CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 TOE Quickscan natuurtoets

Raadsvergadering 12 september 2022, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan "Park Helbergen, eerste herziening" (NL.IMRO.0301.bp0904HBergen1herz-vs1) met het bijbehorende beeldkwaliteitsplan9.833 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quick scan natuur

Zutphen, Helbergen fase 2

Gemeente Zutphen

Datum: 21-10-2019 Projectnummer: 190371

INHOUD 1

Inleiding

3

1.1 1.2

Aanleiding Plangebied

3 3

2

Wettelijk kader

6

2.1 2.2 2.3

Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden

6 7 7

3

Onderzoeksmethode

9

3.1 3.2

Deskundigheid Werkwijze

9 9

4

Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten

10

4.1 4.2 4.3

Ligging beschermde gebieden Aanwezigheid beschermde soorten Aanwezigheid houtopstanden

10 11 19

5

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject

20

5.1 5.2 5.3

Mogelijke effecten op beschermde gebieden Mogelijke effecten op beschermde soorten Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden

20 20 24

6

Conclusie

25

Geraadpleegde bronnen Bijlage 1. Wettelijk kader

1

Inleiding

1.1

Aanleiding In 2015 heeft SAB de ontwikkeling ‘Helbergen’ getoetst aan de toenmalige Flora en Faunawet. Ter plaatse heeft tevens een nader onderzoek naar vleermuizen plaatsgevonden. Ondertussen is fase 1 vrijwel volledig gerealiseerd en zijn de voorbereidingen van fase 2 gestart. Vanwege de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming, de beperkte houdbaarheid van een onderzoek en de wijziging van de huidige situatie, kunnen de bestaande rapporten niet meer gebruikt worden om de voorgenomen ingreep te toetsen aan de Wet natuurbescherming. Voorliggende rapportage zet daarom door middel van een nieuwe quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is.

1.2

Plangebied

1.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich aan de rand van de kern van Zutphen (gemeente Zutphen, provincie Gelderland). De omgeving van Zutphen kenmerkt zich door agrarische gronden met kleinschalige bosgebieden en de nabijheid van de IJssel. In de nabijheid liggen natuurgebieden als Eerbeekse Hooilanden en de Veluwe. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen. Ten zuiden van het plangebied zijn woonhuizen aanwezig. Ten noorden bevindt zich een recent aangelegd park met daarachter de woonhuizen van Helbergen fase I. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een kinderboerderij en ten westen bevindt zich de IJssel. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.

Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd).Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

3

Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (wit omkaderd). Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

Op 9 oktober 2019 is een veldbezoek uitgevoerd. In het zuiden van het plangebied is een gebouw aanwezig met een plat dak. Langs de oost-, zuid- en westrand van het plangebied staan grote groenstructuren met verschillende boomsoorten. Het midden van het plangebied is grotendeels in gebruik als volkstuin met delen van ruigte, grasland, mesthopen en composthopen. Verder zijn er op verschillende plaatsen materialen zoals stenen en zand aanwezig. In het westelijk deel is nog een talud aanwezig. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek.

Stenenopslag.

Zuidelijk deel van het plangebied.

4

1.2.2

Bebouwing.

Mesthoop.

Volkstuinen

Ruigte

Westelijk deel met talud.

Bomenrij langs westkant.

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal nieuwbouw in het plangebied zijn gerealiseerd. Dit zal in totaal gaan om circa 118 woningen voor fase I en fase II bij elkaar. Fase I is reeds grotendeels gerealiseerd. Voor de nieuwbouw wordt de bestaande bebouwing gesloopt en worden verschillende bomen en groen binnen het plangebied verwijderd.

5

2

Wettelijk kader Hieronder staat een samenvatting van het wettelijk kader. Een uitgebreide beschrijving staat in bijlage 1.

2.1

Gebiedsbescherming

2.1.1

Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Op grond van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die de instandhoudingsdoelstellingen kunnen schaden. Als een plan of project mogelijk negatieve effecten kan hebben op Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve effecten zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als de kans op significante effecten niet kan worden uitgesloten dan moet, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling worden gemaakt.

2.1.2

Natuurnetwerk Nederland De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Voor dit netwerk geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (het Barro), een ‘nee, tenzij’-beschermingsregime. Het bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur, of tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De provincie Gelderland spreekt niet van Natuurnetwerk Nederland maar van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Binnen het GNN en de GO staat de bescherming van de kernkwaliteiten centraal.

De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en omgevingscondities. Per saldo moet elke ontwikkeling in het GNN een verbetering van de betreffende kernkwaliteiten opleveren.

