CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

TOEGEVOEGD OP 16 JUNI Memo schriftelijke beantwoording vragen uit het Forum d.d. 16 mei 2022 inzake behandeling Omgevingsplan Landelijk gebied

Raadsvergadering 4 juli 2022, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststellen Omgevingsplan (bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) Landelijk gebied3.611 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

OPENBAAR

Memo (Forum / raad) Invulinstructie Aan

: Het Forum

Van

: Het college van burgemeester en wethouders

Datum

: 14 juni 2022

Doel:

: Informeren

Nummer toezegging: -

Onderwerp : schriftelijke beantwoording vragen uit het Forum d.d. 16 mei 2022 inzake behandeling Omgevingsplan Landelijk gebied Inlichtingen bij

: Marleen Schuijl-Oltvoort, team RED, 06-81425953

Kennisnemen van Op 16 mei 2022 is in het Forum het Omgevingsplan Landelijk gebied besproken. Daarin zijn een aantal vragen gesteld die schriftelijk worden beantwoord in deze memo. Inleiding De onderstaande vragen die in het Forum zijn gesteld en zijn nagezonden, worden onderstaand beantwoord. Inhoud Onderstaand zijn de vragen per partij aangegeven met daaronder de antwoorden. De inspraakreactie van de LTO is aan het einde samengevat en beantwoord. Burgerbelang:

-

Hoe is de samenwerking met andere gemeenten, met name voor ondernemers op de grens en die met regels van verschillende gemeenten te maken hebben? Hoe is de verhouding tussen VFL en omgevingsplan?

Samenwerking gemeenten In het kader van de implementatie Omgevingswet is er direct contact met de regiogemeenten. Er wordt samen gekeken naar wat er nodig is voor de implementatie. Daar waar het gaat om experimenteren en het opstellen van een omgevingsplan voor het landelijk gebied, is het voorliggende omgevingsplan een pilot. Hierin loopt Zutphen voorop. De gemeenten Bronckhorst en Lochem hebben beide bestemmingsplannen voor het buitengebied van 2015 of 2017. Dat zijn nog redelijk recente plannen. De buurgemeenten zijn betrokken geweest in de pilot. Ten aanzien van regels over (gemeente)grenzen heen geldt dat er vanuit de provincie, middels de provinciale omgevingsverordening, regels worden gesteld die betrekking hebben op ondernemers in

het landelijk gebied (grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische ondernemers, glastuinbouwbedrijven, solitaire niet-agrarische bedrijven, recreatiebedrijven). Die regels zijn voor alle gemeenten hetzelfde. Daarbij komt dat er via de ketenpartners, die ook in de buurgemeenten actief zijn, afstemming heeft plaatsgevonden. De nieuwe onderwerpen die we nu in het omgevingsplan regelen, als milieu, water, energie, landschap, gezondheid zijn onderwerpen die in de Visie Landelijk gebied (vastgesteld november 2015) zijn aangegeven en door de ODA, het waterschap en de GGD tezamen zijn vormgegeven. VFL – omgevingsplan Op grond van de Omgevingswet moeten alle onderwerpen die spelen in de fysieke leefomgeving een plek krijgen in het omgevingsplan. Bij het opstellen van de eerdere versies van het omgevingsplan was de APV nog leidend. Daarin zaten onder andere ook onderwerpen die de fysieke leefomgeving raken en een plek moeten krijgen in het omgevingsplan. Evenals de Erfgoedverordening, Bomenverordening, e.d. Die zijn allen vertaald in het voorliggende omgevingsplan. Intussen zijn ook alle verordeningen die er waren in de fysieke leefomgeving samengevoegd in de Verordening Fysieke Leefomgeving.

Dit is gedaan om op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt te kunnen werken met 1 verordening (VFL), het omgevingsplan (alle bestemmingsplannen die gelden samen en op 1 januari 2023 automatisch het beperkte omgevingsplan vormen) en de bruidsschat (rijksregels die overgaan naar de gemeente). Dat maakt het werken in de fysieke leefomgeving overzichtelijker dan te moeten werken met alle verordeningen die er waren naast elkaar. Het is de bedoeling dat wanneer zowel het omgevingsplan landelijk gebied als het omgevingsplan stedelijk gebied zijn opgesteld de bovenstaande VFL, de bruidsschat en alle bestemmingsplannen tezamen het gemeentedekkende omgevingsplan vormen. Om dubbelingen in regelgeving te voorkomen, is het noodzakelijk om onderdelen van de VFL buiten werking te stellen. Het gaat hierbij om onderdelen die nu zijn opgenomen in het omgevingsplan Landelijk gebied. De VFL blijft van kracht voor de onderwerpen die het stedelijk gebied aangaan. PvdA: - Wat verandert er concreet voor inwoners? In één plan komt alle wet- en regelgeving ten aanzien van de fysieke leefomgeving samen: naast de bestaande bestemmingsplannen is ook gekeken naar alle andere beleidsnota’s en verordeningen. Daarmee wordt in één oogopslag duidelijk welke regels voor welk perceel van toepassing zijn.

