CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4_Bp Noorderhaven veld 21B_Toelichting

Raadsvergadering 12 juli 2021, gemeente ZutphenBij agendapunt: Bestemmingsplan Noorderhaven Veld 21B27.471 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De afstand wordt gemeten vanaf de grens van de locatie van de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies. Toetsing In het plangebied is sprake van de realisatie van nieuwe hindergevoelige functies in de vorm van woningen. De ontwikkeling ligt op het (voormalige) bedrijventerrein De Mars. Dit bedrijventerrein wordt gedeeltelijk omgevormd. Rondom de ontwikkeling liggen diverse bedrijven, hierdoor is er sprake van een menging van gevoelige functies, zoals woningen en onderwijs, met bedrijven. De ontwikkeling ligt dan ook in een gebied dat kan worden aangemerkt als een gemengd gebied. Rondom de ontwikkellocaties liggen de volgende typen bedrijven: Toekomstige school voor voortgezet onderwijs. Op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering, editie 2009' valt een school voor voortgezet onderwijs onder de milieucategorie 2. Bedrijvigheid in milieucategorie 2 en 3.1 (Coenensparkstraat 25, terrein voormalig in gebruik door Liander). Op het terrein staat tevens een gasontvangstation, categorie C. Dit gasontvangstation valt onder milieucategorie 2 blijkt uit de VNG-publicatie. Raab Karcher, groothandel in bouwmateriaal (Contrescarp 2). Op basis van de VNG-publicatie valt een groothandel in bouwmateriaal onder de milieucategorie 2. Bedrijvigheid met maximale milieucategorie 2 (Coenensparkstraat 2 en 6).

Ness Köse Autoschade, autoschade reparatie (Dreef 18a). Op basis van de VNG-publicatie valt een autoschadebedrijf met autospuitactiviteiten onder de milieucategorie 3.1. Keukenland Design, showroom/verkoop keukens (Dreef 18d) Op basis van de VNG-publicatie valt een showroom van een keukenbedrijf onder de milieucategorie 1.

32

Bedrijfsruimten op perceel Hermesweg 3. In deze bedrijfsruimten kunnen zich bedrijven vestigen met een maximale milieucategorie 2. Op grond van het bestemmingsplan 'Noorderhaven', vastgesteld in 2013 en het bestemmingplan 'De Mars midden en noord (veegplan)', vastgesteld in 2016, mogen zich rondom de ontwikkeling (nieuwe) bedrijven vestigen met een maximale milieucategorie 2. In de navolgende tabel is een overzicht gegeven van de omliggende bedrijven, met de daarbij behorende bedrijfscategorie, de grootste richtafstand en de afstand tot aan de nieuwe gevoelige bestemmingen (woningen).

Opgemerkt wordt dat in het plangebied één bestaande woning aanwezig is. Deze is gelegen aan de noordzijde van het plangebied. Omdat voor deze woning sprake is van een bestaande situatie, is deze woning niet meegenomen als nieuwe hindergevoelige functie. De woning is wel gevoelig voor de hinder afkomstig van de nieuw te realiseren school voor voortgezet onderwijs. School voor voortgezet onderwijs Dit betreft een nieuw te realiseren school voor voortgezet onderwijs. Bij de woningen wordt er voldaan aan de richtafstanden van de school voor voortgezet onderwijs. Bedrijvigheid Coenenparkstraat 25 Dit betreft een bedrijfslocatie die voorheen in het gebruik was door Liander. In de huidige situatie wordt de locatie niet gebruikt. Op basis van het bestemmingsplan is op de locatie deels bedrijvigheid in milieucategorie 2 en deels in milieucategorie 3.1 mogelijk. De afstand tussen de woningen en verschillende milieuzones zijn voldoende groot. Raab Karcher (Contrescarp 2) Aan de Contrescarp 2 is het bedrijf Raab Karcher gevestigd. De richtafstand van dit bedrijf bedraagt 10 meter. De afstand tussen de woningen en Raab Karcher bedraagt meer dan 10 m, waardoor er voor de woningen wordt voldaan aan de richtafstanden. Bedrijvigheid (Coenensparkstraat 2 en 6) Op deze percelen mag zich maximaal een bedrijf met milieucategorie 2 vestigen.

De afstand tussen de woningen en de mogelijke bedrijven bedraagt meer dan 10 m, waardoor er voor de woningen wordt voldaan aan de richtafstanden.

33

Ness Köse Autoschade (Dreef 18a) Dit bedrijf heeft een richtafstand van 30 m. De afstand tussen de woningen en het bedrijf bedraagt meer dan 30 m, waardoor er voor de woningen wordt voldaan aan de richtafstanden. Bedrijfspercelen aan de Hermesweg Op deze percelen mag zich maximaal een bedrijf met milieucategorie 2 vestigen. De afstand tussen de woningen en de bedrijfspercelen aan de Hermesweg bedraagt meer dan 10 m, waardoor er voor de woningen wordt voldaan aan de richtafstanden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen aanwezig zijn voor de uitvoerbaarheid van het initiatief. 3.3.8

Water

Beleid Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. In het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Rijn en IJssel laat het waterschap zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten zij in de samenwerking met haar partners willen leggen. Vanuit die omgevingsverkenning is vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor primaire taakgebieden van het waterschap: Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer. De gemeente Zutphen beschrijft in het Watertakenplan 2021-2025 hoe de aankomende jaren (2021-2025) invulling zal worden gegeven aan de gemeentelijke watertaken en hoe dit bijdraagt aan de ambities een groene, gezonde én klimaatbestendige gemeente te zijn.

Elke gemeente in Nederland heeft drie watertaken, ook wel zorgplichten genoemd, als het gaat om de (afval)waterketen in de gemeente: de afvalwaterzorgplicht, de hemelwaterzorgplicht en de grondwaterzorgplicht. In het Watertakenplan beschrijft Zutphen hoe zij als gemeente invulling geeft aan de zorgplichten. Situatie plangebied Door Buro Ontwerp & Omgeving is in juli 2020 een quickscan Water uitgevoerd7. Deze quickscan is als Bijlage 6 bijgevoegd. De quickscan betreft een verkennend onderzoek die als input heeft gediend voor de verdere uitwerking van het aspect water voor voorliggend initiatief. Deze waterparagraaf is tot stand gekomen op basis van de informatie uit de quickscan, overleg tussen initiatiefnemer, gemeente en waterschap en een verdere uitwerking over de omgang met hemelwater. In de quickscan wordt tevens ingegaan op de ontwikkeling van de drie woongebouwen ten westen van het plangebied (veld 21A) en een middelbare school. Deze school is ten oosten van het plangebied beoogd. Het plangebied is momenteel grotendeels braakliggend. Eerder is het gebied wel bebouwd geweest, maar ter voorbereiding op de herontwikkeling is de aanwezige bebouwing gesloopt. Voor de watertoets wordt uitgegaan van een vergelijking van de situatie van 2012 (voor sloop) en de toekomstige situatie.

