564694 - Bijlage 11 - Bijlagen bij de toelichting - Bijlage 11 Ecologisch vervolgonderzoek en projectplan
Tekst van het document
ECOLOGISCH
ONDERZOEK
EN PROJECT-
PLAN BREEGRAVEN
101
-115
TE WARNSVELD
GEMEENTE
ZUTPHEN
) [@})
Eco sultancy,
©
*#
®
Bodem
% Waterbodem %
Water
#% Archeologie # Ecologie #
Milieu
©
L
Ecologisch onderzoek en projectplan Breegraven 101 - 115 te Warnsveld in de gemeente Zutphen Opdrachtgever
|
Janssen de Jong Bouw Hengelo B.V. Postbus
7750 AM
504
Hengelo
Project
|
ZUT.AGG.ECO2
Rapportnummer
|
15045468
Versienummer
|
D2
Status
|
Eindrapportage
Datum
|
26 november
Vestiging
|
Doetinchem
Opsteller
2015
(geanonimiseerd) e
Para f . Kwaliteitscontrole
(geanonimiseerd) e
Paraaf
Kwaliteitszorg
NGB
Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus en werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Betrouwbaarheid
Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten.
Het incidenteel voorkomen van beschermde
soorten
is echter nooit met zekerheid te
voorspellen. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
Ec sultanc Î!ZÎ? n
INHOUDSOPGAVE INLEIDING . GEGEVENS
VAN
DE
LOCATIE
EN
HET
GEBRUIK
DOOR
FLORA
21 22
Locatiegegevens en huidige situatie … Ligging ten opzichte van beschermde gebieden
23 24
Verantwoording effectenstudie en verspreidingsinformatie Deskundige begeleiding .
VERSPREIDING 3.1 3.2
VAN
BESCHERMDE
SOORTEN
OP
DE
LOCATIE
EN
FAUNA…
…
Onderzoeksmethodiek. Onderzoeksresultaten …
VOORGENOMEN
INGREEP
OP
DE
LOCATIE
EN
ONDERBOUWING..
41 42 43
_ Voorgenomen activiteiten en manier van uitvoering _ Doelen belang van de activiteiten.… Planning en onderbouwing van de activiteiten
44
_ Altematieven..
45
_ Wettelijk belang van de ingreep …
EFFECTEN
VAN
DE
INGREEP
OP
FLORA
EN
FAUNA.
51 _ Effecten op korte termijn op vleermuizen … 5.2 Effecten lange termijn op gunstige staat van instandhouding 53 Verbodsbepalingen Flora- en faunawet TE TREFFEN
6.1
6.2 6.3
MAATREGELEN
Inleiding …
_ Mitigerende en compenserende maatregelen Zorgvuldig handelen …
18045468
ZUT.AGG.ECOZ
Ec()ésullancyîÊ 1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Janssen de Jong Bouw Hengelo B.V. opdracht gekregen voor het opstellen
van een projectplan in het kader van artikel 75c van de Flora- en faunawet ten behoeve van de voorgenomen sloopwerkzaamheden meente Zutphen.
ter plaatse van de Breegraven
101
- 115 te Warnsveld
in de ge-
De werkzaamheden worden uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van de quickscan flora en fauna die Econsultancy in oktober 2014 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (rapport 14095995 ZUT.AGG.ECO1). Uit de quickscan blijkt dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Flora- en faunawet er ten aanzien van huismussen, gierzwaluwen, vleermuizen en steenmarter meer informatie is benodigd
Gedurende de periode april 2015 t/m september 2015 is een ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de functie van de onderzoekslocatie voor betreffende soorten. Hieruit blijkt dat de te slopen bebouwing een functie heeft voor de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. De resultaten van het ecologisch onderzoek zijn opgenomen in onderhavig rapport (hoofdstuk 3). Hiervan is geen separate rapportage opgesteld. In de rapportage is verwoord welke maatregelen ten aanzien van de vleermuissoorten zijn om juridisch en ecologisch verantwoord de sloopwerkzaamheden
uit te voeren
noodzakelijk
en daarmee
een
overtreding van de Flora- en faunawet te voorkomen. Voor de gewone dwergvleermuis is door het Ministerie van Economische Zaken een soortenstandaard opgesteld. Een soortenstandaard bevat algemene maatregelen die in normale gevallen een
positief effect hebben op de instandhouding van de bedreigde soort of individuen. In het projectplan is aangehaakt
op de
maatregelen
die zijn verwoord
in de soortenstandaard
van
de gewone
dwerg-
vleermuis.
Voor het verstoren van de verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger wordt ontheffing aangevraagd. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus” en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.