6

De GO heeft een dubbeldoelstelling. Er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. Door de samenhang met de aangrenzende en inliggende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende natuurwaarden. Bij ruimtelijke ingrepen in de GO wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwvestiging, uitbreiding van bestaande bestemmingen en de schaal/omvang van de ingreep. De provincie Gelderland vindt het verder van belang dat rustgebieden voor winterganzen geschikt blijven voor ganzen. De provincie stuurt daarom op het behoud van de openheid en de rust in deze gebieden. Ook zijn weidevogelgebieden aangewezen. De provincie wil hier een landbouwpraktijk stimuleren en in stand houden die rekening houdt met weidevogels. Beschermde weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden liggen voornamelijk in de GO en voor het overige deel in het GNN.

2.2

Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten, voor Habitatrichtlijnsoorten en voor andere soorten. Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van de wet. De provincie Gelderland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker.

Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden.

2.3

Bescherming houtopstanden Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vier-

7

kante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet.

8

3 3.1

Onderzoeksmethode Deskundigheid Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen. Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van de ecologie van de betreffende soorten. Onze deskundigen voldoen aan de eisen van een ecologisch deskundige zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland die stelt. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begeleiding van een deskundige.

3.2

Werkwijze Voor het onderzoek werd een bureaustudie uitgevoerd en werd een veldbezoek aan de locatie gebracht. Als eerste werd voor het onderzoek, op basis van informatie van de opdrachtgever, het plangebied in beeld gebracht en werden de toekomstige ontwikkelingen beschreven. Vervolgens werd onderzocht welke beschermde plant- en diersoorten in de omgeving van het plangebied zijn te verwachten. Hiervoor werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 8 oktober 2019, waarbij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar werden opgevraagd. Aanvullend hierbij is gebruik gemaakt van andere bronnen, als websites en verspreidingsatlassen. Bij deze bureaustudie werd ook de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000gebieden en gebieden die via de provinciale verordening zijn beschermd onderzocht. Hiervoor werd onder meer informatie van de website van de provincie geraadpleegd. Vervolgens werd een veldbezoek aan het plangebied en de directe omgeving ervan gebracht. Dit bezoek vond plaats op 9 oktober 2019, bij windstil, bewolkt weer met lichte regen en een temperatuur van circa 12 graden. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de habitats ter plaatse en om de geschiktheid van het plangebied voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie.

Het eenmalige veldbezoek geeft een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname. Met de gegevens uit de bureaustudie en het veldbezoek is vervolgens een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten op beschermde soorten en beschermde gebieden. Op basis van deze inschatting is een advies opgesteld met aanbevelingen voor vervolgstappen. Nadat het eerste conceptrapport gereed was, is dit beoordeeld op inhoud en vorm door een deskundig collega. Het commentaar is vervolgens besproken en verwerkt, om zo tot een eensluidend advies te komen.

9

4

Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten In dit hoofdstuk beschrijven wij de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden en beschrijven we de kans op de aanwezigheid van beschermde soorten. In het volgende hoofdstuk volgt een beoordeling van de mogelijke effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten ten gevolge van de ontwikkeling.

4.1

Ligging beschermde gebieden Ligging Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Wel ligt Natura 2000-gebied “Rijntakken” in de directe omgeving van Zutphen. Dit ligt op circa 10 meter van het plangebied verwijderd.

Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius. Bewerking: SAB.

10

Ligging Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (zie navolgende afbeelding).

Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en de Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen). Bron: Provincie Gelderland. Bewerking: SAB.

Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op ongeveer 250 meter ten noorden van het plangebied en betreft een gedeelte van het NNN ‘Groot Zutphen’. Het dichtstbijzijnde deel van de Groene Ontwikkelingszone ligt op circa 10 meter ten westen van het plangebied.

4.2

Aanwezigheid beschermde soorten

4.2.1

Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In het plangebied is groen en bebouwing aanwezig. Het plangebied vormt daarmee geschikt leefgebied voor in het wild levende planten en dieren.

4.2.2

Vogelrichtlijnsoorten Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied soorten met niet jaarrond beschermde nesten aangetroffen als kauw, houtduif en merel. Dergelijke soorten kunnen mogelijk in het plangebied tot broeden komen. In het plangebied zijn daarnaast verschillende kleine nesten aangetroffen. Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast de reguliere bescherming in het broedseizoen zijn er verschillende vogelsoorten van wie de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is

11

vanwege verschillende redenen. Zo zijn er soorten die het hele jaar gebruik maken van het nest. Daarnaast zijn er koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn. Ook zijn er soorten die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die nauwelijks in staat zijn zelf een nest te maken. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten. Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (golvende) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen (BIJ12 2017c). In het plangebied zijn geen duidelijk geschikte nestlocaties van de huismus aangetroffen. Zo heeft de bebouwing die aanwezig is een plat dak, dat als broedlocatie voor huismussen ongeschikt is. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen huismussen of sporen van de huismus in het plangebied waargenomen. Huismussen zijn zeer honkvast en blijven altijd in de directe omgeving van hun nestplaats.