34

De huidige situatie van braakliggend terrein is een tijdelijke overgangssituatie. Het plangebied wordt doorsneden door de Bolwerksweg. Ten westen van het plangebied ligt de locatie van de beoogde drie woongebouwen en de IJssel. Ten zuiden wordt, als onderdeel van het plan Noorderhaven, een woonwijk (veld 4) aangelegd. Ten noorden is een parkeerplaats aanwezig. Aan de oostzijde is de Coenensparkstraat gelegen met aan de overzijde enkele bedrijven en de beoogde locatie van het nieuwe schoolgebouw. Situatieschets medio 2012 Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1,7 hectare. Medio 2012 was circa 1.700 m2 van het plangebied onverhard (10%). Op de navolgende afbeelding is een luchtfoto uit medio 2012 opgenomen. In de huidige situatie is het plangebied nagenoeg geheel braakliggend.

Luchtfoto situatie plangebied medio 2012 Toekomstige situatie In het plangebied zijn maximaal 77 nieuwe woningen gepland in grondgebonden vorm. Daarnaast wordt een parkachtige omgeving tussen de twee woonclusters aangebracht en ten westen van het noordelijke wooncluster. In de toekomstige situatie zal circa 3.500 m2 van het plangebied onverhard zijn (circa 20% van het totale oppervlakte van het plangebied). Ten opzichte van de voormalige situatie (medio 2012) neemt het percentage verharding af.

35

Watertoets Waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt. De intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op de vragen. Als erop een categorie 2 vraag een 'ja' is geantwoord, is een uitgebreide watertoets noodzakelijk. Is er op geen van de categorie 2 vragen een 'ja' geantwoord, dan kan een verkorte watertoets doorlopen worden. Als er alleen met 'nee' is geantwoord, dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden. Navolgend is de watertoetstabel opgenomen. De relevante waterthema's voor de ontwikkeling worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en vervolgens beschreven (wanneer de toetsvraag met 'ja' is beantwoord). Thema Veiligheid

Riolering en Afvalwaterketen

Wateroverlast (oppervlaktewater)

Oppervlaktewaterkwaliteit Grondwateroverlast

Grondwaterkwaliteit Inrichting en beheer

Toetsvraag Relevant 1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) Ja 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? Nee 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur? Ja 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? Nee 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap? Nee 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.500 m2? Nee 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2? Nee 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? Ja 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? Nee 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? Nee 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? Nee 2. Is in het plangebied sprake van kwel? Nee 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? Nee 4. Beoogt het plan aanleg van drainage? Nee 1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? Nee 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? Nee 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? Nee

Intensiteit

2 2 2 1 1 2 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 2

36

Volksgezondheid

Natte natuur

Verdroging Recreatie

Cultuurhistorie

1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

Nee

1

Nee Nee Nee

1 2 2

Nee Nee Nee

1 1 1

Nee

2

Nee

1

Wateroverlast Ten opzichte van de oorspronkelijke situatie is de verwachting dat het verhard oppervlak binnen het plangebied afneemt met circa 1.000 m2. In de verdere uitwerking dient rekening gehouden te worden met de juiste aanlegniveaus zoals een verhoogd vloerpeil t.o.v. de weg en verhoogde inritten voor (eventuele) ondergrondse parkeergelegenheid om wateroverlast tegen te gaan. Omgang met hemelwater Ten behoeve van het geldende bestemmingsplan 'Noorderhaven' zijn diverse onderzoeken uitgevoerd. Er is onder andere een waterstructuur- en rioleringsplan opgesteld. In het rapport wordt inzicht gegeven in de huidige en gewenste rioleringssituatie op het industrieterrein en het daarvoor benodigde watersysteem. Uitgangspunten uit het bestemmingsplan 'Noorderhaven': Hemelwater dient bij voorkeur bovengronds aangeboden te worden; Binnen het bouwblok dient de opvang en verwerking van hemelwater maximaal te zijn, bij voorkeur zodanig dat geen hemelwater wordt afgevoerd naar openbaar gebied. Ondanks infiltratie kan noodoverloop bij hoge grondwaterstand en/of extreme neerslag incidenteel voorkomen; Binnen de openbare ruimte moet zelf worden voorzien in de eigen opvang en verwerking van hemelwater.

De samenhang met de bouwblokken dient slechts om overlast en calamiteiten te voorkomen; - Indien hemelwater vanaf een bouwblok naar het openbare gebied dient te worden afgevoerd (in uitzonderlijke situaties, ter voorkoming van overlast en calamiteiten) dan dient dit bij voorkeur via het oppervlak plaats te vinden; Het maaiveld dient zo te zijn ingericht dat tijdelijke berging van neerslag mogelijk is en niet leidt tot overlast. In het plan wordt voorzien in integratie van groen en waterberging. De waterberging staat derhalve niet op zichzelf, maar heeft een dubbel doel. Het gemeentelijke beleid voor het hemelwater stelt dat dit gescheiden moet worden gehouden van het huishoudelijk afvalwater. Daarnaast wordt het relatief schone hemelwater waar nodig vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater. Voor voorliggend plan is door de gemeente en het waterschap nader bepaald dat in het plangebied moet worden voorzien in 40 mm berging. Daarnaast geldt het uitgangspunt dat bij een bui T=100 + 10% (werknorm Nationaal Bestuursakkoord Water) geen wateroverlast mag ontstaan.