In de toekomst hoeft een initiatiefnemer maar één vergunning aan te vragen voor alle activiteiten, bij 1 loket. Het omgevingsplan kent nu meer ruimte om bijvoorbeeld een bedrijf aan huis te starten zonder te veel regels van de gemeente. Dat kan betekenen dat er in het omgevingsplan staat dat iemand vrij is in het gebruik van een bepaalde locatie en dat de nieuwe ontwikkeling wel gemeld moet worden aan de gemeente. Op die manier kan een ondernemer aan de slag zonder onnodige regels en kan de gemeente volgen welke ontwikkelingen er zijn in het landelijk gebied. Stadspartij: - Stadspartij heeft ook veel gesprekken gevoerd. De informatie uit deze gesprekken wordt gedeeld om daarop te reageren. De informatie is door de Stadspartij niet gedeeld. Er is dan ook geen gelegenheid hierop te reageren.

2

In zijn algemeenheid geldt dat het doorlopen proces van inzet aan de voorkant, huis-aan-huis informatie ophalen, keukentafelgesprekken voeren, een informatiemiddag/-avond beleggen, inspraak bieden op het voorontwerp omgevingsplan conform de gemeentelijke Inspraakverordening en de formele procedure van het ontwerp omgevingsplan volgen conform de Algemene wet bestuursrecht heeft geleid tot het voorliggende omgevingsplan. Voor een enkeling heeft de beantwoording van de inspraakreactie en/of zienswijze niet geleid tot het gewenste antwoord. In de beantwoording van de inspraakreacties en zienswijzen is hierop ingegaan vanuit de algehele belangenafweging. PvdD: - Nemen we niet onnodig gezondheidsrisico’s door uitbreiding van niet-grondgebonden bedrijven mogelijk te maken? Het onderwerp gezondheid moet terugkomen bij de wens van niet-grondgebonden agrarische bedrijfsuitbreidingen. Het opgestelde Plussenbeleid is leidend voor de uitbreiding van nietgrondgebonden agrarische bedrijven met een oppervlakte van meer dan 500 m2. Dit plussenbeleid is een verplichte uitwerking van het plussenbeleid van de provincie Gelderland. Ten aanzien van gezondheid geldt dat milieuaspecten als fijn stof, geur en geluid de gezondheid van mensen raken. Daarnaast geldt dat op grond van de provinciale omgevingsverordening er geen nieuwe geitenhouderijen zijn toegestaan.

Daartoe is in het omgevingsplan een verbod opgenomen. Binnen de gemeente Zutphen zijn er geen geitenhouderijen. Aan een uitbreidingsinitiatief voor een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of nietgrondgebonden veehouderijtak kan alleen medewerking worden verleend als: De bedrijfseconomische noodzaak voor de uitbreiding of de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond middels een bedrijfsplan; De ondernemer inzicht verschaft op welke wijze vorm en inhoud wordt gegeven aan een maatschappelijk verantwoorde en duurzame productie en daarbij aangeeft op welke wijze de onderneming met respect voor dier en milieu wordt gerund. Bij maatschappelijk verantwoord en duurzaam produceren speelt rekening houden met de beleving van de leefkwaliteit door de omgeving een belangrijke rol. Verwacht wordt dat de ondernemer transparant is over de bedrijfsvoering; Invulling wordt gegeven aan de vereiste plusinvestering en deze leidt tot toevoeging van kwaliteit; Het initiatief past bij de aard, schaal en gevoeligheid van het landschap (gebiedsDNA). Dit is per situatie verschillend. Vanuit het oogpunt van milieu, en dus ook gezondheid vanwege de uitstoot van fijn stof en emissie van ammoniak, wordt van bedrijven verwacht dat hun stallen aan bepaalde emissie-eisen voldoen.