Het feit dat de soort tijdens geschikte weersomstandigheden niet is aangetroffen, duidt er op dat zich geen nesten in het plangebied bevinden. Aangezien er geen duidelijke nestlocaties voor de huismus in het plangebied aanwezig zijn, en huismussen of sporen van de soort niet zijn waargenomen, is het onwaarschijnlijk dat het plangebied onderdeel uitmaakt van de functionele leefomgeving van deze soort. Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn (BIJ12 2017b). Het gebouw in het plangebied heeft geen pannendak en heeft geen andere holtes die geschikt zouden kunnen zijn als nestlocatie voor gierzwaluwen. De aanwezigheid van nesten van de gierzwaluw in het plangebied is uitgesloten.

De bomen in het plangebied zijn onderzocht op de aanwezigheid van grote nesten en holtes die gebruikt zouden kunnen worden door soorten als de buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief, zwarte wouw, boomvalk of ransuil. Deze zijn niet aanwezig. Daarnaast zijn geen andere sporen zoals braakballen en/of ruiveren van deze soorten aangetroffen. De aanwezigheid van nesten van bovengenoemde soorten is redelijkerwijs uit te sluiten. Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), langs stromende beken (grote gele kwikstaart), in holtes in bomen en in gebouwen (steenuil), in nissen van kerktorens of in andere toegankelijke gebou-

12

wen in agrarisch gebied (kerkuil) of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogelbescherming.nl, sovon.nl). Deze elementen zijn niet in het plangebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten worden niet in het plangebied verwacht. 4.2.3

Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groeiplaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalkgraslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in ZuidLimburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl). Het plangebied is omgevormd van sportvelden naar volkstuinen. Dit betekent dat in het plangebied een voedselrijke grond aanwezig is die regelmatig wordt bewerkt. Een dergelijk biotoop is voor beschermde planten weinig geschikt. Ook de graslanden bestaan uit graslanden op voedselrijke grond. Hierin zijn ruigere stukken aanwezig, begroeid met zilverschoon en bijvoet. Beschermde planten worden in een dergelijk biotoop niet verwacht.

4.2.4

Grondgebonden zoogdieren Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de veldmuis of egel. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving. Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Deze beschermde grondgebonden zoogdieren komen voornamelijk voor in natuurlijkeof half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten, zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de bever, boommarter, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en wezel in de omgeving van het projectgebied voor.

13

Rondom het plangebied staan veel hoge bomen die in principe geschikt zijn om een verblijfplaats van een boommarter en/of eekhoorn te hebben. De boommarter is erg schuw en zal vanwege de drukte rondom het plangebied hier niet voorkomen. De eekhoorn komt vaker voor in stedelijk gebied. Tijdens het veldbezoek zijn alle bomen gecontroleerd op de aanwezigheid van eekhoornnesten. Deze zijn niet aangetroffen. Derhalve kan de aanwezigheid van eekhoornnesten tevens redelijkerwijs uitgesloten worden. De bever heeft zijn habitat voornamelijk rondom watergangen. Ten westen van het plangebied ligt de IJssel en ten noorden en oosten liggen uitlopers van de IJssel. Waanneer een gebied wordt gebruikt door de bever zijn over het algemeen vrij duidelijke sporen te vinden, zoals loopsporen, knaagsporen, uitwerpselen en ‘glijbanen’ langs de waterkant. Deze zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Daarnaast wordt het plangebied redelijk intensief gebruikt, wat de bever kan afschrikken. Het is redelijkerwijs uit te sluiten dat de bever in het plangebied voorkomt. In het plangebied is reliëf aanwezig, zoals het talud en zandhopen, waar een das een burcht in kan maken. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen sporen van de das aangetroffen, zoals haren, prenten, wissels en latrines (mestputjes).

Daarnaast is het plangebied in het stedelijk gebied gelegen zonder een goede verbinding naar het buitengebied. De aanwezigheid van de das in het plangebied is redelijkerwijs uit te sluiten. De steenmarter is een soort die zijn vaste rust- en verblijfplaatsen heeft in (hooi)zolders, kelders, schuren en andere opstallen die weinig worden betreden en toegankelijk zijn. In het plangebied zijn dergelijke opstallen niet aanwezig. De bebouwing in het zuiden van het plangebied is niet toegankelijk voor een steenmarter. Mogelijk kan het plangebied wel als foerageergebied voor de steenmarter benut worden, aangezien het een geschikt gebied is voor muizen. In de omgeving is echter meer geschikt foerageergebied aanwezig, zoals het recent aangelegde park direct ten noorden van het plangebied, de uiterwaarden en de kinderboerderij ten oosten van het plangebied. Door de voorgenomen plannen komt de functionele leefomgeving van de steenmarter niet in het geding. De kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) zijn soorten die een voorkeur hebben voor kleinschalig cultuurlandschap. Zeker de bunzing en wezel worden echter ook met enige regelmatig in stedelijk gebied gezien zolang er voldoende groen aanwezig is. Voorbeelden van verblijfplaatsen van deze soorten zijn verlate muizen- en konijnenholen, boomholtes, stenenhopen of houtstapels. In het plangebied zijn al deze elementen aanwezig.

