Bijlage 3 Quick scan natuurwaardenonderzoek
Tekst van het document
Quickscan natuurwaardenonderzoek Hoveniersweg 16 te Zutphen
In het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Hoveniersweg 16 te Zutphen
In het kader van de Wet natuurbescherming
Uitgevoerd door:
Natuurbank Overijssel
Opdrachtgever: Contactpersoon:
Raacc Adviesbureau S. Elgersma Ringlaan 9 6961 KJ Eerbeek
Projectnummer en versie: 2251 versie 1.0 Veldmedewerker(s): P.Leemreise Ligging projectgebied: Hoveniersweg 16 te Zutphen
Auteur: P.Leemreise
Status: definitief Rapportdatum: 16-1-2020
Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten E: Tel:
info@natuurbankoverijssel.nl 0543-451142 / 0614-435700 1
Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 1 Inleiding ........................................................................................................................................................... 5 2 Het plangebied ................................................................................................................................................ 6 2.1 Ligging van het plangebied ....................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 3 Voorgenomen activiteiten............................................................................................................................... 7 3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten .................... 7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ...............................................................................................................
7 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 8 4 Gebiedsbescherming ....................................................................................................................................... 9 4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 9 4.2 Gelders Natuurnetwerk............................................................................................................................ 9 4.3 Natura2000 ............................................................................................................................................ 10 4.4 Slotconclusie........................................................................................................................................... 11 5 Soortenbescherming; het onderzoek ............................................................................................................ 12 5.1 Verwachting en bureauonderzoek ......................................................................................................... 12 5.2 Methode .................................................................................................................................................
12 5.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 14 5.4 Toetsingskader ....................................................................................................................................... 17 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 18 5.6 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................ 21 5.7 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 21 6 Conclusies ...................................................................................................................................................... 22 Bijlage ............................................................................................................................................................... 23
2
Samenvatting Er zijn concrete plannen voor de bouw van een woning op een perceel aan de Hoveniersweg 16 te Zutphen. Ter compensatie voor de bouw van de woning, wordt bestaande bebouwing op het erf gesloopt. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 12 november 2019 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura2000-gebied.
Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk leiden de voorgenomen fysieke activiteiten niet tot wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen schaduwwerking kent. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura2000-gebied en het plangebied, is het niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten zullen leiden tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis- , amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een winterrustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.
Werkzaamheden die leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd te worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die mogelijk een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. De functie van het plangebied als foerageergebied, voor de in het plangebied voorkomende vleermuis-, vogel- , amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten, wordt niet aangetast.
3
Samenvattende conclusie Het plangebied bestaat uit bebouwing, gras- en braakland en opgaande beplanting. Het plangebied vormt een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten, maar een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten, worden mogelijk beschermde diersoorten verwond en/of gedood en worden mogelijk rust- en voortplantingslocaties beschadigd en vernield. Beschermde dieren mogelijk niet opzettelijk verwond of gedood worden en bezette vogelnesten mogen niet beschadigd of vernield worden. Rust- en voortplantingsplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen wel beschadigd en vernield worden omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Mits er geen beschermde dieren verwond of gedood worden en bezette vogelnesten niet negatief beïnvloed worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën verwond of gedood worden, dienen ze weggevangen of verjaagd te worden. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten beschadigd of verstoord worden, dienen werkzaamheden die een negatief effect op bezette vogelnesten hebben, uitgevoerd te worden buiten de broedtijd.
Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren verwond of gedood worden, dient een ontheffing verkregen te worden. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de ligging op enige afstand van een Natura2000-gebied, is het niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten zullen leiden tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden.
4
1 Inleiding Er zijn concrete plannen voor de bouw van een woning op een perceel aan de Hoveniersweg 16 te Zutphen. Ter compensatie voor de bouw van de woning, wordt bestaande bebouwing op het erf gesloopt. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura2000-gebied) en de Omgevingsverordening Gelderland 2017; vastgesteld 19-12-2018 (Gelders Natuurnetwerk). Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.
5
2 Het plangebied 2.1 Ligging van het plangebied Het plangebied is gesitueerd aan de Hoveniersweg 16 te Zutphen. Het ligt in het buitengebied, circa 1 kilometer ten westen van De Hoven. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op de topografische kaart.