Dit komt voort uit het Besluit emissiearme huisvesting en wordt opgelegd ter beperking van de ammoniakemissie uit dierenverblijven. Hiernaast moeten huisvestingssystemen introductie en verspreiding van micro-organismen voorkomen. Vermindering van uitstoot heeft niet alleen een positief effect op de luchtkwaliteit van de woonomgeving (en daarmee de gezondheid van omwonenden), maar ook op de eutrofiering (voedselverrijking) van de omgeving. Een belangrijk uitgangspunt bij ontwikkelingen wordt gevormd door inbreng vanuit de dialoog met de omgeving. Geur (stank), gezondheid (fijn stof, zoönosen) en ruimtelijke kwaliteit zijn belangrijke aspecten daar waar het gaat om beleving van de leefkwaliteit in relatie tot een niet-grondgebonden veehouderij. Hoe en met wie de dialoog plaatsvindt is aan de ondernemer en wordt vanuit de gemeente gestimuleerd.

3

SP heeft nog de volgende vragen nagezonden: - Op de vraag wat er gebeurt als het omgevingsplan niet door de raad wordt vastgesteld, antwoordde de wethouder dat “veel mensen teleurgesteld zullen zijn”, omdat hun plannen dan niet verwezenlijkt zullen worden. Betekent dit dat met de vaststelling in de raad, de wet- en regelgeving dusdanig verandert, dat plannen die nu niet realiseerbaar zijn, dit na vaststelling wel zullen zijn? - Wordt wet- en regelgeving dan anders, ondanks dat de Omgevingswet pas in 2023 in werking treedt? In het Forum is aangegeven dat veel inwoners en ondernemers wachten op vaststelling van het plan om door te kunnen met hun eigen ontwikkelingen. Tijdens het hele proces zijn er voor een heel aantal locaties ontwikkelingen naar voren gekomen die een plek in voorliggend plan hebben gekregen (meeliften op dit plan in plaats van een eigen procedure te moeten doorlopen). De wet- en regelgeving verandert daardoor niet dusdanig. Het is alleen zo dat op een aantal locaties een functieverandering wordt doorgevoerd, waarvoor een planherziening nodig is. Het omgevingsplan Landelijk gebied voorziet hierin. Daarnaast geldt dat voor alle locaties binnen het plangebied alle regels gelijk getrokken worden. We hebben nu nog te maken met vele verschillende bestemmingsplannen in het landelijk gebied met elk hun eigen regels.

Het voorliggende omgevingsplan Landelijk gebied is passend gemaakt binnen zowel de huidige wetgeving, als ook binnen de geest van de Omgevingswet, als ook binnen het vastgestelde beleid van de gemeente. Dat betekent dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet het beleid voor een heel groot deel op orde is gemaakt. In het kader van de invoering van de Omgevingswet, en zoals geconstateerd en opgenomen in het plan, wordt in een doorontwikkeling voorzien om alle onderwerpen een plek te geven in het plan.

LTO Noord, afdeling West Achterhoek heeft in het forum de onderstaande punten aangehaald. In de later toegezonden brief staan andere punten opgenomen. Beide krijgen hier aandacht. Uit het Forum: - Grondgebondenheid. Een agrariër beschikt over gronden rondom het bedrijf en gronden op afstand van een bedrijf. Gronden op afstand van een bedrijf tellen niet mee om de grondgebondenheid te bepalen, terwijl die wel bij de bedrijfsvoering horen. - Spuitzone en informatie van het Skal (certificeringsorganisatie). Spuitzone niet nodig binnen de regels van het Skal. De sector pakt dit zelf op. Het omvormen naar biologische landbouw moet niet worden ontmoedigd. - Stikstof. Het volgen van de landelijke ontwikkelingen is nodig en goed. Het is niet verstandig om als gemeente eigen beleid te maken. Grondgebondenheid Uit de reactie van de LTO blijkt de zorg over grondgebondenheid. Het onderwerp komt uit de provinciale omgevingsverordening waarin staat dat dit in bestemmingsplannen (dus ook in een omgevingsplan) moet worden opgenomen. In overleg met de provincie is de regeling tot stand gekomen. In de definitie is aangegeven wat onder een grondgebonden veehouderijbedrijf wordt verstaan.