15045468 ZUTAGGECOZ
Pagina 1van
19
Ec 2
21
_ GEGEVENS
VAN
DE LOCATIE
EN HET
GEBRUIK
DOOR
FLORA
EN
sultancy
FAUNA
Locatiegegevens en huidige situatie
De onderzoekslocatie (+ 2.780 m2?) ligt aan de Breegraven 101 - 115, in de kern van Warnsveld, in de gemeente Zutphen. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 33H (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 212.570, Y = 461.360.
de
TA
J
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie is bebouwd met een drietal woonblokken Breegraven nummers 101 U/m 115. De woningblokken bestaan in het totaal uit zes huurwoningen. Tot de onderzoekslocatie behoren ook de tuinen en enkele bergingen (hout en steen) gesitueerd in de achtertuinen van de woningen. De
bebouwing is opgebouwd uit stenen muren en voorzien van dakpannen. De tuinen van de woningen zijn deels verhard en ingericht met groen, zoals ligusterhagen en solitaire bomen, en gazon. Verder behoort tot de onderzoekslocatie een onbebouwd terreindeel ingericht met gazon en met langs de randen enige opgaande begroeiing. Aan de noordzijde grenst de onderzoekslocatie aan een terrein van de Warnveldse schooltuinen. Hier
worden groenten en bloemen verbouwd. Ten westen is de Klaprooslaan gelegen. Langs de zuidzijde van de onderzoekslocatie is de Breegraven gelegen. Ten westen van de onderzoekslocatie zijn eveneens woningblokken met tuinen gesitueerd. n figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 5 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto's die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
15045468 ZUTAGGECOZ
Pagina 2van 19
:
S.
: n]\\€
7
co/nsultancy(1 nl)
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving
T Figuur 3. Westelijk gelegen terreindeel
met gazon. 2.2
E Figuur
4.
zoekslocatie
Voorzijde
woningen
onder-
Figuur 5. Eén van de achtertuinen met
bijgebouw.
Ligging ten opzichte van beschermde gebieden
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of n de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen
is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen
Natura 2000-gebied,
de Uiterwaarden van
de IJssel, bevindt zich op circa 4 kilometer afstand ten westen van de onderzoekslocatie. Gelders Natuurnetwerk (GNN).
De onderzoekslocatie maakt geen dee! uit van het GNN. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een onderdeel, behorend tot de GNN. Het meest nabijgelegen onderdeel bevindt zich circa 700
meter ten oosten van de onderzoekslocatie.
Het betreft een natuurgebied
(Veldese
bos)
gelegen buiten de bebouwde kom van Warnsveld.
15045468 ZUTAGGECOZ
Pagina 3van
19
tco/nsultancy In figuur 6 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het GNN en het Natura 2000 gebied de Uiterwaarden van de IJssel weergegeven.
Figuur 6. Ligging onderzoekslocatie (pil) ten opzichte van de EHS (groen) / Natura 2000(gearceerd). 2.3
Verantwoording effectenstudie en verspreidingsinformatie
Door Econsultancy is in 2014 een quickscan flora en fauna voor de locatie opgesteld (rapport 14095995 ZUT.AGG.ECO1). De quickscan is uitgevoerd aan de hand van een bureaustudie en een veldbezoek. Het veldbezoek is afgelegd op 7 oktober 2014. Tijdens dit veldbezoek is de gehele on-
derzoekslocatie, alsmede de omliggende percelen onderzocht. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige staand zijn de onderzoeksresultaten per soort(groep) omschreven.
habitat. Onder-
Algemene broedvogels Door de aanwezigheid van tuinen met struiken, bomen en hagen zijn er op de onderzoekslocatie geschikte nestlocaties aanwezig voor algemene vogels als merel, heggenmus, winterkoning, roodborst en houtduif. Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden gestart en nestkasten buiten het broedseizoen worden verwijderd, of verplaatst buiten de invloed van de ingreep, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. In de Flora- en faunawet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot
half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Huismussen en gierzwaluwen Huismussen en gierzwaluwen ontbreken zelden binnen de bebouwde kom als broedvogel (Sovon, 2012). Gierzwaluwen en huismussen zijn zeer plaatsgetrouw. Gierzwaluwen keren zolang ze leven vanuit Afrika op hetzelfde nest terug zolang er niets met het nest of gebouw gebeurt. Gierzwaluwen en huismussen gebruiken ruimte onder dakpannen en achter betimmeringen om te broeden. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn huismussen gehoord.
15045468 ZUTAGGECOZ
Pagina 4van
19
E(:()Ásullancyî\]%“ì De onderzoekslocatie biedt potentiële nestgelegenheid voor de soort door de aanwezigheid van ruimtes onder de dakpannen daken van de woningen. De bebouwing op de onderzoekslocatie is door de aanwezigheid van ruimte onder (kant)dakpannen eveneens geschikt voor de gierzwaluw om tot broeden te komen. De tuinen rond de woningen kunnen deel uit maken van het functionele leefgebied van de huismus. Vleermuizen
De bebouwing op de onderzoekslocatie is geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen.