Het is daarom niet op voorhand uit te sluiten dat deze soorten verblijfplaatsen in het plangebied hebben. Het is plangebied is ongeveer 3 hectare. Wanneer het plangebied inderdaad in gebruik is door kleine marterachtigen, kan het verlies van leefgebied een significant negatief effect op het leefgebied van de soorten hebben. 4.2.5

Vleermuizen Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis

14

Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis in de buurt van het plangebied voor. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming. In 2015 heeft SAB een rapportage van een nader onderzoek naar vleermuizen opgesteld voor Helbergen (SAB, 2015). Hierbij is de volledige bomenrij langs de westkant van het plangebied onderzocht. Toen liep de bomenrij echter nog 175 meter verder door in noordelijke richting. Dit deel is reeds gekapt ten behoeve van Helbergen Fase I. Destijds werd een zomerverblijfplaats en een paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis vastgesteld in één van de reeds gekapte bomen.

De bebouwing is destijds als ongeschikt beoordeeld voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. De bomenrij werd gebruikt als vliegroute. Deze was echter niet essentieel, aangezien er alternatieve vliegroutes voorhanden waren. Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12 2017a, Dietz et al. 2011). Het gebouw is tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op de aanwezigheid van geschikte kieren, spleten en open stootvoegen. Deze waren niet aanwezig. Het gebouw heeft geen openingen naar de spouwmuur en heeft een plat dak. Na grondige inspectie zijn geen geschikte holtes voor gebouwbewonende vleermuizen aangetroffen. Hiermee wordt aangesloten bij de conclusie uit eerdere natuuronderzoeken ter plaatse (SAB 2014 en 2015). Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in het plangebied zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom.

Grofweg zijn hardhout bomen als eik en beuk jonger dan 60 jaar en zachthout bomen jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos 2012). In het plangebied staan verschillende bomen. Het betreft voornamelijk de grote populieren langs de westkant van het plangebied die gekapt gaan worden voor de voorgenomen plannen. Deze zijn tijdens het veldbezoek zo goed mogelijk geïnspecteerd op geschikte holtes en loszittend schors. De bomen zijn echter te groot om volledig uit te sluiten dat geschikte holtes aanwezig zijn waar boombewonende vleermuizen een verblijfplaats kunnen hebben. In populieren kunnen ook relatief snel geschikte holtes ontstaan aangezien het geen hardhout boom is (Zoogdiervereniging & Probos, 2012). Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen in het plangebied zijn daarom niet op voorhand

15

uit te sluiten. Overige bomen in het plangebied zijn niet groot genoeg om te kunnen functioneren als verblijfplaats of worden in de voorgenomen plannen niet gekapt. De mogelijkheden voor de verschillende verblijffuncties voor boom- en gebouwbewonende vleermuizen zijn per soort beoordeeld. Deze beoordeling is gebaseerd op de bekende verspreiding, de ecologie van de soort en de aangetroffen situatie. De soorten en functies die niet zijn uit te sluiten zijn samengevat in de navolgende tabel. Vleermuissoorten en functies die wel of niet zijn uit te sluiten in het plangebied. “x”= functie is niet uit te sluiten, “-“ = functie is uit te sluiten. Vleermuissoort

Kraamverblijf

Zomerverblijf

Paarverblijf

Winterverblijf

Gewone dwergvleermuis

-

-

-

-

Ruige dwergvleermuis

-

x

x

x

Laatvlieger

-

-

-

-

Meervleermuis

-

-

-

-

Gewone grootoorvleermuis

x

x

x

-

Watervleermuis

x

x

-

-

Rosse vleermuis

x

x

X

x

Franjestaart

x

x

-

-

Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd. Bomenrijen in de buurt watergangen, zoals aanwezig in het plangebied, vormen geschikt foerageergebied. In de directe omgeving van het plangebied is echter veel vergelijkbaar alternatief foerageergebied aanwezig waar vleermuizen voedsel kunnen vinden. Dit betreft onder andere de bomenrij langs de dijk verder naar het zuiden, de kinderboerderij en de watergang met bomenrij iets ten noorden van het plangebied. Het is niet waarschijnlijk dat de bomen in het plangebied een essentieel foerageergebied voor vleermuizen vormen.

Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in

16

het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. In het nader vleermuisonderzoek van 2015 bleek de bomenrij in gebruik te zijn als vliegroute voor vleermuizen. Deze werd echter niet gezien als essentiële route omdat er voldoende alternatieven aanwezig zijn. In de huidige situatie is het niet erg waarschijnlijk dat de bomenrij nog steeds als vliegroute wordt gebruikt, aangezien het geen verbinding meer vormt tussen potentiële verblijfplaatsen en foerageergebied doordat een deel van de bomenrij gekapt is. De betreffende vleermuizen zullen voornamelijk de alternatieve routes, zoals de bomenrij langs de oostkant van het plangebied, gebruiken. Deze bomenrij zal in de nieuwe situatie blijven bestaan. Het is daarom redelijkerwijs uit te sluiten dat een essentiële vliegroute verloren zal gaan door de kap van de populierenrij aan de westkant van het plangebied. Wel wordt aangeraden rekening te houden met verlichting in de aanleg- en gebruiksfase. Hier dient gezorgd te worden dat er geen directe verlichting op de oostelijke bomenrij wordt gericht, aangezien deze potentieel als vliegroute functioneert. 4.2.6

Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009). Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF kan de ringslang in de omgeving van het plangebied voorkomen. De ringslang is sterk gebonden aan waterrijke habitats. De soort komt voor ten noorden van de grote rivieren en wordt vooral aangetroffen in laagveengebieden, natte heideterreinen en waterrijke zandgronden. Maar de soort komt ook voor op verhoogde terreinen zoals dijken, spoorbanen of struwelen. Belangrijk hierbij is de aanwezigheid van natuurlijke oevers met open plekken en ruigte zodat deze zowel zongelegenheid als schuilplaatsen bieden. Veel meer dan andere in Nederland levende reptielen wordt de soort ook in bebouwde omgeving en in agrarisch gebied aangetroffen. Leefgebieden van de ringslang hebben meestal veel ruimtelijke variatie en kleinschaligheid. Voor de voortplanting is de ringslang afhankelijk van warme, vochtige plekken zoals composterende bladhopen of andere rottende boomresten.

In cultuurlandschap wordt intensief gebruik gemaakt van door de mens aangelegde mest-, zaagsel- en composthopen of speciaal voor de ringslang aangelegde broeihopen. Ringslangen overwinteren op vorstvrije plaatsen onder takkenbossen, struiken, in oude konijnenholen of in kelders (Creemers & van Delft). Op ongeveer 130 meter ten noorden van het plangebied loopt een uitloper van de IJssel. Deze watergang heeft natuurlijke oevers en er is een direct landverbinding met ruigte tussen de watergang en het plangebied. In het plangebied zijn verschillende microklimaten aanwezig die zeer geschikt zijn voor de ringslang. Het betreft mesthopen, takkenhopen, konijnenholen, composthopen en ruigte. Hiermee vormt het plangebied een geschikt biotoop voor de ringslang. Ondanks dat veel van deze elementen pas recent zijn ontstaan sinds de sportvelden n het plangebied zijn verdwenen, is het niet

17

op voorhand uit te sluiten dat het plangebied wordt gebruikt als leefgebied door de ringslang. Voor andere reptielen, zoals de levendbarende hagedis en de hazelworm is geen geschikt habitat aanwezig vanwege de ligging in stedelijk gebied en het ontbreken van een strooisellaag en droge heidegebieden. 4.2.7

Amfibieën Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten amfibieën een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de bruine kikker of gewone pad. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving. Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aanwezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl kunnen de kamsalamander, knoflookpad en poelkikker in de buurt van het plangebied voorkomen, waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, waardoor de aanwezigheid van voortplantingshabitat van amfibieën op voorhand is uit te sluiten. De kamsalamander en poelkikker overwinteren beiden in de directe omgeving van hun voortplantingswater.

Aangezien er geen geschikt voortplantingswater voor deze soorten in of rondom het plangebied aanwezig is, is de aanwezigheid van deze soorten in het plangebied redelijkerwijs uit te sluiten. De knoflookpad stelt hele specifieke eisen aan zijn habitat zoals rivierduin of kleinschalig agrarisch landschap in de buurt van bos. Een voorwaarde voor de aanwezigheid van de knoflookpad is de aanwezigheid van open, vergraafbare zandplekken omringt door vegetatie. De knoflookpad is zelden in stedelijk gebied aanwezig. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF is de knoflookpad alleen ten westen van de IJssel waargenomen en niet in de omgeving van het plangebied aan de oostkant. In het plangebied is geen geschikt habitat voor de knoflookpad aanwezig.

4.2.8

Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van sloten, vennen of plassen. De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl). 18

In het plangebied zijn geen permanent watervoerende elementen aanwezig. De aanwezigheid van beschermde vissen in het plangebied is daarmee uitgesloten. 4.2.9

Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl kunnen de grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder in de buurt van het plangebied voorkomen. In het betreffende plangebied is geen sprake van open water, bos, soortenrijk grasland, heide of veen.