De definitie komt uit de provinciale omgevingsverordening en heeft direct een relatie met het verschil tussen grondgebonden veehouderijbedrijven en niet-grondgebonden veehouderijbedrijven waarvoor de provincie instructieregels heeft opgesteld die vertaald moeten worden in het gemeentelijk bestemmingsplan/ omgevingsplan. Deze is als volgt gedefinieerd: grondgebonden veehouderijbedrijf is een veehouderijbedrijf dat gericht is op het ontwikkelen van activiteiten, waarbij de productie van meer dan 50% afhankelijk is

4

van het producerend vermogen van de grond waarover het bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen kan beschikken. In de definitie staat dat het moet gaan om grond in de omgeving van de bedrijfsgebouwen. Wat dit precies inhoudt en tot hoever dit rijkt, is niet gedefinieerd. Dit maakt maatwerk mogelijk en dus het beoordelen van een specifieke bedrijfssituatie. Spuitzone De spuitzone is geïntroduceerd vanuit het beleidsveld Gezondheid. Op deze manier worden gevoelige functies, waaronder ook biologische teelt (als gewasbeschermingsmiddelen van een buurman terecht komen op biologische teelt mag die niet meer als biologisch verkocht worden), beschermd tegen gewasbeschermingsmiddelen. In vele bestemmingsplannen in het land is een dergelijke spuitzone opgenomen. Het is vaste rechtspraak dat een richtafstand moet worden aangehouden tussen agrarische bedrijvigheid met mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en gevoelige functies als bijvoorbeeld wonen. Deze richtafstand is 50 meter. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van deze richtafstand op basis van een locatiespecifiek onderzoek.

Om deze reden heeft het omgevingsplan ook een afwijkingsbevoegdheid in zich waarin het volgende is bepaald: Met omgevingsvergunning kan afgeweken worden van de afstand in artikel 3.2.3, mits: a een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd blijft; b uit deskundig onderzoek blijkt dat er geen negatieve effecten zijn voor gevoelige functies door chemische gewasbestrijdingsmiddelen. Op deze manier wordt voor het onderdeel Gezondheid, dat onder de Omgevingswet een nadrukkelijke plek in het omgevingsplan moet krijgen, een eerste aanzet gedaan, passend bij het onderwerp en passend bij de rechtspraak omtrent dit onderwerp. Voor dit onderwerp geldt, evenals voor alle onderwerpen die zijn samenbracht dat het beleid moet worden uitgeprobeerd en bijgeschaafd als dit nodig mocht blijken. Stikstof In het omgevingsplan wordt voor stikstof geen eigen beleid gemaakt. Wat hier gebeurt, is dat er op grond van de uitkomsten van de planMER gesteld moet worden dat een toename van stikstof niet kan en niet verantwoord is in relatie tot de nabijgelegen Natura2000 gebieden, en met name de IJsseluiterwaarden. De kritische depositiewaarde in de Natura2000 gebieden wordt al overschreden. Een toename van stikstofuitstoot is dan ook niet toegestaan. Op grond van de huidige wet- en regelgeving is dat ook zo en we volgen de ontwikkelingen.

Maar gezien de lijn in de Visie Landelijk gebied van ruimte geven aan ontwikkeling en behoud van kwaliteiten, is een regeling om geen extra stikstofuitstoot te genereren nodig. Dit zien we in vele bestemmingsplannen landelijk gebied die momenteel in de maak zijn. Daarom is het ook noodzakelijk om de landelijke ontwikkelingen te blijven volgen en indien nodig ook deze planregeling daarop aan te passen. Tot die tijd is de voorgestelde regeling de enige mogelijke waarin een koppeling is gelegd met de bestaande legale toegestane stikstofvergunningen of aanwezige situatie. Dit is juridisch gecheckt door de ODA en door de externe adviseur.

Uit de nagezonden brief: - Grondgebondenheid. De landbouw is zich bewust van de maatschappelijke wens om meer grondgebonden te produceren. Dat komt er op neer dat we meer veevoer op eigen bodem verbouwen en de kringlopen van voedingsstoffen meer willen sluiten. De Nederlandse landbouw is van nature een adaptief systeem. Door de tijden heen heeft de landbouw zich steeds weten aan