Vleermuizen
kunnen met name gebruik maken van de ruimtes onder de dakpannen als verblijfplaats. Er zijn op enkele plekken aan de kopse kanten van de woningen nokpannen en openingen aanwezig die ge-
schikt lijken als verblijfplaats voor vleermuizen. In de muren zijn weinig toegangsmogelijkheden aangetroffen. Er is niet op voorhand uit te sluiten dat zich op de onderzoekslocatie een vaste rust- of verblifplaats van vleermuizen bevindt. De te verwachten vleermuissoorten zijn gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Steenmarter
De steenmarter is een soort die onder andere verblijfplaatsen in bebouwing heeft. Steenmarters gebruiken loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. De bebouwing op de onderzoekslocatie is bewoond. Uit navraag bij enkele bewoners blijken geen waarnemingen (geen overlastmeldingen) van het gebruik van de bebouwing door steenmarter bekend. Eén bewoner heeft aangegeven
dat weleens geluiden worden gehoord
rond het dak die mogelijk duiden
op de aanwe-
zigheid van steenmarter. Voor het verstoren van een verblijfplaats van steenmarter geldt dat een ontheffing noodzakelijk is, tenzij wordt gewerkt conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode (bijvoorbeeld Bouwend Nederland)
Dit houdt in dat tijdens de werkzaamheden
rekening gehouden
wordt met de gevoelige
periode
(maart t/m juli, kraamtijd) en dat de werkzaamheden zodanig worden uitgevoerd dat een dier de gele-
genheid krijgt om te ontsnappen. De aanvulling die nodig is bij het werken conform de gedragscode is dat de planning en uitvoering van de werkzaamheden worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol, zodat duidelijk wordt op welke wijze wordt voorkomen dat de Flora- en faunawet ten aanzien van deze soort wordt overtreden. Indien met de werkzaamheden geen rekening kan worden gehouden met deze gevoelige periode wordt een nader onderzoek geadviseerd of er daadwerkelijk vaste rust- of verblijfplaats van steenmarter op de onderzoekslocatie aanwezig is.
een
Overige soort(groep)en Overtredingen van de Flora- en faunawet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens en gezien de aard van de ingreep niet aan de orde. 24
Deskundige begeleiding
De deskundige die is betrokken bij het project is een ervaren ecologe; Ing. K. De ecologen van Econsultancy hebben meerdere jaren ervaring met risicoadvisering en veldonderzoek naar alle relevante beschermde soortgroepen. De medewerkers van Econsultancy zijn actief bij diverse organisaties en
belangen behartigers zoals Netwerk Groene Bureaus, SOVON,
RAVON, VZZ, Vleermuiswerkgroep
Nederland (VLEN), Vleermuiswerkgroep Gelderland (Vlegel), Vieermuiswerkgroep Noord-Brabant, Zoogdierenwerkgroep van het Natuurhistorisch Genootschap Limburg, vogelwerkgroep Arnhem e.0. Econsultancy is lid van de branchevereniging 'Netwerk Groene Bureaus’ en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. De begeleiding van de voorgenomen werkzaamheden zal eveneens door een ter zake kundige ecoloog worden uitgevoerd.
15045468 ZUTAGGECOZ
Pagina 6van
19
E(:()Ásullancyî\]%“ì 3
VERSPREIDING
3.1
_ Onderzoeksmethodiek
311
VAN
BESCHERMDE
SOORTEN
OP
DE
LOCATIE
huismus
Voor het onderzoek naar huismus zijn begin mei twee veldbezoeken uitgevoerd, gedurende de ochtend. Tijdens de veldbezoeken is gezocht naar roepende huismussen. Mannetjes huismussen roepen met name n het voorjaar (' ochtends) vaak vanaf de dakranden/goten waar hun nesten zich bevin-
den. Bij het aantreffen van roepende mannetjes mag worden aangenomen dat zich onder het betreffende dak één of meerdere nesten bevinden. Tevens is gelet op huismussen die (met nestmateriaal) onder dakpannen of andere nestlocaties verdwijnen. Behalve op de onderzoekslocatie, is ook in directe omgeving gekeken op de aanwezigheid of geschiktheid van de bebouwing voor huismus. De onderzoeksopzet is conform hetgeen is voorgeschreven in de soortenstandaard voor de huismus (RVO, december 2014). 312
gierzwaluw
Voor het onderzoek naar de gierzwaluw zijn in de periode tussen 1 juni en 15 juli drie veldbezoeken uitgevoerd met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen. De onderzoeksinspanning is
conform hetgeen is gesteld in de soortenstandaard (RVO, december 2014). In de betreffende periode scheren groepen gierzwaluwen langs gevels van panden waarin zich nesten bevinden. De vrouwtjes die zich op het nest bevinden beantwoorden vervolgens het ‘gieren” van langs vliegende groepen soortgenoten. Bovendien zijn tijdens de avondschemering vaak inviiegende vogels waar te nemen. Twee van de veldbezoeken hebben plaatsgevonden voorafgaand aan het vleermuisonderzoek. 3.1.3
steenmarter
De bebouwing is ten tijde van het ecologisch onderzoek bewoond. Tijdens het ecologisch onderzoek is wederom navraag gedaan bij bewoners over het voorkomen van de soort, of overlast meldingen. Tevens is gedurende de rondes in de tuinen gezocht naar sporen (uitwerpselen) van de soort en is de bebouwing afgezocht op indicaties van aanwezigheid van de soort. 3.1.4
vleermuizen
Voor het onderzoek naar vleermuizen zijn n de periode half april tot oktober in totaal vijf veldbezoeken uitgevoerd. De veldbezoeken zijn in de avonduren en/of ochtenduren uitgevoerd. De inventarisatiemethode is conform het protocol voor vleermuisonderzoek (versie 27 maart 2013), dat is opgesteld door het vleermuisvakberaad van het Netwerk Groene Bureau's en de Zoogdiervereniging, in overleg met Dienst Landelijk Gebied en de Gegevensautoriteit Natuur. De onderzoeksinspanning i gebaseerd op de functies zomerverblijfplaats, kraamverblijf en paarverblijf/baltplaats voor de gewone dwergvleermuis en laalvlieger. Het protocol heeft tot doel het belang van de functies van onderzoekslocaties
voor
soorten
vleermuizen
effectief
en
efficiënt
vast
te
stellen
dan
wel
uit te
sluiten.
