CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

965940 - Bijlage 2 - Was-wordt lijst Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zutphen 2025

Raadsvergadering 14 april 2025, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststellen Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zutphen 202515.467 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

a. Woonvoorzieningen en hulpmiddelen: i. maximaal het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een

-

Bij huishoudelijke hulp: het uurloon 36

begeleiding groep, huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging, deeltijdverblijf/ logeeropvang/ respijtopvang, wonen/verblijf individueel en groep; 2. Informele hulp in de vorm van begeleiding individueel licht, begeleiding groep licht en persoonlijke verzorging: minimaal het minimumloon inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, en maximaal 100% van de in het tweede lid van artikel 5.22 van de Regeling langdurige zorg genoemde gangbare vergoeding per uur, dagdeel of etmaal. Dit is een all-in bedrag waarbinnen de noodzakelijke kosten en toeslagen zijn gedekt; 3. Informele hulp in de vorm van huishoudelijke zorg: minimaal het minimumloon inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en maximaal 60% van het tarief voor huishoudelijke hulp in natura, categorie 1. Dit is een all-in bedrag waarbinnen de noodzakelijke kosten en toeslagen zijn gedekt; 4. Vervoer van en naar de dagbesteding: het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van de dichtst bij de woning van de cliënt gelegen geschikte dagbestedingslocatie en rekening houdend met eventuele beperkingen die het reizen met bepaalde vormen van het openbaar vervoer door de cliënt belemmeren;

overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering of; ii. maximaal het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte als de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten; iii. bij voorzieningen waarbij de verwachte kosten meer dan €5000,- bedragen, worden minstens twee offertes opgevraagd en kan een programma van eisen worden opgesteld; iv. als het gaat om hulpmiddelen die zijn opgenomen in de raamovereenkomst Wmohulpmiddelen 2024-2028 wordt het pgb als volgt berekend: - pgb bedrag volwassenen: het huurbedrag van de raamovereenkomst berekend over een afschrijvingstermijn van zeven jaar. - pgb bedrag kinderen: het huurbedrag van de raamovereenkomst berekend over een afschrijvingstermijn van vijf jaar.

-

van de hoogste periodiek behorend bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Bij begeleiding: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met de tegenwaarde van de verlofuren.

Lid 1 onder c: Alleen begeleiding licht wordt als pgb verstrekt. Gezien de complexere zorgvraag is het van belang dat een professional met afstand tot de cliënt wordt ingezet. Mensen uit sociale netwerk zonder kwalificaties kunnen deze complexe vorm van begeleiding ook niet leveren.

b. Huishoudelijke hulp: - formele huishoudelijke hulp: 100% van het tarief van de door de gemeente gecontracteerde 37

5. Taxi- en rolstoeltaxivervoer: op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief; 6. Een autoaanpassing: op basis van de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; 7. Verhuishulp: op basis van de laagste kostprijs van de verhuizing die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente contracteerde verhuizer en rekening houdend met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende verhuizer; 8. Een vervoershulpmiddel, een (sport)rolstoel of een roerende woonvoorziening: de tegenwaarde van de goedkoopst adequate voorziening, dan wel de huurprijs van de goedkoopst adequate voorziening, zoals die door het college aan de leverancier wordt betaald. 9. Onderhoud en reparatie (zijnde instandhoudingskosten) van een vervoershulpmiddel of een roerende woonvoorziening: een bedrag achteraf en op declaratiebasis. Hiervoor dient de cliënt een onderhoudscontract af te sluiten voor de duur van 7 jaar. Het bedrag voor onderhoud en reparaties is gebaseerd op maximaal de kosten van een door de gemeente geaccepteerde

-

ondersteuning in natura bij een schoon huis; informele huishoudelijke hulp: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren;

c. Begeleiding en persoonlijke verzorging: i. formele hulp: 100% van het tarief van de door de gemeente gecontracteerde begeleiding bij activiteiten in natura. ii. informele hulp in de vorm van begeleiding individueel licht en persoonlijke verzorging: Het tarief per uur bedraagt maximaal de hoogte van het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. iii. informele hulp in de vorm van begeleiding groep licht: minimaal het minimumloon inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. d. Respijtopvang: i. formele hulp: 100% van het tarief van de 38

