voor zover op grond van dit artikel een objectvergunning is vereist, verleent het bevoegd gezag een omgevingsvergunning in plaats van een objectvergunning, als bedoeld in het eerste lid, als het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5. Degene die van plan is bouwobjecten te plaatsen, doet daarvan uiterlijk 5 werkdagen tevoren een melding aan het bevoegd gezag. 6. Het bevoegd gezag stelt nadere regels voor de categorieën vermeld in het derde lid. 7. Een vergunning op grond van dit artikel kan worden geweigerd: a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

Artikel 11:2 Het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg, tenzij dit op grond van andere wet- en/ of regelgeving is toegestaan. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Een vergunning, als bedoeld in het eerste lid, kan in ieder geval worden geweigerd als de aanleg, de beschadiging of de verandering van de weg gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan. 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als in opdracht van het bevoegd gezag of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.

Artikel 11:3 Maken, veranderen van een uitweg

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag: a. een uitweg te maken naar de weg; b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg, tenzij dit op grond van andere wet- en/ of regelgeving is toegestaan. 2. Een vergunning, als bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

Artikel 11:4 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert.

Artikel 11:5 Voorzieningen voor verkeer en verlichting De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd, tenzij deze verplichting al op grond van andere wet- en/ of regelgeving bestaat.

Afdeling 11.2 Water

Artikel 11:6 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen oplevert.

Artikel 11:7 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water, tenzij dit op grond van andere wet- en/ of regelgeving is toegestaan. 2. Degene die van plan is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren melding aan het college. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

Artikel 11:8 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen buiten de door het college aangewezen gedeelten van openbaar water, tenzij dit op grond van andere wet- en/ of regelgeving is toegestaan. 2. Het college kan aan het nemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het nemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 4. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het nemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. 5. Het is verboden een ligplaats te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens het vierde lid bepaalde.

Artikel 11:9 Beschadigen van waterstaatswerken Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen, tenzij dit op grond van andere wet- en/ of regelgeving is toegestaan.

Hoofdstuk 12 Procedureregels Afdeling 12.1 Aanvraag

Artikel 12:1 Indiening aanvraag en melding 1. Als krachtens artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht of bij of krachtens enige wettelijke bepaling een formulier is vastgesteld voor het indienen van een aanvraag of het doen van een melding als bedoeld in deze verordening, is het gebruik van dat formulier verplicht. 2. Een aanvraag of melding, als bedoeld in deze verordening, kan in enkelvoud worden ingediend, tenzij in deze verordening of bij of krachtens enige andere wettelijke bepaling anders is bepaald. 3. Een aanvraag of melding, als bedoeld in deze verordening, kan langs elektronische weg worden ingediend, als de elektronische weg daarvoor is opengesteld.

Afdeling 12.2 Besluit

Artikel 12:2 Beslistermijn 1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, beslist het bevoegd gezag op een aanvraag voor een vergunning, ontheffing, of andere toestemming binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bevoegd gezag kan de termijn met ten hoogste acht weken verdagen. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een vergunning of ontheffing die ingevolge artikel 2.2, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als een omgevingsvergunning moet worden aangemerkt.

Artikel 12:3 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een zorgvuldige behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 3. Een vergunning of ontheffing kan voorts worden geweigerd als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat ter verkrijging daarvan in de aanvraag onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt dan wel als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke situatie niet in overeenstemming zal zijn met dat wat in de aanvraag is vermeld. 4. Een vergunning of ontheffing, als bedoeld in hoofdstuk 6, kan voorts geweigerd worden als dit in het belang van de orde, de veiligheid en het milieu in of in de omgeving van de haven of de kade, of de kwaliteit van de dienstverlening in de haven of de kade nodig is.

Artikel 12:4 Voorschriften en/ of beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing, als bedoeld in deze verordening, kunnen voorschriften en/ of beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en/ of beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en/ of beperkingen na te leven.

Artikel 12:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing, als bedoeld in deze verordening, is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=898ed0c9-77b2-48c6-8937-39c13e56ea58