5

te passen aan gewijzigde omstandigheden of maatschappelijke prioriteiten. Randvoorwaarden daarvoor zijn: voldoende tijd en handelingsperspectief. In ons drukke land, met de ruimtelijke verwevenheid van functies, is het van belang de transitie op systeemniveau (sector) aan te pakken en niet op de ‘postzegel’ van het individuele bedrijf. Aspecten die voor individuele bedrijven niet beïnvloedbaar zijn, kunnen vaak op een hoger niveau wel opgelost worden. Dit omgevingsplan stuurt grondgebondenheid op bedrijfsniveau en op een wijze die achterhaald is. Bedrijven die onvoldoende grondgebonden zijn worden geconfronteerd met extra investeringen. Die prikkel mist werking. Want gebrek aan grondgebondenheid komt niet voort uit keuzes, maar uit bedrijfsomstandigheden. Als grond simpelweg niet beschikbaar is, of alleen tegen woekerprijzen, ligt een extensievere werkwijze niet in het handelingsperspectief van de ondernemer. Die zal een dergelijke prikkel dus alleen als frustrerend ervaren maar niet in actie om kunnen zetten. Een gemeente hoeft niet te wachten op aanpassing van provinciaal beleid. Het plussenbeleid kent beleidsvrijheden toe aan de gemeente. De ruimte zit o.a. in de beoordeling wanneer plussenbeleid ingezet moet worden. Maar ook in het al dan niet beperken in ontwikkelruimte en in het soort maatregelen.

Daarnaast ligt er nog een wereld aan kansen als we gezamenlijk onderzoeken wat boeren nodig hebben om meer grondgebonden te worden. We kunnen dan denken aan inzet gemeentegronden, beleid rond beschikbaar houden/komen van productiegronden van stoppende ondernemers, VAB beleid en beoordelingsruimte in het grondgebruiksplan. De beantwoording van onze zienswijze beperkt zich tot een verwijzing naar staand provinciaal beleid en mist enige acceptatie van de uitgestoken hand op dit onderwerp. - Stikstof (Gebruiksregel stikstof, artikel 78). Het antwoord over de stikstofregel gaat niet in op de essentie van de zienswijze, namelijk dat de stikstofregel kan/moet worden beperkt tot de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt. Voor het gebruik van agrarische gronden buiten de bedrijfslocaties zijn er geen ruimtelijke ontwikkelingen die een wijziging van stikstofemissie mogelijk maken ten opzichte van het geldende plan. De onnodige beperking van de stikstofregel heeft niet zozeer betrekking op het beweiden, maar op het andere gebruik van landbouwgrond, met name het uitrijden van mest. Feitelijk staat er dat een andere gebruik (andere teelt, meer mestuitrijden volgens de regels) niet is toegestaan op grond van het bestemmingsplan. Daarbij is de referentie het feitelijk gebruik op de datum vaststelling van het bestemmingsplan. Dat kan tot veel (onnodige) discussie leiden.

- Spuitzones. Het omgevingsplan stelt dat in een zone van 50 meter rond gevoelige functies geen chemische gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. De rijksoverheid voert een terughoudend beleid rond toelating en toepassingsvereisten van dit soort middelen (CBTG). Een wetenschappelijke controle op risico voor volksgezondheid is dus al in werking. Daarnaast wil de sector zelf in 2030 geheel of vrijwel geheel af van chemie. Daar wordt hard op ingezet met innovatieprogramma’s rond biologische middelen, alternatieve teeltwijzen en selectie/veredeling van meer resistente gewassen. Een onnodige stapeling van regelgeving is ongewenst en contraproductief. De zorgplicht van de gemeente inzake een veilige leefomgeving kan bovenwettelijk worden geregeld met convenanten met afspraken over best beschikbare technieken/communicatie en voortgangsrapportages op de transitie. Met het benoemen van biologische bedrijfsvoering als gevoelige functie slaat het plan de plank ook in juridische zin mis. Een biologisch bedrijf heeft geen aparte planologische status. Omschakeling naar biologische teelt kan zonder planologische procedure (en dus zonder inspraak) geregeld worden. Het plan zoals het er nu ligt leidt dan onmiddellijk tot onevenredige en onredelijke beperkingen van planologisch legale gebruiksmogelijkheden. Zonder inspraakprocedure en zonder planschade regeling.