offerte, rekening houdend met een bedrag voor de WA-verzekering, indien deze verplicht is; 10. Een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing: voor de berekening van de hoogte van het pgb worden de volgende posten meegenomen: a. de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening; b. de risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991; c. het architectenhonorarium tot ten hoogste 2% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in Standaard voorwaarden (SR) 1997 van de Bond van Nederlandse Architecten. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld komen deze kosten voor compensatie in aanmerking; d. de kosten voor het toezicht op de uitvoering, als dit nodig is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; e. de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; f. de verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting; g. de prijs van bouwrijpe grond, als dit nodig is en niet binnen de oorspronkelijke kavel kan

door de gemeente gecontracteerde respijtopvang in natura; e. Vraagafhankelijk vervoer: i. niet-gecontracteerde taxivervoerder: maximaal het geldende tarief conform de regeling maximumtarief en bekendmakingen tarieven taxivervoer tot een maximum van 2000 kilometer per jaar; ii. eigen vervoer (alternatief Plus OV): maximaal de fiscaal vrijgestelde vergoeding per kilometer tot een maximum van 2000 kilometer per jaar; f. Routegebonden vervoer (vervoer van en naar dagbesteding) i. niet-gecontracteerde taxivervoerder: 100% van het tarief van de door de gemeente gecontracteerde aanbieder van vervoer van en- naar dagbesteding. 2. Als het op basis van het eerste lid vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de voorziening hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht. 3. Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het pgb.

39

worden gebouwd; h. de door het college (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien konden worden; i. de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing; j. de kosten van (her)aansluiting op de openbare nutsvoorziening; k. bouwplaatskosten; l. werkvoorbereidings- en uitvoerderskosten; m. eventuele constructeurskosten; n. notariskosten; o. kosten voor aanpassing voorzienbare sloop of onbewoonbaarverklaring. 11. Als het op basis van het eerste, vierde of vijfde lid vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.

40

Hoofdstuk 6 Financiële tegemoetkoming Artikel 6:1 Financiële tegemoetkoming 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming als dit een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie en het om één van de volgende voorzieningen gaat: a. de kosten voor verhuizen en herinrichting. De hoogte is gebaseerd op marktonderzoek naar de kosten voor verhuizen en de Nibud-normen voor stoffering.

Hoofdstuk 6: In de Wet maatschappelijke ondersteuning is opgenomen dat een pgb kostendekkend moet zijn. Een financiële tegemoetkoming is niet per se kostendekkend en verschilt daarmee van een pgb. De vergoeding voor verhuizing en inrichting en de vergoeding voor sportvoorzieningen werden in feite al als financiële tegemoetkoming verstrekt en worden in het nieuwe besluit ook zo aangeduid.

41

b. de kosten voor een sportvoorziening. 2. Het college legt de hoogte van de financiële tegemoetkoming vast in nadere regels. Hoofdstuk 6 Bijdragen

Hoofdstuk 7 Bijdragen Dit artikel is verwijderd omdat de gemeente Zutphen geen door de gemeente bepaalde bijdragen in de kosten voor algemene voorzieningen kent.

Artikel 6.1 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van: a. de klussendienst, ter hoogte van € 15,00 per uur; b. de tuindienst, ter hoogte van € 15,00 per uur; 3. Een cliënt met een minimum inkomen betaalt de helft van de bijdrage, als bedoeld in het eerste lid. 4. De in het eerste lid vermelde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil van het voorafgaande jaar en worden ieder opvolgend kalenderjaar gewijzigd aan de hand van ontwikkeling van de consumentenprijsindex (CPI). De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,20. 5. Als toepassing is gegeven aan het derde lid, draagt het college zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen. Artikel 6.2 Bijdrage in de kosten van

Artikel 7:1 Bijdrage in de kosten van 42

maatwerkvoorzieningen 1.

2.

3.

4.

Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor een pgb wordt verstrekt. De bij verordening aangewezen maatwerkvoorzieningen zijn: a. huishoudelijke zorg type 1 en type 2 b. persoonlijke verzorging; c. begeleiding individueel licht, basis en complex; d. begeleiding groep licht, basis, complex, duurzaam en duurzaam intensief; e. respijtopvang thuis, basis en hoog; f. vervoersvoorzieningen; g. woonvoorzieningen. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening voor een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het maximale maandbedrag voor de ongehuwde

maatwerkvoorzieningen 1.

Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor een pgb wordt verstrekt.

2.

Voor de niet in het derde tot en met het achtste lid vermelde maatwerkvoorzieningen bedraagt de hoogte van de bijdrage voor een of meerdere voorzieningen tezamen het landelijk vastgestelde tarief voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt tezamen.

3.

De hoogte van de bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor het vraagafhankelijk vervoer is per rit gelijk aan van de door de gemeente gecontracteerde vervoer geldende opstaptarief plus een tarief vermenigvuldigd met het aantal gereisde kilometers.

4.

De bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen worden vastgesteld conform het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Lid 2: In plaats van een opsomming te geven van alle producten, is aangegeven dat het abonnementstarief geldt tenzij anders is vastgelegd.

43

cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, zoals vastgelegd in hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vierde lid van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 5.

6.

De kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. De kostprijs van een pgb is gelijk aan de verstrekte pgb

5.

De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget is gelijk aan de hoogte van het pgb.

6.

De hoogte van de bijdrage in de kosten voor maatschappelijke opvang wordt door het gemeentebestuur van de centrumgemeente Deventer vastgesteld.

7.

Als een maatwerkvoorziening of pgb wordt verstrekt voor een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd door: o de onderhoudsplichtige ouders en; o degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, lid 2, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening door het Centraal Administratie Kantoor (CAK) vastgesteld en geïnd.

8.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is geen bijdrage in de kosten verschuldigd bij of voor:

Lid 8 onder d: Voor rolstoelen mag geen bijdrage worden geïnd. We trekken hierin een lijn voor alle sportvoorzieningen.

a. een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming; b. aanpassingen in een gemeenschappelijke ruimte; 44

c. een maatwerkvoorziening in het kader van Werkt Mee; d. sportvoorzieningen; e. rolstoelen.

Artikel 6.3 Ritbijdrage vraagafhankelijk en routegebonden vervoer

Artikel 7:2 Ritbijdrage vraagafhankelijk vervoer

1. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet wordt voor gebruik van het vraagafhankelijke vervoer een ritbijdrage gevraagd. Deze ritbijdrage bestaat uit een opstaptarief en een kilometertarief.

1. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet wordt voor gebruik van vraagafhankelijk vervoer een ritbijdrage gevraagd. Deze ritbijdrage bestaat uit een opstaptarief en een kilometertarief.

2. Binnen het vraagafhankelijke vervoer wordt er onderscheid gemaakt in tarieven voor lokaal verplaatsen en bovenlokaal verplaatsen: a. Lokaal verplaatsen: Voor vervoer over maximaal 20 kilometer binnen een reisgebied van 20 kilometer vanaf het adres waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft, wordt een ritbijdrage gevraagd wordt van € 0,17 per km met een opstaptarief van € 0,95. b. Voor het vervoer over een afstand van 20 tot 40 km vanaf het adres waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft, wordt een ritbijdrage gevraagd van € 1,80 per km met een opstaptarief van € 0,95.

Artikel 7.2 en artikel 7.3. Het onderscheid tussen vraagafhankelijk en routegebonden vervoer is verduidelijkt. Lid 2 onder a en b: De tarieven zijn geactualiseerd.

2. Binnen het vraagafhankelijke vervoer wordt er een onderscheid gemaakt in tarieven voor lokaal verplaatsen en bovenlokaal verplaatsen: a. lokaal verplaatsen: voor vervoer over maximaal 20 kilometer binnen een reisgebied van 20 kilometer vanaf het adres waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft wordt een ritbijdrage gevraagd van €0,23 km met een opstaptarief van €1,25; dit tarief geldt ook voor vervoer in het kader van ziekenbezoek naar de ziekenhuizen in Deventer, Apeldoorn en Doetinchem; b. bovenlokaal verplaatsen: voor het vervoer over een afstand van 20 tot 40 45

3. De in het tweede lid genoemde tarieven gelden ook voor de sociale begeleider. Een medisch begeleider betaalt geen ritbijdrage. 4. Minderjarigen tot 4 jaar reizen gratis mee. Minderjarigen van 4 tot 12 jaar met een Wmoindicatie krijgen op het totale tarief van de in het tweede lid genoemde ritbijdragen een procentuele korting van 34% 5. Voor een vervoerspas wordt een bedrag van € 8,00 in rekening gebracht, ook bij diefstal en verlies. 6. Voor het routegebonden vervoer van en naar een geïndiceerde maatwerkvoorziening is het hebben van een vervoerpas niet verplicht. 7. Voor het routegebonden vervoer van en naar een geïndiceerde maatwerkvoorziening betaalt de cliënt geen kilometertarief en geen opstaptarief.

kilometer vanaf het adres waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft, wordt een ritbijdrage gevraagd van €2,35 per km met een opstaptarief van €1,25. 3. De ritbijdrage geldt ook voor de sociale begeleider. Een medisch begeleider betaalt geen ritbijdrage. 4. Minderjarigen tot 4 jaar reizen gratis mee. Minderjarigen van 4 tot 12 jaar met een Wmo-indicatie krijgen op het totale tarief van de ritbijdragen een korting.

Artikel 7:3 Vervoer van en naar dagbesteding (routegebonden vervoer) 1. Voor het routegebonden vervoer van en naar een geïndiceerde maatwerkvoorziening is het hebben van een vervoerpas niet verplicht. 2. Voor vervoer van- en naar dagbesteding betaalt de cliënt geen kilometertarief en geen opstaptarief.

Hoofdstuk 7 Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 8 Toezicht en handhaving

Artikel 7.1 Toezicht 1. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de algemene voorwaarden voor de inkoop Wmo,

Artikel 8:1 Toezicht 1. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de algemene 46

zoals door het college vastgesteld, en de naleving van rechtmatige uitvoering van de Wmo, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de voorziening. 2. Het college stelt nadere regels vast over de bevoegdheden van de toezichthouder.

Artikel 7.2 Maatregelen onterechte toekenning voorzieningen 1. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet is een cliënt die een aanvraag heeft ingediend of aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt, verplicht zo spoedig mogelijk en schriftelijk aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening. 2. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a. niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening; b. beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens

voorwaarden voor de inkoop Wmo, zoals door het college vastgesteld, en de naleving van rechtmatige uitvoering van de we, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de voorziening. 2. Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder. Artikel 8.2 Maatregelen onterechte toekenning voorzieningen en wangedrag

Lid 2: Er zijn op dit moment geen nadere regels over de bevoegdheden van de toezichthouder die door het college vastgesteld zijn. Echter is het wel wenselijk dat deze mogelijkheid er is. Daarom is hier een kan-bepaling van gemaakt.

1. Een cliënt die een aanvraag heeft ingediend of aan wie een voorziening is verstrekt, moet zo snel mogelijk schriftelijk aan het college melden als er feiten of omstandigheden zijn die het recht op de voorziening kunnen beïnvloeden. 2. Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken als een van de situaties in artikel 2.3.10, eerste lid wet zich voordoet.

Herhaling van de wet heeft geen meerwaarde. Daarom is de opsomming uit het voormalige lid 2 verwijderd.

3. Als de cliënt een met het pgb aangeschafte voorziening binnen de afschrijvingstermijn niet meer gebruikt: 47

bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen; c. de cliënt niet langer op de voorziening is aangewezen; d. de voorziening niet meer toereikend is te achten; e. de cliënt de voorziening niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor hij is verstrekt; f. de cliënt langer dan 13 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg; 3. Als de cliënt een met het pgb aangeschafte voorziening binnen de afschrijvingstermijn niet meer gebruikt: i. wordt de restwaarde van de voorziening verrekend met een nieuw toe te kennen pgb; ii. wordt bij een eventueel nieuw toe te kennen pgb voor instandhoudingkosten voor de nog niet verstreken termijn verrekend met de nieuw toe te kennen instandhoudingkosten; iii. wordt, als er geen nieuw pgb wordt toegekend, de restwaarde van de voorziening teruggevorderd. 4. Een besluit tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken

a. wordt de restwaarde van de voorziening verrekend met een nieuw toe te kennen pgb; b. wordt bij een eventueel nieuw toe te kennen pgb voor instandhoudingkosten voor de nog niet verstreken termijn verrekend met de nieuw toe te kennen instandhoudingkosten. 4. Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het budget binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 5. Als het recht op een voorziening is ingetrokken, kan op basis daarvan een al uitbetaald pgb worden teruggevorderd met terugwerkende kracht tot uiterlijk de datum dat het recht is ingetrokken. 6. Bij herhaald en ernstig wangedrag bij het ontvangen van diensten dan wel herhaalde onzorgvuldige omgang met verstrekte voorzieningen, kan het college al dan niet tijdelijke

c onder het voormalige lid 3 is verwijderd. Op basis van de wet heeft de gemeente geen terugvorderingsgrond als geen sprake is geweest van opzettelijk verstrekken van onjuiste/onvolledige gegevens.

48

als blijkt dat het budget binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

maatregelen voor de cliënt treffen ter bescherming van de medewerker van een aanbieder dan wel voorkomen van (verdere) schade

5. Als het recht op een voorziening is ingetrokken, kan op basis daarvan een reeds uitbetaald persoonsgebonden budget worden teruggevorderd met terugwerkende kracht tot uiterlijk de datum dat het recht is ingetrokken.

Artikel 7.3 Maatregelen bij misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen 1. Ingeval het recht op verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening dan wel de geldwaarde van de toegekende voorziening worden teruggevorderd als de voorziening is verleend op basis van onjuist verstrekte gegevens.

Lid 6: Ter bescherming van de medewerker van de aanbieder is toegevoegd dat er maatregelen kunnen worden getroffen bij herhaal en ernstig wangedrag. Het oude artikel 7.2 en 7.3 zijn samengevoegd. Daarmee komt het oude artikel 7.3 te vervallen.

2. Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken kan deze voorziening worden teruggehaald. 3. Bij herhaald en ernstig wangedrag bij het ontvangen van diensten dan wel herhaalde onzorgvuldige omgang met verstrekte voorzieningen, kan het college al dan niet 49

tijdelijke maatregelen voor de cliënt treffen ter bescherming van de medewerker van een aanbieder dan wel voorkomen van (verdere) schade. 4. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er bij een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a., d. of e. van de wet. 5. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 7.2 tweede lid, onder f. 6. Het college stelt de persoon aan wie het pgb verstrekt is schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het vierde of vijfde lid. Hoofdstuk 8 Kwaliteit en Klachten

Hoofdstuk 9 Kwaliteit en klachten

Artikel 8.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders die formele hulp bieden in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, in de vorm van een maatwerkvoorziening in natura of pgb, voldoen

Artikel 9:1 Kwaliteitseisen en bestrijding oneigenlijk gebruik 1. Aanbieders die formele hulp bieden in het kader van de wet, in de vorm van een maatwerkvoorziening in natura of

Lid 2 en lid 3: Dit stond in het voormalige artikel 5.4 over formele en informele hulp.

50

kwalitatief aan wat daarover is bepaald in de wet en in de meest recente inkoopdocumenten Jeugdhulp, Wmo en MO/BW GGZ, zoals door het college vastgesteld. 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder inbegrepen eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

pgb, voldoen kwalitatief aan wat daarover is bepaald in de wet en in de meest recente inkoopdocumenten in het kader van de wet, zoals door het college vastgesteld. 2. In aanvulling op het derde lid moet een formele zorgaanbieder in ieder geval voldoen aan de volgende kwaliteitseisen a. verleent verantwoorde hulp (ondersteuning op goed niveau, veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht en afgestemd op de reële behoefte van de cliënt); b. organiseert zich op zodanige wijze en voorziet zich zodanig van personeel en materieel dat leidt tot verantwoorde hulp; c. beschikt over een systeem voor dossiervorming; d. werkt met een uitvoeringsplan, evaluatie en een urenregistratie; e. werkt met medewerkers die beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG); f. beschikt over een meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling; g. beschikt over een klachteninstantie; h. heeft een vastgesteld privacy beleid en houdt zich daaraan. 51

4. Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorziening, alsook de bestedingen van een pgb, worden gebruikt of besteed voor het doel waarvoor ze is verstrekt.

3. Informele moet kwalitatief voldoen aan de volgende voorwaarden: a. de zorg aan de cliënt leidt niet tot overbelasting van de persoon die behoort tot het sociale netwerk; b. de persoon die behoort tot het sociale netwerk oefent op geen enkele wijze druk uit op de cliënt bij de besluitvorming om over te gaan tot uitbetaling; c. de inzet van de persoon die behoort tot het sociale netwerk is aantoonbaar van goede kwaliteit en daarbij staat het belang van de cliënt centraal. d. individuele begeleiding en groepsbegeleiding basis en complex kunnen niet informeel worden aangeboden. 4. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 5. Het college onderzoekt, al dan niet 52

steekproefsgewijs, of de verstrekte voorziening, alsook de bestedingen van een pgb, worden gebruikt of besteed voor het doel waarvoor ze is verstrekt.

Artikel 8.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de voorziening stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1° een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2° de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld als in lid 1, vast:

Artikel 9:2 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de voorziening stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde, of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1° een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2° de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 53

i.

j.

overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die voorziening, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, lid 2, onderdeel c, van de wet, en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, lid 2, van de wet, tussen degenen aan wie de voorziening wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college kan lid 1, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de voorziening te hanteren die gebaseerd is op het

2. Het college stelt de prijzen, als bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die voorziening, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid onderdeel c, van de wet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid van de wet, tussen degenen aan wie de voorziening wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; d. reis- en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder 54

geen gesteld is in lid 2 en lid 3. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in lid 1 hij een overeenkomst aangaat. Artikel 8.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij het verstrekken van een voorziening door een aanbieder. Het college wijst in dit kader een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Een aanbieder meldt iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij het verstrekken van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Het college kan nadere regels vaststellen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij het verstrekken van een voorziening.

rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

Artikel 9:3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onmiddellijk aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, als bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

55

4. Het college kan nadere regels stellen over welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij het verstrekken van een voorziening. Artikel 8.4 Klachtenregeling en medezeggenschap 1. Klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen, als bedoeld in deze verordening, worden overeenkomstig het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht afgehandeld.

Artikel 9:4 Klachtenregeling en medezeggenschap 1. Aanbieders zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.

Het voormalige lid 1 heeft geen meerwaarde en is daarom verwijderd. Het voormalige lid 3 is verwijderd omdat dit al bij 8.1 aan bod komt.

2. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten bij alle door hen uitgevoerde voorzieningen. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden, ziet het college toe op het naleven van de klachtregelingen van aanbieders door periodiek overleg met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. -------------------------------------------------------------4. Aanbieders met meer dan tien cliënten moeten een regeling vaststellen voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn voor de door hen ontvangen voorzieningen.

2. Aanbieders met meer dan tien cliënten moeten een regeling vaststellen voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn voor de door hen ontvangen 56

5. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden, ziet het college toe op het naleven van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodiek overleg met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Hoofdstuk 9: Beleidsparticipatie Artikel 9.1 Betrekken van inwoners van de gemeente 1. Het college stelt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid over maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen over maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2. Het college zorgt er voor dat inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie. 3. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

voorzieningen.

Hoofdstuk 10 Beleidsparticipatie Artikel 10:1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien 57

van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 3. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

Hoofdstuk 11 Slotbepalingen Artikel 11:1 Hardheidsclausule Het college kan één of meer artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang van het bieden van maatschappelijke ondersteuning, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 10.1 Hardheidsclausule Het college kan één of meer artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang van het bieden van maatschappelijke ondersteuning, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel 10.2 Intrekking oude verordening en overgangsrecht De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zutphen 2018, zoals vastgesteld bij besluit

Artikel 11:2 Intrekking oude verordening en overgangsrecht De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zutphen 2020, zoals vastgesteld bij besluit van 16 december 2019, wordt ingetrokken. Artikel 11:3 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na de datum van bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2025.

58

van 2 juli 2018, wordt ingetrokken. Artikel 10.3 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020. Artikel 10.4 Overgangsrecht 1. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zutphen 2018, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 2. Een aanvraag die is ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zutphen 2018 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, wordt afgehandeld krachtens deze verordening. 3. Op een bezwaarschrift, gericht tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zutphen 2018, wordt beslist met inachtneming van die verordening. Artikel 10.5 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zutphen 2020.

Artikel 11:4 Overgangsrecht 1. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zutphen 2020 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 2. Een aanvraag die is ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zutphen 2020 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, wordt afgehandeld op grond van deze verordening. 3. Het beslissen op een bezwaarschift gericht tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zutphen 2020, gebeurt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zutphen 2020 die daarvoor zijn geldigheid behoudt.

Artikel 11:5 Inwerkingtreding en citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning 59

gemeente Zutphen 2025.

60

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=792a64e3-8c58-4dc5-8f12-9c82c71195d2