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker in de cirkel aangeduid (bron: pdok.nl).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied vormt een deel van een voormalig agrarisch erf en bestaat uit bebouwing, opgaande beplanting, grasland en braakland. In het plangebied staan twee schuren en een romneyloods. De schuren zijn gedekt met golfplaten en bekleed zijn met damwandplaten. De romneyloods is volledig bekleed met stalen golfplaten. De staat van onderhoud van de schuren is slecht. In zowel het dak als de zijwanden zitten grote gaten. De gebouwen beschikken niet over dak- of wandisolatie. Aan de achterzijde van de bebouwing staat een hulst en een scheerhaag van conifeer. Het grasland bestaat uit een soortenarme vegetatie van raaigras. Het braakland bestaat uit grond die voorheen in gebruik was t.b.v. tuinbouw. Op onderstaande afbeelding wordt een luchtfoto van het plangebied weergegeven, evenals de begrenzing van het onderzoeksgebied. Voor een impressie van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage.
Detailopnames van het plangebied. De begrenzing van het onderzoeksgebied wordt met de gele lijnen aangeduid. Het meest rechtse deel van de bebouwing is reeds gesloopt (bron luchtfoto: PDOK.nl). 6
3 Voorgenomen activiteiten 3.1 Algemeen Het voornemen bestaat om een vrijstaande woning met bijgebouw in het plangebied te bouwen. Om de bouw mogelijk te maken dient alle aanwezige bebouwing gesloopt te worden en de aanwezige beplanting gerooid te worden. Het nieuwe woonerf wordt nadien landschappelijk ingepast. Op onderstaande afbeelding wordt het bouwvlak van de nieuw te bouwen woning aangeduid.
Verbeelding van het bouwvlak waarbinnen de nieuwe woning gebouwd zal worden.
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: Slopen bebouwing; Rooien beplanting; Bouwrijp maken bouwplaats; Bouwen woning;
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden Mogelijke permanente invloeden: Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep.
7
In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals slopen en bouwen. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid, stof en trillingen waarneembaar buiten het plangebied, maar deze effecten zijn incidenteel en kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijke invloed op beschermde soorten, rust- of voortplantingslocaties buiten het plangebied.
3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijkgesteld aan het plangebied.
8
4 Gebiedsbescherming 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit op beschermd natuurgebied (Natura2000) en het Gelders Natuurnetwerk. 4.2 Gelders Natuurnetwerk Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een Zoekgebied nieuwe natuur van 7.300 hectare, voor 5.300 hectare nog te realiseren nieuwe natuur. Een groot deel van de Gelderse natuurgebieden is internationaal beschermd: de Natura 2000-gebieden. Juist in deze gebieden moet de biodiversiteit worden behouden of verbeterd. De provincie geeft in het natuurbeleid prioriteit aan het behalen van de Natura 2000-doelen in de Natura 2000-gebieden. Het Gelders Natuurnetwerk vervult daarnaast een belangrijke rol bij het behoud van de biodiversiteit. De Ecologische verbindingszones maken voor een klein deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening.
Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals stilte. De (nog te ontwikkelen) natuurwaarden zijn beschreven en als bijlage bij de Omgevingsverordening opgenomen. De omgevingscondities zijn in de bijlage bij de Omgevingsverordening wel benoemd, maar er heeft geen provinciedekkende inventarisatie plaatsgevonden. Bij projecten kan op maat een effectbeschrijving worden gemaakt voor de relevante omgevingscondities. Ligging t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk Het plangebied ligt op minimaal 370 meter afstand van gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Gelders Natuurnetwerk in de omgeving van het plangebied weergegeven. GNN
GO
370 meter afstand tussen het plangebied en de gronden die tot het Gelders natuurnetwerk behoren.
Ligging van Gelders Natuurnetwerk in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid. Gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) behoren, worden met de donkergroene kleur aangeduid. De lichtgroene kleur duidt gronden aan die tot de Groene Ontwikkelingszone (GO) behoren (bron: Ruimtelijke plannen).
9
Het plangebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk. Omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen externe werking kent, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Effectbeoordeling Het plangebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk. Vanwege de lokale invloedsfeer, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk behoren. Wettelijke consequenties De bouw van een de woning leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingsverordening Gelderland.
4.3 Natura2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied behoort niet tot Natura2000. Het plangebied ligt op minimaal één kilometer afstand van het Natura2000-gebied Rijntakken (bron: Pdok.nl). Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
1 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura2000 behoren.
Ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied. Natura2000-gebied wordt met de lichtblauwe kleur aangeduid. De ligging van het plangebied wordt met de rode stip aangeduid (bron pdok.nl).
Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); 10
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door de Minister van EZ. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
Als gevolg van het stopzetten van de PAS-systematiek, mogen plannen die leiden tot een verhoogde depositie van NOx/NH3 op Natura2000-gebied, niet in uitvoering gebracht worden zonder Wet natuurbeschermingsvergunning, uitgezonderd plannen die onder de Noodwet stikstof vallen. Per 1-1-2020 is de Noodwet stikstof van kracht. Het doel van deze tijdelijke wet is om projecten op het gebied van woningbouw, infrastructuur en landbouw door te laten gaan. Projecten worden daartoe van 'dringend openbaar belang' verklaard. Tijdens het half jaar dat de wet van kracht is, kan het kabinet een definitieve oplossing zoeken.
Effectbeoordeling Beoordeling Stikstof Het plangebied ligt op 1’km afstand van een Natura2000-gebied. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen fysieke activiteiten, is het niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten zullen leiden tot een toename van NOx-depositie op verzuringsgevoelige Habitattypen in een Natura2000-gebied. De inzet van materieel t.b.v. sloop en bouw (o.a. grondverzet) is gering en tijdens de bouw- en gebruiksfase neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied tijdelijk en in beperkte mate toe. Deze verkeersbewegingen vinden plaats op enige afstand van Natura2000-gebied. Er is geen berekening uitgevoerd m.b.v. het computerprogramma Aerius Calculator, maar deze conclusie is tot stand gekomen op basis van ervaring met het opstellen van diverse stikstofberekeningen voor soortgelijke projecten. Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de ligging op enige afstand van Natura2000-gebied, is een negatief effect, als gevolg van de uitvoering van fysieke werkzaamheden uitgesloten. Als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten zijn effecten zoals geluid, trillingen en optische verstoring niet waarneembaar in Natura2000-gebied. Ook wordt het areaal Natura2000-gebied niet verkleind en wordt grond- en oppervlaktewater niet aangetast.
trillingen en optische verstoring niet waarneembaar in Natura2000-gebied. Ook wordt het areaal Natura2000-gebied niet verkleind en wordt grond- en oppervlaktewater niet aangetast.
4.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen schaduwwerking kent. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura2000-gebied en het plangebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen voor een Natura2000-gebied. 11
5 Soortenbescherming; het onderzoek 5.1 Verwachting en bureauonderzoek Het plangebied bestaat uit bebouwing, gras- en braakland en opgaande beplanting. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een weinig geschikt functioneel leefgebied voor zeldzame- en kritische (grondgebonden) diersoorten en als een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten beschouwd. Mogelijk behoort het plangebied tot functioneel leefgebied van sommige diersoorten uit onderstaande soortgroepen: vogels; vleermuizen; grondgebonden zoogdieren; amfibieën; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, amfibieën en reptielen.
5.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 12 november 2019 tijdens de daglichtperiode (ochtend) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50), zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28), maar deze is niet gebruikt. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: veldbezoek door ervaren ecoloog;1 aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; Atlas van de zoogdieren van Nederland; Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; Het weer tijdens het veldbezoek Bewolkt, droog, temperatuur 6⁰C, 2-3 Bft.
1
Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. P.E.B. Leemreise. Hij heeft ruim 30 jaar ervaring als veldbioloog. Eerst specifiek op het gebied van vogelstudie, later meer integraal met een tweede specialisatie op het gebied van grondgebonden kleine zoogdieren en vleermuizen. Hij voert jaarlijks ca. 200 quickscan natuurwaardenonderzoeken uit, verspreid over heel Nederland. Behalve beroepsmatig, is hij ook in de vrije tijd betrokken bij vogel- en vleermuisonderzoek, waaronder verschillende projecten in het kader van de Netwerk Ecologische Monitoring (NEMVT) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ook is hij voorzitter van de Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek en bestuurslid van de Vleermuiswerkgroep Gelderland. 12
Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat vogels in deze tijd van het jaar geen territoriumindicerend gedrag (zingen/balts) vertonen en geen bezette nesten hebben. Sommige standvogels, zoals de huismus, steen- en kerkuil zijn nog aanwezige in de buurt van de nest-/rustplaats, maar de meeste trekvogelsoorten hebben de broedplaats verruild voor hun overwinteringsgebied. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Met uitzondering van sommige muizensoorten, hebben de meeste grondgebonden zoogdieren geen zogende jongen in deze tijd van het jaar.