Doordat vleermuizen iedere (verblijfs)functies slechts een beperkte periode van het jaar gebruiken is onderzoek naar alle op de onderzoekslocatie mogelijke functie noodzakelijk. ledere (verblijfs)functie afzonderlijk geniet een jaarronde bescherming. De veldbezoeken zijn op basis van de grootte van de onderzoekslocatie door twee waarnemers per veldronde gedurende de kraamperiode uitgevoerd. De overige rondes konden worden volstaan met de inzet van één persoon. Met vijf bezoeken is omtrent deze soortgroep voldoende zekerheid verkregen over de functie van de onderzoekslocatie. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van professionele batdetectors met opnamemogelijkheid (Pettersson D240x).
15045468 ZUTAGGECOZ
Pagina 6van
19
Ec
sultancy(.nl
Een batdetector zet het voor het menselijk gehoor niet hoorbare ultrasone geluid van vleermuizen om naar frequenties die wel hoorbaar zijn. Op basis van de geluidsfrequenties en ritmes kunnen verschillende soorten vleermuizen worden onderscheiden. De opnamemogelijkheid is belangrijk omdat de
geluidsopnames kunnen worden gebruikt voor het determineren van soorten die op basis van hun geluid moeilijk zijn te onderscheiden (met name Myotis-soort) en waarbij het sonogram uitsluitsel kan geven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van analyseprogramma Batsound. Overzicht veldbezoeken
Het onderzoek heeft bestaan uit diverse veldbezoeken. Tabel I bevat een overzicht van de uitgevoerde veldbezoeken.
Tabell__Onderzoeksinspanning per soortgroep
april
vleemuizen
mei
Juni
u
tiesip
2110
aam
1 juni 2015 en 1 juk 2015
augustus
september
1 xochtend
7augustus 2015 |
2xavond
9 september 2015 en 29 September 2015
tuncte huismus
zomerkraamverbijf
iip datum
zomerverbiif
paarbasverblif
2xoverdag |
_ 4 mei 2015
en 13
mei
2015
tuncte gierzwaluw
_ tidsip
tertorium ä
3xavond
am
-
1 uni2015, 1 jui 2015 n 11 jui2015
tuncte steenmarter
nestlocaties
dp
Navraag bewoners en inspectie (uinen en bebouwing
datum tuncte
gedurende het ecologisch onderzoek verbijfplaats
* Het veldwerk is door twee personen uitgevoerd. Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken was de temperatuur lager dan 13 2C. De windsnelheid lag beneden de 3 Bft en er was geen sprake van neerslag.
15045468 ZUTAGGECOZ
Pagina7van 19
E(:()Ásullancyî\]%“ì 3.2
Onderzoeksresultaten
3.21
huismus
Tijdens de uitgevoerde veldbezoeken zijn op de onderzoekslocatie geen territoriale mannetjes aangetroffen. Eveneens zijn geen nestindicerende waarnemingen van huismussen gedaan. Er zijn eveneens geen indicaties (veren, uitwerpselen) aangetroffen dat huismussen van de woningen op de onderzoekslocatie gebruik maken
als nestlocatie.
In de directe omgeving
(woningblokken ten zuidwes-
ten van de onderzoekslocatie) zijn tijdens beide bezoeken wel huismussen waargenomen.
Op basis
van de huidige onderzoeksinspanning kan worden uitgesloten dat de te slopen bebouwing een vaste
rust- en verblijfplaats vormt voor de huismus. Overtredingen ten aanzien van de huismus zijn niet aan de orde.