37

Op basis van deze uitgangspunten is door de initiatiefnemer de omgang met het hemelwater verder uitgewerkt. In het noordelijk deel wordt het water middels leidingen naar de gedeelde binnentuin geleid, alwaar het middels een infiltratieleiding in een grote puinkoffer kan infiltreren in de bodem. Wanneer deze leiding volledig gevuld is, stort deze over in de wadi in het plantsoen, eveneens gesitueerd in de binnentuin (zie paragraaf 2.4). Wanneer deze ook volledig gevuld is, stort deze middels een put met roosterdeksel op de erfgrens over op het openbaar gebied. In het systeem van puinkoffer, wadi en leidingen is ruimte voor minimaal 40 mm berging. De overstort op het openbaar gebied vind alleen plaats bij meer dan 40 mm neerslag. In de openbare ruimte, buiten het plangebied van Veld 21B, wordt gezorgd voor extra berging waardoor een bui van T100+10 niet tot overlast leidt. In het zuidelijk deel is gekozen voor buffering van het regenwater per woning, middels ondergrondse infiltratiekratten in elke achtertuin. Wanneer deze volledig gevuld zijn, zal de overstort op een zelfde wijze verlopen middels een overstortvoorziening op maaiveld. Het water loopt dan het achterpad in waar middels infiltratiekolken en een leiding het resterende water richting een overstort stroomt.

Ook hier geldt, net als in het noordelijke deel, dat er binnen het plangebied van Veld 21B minimaal 40 mm berging word gerealiseerd. De overstort op het openbaar gebied vind alleen plaats bij meer dan 40 mm neerslag. In de openbare ruimte, buiten het plangebied van Veld 21B, wordt gezorgd voor extra berging waardoor een bui van T100+10 niet tot overlast leidt. Op basis van de uitwerking blijkt dat de waterberging, conform de uitgangspunten, voldoende gedimensioneerd is en dat er geen wateroverlast ontstaat bij een bui van T=100 + 10%. Grondwater Gezien de grondwaterstand wordt geadviseerd om (eventuele) diepe ondergrondse parkeergelegenheden, waterdicht uit te voeren. Het onttrekken van grondwater wordt in verband met de aanwezige grondwaterverontreiniging afgeraden. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en er wordt geen oppervlaktewater aangelegd. Waterkering Aan de westzijde ligt een klein deel van het plangebied in de kernzone dan wel de (buiten)beschermingszone van de waterkering van de IJssel. Het waterschap heeft voor het dijklichaam van de IJsseldijk een legger opgesteld waarin de kern- en beschermingszone zijn aangegeven evenals het profiel van vrije ruimte. In de Keur zijn de verbodsbepalingen opgenomen voor bebouwing in de verschillende zones, zoals aangegeven in de legger.

Voor de kernzone, de beschermingszone en het profiel van vrije ruimte geldt dat het onder andere verboden is om zonder watervergunning werken uit te voeren. Onder werken worden alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies met toebehoren verstaan. Nieuwbouw moet plaatsvinden buiten het profiel van de vrije ruimte. Paalfunderingen mogen wel in het profiel van vrije ruimte steken. Voor bebouwing binnen de (buiten)beschermingszone moet voor de watervergunning worden aangetoond, dat het bouwwerk het functioneren van de dijk niet negatief zal beïnvloeden. Dit geldt voor zowel de huidige ontwerpwaterstand als voor een toekomstige ontwerpwaterstand. De bebouwing (en ingeval van strokenfundering ook de fundering) moet in ieder geval buiten het profiel

38

van vrije ruimte worden geplaatst. In het geval van het voorliggende plan, vinden de werkzaamheden plaats in de buitenbeschermingszone. Hiervoor geldt dat werkzaamheden op maaiveld zonder vergunning mogelijk zijn. Voor werkzaamheden in de ondergrond is (afhankelijk van de diepte) wel een vergunning nodig. Dit vormt geen belemmering voor het plan, maar heeft mogelijk wel consequenties voor de uitvoeringsmethoden. In het betreffende deel van het plangebied is de herinrichting van de openbare ruimte (aanleg ontsluitingsweg) beoogd. Deze herinrichting heeft geen negatief effect op de waterkering. Ter bescherming van de waterkering is ter plaatse van de kernzone de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering' opgenomen en ter plaatse van de gronden die binnen de beschermingszone vallen de aanduiding 'Vrijwaringszone - dijk' (zie tevens paragraaf 4.2). Riolering Uitgangspunt voor de riolering in het ontwikkelingsgebied Noorderhaven is het afvoeren van afvalwater naar de rioolwaterzuivering via de verbeterd gescheiden riolering van het bedrijventerrein De Mars. Om de controle op lozing van afvalwater naar het rioolstelsel te waarborgen, dienen de bouwblokken op een beperkt aantal punten (1 tot maximaal 4) aangesloten te worden op de gemeentelijke riolering. De toename van het afvalwater is naar verwachting groter dan 1 m3 per uur.

Binnen het plangebied ligt geen persleiding of rioolgemaal van het waterschap. Overleg Waterschap Rijn en IJssel Het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van de procedure aan het waterschap toegestuurd. Het waterschap heeft in een reactie aangegeven dat het aspect water in het ontwerpbestemmingsplan nog niet volledig was uitgewerkt. Daarnaast was er voor het waterschap onduidelijkheid over de uitgangspunten voor de waterberging. In de quickscan Water werd gesproken over 60 mm berging maar in de waterparagraaf van het bestemmingsplan over 40 mm berging. Op basis van de opmerkingen heeft er overleg plaatsgevonden tussen waterschap, gemeente en initiatiefnemer. Als gevolg hiervan is de waterparagraaf aangevuld en nader verduidelijkt. Onder het kopje 'Omgang met hemelwater' is aangegeven op welke wijze wordt omgegaan met hemelwater en welke uitgangspunten daarbij zijn gehanteerd. Onder het kopje 'Waterkering' is verduidelijkt hoe er rekening is gehouden met de bescherming van de waterkering van de IJssel. Daarnaast is in algemene zin aangegeven dat de quickscan water een verkennend onderzoek betrof die als input is gebruikt voor de verdere uitwerking van het aspect water voor voorliggend initiatief. De 60 mm waterberging waarover wordt gesproken in de quickscan betreft een algemeen (toekomstig) uitgangspunt van de gemeente Zutphen over de gewenste waterberging.