Veel van de in het voorjaar geboren jongen zijn zelfstandig en hebben de nestplaats verlaten. Dat heeft tot gevolg dat ‘zwervende’ grondgebonden zoogdieren soms op de meest vreemde plekken opduiken. Dit hoeven dan niet altijd ‘vaste rust- of voortplantingsplaatsen’ te zijn. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is ongeschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. In deze tijd van het jaar bezetten vleermuizen de winterrustplaats en zitten ze diep weggekropen in gebouwen. Gewone dwergvleermuizen hebben in de periode half augustus-half september de massa-winterverblijfplaatsen bezocht tijdens de donkere uren van de nacht (zogenaamde middernachtzwermen), wat vaak duidelijk zichtbaar is door de aanwezige uitwerpselen en urine op muren, ramen en op de grond nabij de invliegopening(en). Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rustverblijfplaatsen van vleermuizen. Daarbij is gezocht naar vleermuizen en aanwijzingen die op de aanwezigheid van een verblijfplaats in het plangebied duiden.
Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute, maar de mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is ongeschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën omdat amfibieën de winterrustplaats hebben betrokken en zijn dan niet of heel moeilijk waar te nemen. Winterrustplaatsen bevinden zich in holen en gaten in de grond, onder opgeslagen materialen, afval, takkenbossen, boomstammen of onder water in de sliblaag van natte landschapselementen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.
13
5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten de buitenruimte als foerageergebied en er nestelen vermoedelijk ieder voortplantingsseizoen vogels in het plangebied. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied broeden zijn houtduif, holenduif, merel, groenling, witte kwikstaart, vink en tjiftjaf. Vogels kunnen nestelen in de te slopen bebouwing en in de opgaande beplanting, zoals de conifeerhaag. Er zijn tijdens het bezoek geen huismussen aangetroffen in het plangebied en het naastgelegen erf en er zijn geen aanwijzingen gevonden uilen een rust- of nestplaats bezetten in het plangebied. Aanwezigheid van uilen is doorgaans gemakkelijk vast te stellen aan de hand van schijtsporen en de aanwezigheid van braakballen. Dergelijke sporen zijn niet aangetroffen in het plangebied. Het plangebied wordt niet als onderdeel van het foerageergebied van de steenuil beschouwd.
Door het slopen van bebouwing en het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield. Als gevolg van het vernielen van bezette vogelnesten worden mogelijk eieren beschadigd of vernield of worden (jonge) vogels verwond of gedood. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten blijft de functie van het plangebied als foerageergebied voor de meeste vogelsoorten behouden. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing tijdens de voortplantingsperiode; - Rooien beplanting tijdens de voortplantingsperiode; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat grondgebonden zoogdieren een rust- en/of voortplantingslocatie bezetten in het plangebied, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische beschermde grondgebonden zoogdiersoorten als bosmuis, egel, huisspitsmuis, veldmuis, aardmuis, haas, vos en steenmarter. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk foerageergebied, maar mogelijk bezetten soorten als bosmuis, aardmuis, veldmuis en huisspitsmuis er een rust- en/of voortplantingslocatie.
Voorgenoemde soorten kunnen een rust- en voortplantingslocatie bezetten in holen en gaten in de grond, in/onder opgeslagen goederen, en onder (groen)afval. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de steenmarter een vaste rust- en/of voortplantingsplaats bezet in het plangebied. Een potentiële verblijfplaats van de steenmarter, zoals een holle spouw of dichte (hooi)zolder is niet in het plangebied aangetroffen.
14
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, worden mogelijk grondgebonden zoogdieren verwond en gedood, en worden mogelijk vaste rust- en voortplantingsplaatsen beschadigd en vernield. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten gaat de functie van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren niet verloren. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing; - Verwijderen opgeslagen goederen/rommel; - Uitvoeren grondverzet;
Composthoop in het plangebied. kleine zoogdieren kunnen een rust- en/of voortplantingsplaats bezetten in de composthoop.
Vleermuizen Rust- en verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied aangetroffen. De te slopen bebouwing beschikt niet over een (holle) spouw en potentiële verblijfplaatsen, zoals holle ruimte achter een gevelbetimmering, vensterluik, dakpan, windveer of zonnescherm, ontbreken in het plangebied. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren sommige algemene vleermuissoorten als laatvlieger, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis boven en rond de bebouwing en beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de oppervlakte van het plangebied, is de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen vrij gering. Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied.