Leefgebied voor de grote vos en grote weerschijnvlinder is hierdoor niet aanwezig. Daarnaast is het plangebied gecontroleerd op de aanwezigheid van kamperfoelie, wat de waardplant voor de kleine ijsvogelvlinder is. Dit is niet aanwezig. Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn daarom niet te verwachten in het plangebied.

4.3

Aanwezigheid houtopstanden In het plangebied is een houtopstand aanwezig. De bomen en struiken die aanwezig zijn, zijn onderdeel van een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat.

19

5 5.1

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject Mogelijke effecten op beschermde gebieden Natura 2000 Uit voorliggend onderzoek blijkt dat Natura 2000-gebied Rijntakken in de buurt van het plangebied ligt. In 2014 heeft een toetsing plaatsgevonden voor het volledige plan ‘Helbergen’ in het kader van de toenmalige ‘Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming)’ (SAB, 2014). Met uitzondering van de wetgeving omtrent vermesting en verzuring door stikstofdepositie, is in grote lijnen de wetgeving van deze wet opgenomen in de Wet natuurbescherming. In de toetsing is gebleken dat significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de Rijntakken door de voorgenomen plannen zijn uit te sluiten. In de tussentijd hebben geen significante veranderingen in de voorgenomen plannen en de instandhoudingsdoelen plaatsgevonden, waardoor deze conclusie nog steeds standhoud. Uitzondering hierop is alleen de toetsing op vermesting en verzuring door een toename in stikstofdepositie. Hierop dient nadere toetsing plaats te vinden. Om te onderzoeken of negatieve effecten door stikstofdepositie te verwachten zijn, adviseren wij nader onderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening uit te voeren.

Mocht uit de berekening blijken dan negatieve effecten mogelijk zijn en niet zijn te voorkomen door middel van saldering of mitigerende maatregelen, dan dient voor het plan een passende beoordeling te worden opgesteld. Provinciale bescherming Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op circa 250 meter ten noorden van het plangebied en het dichtstbijzijnde deel van de GO ligt op 10 meter van het plangebied. De bescherming van het GNN kent in de provincie Gelderland niet het begrip externe werking. Aangezien het plangebied niet in het GNN of GO ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorngenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Gelders Natuurnetwerk hebben. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.2

Mogelijke effecten op beschermde soorten

5.2.1

Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren voorkomen. Bij de ruimtelijke ontwikkeling zouden deze planten en dieren kunnen worden gedood. Voor al de in het wild levende soorten geldt de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld bij de ruimtelijke ingreep zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden. Wanneer verlichting

20

wordt geplaatst, probeer uitstraling van licht naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken, om verstoring van diersoorten te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door verlichting te beperken tot die plekken waar licht noodzakelijk is, lage en gericht armaturen te gebruiken in plaats van rondstralende armaturen en lampen goed te richten.

Om verstoring van dieren door straatverlichting en andere vormen van verlichting tot een minimum te beperken, dienen lichtbundels zo veel mogelijk naar beneden te worden gericht.

5.2.2

Vogels Uit voorliggend onderzoek blijkt verder dat in en direct rond het plangebied vogels aanwezig zijn en ook kunnen broeden. Voor deze vogels geldt artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, die het onder meer verbiedt vogels te doden, te vangen of in gebruik zijnde nesten van vogels te beschadigen of te vernielen. Bij de geplande ontwikkeling zouden nesten van broedende vogels kunnen worden beschadigd, wat verboden is onder de Wet natuurbescherming. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn gewoon beschermd. Om overtreding van de wet te voorkomen adviseren wij u om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond het plangebied geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is. Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werkzaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten.

Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten. Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden. Jaarrond beschermde nesten Van verschillende vogelsoorten is het nest jaarrond beschermd. Met het uitgevoerde onderzoek is duidelijk geworden dat essentieel leefgebied voor deze soorten niet in of bij het plangebied aanwezig is. Negatieve effecten op deze soorten zijn van de ontwikkeling dan ook niet te verwachten. Nader onderzoek naar deze soorten is niet nodig en de bescherming van deze soorten staat de ontwikkeling niet in de weg.

21

5.2.3

Overige beschermde soorten Soorten waarvoor provinciale vrijstelling geldt In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Dit betreft bijvoorbeeld de soorten bruine kikker en gewone pad. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Wel geldt ook voor deze soorten altijd de eerder beschreven zorgplicht. Soorten, waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Door het uitgevoerde onderzoek is duidelijk geworden dat enkele essentiële elementen, van soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in het plangebied. Het betreft leefgebied van de ringslang, vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en verblijfplaatsen van vleermuizen (ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis en franjestaart).