Voor voorliggend initiatief is specifiek afgesproken 40 mm waterberging te realiseren en tevens te voldoen aan het uitgangspunt van geen wateroverlast bij een bui T=100 + 10%. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 3.3.9

Archeologie en cultuurhistorie

Algemeen Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a, van het Bro moet in een toelichting van een bestemmingsplan bij ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst, hoe er wordt omgegaan met de

39

aspecten archeologie en cultuurhistorie. De bescherming van archeologische waarden is verankerd in de Erfgoedwet. Het belangrijkste doel van deze wet is de bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door het reguleren van bodemverstorende activiteiten. Toetsing Archeologie Voor het plangebied zijn reeds meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd. Uit deze onderzoeken komt naar voren dat er nader onderzoek naar de archeologische waarden in het plangebied noodzakelijk is. Aan de westzijde van het plangebied is het nader onderzoek reeds afgerond. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 7 bij de toelichting. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat alleen een molenfundering behoudenswaardig is, alsmede de ondergrond beneden 1,1 m -mv. De molenfundering bevindt zich buiten het plangebied. Daarnaast zal de grond op het reeds onderzochte deel niet dieper dan 1,1 m -mv worden geroerd. Het overige gedeelte wordt nog onderzocht. Dit onderzoek heeft nog niet plaatsgevonden omdat het terrein in gebruik is (geweest) en niet beschikbaar was voor onderzoek. Ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden in dit deel van het plangebied, zijn op de verbeelding en in de regels bij de verwachtingswaarden passende dubbelbestemmingen voor archeologie opgenomen.

Op deze manier worden mogelijke archeologische waarden in de bodem beschermd tegen bodemingrepen in de toekomst. Cultuurhistorie De voormalige bebouwing in het plangebied is, met uitzondering van één pand, gesloopt. Het pand betreft de woning Bolwerksweg 33. Deze woning is op basis van de cultuurhistorische analyse, die in het kader van het geldende bestemmingsplan is uitgevoerd, als behoudenswaardig aangemerkt. De woning betreft geen gemeentelijk - of rijksmonument. De woning was vermoedelijk een onderdeel van het gasfabriekcomplex en tussen 1905 en 1910 gebouwd met invloeden van chalet-architectuur (met name geveltop). Opmerkelijk is het decoratieve patroon van rode dakpannen dat in het overigens met gesmoorde pannen belegde westelijke dakvlak is gelegd.

40

41

Eigenschappen behoudenswaardige woning Bolwerksweg 33 De woning is ingepast in het stedenbouwkundig plan voor de herontwikkeling van het plangebied en blijft behouden. In het plangebied zijn geen andere cultuurhistorisch waardevolle lijnen of elementen aanwezig. De woningen aan de oostzijde van het plangebied worden gericht op de Coenensparkstraat. Dit is een hoofdontsluitingsweg die ook een cultuurhistorisch structuurelement vormt voor de Noorderhaven en De Mars. Dit structuurelement wordt door de ontwikkeling van het plangebied niet aangetast. Het initiatief heeft geen negatieve gevolgen voor het aspect cultuurhistorie. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan. 3.3.10 Ecologie Algemeen Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, in beeld worden gebracht of er sprake is van invloeden op natuurwaarden en beschermde soorten. Toetsing Quickscan natuurtoets Door Staring Advies is in juli 2019 een quickscan natuurtoets uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek worden hierna behandeld8. Het onderzoek is als Bijlage 8 bijgevoegd. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Grote delen van de nabijgelegen IJsseluiterwaarden vallen binnen het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'.

Dit Natura 2000-gebied ligt op geringe afstand van het plangebied, vanaf circa 180 meter. Overige Natura 2000-gebieden, waaronder 'Landgoederen Brummen', 'Veluwe' en 'Stelkampsveld' liggen op ruimere afstand, vanaf 3,5 km. Uit een eerder uitgevoerd ecologisch onderzoek is gebleken dat de aanleg en de herontwikkeling van het plangebied niet zal leiden tot negatieve effecten op het Natura 2000-gebied 'Rijntakken', mits wordt voldaan aan een aantal randvoorwaarden9 10 (zie Bijlage 9 en Bijlage 10). Wel dient een (nieuwe) effectbeoordeling naar stikstofdepositie te worden uitgevoerd. Hierop wordt verderop in deze paragraaf nader ingegaan. Het plangebied ligt niet in het GNN (Gelders Natuurnetwerk) of in een GO (Groene Ontwikkelingszone). Het dichtstbijzijnde GNN natuurgebied is een oude meander van de IJssel 'De Overmarsch', ten westen van het plangebied. Dit gebied ligt op circa 750 meter afstand van het plangebied. Directe negatieve effecten als oppervlakteverlies en versnippering op deze gebieden zijn daarmee uit te sluiten. Het GNN

42

of de GO kent geen externe werking. Een toetsing van indirecte negatieve effecten van de ontwikkeling op het GNN of de GO is daarmee niet noodzakelijk. Soortenbescherming Voor de herontwikkeling van de Noorderhaven is reeds flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. Op basis daarvan is ontheffing aangevraagd en verleend voor de soorten huismus, gierzwaluw en de vleermuissoorten gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Voor de quickscan natuurtoets is een actueel literatuur- en veldonderzoek verricht. Op basis van dit onderzoek, het reeds uitgevoerde onderzoek en de verleende ontheffing wordt het volgende geconcludeerd. Er dient bij de geplande ruimtelijke ontwikkelingen rekening te worden gehouden met de huismus. In het plangebied zijn tijdelijke nestgelegenheden voor de huismus aangebracht, ter compensatie van de nesten in de reeds gesloopte bebouwing. Daarnaast zijn er nog groenstructuren in het plangebied aanwezig die het (tijdelijke) functioneel leefgebied van deze huismussen vormen. De tijdelijke nestgelegenheden en bijbehorende groenstructuren mogen pas verwijderd worden als er voldoende permanente voorzieningen gerealiseerd zijn, conform het mitigatieplan dat in het kader van de ontheffing is opgesteld. Het verwijderen van de tijdelijke nestgelegenheden mag bovendien alleen als er geen actuele broedgevallen zijn.