3.2.2
gierzwaluw
Gierzwaluwen nestelen meestal in ruimtes onder dakpannen en openingen onder boeidelen. Gierzwaluwen vliegen gegroepeerd met hoge snelheden tussen de gebouwen door en vliegen daarbij plotseling naar binnen. Tijdens de betreffende avondrondes zijn er gierzwaluwen boven de woonwijken ten zuidwesten en ten noorden van de onderzoekslocatie waargenomen. Op de onderzoekslocatie zijn gedurende de veldbezoeken geen invliegende of uitvliegende gierzwaluwen waargenomen. Er zijn eveneens geen
indicaties aangetroffen
(zoals gieren boven de bebouwing en door de straat) dat
er nestlocaties van gierzwaluwen op de onderzoekslocatie, of in de directe omgeving aanwezig zijn. Op basis van de huidige onderzoeksinspanning kan worden uitgesloten dat de te slopen bebouwing een vaste rust- en verblijfplaats vormt voor gierzwaluw. Overtreding van de Flora- en faunawet ten aanzien van de gierzwaluw is niet aan de orde. 3.2.3
steenmarter
Uit navraag bij de huidige bewoners blijkt wederom dat er geen overlastmeldingen van steenmarters zijn. De bebouwing is niet heel geschikt voor de soort en is tevens bewoond. Uit de inspectie van de tuinen en dakranden met behulp van een verrekijker zijn eveneens geen indicaties gevonden van aanwezigheid van een steenmarter. Gedurende de veldbezoeken zijn eveneens geen steenmarters gezien. Hiermee is het redelijkerwijs uitgesloten dat er een verblijfplaats van de steenmarter aanwezig
is n de te slopen bebouwing. In de huidige situatie zijn geen indicaties dat steenmarter een vaste rust- of verblijfplaats heeft op de onderzoekslocatie. Aangezien de soort binnen het territorium meerdere verblijfplaatsen heeft en zeer flexibel is n de keuze van verblijfplaatsen, is het niet uitgesloten dat bij langdurige leegstand een steenmarter één van de te slopen woningen gaat betrekken. Indien de bebouwing
lang leeg komt te staan, dan wordt een aanvullende
inspectie naar de soort geadvi-
seerd. 3.24
vleermuizen
Eerste veldbezoek, avondronde 1 juni 2015 Tijdens dit veldbezoek werd een eerste vleermuis vlak na het uitviiegmoment waargenomen n de tuin van Breegraven 113. Dit betrof een gewone dwergvleermuis. De gewone dwergvieermuis vloog gedurende de gehele avondronde door de tuin. Gelet op het tijdstip dat de vleermuis is waargenomen bestaat het vermoeden dat deze afkomstig is ergens uit de te slopen bebouwing. Het dier i echter niet zien uitvliegen. Verder betrof het een rustige avond waarbij weinig vleermuisactiviteit werd waargenomen. In de omgeving (moestuinen ten noorden van de onderzoekslocatie) zijn enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen gehoord. Op de onderzoekslocatie is verder geen vleermuisactiviteit meer waargenomen.
15045468 ZUTAGGECOZ
Pagina 8van
19
ECL)Á sul l[ancyîÊ Tweede veldbezoek, avondronde 1 juli 2015 Tijdens zonsondergang zijn enkele overvliegende laatviiegers (6 dieren) boven de onderzoekslocatie waargenomen. De laatvliegers bevinden zich, gelet op de zuidelijke vliegrichting, vermoedelijk ergens in de ten noorden gelegen bebouwing aan de Hellenkamp. Enige minuten nadat de laatvliegers overvlogen vloog een laatvlieger uit de bebouwing op de onderzoekslocatie: Breegraven nummer 111. Het dier vloog uit de kopgevel vanuit de achterzijde van het dak van de woning. Het dier bevond zich onder een dakpan of in een hoek van de spouw. Verder is deze avond één gewone dwergvleermuis waargenomen afkomstig vanuit de straatzijde van Breegraven nummer 113. Vermoedelijk is er een verblifplaats aanwezig aan de voorzijde van deze woning. Verder s er geen vleermuisactiviteit meer waargenomen.
Derde veldbezoek, ochtendronde 7 augustus 2015 Tijdens dt veldbezoek, waarbij gepost is tot zonsopkomst, is bij de aanvang van de ronde een foeragerende gewone dwergvleermuis aangetroffen boven de tuin van Breegraven 113. Omstreeks een half uur voor zonsopkomst foerageerden
3 gewone
dwergvieermuizen
in de tuin en vlogen
rondjes
rond het woonblok Breegraven 113-115. In de overige delen van de onderzoekslocatie s geen vleermuisactiviteit waargenomen. Twee vleermuizen begonnen te zwermen aan de voorzijde van woning Breegraven 113 en vlogen 5 minuten voor zonsopkomst in. Het andere individu foerageerde nog een tijd in de tuin en vloog enkele minuten na zonsopkomst eveneens in de bebouwing. De drie dieren vlogen op dezelfde plek in aan de voorzijde van de woning onder het kozijn. Tijdens de voorgaande veldbezoeken zijn al aanwijzingen gevonden dat hier zich een verblijfplaats bevindt.