15
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Vliegroute Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen gebruik maken van vliegroutes. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als vliegroute. Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer wordt het plangebied als een geschikt functioneel leefgebied voor amfibieën beschouwd.
Vermoedelijk benutten sommige algemene- en weinig kritische amfibieënsoorten als gewone pad, bruine kikker, bastaardkikker en kleine watersalamander de buitenruimte van het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. Amfibieën kunnen een winterrustplaats bezetten in holen en gaten in de grond, maar ook onder opgeslagen goederen, (groen)afval en de strooisellaag. Amfibieën bezetten soms ook een winterrustplaats in toegankelijke gebouwen (mits ze een beschutte rustplaats kunnen vinden; een kale kapschuur is ongeschikt). Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer van het plangebied, en de ligging op enige afstand van geschikt voortplantingsbiotoop, is de betekenis van het plangebied als functioneel leefgebied zeer gering. Mogelijk benut slechts één of enkele dieren het plangebied als functioneel leefgebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied niet als functioneel leefgebied van de rugstreeppad of een andere zeldzame amfibieënsoort beschouwd. Los van de geschiktheid, ligt het plangebied ook geïsoleerd van het normale verspreidingsgebied. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk amfibieën verwond en gedood en worden mogelijk (winter)rustplaatsen van amfibieën beschadigd en vernield.
De beperkte functie van het plangebied als foerageergebied wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Rooien beplanting; - Slopen bebouwing; - Uitvoeren grondverzet; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
16
5.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk vangen en de vaste voortplantings- en rustplaatsen van deze soorten opzettelijk beschadigen of vernielen, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Gelderland van kracht. In afwijking met de meeste provincies in Nederland, mogen in Gelderland beschermde soorten niet gedood worden als gevolg van activiteiten die uitgevoerd worden in verband met een ruimtelijke ontwikkeling. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op verwonden en doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode.
Op het moment van schrijven van dit rapport is er geen goedgekeurde gedragscode van kracht voor de voorgenoemde activiteiten. Foerageergebied Foerageergebied voor beschermde soorten is niet expliciet beschermd in de Wet natuurbescherming, tenzij het expliciet onderdeel uitmaakt van jaarrond beschermde rust- en nestplaatsen en het essentieel foerageergebied betreft en het vernietigen/aantasten van het foerageergebied de gunstige staat van instandhouding van de soort negatief beïnvloed. Bij de beoordeling van het effect zal daarom aangegeven worden of het foerageergebied, essentieel foerageergebied betreft; van belang voor de gunstige instandhouding van de soort. Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2.
indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wettelijk kader Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. In het kader moet zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Dit betreft maatwerk. Indien het mogelijk is om zinvolle concrete maatregelen m.b.t. de zorgplicht te benoemen, zijn deze opgenomen in dit rapport.
17
5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het verstoren/vernielen van een bezet nest (eieren) of het verwonden/doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Door het aantasten van de functie van het plangebied als foerageergebied, wordt de duurzame instandhouding van geen enkele vogelsoort in gevaar gebracht. Het aantasten van de functie van het plangebied als foerageergebied, lijdt daarom niet tot wettelijke consequenties.
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode; - Beplanting rooien buiten de voortplantingsperiode; Vleermuizen Verblijfplaatsen Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Essentieel foerageergebied Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen;
18
Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes2 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren verwond en/of gedood en worden mogelijk rust- en/of voortplantingslocaties beschadigd en vernield. De in het plangebied voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten mogen niet gedood worden zonder ontheffing van de verbodsbepalingen. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen mogen beschadigd en vernield worden omdat de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (zie tabel onder voor toepasbare vangmiddelen).
Toepasbare vangmiddelen om beschermde grondgebonden zoogdieren weg te vangen uit het plangebied (bron: Omgevingsverordening Gelderland d.d. 19-12-2018).
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren niet aangetast. De in het plangebied voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten mogen niet gedood worden zonder ontheffing van de verbodsbepalingen. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen mogen beschadigd en vernield worden omdat de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (zie tabel onder voor toepasbare vangmiddelen).
2
Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 19
Mits er geen grondgebonden zoogdieren (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen (mits geen grondgebonden zoogdieren verwond of gedood worden); Amfibieën Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk amfibieën verwond en gedood en worden mogelijk (winter)rustplaatsen beschadigd en vernield. De in het plangebied voorkomende amfibieën mogen niet gedood worden zonder ontheffing van de verbodsbepalingen. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen mogen beschadigd en vernield worden omdat de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (zie tabel boven voor toepasbare vangmiddelen). Mits geen amfibieën (opzettelijk) gedood worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen (mits geen amfibieën verwond of gedood worden); Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven.