Naast het voorgaande zijn ook de de voorwaarden uit de reeds verstrekte ontheffing van toepassing. Aanvullend onderzoek of het aanvragen van een (nieuwe) ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde soort(groep)en is niet noodzakelijk. Stikstofberekening Door Heijmans is in oktober 2020 een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd11. Het onderzoek is als Bijlage 11 bijgevoegd. Het onderzoek is uitgevoerd naar de nog te realiseren woningbouwlocaties binnen het gehele transformatiegebied Noorderhaven (velden 2+3, 5, 15-16-17,18 en 21). In het onderzoek is een verschilberekening gemaakt, waarbij is uitgegaan van de bedrijvigheid en de bebouwing die in het verleden aanwezig is geweest. De bedrijfsbeëindiging en de sloop zijn rechtstreekse, onlosmakelijk samenhangende effecten van de woningbouwontwikkeling, waarmee in de effectbeoordeling rekening mag worden gehouden. De depositie van NOx als gevolg van de realisatie van de ontwikkeling en het toekomstig gebruik leidt, rekening houdende met alle samenhangende effecten, niet tot een bijdrage groter dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 3.3.11 Verkeer en parkeren

43

Algemeen Bij ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse. Toetsing Verkeer Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van maximaal 77 nieuwe woningen. Op basis van het stedenbouwkundige plan (zie paragraaf 2.4) worden deze in rijvorm uitgevoerd. Voor wat betreft het te verwachten aantal verkeersbewegingen per woning is uitgegaan van de kengetallen van CROW12. Voor de woningen wordt uitgegaan van 'koop, huis, tussen/hoek'. Daarnaast wordt uitgegaan van de verstedelijkingsgraad 'sterk stedelijk' en het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. Functie

Aantal

Rijwoningen

77

Categorie (op basis van kengetallen CROW) koop, huis, tussen/hoek

Verkeersgeneratie per woning (maximaal) 7,5

Totaal 578

Het aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie bedraagt op basis van de voorgaande uitgangspunten 578 per dag. Ten opzichte van de situatie in het verleden, toen het plangebied een woon- en bedrijfsfunctie had, zal het aantal verkeersbewegingen beperkt toenemen. Het plangebied zal door de nieuw aan te leggen ontsluitingswegen aan de noord- en zuidzijde van het plangebied worden ontsloten op de Coenensparkstraat. Deze straat heeft de functie van hoofdontsluitingsweg en heeft voldoende capaciteit om het aantal verkeersbewegingen, als gevolg van de ontwikkeling, te kunnen verwerken. De noordelijke ontsluitingsweg dient tevens ter ontsluiting van de Houthaven en het naastgelegen nog uit te werken veld 21A. Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Uitgangspunt voor parkeren zijn de parkeernormen zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan Noorderhaven ((zie tevens Bijlage 1 bij de regels). Functie

Aantal

Rijwoningen

77

Categorie (op basis van parkeernorm) segment midden + appartementen

Parkeernorm per woning Totaal 1,3

100

Het aantal benodigde parkeerplaatsen bedraagt, op basis van het meest recente stedenbouwkundige plan voor het plangebied (zie paragraaf 2.4) en de parkeernorm, 100 parkeerplaatsen. Hiervan worden 77 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd, waarvan 27 in het binnengebied in het noordelijke deel van het plangebied en 17 op de percelen bij de woningen in het noordelijk deel. In het zuidelijke deel van het plangebied zijn 23 parkeerplaatsen voorzien in een parkeerstraat en deels inpandige individuele garages in het westelijke blok en 10 parkeerplaatsen in hoofdzakelijk inpandige individuele garages in het oostelijke blok (zie tevens paragraaf 2.4). Het parkeren voor de bestaande woning gebeurt op eigen

44

terrein. Voor de 77 nieuw te bouwen woningen worden conform de parkeernorm voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Voor het bezoekersparkeren is bepaald dat dit plaats vindt in de openbare ruimte of in openbare centrale parkeervoorziening(en) op acceptabele loopafstand. De benodigde parkeerplaatsen voor het bezoekersparkeren worden gerealiseerd in de openbare ruimte aan de Schamperdijk. Volgens de parkeerbalans voor het bezoekersparkeren Noorderhaven zijn voor veld 21 in totaal ten minste 26 parkeerplaatsen voorzien. Daarnaast zijn in het nog in te richten en aan te leggen openbare ruimte tussen de velden 21A en 21B 10 parkeerplaatsen (5 in het noordelijke deel en 5 in het zuidelijke deel) voorzien. De parkeervoorzieningen aan de Schamperdijk zijn ook ten dienste van de bewoners van de 12 woonschepen in de Houthaven en eventuele bezoekers. Voor de resterende parkeerbehoefte is voldoende parkeergelegenheid in de nabijgelegen parkeergarage aan de Lijmerij, op circa 300 meter (gerekend vanaf het centrum van het plangebied). In het plangebied en de omgeving daarvan is dan ook voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de parkeerbehoefte die ontstaat als gevolg van de woningbouw in veld 21B. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

3.3.12 Economische uitvoerbaarheid Algemeen Gelet op het bepaalde in artikel 3.1 Wro moet in het kader van een bestemmingsplan onder andere inzicht worden verschaft in de economische uitvoerbaarheid van het plan. In verband daarmee is eerst onderzocht of voor het onderhavige bestemmingsplan op grond van artikel 6.12, eerste lid Wro de verplichting bestaat om één of meer exploitatieplannen vast te stellen. Op grond van artikel 6.12, lid 1 van de Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een in het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) aangewezen bouwplan is voorgenomen. Dit zijn de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen; de bouw van één of meer gebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m2 bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2.

Op grond van artikel 6.12, lid 2 Wro kan van deze verplichting worden afgezien, indien (globaal) sprake is van de volgende factoren:

45

het verhaal van de kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is, en; het bepalen van een fasering en/of het vastleggen van locatie-eisen niet noodzakelijk is. Voor de beoordeling van de vraag of het kostenverhaal anderszins verzekerd is, is de eigendomsituatie van belang. In het geval dat alle gronden binnen een exploitatiegebied eigendom zijn van de gemeente, kan de gemeente de kosten van de grondexploitatie verrekenen in de prijs van de uit te geven bouwrijpe kavels. In dat geval is het kostenverhaal afdoende anderszins verzekerd en is het vaststellen van een exploitatieplan niet verplicht. Een andere mogelijkheid is dat de gemeente in een overeenkomst met de ontwikkelaar heeft vastgelegd hoe de kosten van de grondexploitatie worden verrekend. Ook in dat geval is het vaststellen van een exploitatieplan niet verplicht. Toetsing Begin 2011 heeft de gemeente, in het kader van het geldende bestemmingsplan 'Noorderhaven', een samenwerkingsovereenkomst met de ontwikkelaar vastgesteld met daarbij een grondexploitatie. Deze overeenkomst mag beschouwd worden als exploitatieovereenkomst, in die zin, dat hierin afspraken gemaakt worden over de grondexploitatie in algemene zin en kostenverhaal specifiek.