Vierde en vijfde veldbezoek, nachtelijke rondes 9 en 29 september 2015 Beide veldbezoeken laten eenzelfde beeld zien. Er is gedurende de nacht weinig vleermuisactiviteit op de onderzoekslocatie waargenomen. Er vlogen slechts enkele gewone dwergvleermuizen over en kortstondig is daarbij bij het veldbezoek van 9 september 2015 een foeragerende gewone dwergvleermuis gehoord. In de moestuinen ten noorden zijn wel enkele foeragerende gewone dwergvieer-
muizen waargenomen. E zijn op de onderzoekslocatie gedurende beide veldbezoeken geen vleermuizen gehoord die sociale geluiden produceerden of baltsend rondom de bebouwing vlogen. In de directe omgeving zijn wel twee gewone dwergvleermuizen waargenomen die sociale geluiden produceerden. Dit betrof een gewone dwergvleermuis op een hoekwoning aan de Hellenlaan ten noorden van de onderzoekslocatie. En een gewone dwergvleermuis rond de Breegraven 97 ten noordwesten van
de onderzoekslocatie.
In figuur 7 zijn de onderzoeksresultaten samengevat weergegeven. In de figuren 8 /m 10 zijn enkele situatie foto's opgenomen van de aangetroffen verblijfplaatsen.
15045468 ZUTAGGECOZ
Pagina 9van
19
rí\îz
Ec nsullancy@n]}\ J
A
D
\y‘ 2
v
de
Ë
laatvliegers
1 entds
S verturiaas gevone dwergseermus 3 ndhaduen oo
e
dreweems
(B
ol)
Gowone dwergieermuis oermgerend
Figuur 7. Onderzoeksresultaten vieermuisonderzoek 2015.
Figuur
8.
Voorzijde
113.
Breegraven
nr
Figuur 9. Invlieglocatie nr.113 verblijf-
Figuur
plaats
onder dakpannen Breegraven 111
gewone
dwergvleermuizen,
tussen kozijn en muur.
15045468 ZUTAGGECOZ
10.
Uitvlieglocatie
of
laatvlieger
hoek
Pagina
spouw,
10 van 19
EC()Á su llancyîÊ Verblijfplaatsen binnen de onderzoekslocatie Er zijn in het totaal twee verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld op de onderzoekslocatie. Ter
plaatse van de woning Breegraven nummer 111 is een zomerverblijplaats vastgesteld van één laatvlieger. Ter plaatse van de woning Breegraven nummer 113 is één zomerverblifplaats vastgesteld van 3 gewone dwergvleermuizen. De bebouwing heeft geen kraamfunctie voor vleermuizen. In het najaar heeft de bebouwing eveneens geen functie als paar- of baltsverblijfplaats. Het is niet uit te sluiten dat de twee verblijfplaatsen in de winter ook gebruikt worden. Volgens de soortenstandaard wordt vanuit gegaan dat een zomerverblijfplaats tevens ook de functie winterverblijfplaats vervult. De achterliggende spouwruimtes vormen mogelijk een vorstvrije plek waar vleermuizen kunnen overwinteren.
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Tijdens het onderzoek zijn twee paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld bui-
ten de onderzoekslocatie. Vermoedelijk bevindt zich in één van de woningen aan de Hellenkamp een verblifplaats van meerdere laatvliegers. Er zijn gedurende het onderzoek verder geen verblijfplaatsen vastgesteld in de directe omgeving van de onderzoekslocatie, binnen de invoedssfeer van de ingreep. Door de ingreep op de onderzoekslocatie vindt geen verstoring plaats op een verblifplaats in de omgeving.
Foeragerende en doorvliegende vleermuizen Tijdens de veldbezoeken zijn er binnen de onderzoekslocatie enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Verder zijn passerende gewone dwergvleermuizen en overvliegende laatvliegers aangetroffen. De plannen zullen, gezien de kleine aantallen vleermuizen en het aanwezige groen in de omgeving, geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen of een effect hebben op passerende vleermuizen.
15045468 ZUTAGGECOZ
Pagina 11 van 19
Ec 4
VOORGENOMEN
INGREEP
OP
DE LOCATIE
41
_ Voorgenomen activiteiten en manier van uitvoering
sultancy(.nl
EN ONDERBOUWING
De initiatiefnemer is voornemens de onderzoekslocatie te herontwikkelen. De herontwikkeling voorziet in de sloop van de woonblokken. De verwachte sloop van de woningen zal in mei 2016 zijn. In het vrijgekomen gebied wordt vervangende nieuwbouw van 3 kleinschalige appartementen, bestaande uit 8, 6 en 8 woningen, gerealiseerd. In figuur 11 is een tekening opgenomen
van de toekomstige situa-
tie. De nieuwbouw zal medio 2017 worden opgeleverd. 42
Doelen belang van de a
EE Figuur 11. Tekening toekomstige situatie (Bron: Architectengroep Gelderland).
4.3
Planning en onderbouwing van de activiteiten
De ontheffing wordt aangevraagd voor de periode van 5 jaar, van 2016 tot en met 2020. Met de werkzaamheden kan worden gestart nadat de ontheffing is verkregen en in de juiste periode (zie mitigerende maatregelen). 44
_ Alternatieven
Er zijn geen alternatieven denkbaar die de gewenste ontwikkelingen mogelijk maken zonder ingrepen te plegen aan de bestaande bebouwing. In de gemeente Zutphen bevindt zich een aantal wijken en buurten die voor herstructurering in aanmerking komen. Het betreft hier veelal woonbuurten met een groot woningbestand uit de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw. Veel van deze woningen zijn aan renovatie toe of aan vervanging. Veelal is ook de stedenbouwkundige structuur (deels) en de openba-
re ruimte gedateerd. De woonwijk in Warnsveld (waarbinnen de onderzoekslocatie is gelegen) gelegen in het zuidelijk deel van de oude kern is een gebied dat als zodanig is aan te merken. Voor een deel van de wijk is herstructurering aan de orde, maar verder betreft het incidentele vervanging van verouderde complexen en groepen woningen, meestal in eigendom van het Woningbedrijf Warnsveld. De huidige woningen zijn verouderd en toe aan vervanging. De bouwkundige staat voldoet niet meer aan de eisen van deze tijd. De bebouwing is n matige staat en niet toekomstbestendig.
15045468 ZUTAGGECOZ
Pagina 12 van 19
Ec()ésullancyîÊ Hergebruik is niet aan de orde. De locatie, tegenover de relatief drukke supermarkt, is minder geschikt voor grondgebonden eengezinswoningen, maar juist wel voor kleine appartementen voor starters en senioren. Alle woningen hebben 2 slaapkamers en zijn zeer geschikt voor minder validen en senioren. Vooral de woningen op de begane grond zijn geschikt voor senioren (8 stuks). Het voorlig-
gend plan voorziet eveneens in de vervanging van verouderde bebouwing met een negatieve beeldkwaliteit. Het plan om verouderde woningen af te breken door nieuwbouw n de vorm van appartementen past in de doelstellingen van de Woonvisie Zutphen 2013-2017. Met het plan wordt voorzien in de actuele behoefte. Dit wordt ook aangetoond in het woningmarktonderzoek dat in 2014 is gehouden onder de Zutphense bevolking. Tevens past de ontwikkeling binnen het Rijks en provinciaal beleid.
45
_ Wettelijk belang van de ingreep
Ontheffing van verbodsbepalingen wordt aangevraagd op grond van het belang 'Dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische
aard en voor het
milieu wezenlijk gunstige effecten’ en het belang ‘Uitvoering in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling’. De bebouwing op de onderzoekslocatie verkeert in een slechte staat. Renovatie van de huidige bebouwing zou gelijk staan aan slopen. In de toekomst is exploitatie van de gebouwen
niet meer moge-
lijk, waardoor er risico's zijn van brand, verpaupering en instortinggevaar. Door de bebouwing op de onderzoekslocatie te slopen wordt de openbare veiligheid geborgd, er kan geen brandstichting ontstaan, instortingsgevaar blift uit. De sloop van de bebouwing is daardoor op te vatten onder het belang openbare veiligheid. Ontheffing van verbodsbepalingen wordt aangevraagd op grond van het belang ‘Dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische
aard en voor het
milieu wezenlijk gunstige effecten’ en het belang ‘Uitvoering in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling’.
15045468 ZUTAGGECOZ
Pagina 13 van 19
E(:()Ásullancyî\]%“ì 5
51
_ EFFECTEN
VAN
DE
INGREEP
OP
FLORA
EN
FAUNA
_ Effecten op korte termijn op vleermuizen
Gewone dwergvleermuis Zonder het treffen van maatregelen gaat er een verblijfplaats van drie gewone dwergvleermuizen en een laatvlieger verloren en worden mogelijk dieren gedood of verwond. Vleermuizen maken gebruik van een netwerk van verblijfplaatsen en zullen in de directe omgeving voldoende alternatieve verblijf-
plaatsen hebben om naar uit te wijken. De gewone dwergvleermuis is de meest algemene vleermuissoort van Nederland die in vrijwel geen enkel bewoond gebied ontbreekt. Er zijn geen aanwijzingen voor een toe- of afname van aantallen. Het verlies van een enkele verblijfplaats heeft dan ook geen effect op de gunstige staat van instandhouding, zowel lokaal als landelijk gezien. Door het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen ruim voorafgaand aan de werkzaamheden en de ecologische begeleiding van de sloopwerkzaamheden
om
effecten op korte termijn voorkomen.
De wijze waarop deze maatregelen worden uitgevoerd, is be-
schreven
52
in hoofdstuk
doden
of verwonden
van individuen te voorkomen
worden
6.
_ Effecten lange termijn op gunstige staat van instandhouding
Evenals een beperkt korte termijn effect is er op de lange termijn geen sprake van negatieve effecten op populatieniveau, zowel landelijk als locaal. Indien de maatregelen getroffen worden zoals beschreven in dit projectplan zal de situatie voor de soort en het individu niet verslechteren. Het aanbod aan verblijfplaatsen is ‘van nature” al vrij groot. Door de nieuwbouw duurzaam geschikt te maken als verblifplaats voor vleermuizen is met voldoende zekerheid te voorspellen dat negatieve effecten op de lange termijn zijn uitgesloten. 5.3
Verbodsbepalingen Flora- en faunawet
De functionaliteit van de voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaats blijft gegarandeerd. Het beschadigen of vernielen wordt voorkomen door het treffen van maatregelen. Bovendien zijn er voldoende
alternatieven.