Ringslang en kleine marterachtigen zijn beschermd onder beschermingsregime ‘andere soorten’, waarvoor de verboden van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming gelden en vleermuizen zijn habitatrichtlijnsoorten, waarvoor de verboden van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming gelden. Daarmee is het onder meer verboden deze soorten te doden of rust- of verblijfplaatsen te beschadigen. Met de geplande werkzaamheden gaan eventueel aanwezige verblijfplaatsen waarschijnlijk verloren. Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van deze dieren. In beide gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nestplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Andere soorten waarvoor de provinciale vrijstelling niet geldt, zijn niet in of nabij het plangebied aanwezig. Negatieve effecten op die soorten zijn dan ook niet te verwachten en nader onderzoek naar die soorten is dan ook niet nodig.

5.2.4

Aanvullend onderzoek naar beschermde soorten: onderzoekseisen en -periodes Voor veel beschermde plant- en diersoorten zijn protocollen opgesteld waarin beschreven staat waar het nader soortgericht onderzoek aan moet voldoen om aan- of afwezigheid van de betreffende soort aan te kunnen tonen. Vleermuizen Het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen, zoals verwoord in het vleermuisprotocol 2017 (Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur). Het vleermuisprotocol stelt vast dat vier veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Twee daarvan dienen plaats te vinden in de periode van 15 mei tot en met 15 juli met een tussenperiode van circa 30 dagen.

22

De andere twee veldbezoeken dienen tussen 15 augustus en 30 september plaats te vinden met een tussenperiode van circa 20 dagen. Tijdens deze veldbezoeken zal gebruik worden gemaakt van een batdetector of batlogger. Dit zijn apparaten waarmee de onhoorbare ultrasone geluiden van vleermuizen worden opgevangen en vertaald in voor mensen hoorbare geluiden. Door het uitvoeren van vier veldbezoeken kan met voldoende juridische zekerheid aannemelijk worden gemaakt of vleermuizen wel of niet aanwezig zijn in het plangebied. Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Ringslang Voor het nader onderzoek naar het leefgebied van de ringslang zijn door BIJ12 geen richtlijnen of voorwaarden opgesteld. Een mogelijke methode voor het verrichten van ringslangonderzoek is het neerleggen van platen (zoals tapijtplaten). De platen warmen snel op in de zon en vormen een uitermate geschikt microklimaat voor reptielen om zich op te warmen. Door het oplichten van de platen kan gecontroleerd worden of hieronder reptielen aanwezig zijn. Door middel van drie veldbezoeken in de periode van april tot en met september (oktober) kan de aan- of afwezigheid van deze soort worden bepaald.

Kleine marters De aanwezigheid van kleine marterachtigen kan worden vastgesteld door het gebruik van de ‘struikrover’; een buis met wildcamera waarmee kleine marters kunnen worden waargenomen (zoogdiervereniging.nl). Ook kan voor het waarnemen van kleine marterachtigen een combinatie van verschillende methoden worden gebruikt (zie ook onderstaande tabel). Dit zijn het gebruik van cameravallen, marterboxen, sporenbuizen en nestkasten. Wanneer onderzoek in de actieve periode (maart tot augustus) van de dieren wordt gedaan, dan dienen de onderzoeksinstrumenten minimaal 6 weken op de onderzoekslocatie te worden geplaatst. Buiten de actieve periode van de dieren is er minder trefkans. Daarom is dan een dubbele hoeveelheid instrumenten nodig en dient er minimaal 12 weken onderzoek te worden gedaan (Bouwens 2017). Bunzing Hermelijn Wezel Cameravallen + Marterboxen ? + Sporenbuizen + + Nestkasten ? + + Geschiktheid van inventarisatiemethoden voor kleine martersoorten. Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiodes van alle te onderzoeken soorten weer. Soortgroep

Jan

Feb

Mrt

Apr

Mei

Jun

Vleermuizen Ringslang Kleine marters

23

Jul

Aug

Sep

Okt

Nov

Dec

5.3

Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden In het plangebied is een houtopstand aanwezig en als onderdeel van het plan worden bomen of struiken van deze houtopstand geveld. Op deze velling is het beschermingsregime voor houtopstanden van de Wet natuurbescherming echter niet van toepassing, want de houtopstand die wordt geveld ligt binnen de grenzen van de bebouwde kom met betrekking tot de bescherming van houtopstanden van de gemeente.

24

6

Conclusie In 2015 heeft SAB de ontwikkeling ‘Helbergen’ getoetst aan de toenmalige Flora en Faunawet. Ter plaatse heeft tevens een nader onderzoek naar vleermuizen plaatsgevonden. Ondertussen is fase 1 vrijwel volledig gerealiseerd en zijn de voorbereidingen van fase 2 gestart. Vanwege de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming, de beperkte houdbaarheid van een onderzoek en de wijziging van de huidige situatie, kunnen de bestaande rapporten niet meer gebruikt worden om de voorgenomen ingreep te toetsen aan de Wet natuurbescherming. Er is daarom een quick scan natuur uitgevoerd. In deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Rijntakken ligt in de buurt van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Veluwe is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Nader onderzoek in de vorm van een AERIUS-stikstofberekening is daarom noodzakelijk.

Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Uit de quick scan blijkt verder dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Nestplaatsen van vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd worden niet verwacht. Nader onderzoek naar deze soorten is niet nodig en de bescherming van deze soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg.

Daarnaast zijn mogelijk enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Het betreft leefgebied van de ringslang en verblijfplaatsen van vleermuizen en kleine marters. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werk-

25

zaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

26

Geraadpleegde bronnen Literatuur Creemers, R. van Delft, J. 2009. De Amfibieën en Reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna deel 9. Dietz, Ch. von Helversen, O. Nill, D. 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Lange, R. Twisk, P. van Winden, A. van Diepenbeek, A. 2003. Zoogdieren van WestEuropa. Limpens, H. J. G. A. Twisk, P. Veenbaas, G. 2004. Met vleermuizen onderweg. Uitgave DDW en VZZ. Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur, Zoogdiervereniging. 2017. Vleermuisprotocol 2017. Ministerie EZLI. 2012. Memorie van toelichting bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk. Ministerie EZ. 2015. Memorie van antwoord bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk Eerste Kamer der Staten-Generaal. SAB. 2014, quick scan flora en fauna en voortoets, Zutphen Helbergen. 26 februari 2014, Arnhem SAB. 2015, memo nader onderzoek vleermuizen, Zutphen Helbergen. 3 november 2015, Arnhem Zoogdiervereniging & Probos. 2012. Laanbeheer en vleermuizen; met oog voor veiligheid en cultuurhistorie; met bijdragen van E. A. Jansen, M. H. A. van Benthem, C. de Groot, P. Twisk & H. J. G. A. Limpens.

Websites www.anemoon.org www.aerius.nl www.eis-nederland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.vogelbescherming.nl

Bijlage 1. Wettelijk kader Gebiedsbescherming Inleiding Op grond van artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten daarnaast op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. De bescherming van dit natuurnetwerk wordt geregeld bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Hieronder wordt een toelichting gegeven bij de verschillende vormen van gebiedsbescherming. Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Voor alle Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze gebieden.

Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor deze gebieden zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt, dat de Wet natuurbescherming, buiten de zorgplicht, al voldoende instrumenten bevat om schadelijke handelingen in Natura 2000-gebieden te beperken. Deze zorgplicht is daarmee primair bedoeld om de eigen verantwoordelijkheid vast te leggen, die een ieder heeft voor een zorgvuldige omgang met de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Natura 2000-gebieden Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Conform artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming is het verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op deze instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Als een plan of project mogelijk negatieve effecten kan hebben op Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets.

Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve effecten zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als de kans op significante effecten niet kan worden uitgesloten dan moet, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling worden gemaakt. In dit geval wordt een plan 1 eveneens m.e.r.-plichtig . Blijkt uit de passende beoordeling dat er geen aantasting 1

Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001, welke plicht in de Nederlandse wetgeving is verankerd in artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

plaatsvindt van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of kan voor de projecten door Gedeputeerde Staten een vergunning worden verleend. In bepaalde gevallen kan, ondanks dat uit de passende beoordeling blijkt dat aantasting van de natuurlijke kenmerken mogelijk is, een plan toch worden vastgesteld of kan een vergunning toch worden verleend. Er dient dan te worden voldaan aan de zogeheten ADC criteria. De ADC criteria houden in: i) dat er geen alternatieve oplossingen zijn, ii) dat er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en iii) dat de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. Bijzondere nationale natuurgebieden In uitzonderlijke gevallen kan de Minister, op grond van artikel 2.11, bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De Minister kan dit doen voor een gebied dat is of wordt aangemeld als Habitatrichtlijngebied, maar nog niet definitief is aangewezen. Ook kan het voor een gebied dat nog geen onderdeel is van het Natura 2000-netwerk, maar waar compenserende maatregelen worden getroffen voor de realisatie van een project met significante gevolgen. Tot slot kan een gebied worden aangewezen in het geval dat dat noodzakelijk is in het kader van de Vogel- of Habitatrichtlijn, om een gunstige staat van instandhouding te realiseren.

Ter bescherming van de bijzondere nationale natuurgebieden kan de Minister verschillende maatregelen nemen, waaronder toegangsbeperkingen tot het gebied, het gebruik maken van zijn of haar aanschrijvingsbevoegdheid en het treffen van behoud- en herstelmaatregelen in het gebied. Natuurnetwerk Nederland Ter bescherming van vogelsoorten, van soorten van de Habitatrichtlijn en van rode lijstsoorten dienen provincies, op basis van artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming, zorg te dragen voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS). Voor dit netwerk geldt, op basis van artikel 2.10 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (het Barro), een ‘nee, tenzij’beschermingsregime. Het bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur, of tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=fd9c771d-6ece-451d-94b0-1536e82dbe5a