Met andere woorden, met de ontwikkelaar zijn afspraken gemaakt over grondtransacties met de gemeente, over (exploitatie)bijdragen in de aanleg van openbare ruimte aan de gemeente en over de verantwoordelijkheden die de ontwikkelaar heeft in het realiseren van het woning- en voorzieningenprogramma in Noorderhaven. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plangebied begrepen gronden anderszins is verzekerd. Hierdoor hoeft geen (apart) exploitatieplan te worden vastgesteld. Conclusie Het aspect economische uitvoerbaarheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

46

Hoofdstuk 4

Juridische planaspecten

4.1

Algemeen

4.1.1

Wat is een bestemmingsplan

Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden' (omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.

Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van het ruimtelijke beleid. 4.1.2

Bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden

Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijhorende regel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: Via een dubbelbestemming Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één 'enkel' bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regel van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. Via een aanduiding Een aanduiding is een teken op de verbeelding dat betrekking heeft op een vlak op die kaart. Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.

47

4.1.3

Hoofdstukindeling van de regels

De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2. Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.

Alleen zo is een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsregels. 4. Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

4.2

Dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

48

4.2.1

Bijzonderheden in dit bestemmingsplan

In dit bestemmingsplan zijn de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Wonen' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1', 'Waarde - Archeologische verwachting 2' en 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Hieronder volgt een korte toelichting op de genoemde bestemmingen. Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud, de ontwikkeling en versterking van de aanwezige landschappelijke waarden, groenvoorzieningen, extensieve dagrecreatie, speelvoorzieningen, watergangen, waterpartijen en -infiltratievoorzieningen alsmede schouwpaden en andere voorzieningen voor de watervoorziening waaronder bodempassages en duikers, fiets-, wandelen toegangspaden, straatmeubilair, bruggen, geluidswerende voorzieningen en nutsvoorzieningen. Behalve gebouwen voor nutsvoorzieningen, zijn geen andere gebouwen toegestaan binnen deze bestemming. Wel zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals speel- en ecologische voorzieningen of straatmeubilair toegestaan. In de bouwregels van deze bestemming zijn de maatvoeringseisen voor de bouw van deze bouwwerken opgenomen.

Verkeer - Verblijfsgebied De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor (woon)straten, buurtwegen, fietspaden, tunnels, pleinen en trottoirs met een inrichting hoofdzakelijk gericht op bestemmingsverkeer en verblijfsfuncties, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, wandelgebieden en speelvoorzieningen, straatmeubilair, nutsvoorzieningen, windafschermende bebouwing of voorzieningen, geluidsafschermende voorzieningen, watergangen, waterpartijen en -infiltratievoorzieningen alsmede schouwpaden en andere voorzieningen voor de watervoorziening waaronder bodempassages en duikers. Binnen de bestemming mogen, met uitzondering van gebouwen voor nutsvoorzieningen, uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd. In de bouwregels van deze bestemming zijn de maatvoeringseisen voor de bouw van deze bouwwerken opgenomen. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor maximaal 78 woningen. Deze woningen betreffen geen woonwagens of woonschepen. Daarnaast zijn nutsvoorzieningen, toegangspaden, waterlopen en voorzieningen voor de waterhuishouding, groen- en speelvoorzieningen, verblijfsgebieden, (woon)straten en parkeervoorzieningen, tuinen en erven toegestaan. Binnen de bestemming is, onder voorwaarden, ook de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of een aan-huis-verbonden bedrijf toegestaan.

De bestemming biedt, onder voorwaarden, ook de mogelijkheid voor afhankelijke woonruimte en een kinderdagverblijf bij een woning. In deze bestemming zijn drie bouwvlakken opgenomen. De woningen mogen alleen in het bouwvlak worden gebouwd. De woningen mogen in vrijstaande, aaneengebouwde en twee-aaneengebouwde vorm worden gebouwd. De bestaande woning aan de noordzijde van het plangebied heeft een eigen bouwvlak gekregen. Met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is bepaald dat hier maximaal

49

één woning is toegestaan. Deze woning maakt deel uit van het maximale aantal woningen van 78 woningen. De maximale bouwhoogte van de woningen wordt bepaald door de aanduiding 'maximum aantal bouwlagen'. Het aantal bouwlagen van de woningen mag niet meer bedragen dan het aangegeven aantal. Voor de bestaande woning geldt dat het bestaande aantal bouwlagen is toegestaan. Tevens zijn aan- en bijgebouwen toegestaan binnen het bouwvlak. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde (bijvoorbeeld schuttingen), zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de bouwregels van de bestemming. Waarde - Archeologische verwachting 1 en Waarde - Archeologische verwachting 2 De voor Waarde - Archeologische verwachting 1 en 2 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen ('Groen', 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Wonen'), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische resten in de bodem. Waterstaat - Waterkering Het plangebied ligt tegen de dijk van de IJssel aan. De kernzone van deze dijk is bestemd met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'.

De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming ('Verkeer - Verblijfsgebied'), mede bestemd voor de aanleg, de bescherming, het onderhoud en de verbetering van de waterkering, berging en afvoer van water, ijs en sediment alsmede onderhoudspaden en kwelsloten, met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde zoals duikers, keerwanden en merktekens. Binnen de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' mag in principe alleen ten behoeve van deze bestemming worden gebouwd. Van deze bepaling kan, na overleg met de beheerder van de waterkering (Waterschap Rijn en IJssel), met een omgevingsvergunning worden afgeweken. 4.2.2

Algemene regels

Algemene aanduidingsregels Vrijwaringszone - dijk De dijk van de IJssel heeft ook een beschermingszone. Deze beschermingszone is aangeduid als 'Vrijwaringszone - dijk'. In de algemene aanduidingsregels is bepaald dat ter plaatse van deze aanduiding de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming ('Verkeer - Verblijfsgebied'), mede bestemd voor het onderhoud en het beheer van de op de aangrenzende gronden gelegen waterkering, met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde en voorzieningen, ter bescherming en uitbreiding van de waterkerende functie van de waterkerende dijk. Voor deze aanduiding geldt ook dat ter plaatse van de aangeduide gronden geen bebouwing mag worden gebouwd, met uitzondering van de bestaande bebouwing. Hiervan kan eveneens, na overleg met de beheerder van de dijk, worden afgeweken met een omgevingsvergunning. Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied 2 en Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied 4

50

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied 2' en 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied 4' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een adequaat grondgebruik ten behoeve van een bodemenergiesysteem voor energievoorziening middels 'koude-/warmteopslag' in de bodem. Ter bescherming van dit systeem omgevingsvergunningenstelsel opgenomen.

is

voor

beide

beschermingsgebieden

een

Overige algemene regels Naast de bestemmingen en de hiervoor genoemde algemene aanduidingsregels, bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.