20
Soortgroep
Functie
Beschermde soorten planlocatie
Verbodsbepalingen*
aandachtspunt
Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Vogels
Foerageergebied
Diverse soorten
Geen
Rust- en voortplantingslocaties Doden en verwonden dieren Foerageergebied
Mogelijk diverse soorten Mogelijk diverse soorten Diverse soorten
Niet van toepassing, vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing, vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Art. 3.10 lid 1a
Vogels
Bezette nesten (niet jaarrond beschermd)
Diverse soorten
Niet van toepassing; duurzame instandhouding van de soort wordt niet aangetast Art. 3.1 lid 2
Vogels
Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Doden en verwonden dieren
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Diverse soorten
Art. 3.1 lid 1
Vleermuizen Vleermuizen Vleermuizen
Verblijfplaats Vliegroute Foerageergebied
Niet aanwezig Niet aanwezig Mogelijk diverse soorten
Vleermuizen
Doden en verwonden dieren
Diverse soorten
Amfibieën Amfibieën
Voortplantingsbiotoop Foerageergebied
Amfibieën
(Winter)rustplaats
Amfibieën
Doden en verwonden dieren Dieren en overige functies
Niet aanwezig Mogelijk diverse soorten Mogelijk diverse soorten Mogelijk diverse soorten Niet aanwezig
Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing; er wordt geen essentieel foerageergebied aangetast Niet van toepassing; er worden geen vleermuizen verwond of gedood Niet van toepassing Niet van toepassing, vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing, vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Art. 3.10 lid 1a
Vogels
Overige soorten
Niet van toepassing
Geen Geen dieren doden, of ontheffing aanvragen Geen
Bebouwing slopen en beplanting rooien buiten de voortplantingsperiode Geen Bebouwing slopen en beplanting rooien buiten de voortplantingsperiode Geen Geen Geen
Geen
Geen Geen Geen Geen dieren doden, of ontheffing aanvragen Geen
Samenvatting van de wettelijke consequenties. Soortgroep
Rust- en verblijfplaats
Voortplantingsplaats
Vliegroute (vleermuizen)
Essentieel foerageergebied
Wettelijke consequenties?
Nader onderzoek vereist
Grondgebonden zoogdieren
ja
Ja
n.v.t.
nee
ja
nee
Vogels
nee
ja
n.v.t.
nee
Ja
nee
Vleermuizen Amfibieën
nee ja
nee nee
nee n.v.t.
nee nee
nee Ja
nee nee
Ontheffing vereist?
Nee, tenzij er dieren gedood worden nee, mits rekening gehouden wordt voortplantingsperiode van vogels nee Nee, tenzij er dieren gedood worden
Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep.
5.6 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 5.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.
21
6 Conclusies De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten3 geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘opzettelijk beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Beschermde soorten mogen niet opzettelijk gedood worden. Voor beschermde soorten waarvoor die vrijstelling niet geldt, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden en om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te beschadigen en te vernielen. Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk leiden de voorgenomen fysieke activiteiten niet tot wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen schaduwwerking kent. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura2000-gebied en het plangebied, is het niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten zullen leiden tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied. Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis- , amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten.
Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een winterrustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Werkzaamheden die leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd te worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die mogelijk een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.
De functie van het plangebied als foerageergebied, voor de in het plangebied voorkomende vleermuis-, vogel- , amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten, wordt niet aangetast. Conclusie Mits er geen beschermde dieren verwond of gedood worden en bezette vogelnesten niet negatief beïnvloed worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Om te voorkomen dat grondgebonden zoogdieren verwond of gedood worden, mogen ze weggevangen of verjaagd worden. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten beschadigd of verstoord worden, dienen werkzaamheden die een negatief effect op bezette vogelnesten hebben, uitgevoerd te worden buiten de broedtijd. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren verwond of gedood worden, dient een ontheffing verkregen te worden. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de ligging op enige afstand van een Natura2000-gebied, is het niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten zullen leiden tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden.
3
Zie bijlage 2 van dit rapport 22
Bijlage Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:
23
Bijlage 2 Toelichting Wet Natuurbescherming Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: -
-
Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk.