692327-Bijlage 2- Eindverslag inspraak participatieverordening en beleidskader
Tekst van het document
Bijlage behorende bij Beleidskader samenwerken aan een sterk Zutphen en Verordening inspraak, participatie en uitdaagrecht gemeente Zutphen 2024 zaaknummer: 692327 Eindverslag inspraak over Beleidskader samenwerken aan een sterk Zutphen en de Verordening inspraak, participatie en uitdaagrecht gemeente Zutphen 2024 Het concept Beleidskader samenwerken aan een sterk Zutphen en de concept Verordening inspraak, participatie en uitdaagrecht gemeente Zutphen 2024 hebben in de periode van 28 maart 2024 tot en met 25 april 2024 op grond van de Inspraakverordening Zutphen voor een ieder ter inzage gelegen, voor het geven van een reactie/ zienswijze. In deze periode is er één reactie/ zienswijze ontvangen, waar hieronder nader op in wordt gegaan.
Inspraakreactie/ zienswijze 1 Nr. 1.
Inhoud inspraakreactie/ zienswijze Inspreker stelt aanpassing van artikel 4, eerste lid van de verordening voor. Inspreker merkt op dat in artikel 150, eerste lid Gemeentewet staat vermeld: ‘De raad stelt een verordening vast waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken.’ Artikel 4 in de verordening luidt als volgt: Artikel 4 Procedure bij inwonerparticipatie 1. Elk bestuursorgaan besluit voor zijn eigen bevoegdheden of en hoe inwonerparticipatie wordt toegepast bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Het bestuursorgaan doet dat voorafgaand aan de start van het beleidsproces. De woorden ‘worden betrokken’ in artikel 150, eerste lid Gemeentewet laten volgens inspreker geen ruimte om geen participatie toe te passen. Om deze reden is inspreker van opvatting dat de woorden ‘of en hoe’ in artikel 4, eerste lid van de verordening vervangen moeten worden door ‘in welke vorm’. Verzoek tot aanpassing: De woorden ‘of en hoe’ vervangen door ‘in welke vorm’.
Reactie gemeentebestuur Zutphen Door de woorden ‘of en hoe’ te vervangen door ‘in welke vorm’ wordt geen ruimte meer in de besluitvorming gelaten om geen participatie toe te passen. Bij de vaststelling van artikel 150 Gemeentewet door de wetgever blijkt uit de Kamerstukken het volgende: “De open regeling [bedoeld in artikel 150 Gemeentewet] doet recht aan het uitgangspunt dat niet bij alle bestuurshandelingen altijd op dezelfde wijze inspraak moet worden verleend. Het artikel kan derhalve worden gezien als een algemene regeling van de inspraak op gemeentelijk niveau, die is afgestemd op lokale behoeften en die zoveel mogelijk harmonisatie en coördinatie van afzonderlijke inspraakregelingen tot stand brengt (Kamerstukken II 1985/86, 19403, 3, p.34). Het is ter volledige beoordeling van het gemeentebestuur ten aanzien van welke beleidsvoornemens inspraak wordt verleend. Het artikel brengt niet mee dat bij alle verschillende bestuurshandelingen op dezelfde wijze inspraak moet worden verleend (Kamerstukken II 1988/89, 19403, 10, p. 59 en 203).” Gelet hierop stellen wij voor om de woorden ‘of en hoe’ te laten staan en dus niet te vervangen door ‘in welke vorm’. Vanzelfsprekend streven we altijd naar participatie, maar er blijft ruimte om ook (bewust en beargumenteerd) te kiezen dat geen inwonersparticipatie wordt toegepast. Als de wet tot participatie
verplicht, wordt uiteraard participatie toegepast, omdat er dan geen ruimte is om geen participatie toe te passen. 2.
Inspreker is, aan de hand van een concrete casus, van opvatting dat onderstaande zin aan artikel 4, eerste lid van de verordening moet worden toegevoegd. Verzoek tot toevoegen: “In geval gemeentelijk of rijksbeschermd erfgoed is betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van het gemeentelijk beleid worden de bewoners van dit gebied dan wel van die bebouwing in alle gevallen vroegtijdig betrokken bij een inwonersparticipatie.’
Door het opnemen van zo’n specifiek voorbeeld, laten we andere voorbeelden buiten beschouwing. De verordening is echter voor in het algemeen opgesteld en geeft daarom geen specifieke onderwerpen aan waarover geparticipeerd wordt of zou moeten worden. Vanuit de context waarin de inspreker deze aanvulling doet, is het begrijpelijk dat inspreker dit wenst. Desalniettemin houden wij er aan vast en stellen wij voor om deze zin niet op te nemen. Overall leidt deze inspraakreactie/ zienswijze niet tot aanpassing van de (algemene) verordening.