51

Hoofdstuk 5 5.1

Procedure

Inspraak

Met de inwerkingtreding van de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure is de verplichte inspraak, alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen, komen te vervallen. Ook de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening verplicht gemeenten niet meer tot het bieden van de mogelijkheid tot inspraak. De gemeente Zutphen heeft een inspraakverordening. Het bevoegde orgaan, in dit geval burgemeester en wethouders, bepaalt of er gebruik wordt gemaakt van inspraak. Tevens bepaalt zij voor welke termijn er inspraak mogelijk is. In dit geval is er sprake van een nadere uitwerking van het moederplan en omdat er voor een ieder nog de gelegenheid bestaat zienswijzen naar voren te brengen, geen gebruik gemaakt van inspraak.

5.2

Overleg

Conform artikel 3.1.1 van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van en bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan betrokken instanties en heeft overleg plaatsgevonden.

5.3

Ontwerp

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 18 februari 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Tijdens de zienswijzenperiode zijn vier zienswijzen ingediend. Hiervoor wordt verwezen naar de 'Zienswijzennota Ontwerpbestemmingsplan Noorderhaven Veld 21B'. De zienswijzennota is bijgevoegd bij het raadsbesluit behorende bij dit bestemmingsplan.

52

Eindnoten

1. Het gaat globaal om het stedelijk netwerk Stedendriehoek, bestaande uit delen van de gemeenten Apeldoorn, Deventer en Zutphen, met de daarbinnen gelegen kernen van de gemeenten Brummen, Lochem en Voorst. 2. Buro Ontwerp & Omgeving, 11 november 2020, Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai Noorderhaven (Blok 21), Zutphen, projectnummer 2920.01 3. https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/ 4. Kragten, 15 april 2021, Quickscan Externe Veiligheid, Noorderhaven te Zutphen, projectnummer WND662-0001 5. Kragten, 20 mei 2021, Externe veiligheid buisleidingen, Noorderhaven Zutphen, projectnummer WND663-0001 6. Kragten, 20 mei 2021, Verantwoording hoogte groepsrisico, Noorderhaven Zutphen, projectnummer WND662-0001 7. Buro Ontwerp & Omgeving, 30 juli 2020, Quickscan Water, Middelbare school en woningbouw Noorderhaven te Zutphen, projectnummer 2920.01 8. Staring Advies, 15 juli 2019, Quickscan natuurtoets, Noorderhaven in Zutphen, rapportnummer 1968 9. Arcadis, 5 juli 2010, Nader ecologisch onderzoek, Noorderhaven Zutphen, documentnummer 074897562:0.4!/AM 10. SAB, 19 september 2013, Activiteitenplan Flora en fauna, Zutphen, Noorderhaven, projectnummer 130314 11. Heijmans, 23 oktober 2020, Memo stikstof Noorderhaven 12. CROW, december 2018, Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381

53

Ruimtelijke Onderbouwing

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Pierikstraat 11 te Gaanderen Woningbouw Noorderhaven te Zutphen Gemeente Doetinchem

Gemeente Zutphen

Projectnummer: 2920.01 Datum: 12 november 2020

Inhoudsopgave Algemeen ............................................................................................................... 3 Toetsing ................................................................................................................. 4 2.1

Algemeen ................................................................................................................................................... 4

2.2

De kenmerken van het project ................................................................................................................... 4

2.3

De plaats waar de activiteit wordt verricht ............................................................................................... 5

2.4

De kenmerken van het potentiële effect .................................................................................................... 5

Conclusie ................................................................................................................ 8 Bijlage 1 Ecologisch onderzoek Bijlage 2 Stikstofberekening

2

Algemeen Om te bepalen of voor het project een milieueffectrapport (M.E.R.) moet worden opgesteld, is het van belang om te kijken of de ontwikkeling een activiteit is als opgenomen in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.). In de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. Het onderscheid tussen deze twee bijlagen is dat in bijlage C er direct sprake is van een m.e.r.-plicht voor besluiten met een omvang boven de drempelwaarden en besluiten onder de drempelwaarden zijn niet m.e.r.-plichtig. Onderdeel D geeft aan of er voor besluiten beoordeeld moet worden of er m.e.r. noodzakelijk is. Voor besluiten met een omvang boven de drempelwaarden moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Pas na het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r-beoordeling is duidelijk of er een M.E.R. moet worden opgesteld.

3

Toetsing 2.1

Algemeen Het initiatief ziet toe op het mogelijk maken van maximaal 150 nieuwe woningen met bijbehorende ontsluiting, groen en parkeerplaatsen. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt een bestemmingsplan, een wijzigingsplan en een uitwerkingsplan in procedure gebracht. Om te bepalen of voor het project een milieueffectrapport (M.E.R.) moet worden opgesteld, is het van belang om te kijken of de ontwikkeling een activiteit is als opgenomen in de bijlagen van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.). De realisatie van de woningen met bijbehorende ontsluiting, groen en parkeerplaatsen kan worden gekwalificeerd als "de aanleg of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: • een oppervlakte van 100 hectare of meer; • een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen; • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De activiteit valt ruim beneden de gestelde drempelwaarde, waardoor geen sprake is van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag zich ervan moet vergewissen of de activiteit, wanneer deze onder de drempelwaarden zit, daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben, waarbij het in het bijzonder moet worden nagegaan of sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Dit is de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij het bepalen van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu wordt, conform de Bijlage III van de Europese Richtlijn, ingegaan op de volgende onderdelen: • de kenmerken van het project; • de plaats waar de activiteit wordt verricht; • de kenmerken van het potentiële effect.

2.2

De kenmerken van het project Ten noorden van de spoorlijn Arnhem-Deventer ligt het transformatiegebied 'Noorderhaven'. In het verleden maakte dit gebied deel uit van bedrijventerrein 'De Mars'. Het onderzoeksgebied maakt deel uit van het transformatiegebied. In het onderzoeksgebied zijn maximaal 150 nieuwe woningen gepland, in zowel grondgebonden als gestapelde vorm. De invulling van de gestapelde woningen bestaat uit drie woontorens met ondergrondse parkeervoorziening in een parkachtige groene omgeving. Met het plan is sprake van herstructurering binnen bestaand stedelijk gebied.

4

2.3

De plaats waar de activiteit wordt verricht Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Zutphen ten noorden van de spoorlijn ArnhemDeventer en ten westen van de IJssel. De locatie kan omschreven worden als een stedelijk gebied. Op geringe afstand van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (circa 180 m). Overige Natura 2000-gebieden, waaronder ‘Landgoederen Brummen’, ‘Veluwe’ en ‘Stelkampsveld’ liggen op ruimere afstand, vanaf 3,5 km. Navolgend is het plangebied (rood) ten opzichte van het Natura 2000gebied ‘Rijntakken’ weergegeven.

Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’

2.4

De kenmerken van het potentiële effect De omvang van het project ligt ver beneden de voor de m.e.r.-beoordeling gedefinieerde drempelwaarden. In de navolgende paragrafen van dit hoofdstuk is aangetoond dat voor deze ontwikkeling geen sprake is van negatieve effecten op het milieu. Op grond van de kenmerken van het plan en de ligging, kan de realisatie van de woningen, met bijbehorende ontsluiting, groen en parkeerplaatsen in potentie de volgende milieueffecten hebben: • verslechtering van de luchtkwaliteit in de omgeving; • invloed op omliggende beschermde natuurgebieden.

2.4.1

Luchtkwaliteit Ten opzichte van de situatie in het verleden, toen het plangebied een woon- en bedrijfsfunctie had, zal het aantal verkeersbewegingen beperkt toenemen. Verkeer zorgt voor uitstoot van stikstofdioxide en fijn stof. In deze paragraaf zijn de voormalige verkeersbewegingen niet meegenomen en wordt uitgegaan van de toekomstige situatie. Voor wat betreft het te verwachten aantal verkeersbewegingen is uitgegaan

5

van de kengetallen van CROW1. Voor de grondgebonden woningen wordt uitgegaan van 'koop, huis, tussen/hoek' en de voor de appartementen van 'koop, apartement, duur'. Daarnaast wordt uitgegaan van de verstedelijkingsgraad 'sterk stedelijk' en het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. Functie

Aantal Categorie (op basis van kengetallen CROW)

Grondgebonden woningen

77

koop, huis, tussen/hoek 7,5 per woning

578

Appartementen

73

koop, appartement, duur 7,5 per woning

548

Totaal aantal verkeersbewegingen

Verkeersgeneratie (maximaal)

Totaal

1.126

Het totaal aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie bedraagt 1.126 per dag. Hiervan zal naar verwachting bij maximaal 2% sprake zijn van een vrachtwagen. Met behulp van de NIBM rekentool2 (versie augustus 2020) is bepaald dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging (zie navolgende afbeelding). Deze tool gaat uit van een worstcase situatie: bij de berekening van de concentratietoename zijn de kenmerken van het verkeer, de straat en de omgeving zo gekozen dat een situatie ontstaat met een maximale luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is op grond van de Wet milieubeheer niet noodzakelijk.

1 2

CROW, december 2018, Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381. De NIBM-tool is een rekenprogramma voor luchtkwaliteit, dat gebaseerd is op de Standaardrekenmethode 1 (SRM1) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Dit rekenmodel is gepubliceerd op de website van Kenniscentrum InfoMil (www.infomil.nl) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

6

2.4.2

Beschermde natuurgebieden Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Grote delen van de nabijgelegen IJsseluiterwaarden vallen binnen het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Dit Natura 2000-gebied ligt op geringe afstand van het plangebied, vanaf circa 180 meter. Overige Natura 2000-gebieden, waaronder 'Landgoederen Brummen', 'Veluwe' en 'Stelkampsveld' liggen op ruimere afstand, vanaf 3,5 km. Uit ecologisch onderzoek van Arcadis uit 2010 is gebleken dat de aanleg en de herontwikkeling van het gebied Noorderhaven niet zal leiden tot negatieve effecten op het Natura 2000-gebied 'Rijntakken', mits wordt voldaan aan een aantal randvoorwaarden 3. Deze voorwaarden zijn opgenomen in het onderzoek. Het onderzoek is als bijlage 1 bijgevoegd. In het onderzoek werd niet ingegaan op de effecten van mogelijke stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied als gevolg van de ontwikkeling. Om die reden is door Heijmans in oktober 2020 een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd4. Het onderzoek is als bijlage 2 bijgevoegd. Het onderzoek is uitgevoerd naar de nog te realiseren woningbouwlocaties binnen het gehele transformatiegebied Noorderhaven (velden 2+3, 5, 15-16-17, 18 en 21). In het onderzoek is een verschilberekening gemaakt, waarbij is uitgegaan van de bedrijvigheid en de bebouwing die in het verleden aanwezig is geweest.

De bedrijfsbeëindiging en de sloop zijn rechtstreekse, onlosmakelijk samenhangende effecten van de woningbouwontwikkeling, waarmee in de effectbeoordeling rekening mag worden gehouden. De depositie van NOx als gevolg van de realisatie van de ontwikkeling en het toekomstig gebruik leidt, rekening houdende met alle samenhangende effecten, niet tot een bijdrage groter dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebieden. Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Het plangebied ligt niet in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of in een Groene Ontwikkelingszone (GO). Het dichtstbijzijnde GNN natuurgebied is een oude meander van de IJssel 'De Overmarsch', ten westen van het plangebied. Dit gebied ligt op circa 750 meter afstand van het plangebied. Directe negatieve effecten als oppervlakteverlies en versnippering op deze gebieden zijn daarmee uit te sluiten. Het GNN of de GO kent geen externe werking.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=034bbad5-59d6-4a28-b58f-3bc46f8003ea