TOEGEVOEGD Beantwoording toezegging voorjaarsnota en wijziging financiele verordening
Tekst van het document
OPENBAAR
Memo (raad) Aan
: De gemeenteraad
Van
: Het college
Datum
: 15 maart 2025
Doel:
: Afdoening toezegging Oordeelsvormdende vergadering
Onderwerp
: Toezegging in de Oordeelsvormende vergadering van 10 maart 2025
Inlichtingen bij
: Rick Boersma, team Concerncontrol
Kennisnemen van Het schriftelijke antwoord op een toezegging in de Oordeelsvormende vergadering Bestuur en Middelen van 10 maart 2025. Inleiding In de Oordeelsvormende vergadering Bestuur en Middelen is het raadsvoorstel ‘Voorjaarsnota gemeente Zutphen 2025 opstellen met meicirculaire’ behandeld. In deze vergadering is door de Partij voor de Dieren de vraag gesteld of het eenmalig afwijken van de behandelingsdatum van de voorjaarsnota leidt tot een wijziging van de Financiële verordening. De wethouder heeft hiervoor advies gevraagd aan de senior concernjurist. Onder het kopje beantwoording is het advies van de senior concernjurist opgenomen. De senior concernjurist concludeert dat voor een eenmalige wijziging welke door de raad wordt vastgesteld geen wijziging van de Financiële verordening nodig is. Beantwoording In Artikel 3 Kaders begroting van de Financiële verordening gemeente Zutphen 2024 is bepaald: De raad stelt op voorstel van het college voor het zomerreces de kaders voor de begroting voor het komende jaar vast in de Voorjaarsnota. Als het raadsvoorstel wordt aangenomen dan stelt de raad de kaders voor de begroting niet voor, maar na het zomerreces vast.
In Artikel 21 Hardheidsclausule van dezelfde verordening is bepaald: De raad en het college kunnen één of meer artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing, gelet op het belang van het financieel beleid, het financieel beheer of de inrichting van de financiële organisatie, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Bij de toelichting bij dit artikel is het volgende opgenomen: Op grond van dit artikel kunnen de raad en het college één of meer artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang van het financieel beleid, het financieel beheer of de inrichting van de financiële organisatie, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. In beginsel
kan dat alleen bij gevallen die ten tijde van het vaststellen van de verordening niet waren te voorzien. Wordt van de hardheidsclausule gebruik gemaakt, dan moet de verordening op dat punt worden aangepast. Hét eerste en logische gevolg van het afwijken van een bepaling van de verordening is inderdaad dat die bepaling van de verordening wordt aangepast op het punt waarvan wordt afgeweken. Het zou daarmee ook voor de hand liggen dat als de raad het raadsvoorstel over de voorjaarsnota aanneemt de verordening op dit punt, lees artikel 3, wordt aangepast. Maar, omdat het ten eerste juist niet de bedoeling is dat deze handelwijze in de toekomst de standaard wordt, en het dus ook echt bij een eenmalige werkwijze moet blijven, ligt het in dit geval juist niet in de rede om de verordening op dit punt aan te passen. Daar komt ten tweede ook bij dat het de raad zelf is die besluit om af te wijken van een door de raad zelf vastgestelde bepaling in de verordening. Als het college af zou wijken van een bepaling van de verordening, dan is aanpassing van de verordening op dat specifieke punt wel geboden, omdat het college daarmee afwijkt van een door het hoogste bestuursorgaan van de gemeente vastgestelde bepaling. Nu de raad dit zelf besluit, ligt aanpassing van de verordening in dit specifieke geval niet in de rede.
Nu het in dit geval dus de bedoeling is om echt eenmalig af te wijken van de verordening en de raad zelf dit besluit ook neemt, is het juridisch gezien verdedigbaar dat de verordening op dat punt niet wordt aangepast. Mocht dit volgend jaar toch weer aan de orde zijn, dan doen wij op dat moment tegelijkertijd aan de raad een voorstel om de verordening op dat punt aan te passen, zodat er enerzijds flexibiliteit mogelijk is en anderzijds de bepaling uit de verordening ook weer ‘gewoon’ wordt gevolgd. Het is uiteindelijk aan de raad om daarover dan een besluit te nemen.
Bijlagen
2