Het plan maakt op geen enkele wijze kenbaar dat hierbij een belangenafweging is gemaakt. Bovendien is een dergelijke zone op het land van de buurman géén onderdeel van de vereisten om gecertificeerd biologisch te werken. De stichting SKAL geeft desgevraagd aan dat het enige wat vereist is een zichtbare grensmarkering is zodat de controleur kan zien waar de overgang zit. Zowel de biologische sector zelf als LTO Noord (die alle agrarische bedrijfssoorten behartigt) vrezen dat dit plan biologische en gangbare ondernemers onnodig tegenover elkaar stelt. Dit kan remmend werken op de motivatie om de overstap naar biologisch te maken. Terwijl

6

de praktijk uitwijst dat boeren maar al te bereid zijn om aantoonbare marktruimte voor biologisch snel in te vullen. Grondgebondenheid Verwezen wordt naar het antwoord hiervoor, onder de reactie uit het Forum. Daarnaast geldt het plussenbeleid (ook van de provincie als verplichting te regelen en op te nemen) alleen voor nietgrondgebonden agrarische bedrijven en is dit niet van toepassing op grondgebonden bedrijven. Dat in het omgevingsplan het provinciaal beleid vertaald moet worden, is een gegeven. Het omgevingsplan Landelijk gebied is een juridische vertaling van de door de raad vastgestelde Visie Landelijk gebied. De landbouwsector is voortdurend in ontwikkeling. De gemeente spreekt jaarlijks met de LTO. Ook over kringlooplandbouw en de opgaves die we zien en effect hebben op agrarische gronden (woningbouw, energietansitie, stikstof in relatie tot natuurontwikkeling, droogte, e.d.). Een gemeente hoeft niet te wachten op de provincie om eigen beleid te maken, maar het beleid moet wel passen binnen de regels van de provincie. Ook om dit voor aanpalende gemeenten en de regelgeving die net over de grens geldt, werkbaar te houden. De landbouw is in transitie en vraagt om meebewegen met de sector. Het onderwerp vraagt om het in gesprek blijven met elkaar en monitoren hoe beleid werkt. Dat is ook nodig in het veld om het gesprek met de provincie hier goed over te blijven voeren.

Stikstof Verwezen wordt naar het antwoord hiervoor, onder de reactie uit het Forum. Ten aanzien van stikstof geldt dat een bedrijf dat beschikt over een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming, deze als basis heeft voor de bedrijfsactiviteiten. Voor een bedrijf dat geen vergunning heeft op grond van de Wet natuurbescherming geldt dat de feitelijk bestaande en planologisch legale situatie leidend is. In het hele stikstofdossier gebeurt momenteel nog erg veel en dat volgen we op de voet. Spuitzones Verwezen wordt naar het antwoord hiervoor, onder de reactie uit het Forum. In het voorliggende omgevingsplan gaat het niet om een stapeling van wet- en regelgeving. Het gaat om het beschermen van de gezondheid. Het is goed te zien dat de sector zelf streeft naar beëindiging van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Tot die tijd is het waarborgen van een veilig woon- en leefklimaat een ruimtelijke relevant onderwerp die de fysieke leefomgeving raakt.

De Omgevingswet heeft immers als doel, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Als gezondheid van belang is binnen het publiekrecht is het werken met convenanten en afspraken niet voldoende. Elk agrarisch bedrijf heeft een eigen agrarisch erf. Alleen daar waar een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf aanwezig is, is dit op de verbeelding aangegeven. Op elk agrarisch erf is dan ook een grondgebonden bedrijf toegestaan, gangbaar of biologisch. Een biologisch bedrijf heeft geen aparte planologische status. Echter, door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op naastgelegen percelen, in de directe nabijheid van een biologisch bedrijf, wordt de afzet van biologische producten in gevaar gebracht en daarmee het bedrijfseconomisch perspectief van een biologisch gecertificeerd bedrijf. Een spuitzone biedt enige bescherming voor deze vorm van bedrijfsvoering. Of daardoor sprake is van een beperking van het gebruik van de gronden en of planschade, is de vraag. De gronden kunnen blijvend agrarisch gebruikt worden.

Als er vanuit de sector zelf wordt aangegeven dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ontmoedigd wordt en de rijksoverheid terughoudend gewasbeschermingsmiddelen toestaat, bestaan er alternatieven om gewassen te telen. Dit is voor iedere agrariër een eigen keus in de bedrijfsvoering.

7

Vervolg Op 20 juni 2022 wordt er in het Forum verder gesproken over het Omgevingsplan Landelijk gebied. Bijlagen 1 nagezonden brief LTO met de inspraakreactie in het Forum d.d. 16 mei 2022.

8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=b083f71f-adc5-4427-91a0-d64c58e68870