Ondanks het nemen van maatregelen verstoort de initiatiefnemer de voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen binnen het plangebied. De verstoring leidt niet tot beschadigen en vernielen van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren. Hierdoor kan deze ontheffingsaanvraag ten aanzien van vleermuizen getoetst worden aan de críteria (nationale belangen) voor het verlenen van een ontheffing.
15045468 ZUTAGGECOZ
Pagina 14 van 19
Ec()ésullancyîÊ 6
TE TREFFEN
61
Inleiding
MAATREGELEN
Gedurende het traject worden er geen sloopwerkzaamheden verricht zonder dat de bebouwing in een juiste periode ongeschikt is gemaakt voor de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. Het ongeschikt maken zal plaatsvinden onder toezicht van een ter zake kundige. Vervolgens zal een controle op de effectiviteit van de maatregelen uitgevoerd worden, zodat met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat er geen vieermuizen verblijven ten tijde van de sloopwerkzaamheden.
De te nemen maatregelen zijn in te delen in de volgende vier stappen: a.
asp 6.2
altematieve verblijfplaatsen aanbieden als tijdelijke opvang van het verlies van de potentiële verblijfplaatsen voor de periode tussen de ingreep en de realisatie van de nieuwe situatie:; onderzoekslocatie voor de ingreep ongeschikt maken voor beschermde soorten;
controleronde(s) om afwezigheid beschermde soorten op moment van ingreep aan te tonen; in de nieuwe situatie duurzame verblijfsmogelijkheden voor beschermde soorten creëren.
_ Mitigerende en compenserende maatregelen
Gewone dwergvleermuis en laatvlieger Ad a. (tijdelijke verblijfplaatsen) Aanbrengen alternatieve verblijfplaatsen en gewenningsperiode. In de soortenstandaard
van
de gewone
dwergvleermuis
wordt gesteld dat voor elke te verwijderen
verblijfplaats vier tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen dienen te worden aangebracht. Omdat de soortenstandaarden voor alle andere soorten vervanging in viervoud voorschrijven, ligt het voor de hand dit ook voor de laatvlieger te doen. Tijdelijke compensatie voor laatvlieger is lastig, omdat de soort doorgaans geen gebruik maakt van kasten. Echter werden door Econsultancy n 2012 twee laatvliegers aangetroffen in gewone dwergvleermuiskasten (Bron: Liesbeth Hunink, Econsultancy). Voor de laatvlieger zijn daarom eveneens 4 kasten (hebben invliegbreedte van meer dan 2 centimeter) in de directe omgeving geplaatst als tijdelijke vervanging van de huidige verblijfplaats.
Hiertoe zijn in de directe omgeving van de onderzoekslocatie acht vleermuiskasten aangebracht. Dit betreffen kasten van Vivara model A zoals genoemd in de soortenstandaard gewone dwergvleermuis. De kast Model A volstaat als tijdelijke vervanging van zomerverblijfplaatsen (zonder kraamfunctie) met < 10 dieren en als paarverblijf. Aan bebouwing in de dîrecte omgeving (straal < 200 meter) zijn de vleermuiskasten aangebracht. De kasten zijn geplaatst op 11 september 2015 zodat aan een ruime
gewenningstijd wordt voldaan. De kasten zijn geplaatst aan de Breegraven (twee kasten), aan de Hellenkamp (é&n kast), in de moestuin (&én kast), aan bebouwing gelegen aan het Spiker (beide 1 kast) en bij de kinderboerderij (2 kasten). In figuur 12 is op kaart de situering van de kasten weergegeven.
In de figuren 13 i/m 16 zijn enkele
foto's opgenomen van de aangebrachte vieermuiskasten.
15045468 ZUTAGGECOZ
Pagina 15 van 19
Verkeersschool van
c
Leussen
Wansveld
1 kast 1 kast
Figuur 12. Aangebrachte alternatieve verblifplaatsen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
iguur 13. Vleermuizenkast aangebracht op schuur bij wo-
Figuur 14. Vleermuizenkast aangebracht aan woonhuis
ning aan het Spiker.
Hellenlaan.
15045468
ZUTAGGECOZ
Pagina 16 van 19
Ecíynsullan<:yî\l%“ì
LWI Spiker.
E ven, nabij moestuin.
Figuur 15. Vleermuizenkast aangebracht aan woonhuis het _ Figuur 1
Omdat het niet vanzelfsprekend is dat laatvliegers gebruik maken van kasten is voor de soort eveneens nog een omgevingscheck uitgevoerd om na te gaan of er voldoende uitwijkmogelijkheden aanwezig
zijn.
In de
directe
omgeving
blijken voor
het aangetroffen
individu
voldoende
alternatieven
aanwezig te zijn waar het dier kan uitwijken. Ten noorden, oosten en tevens aangrenzend aan de huidige bebouwing, is bebouwing aanwezig die eveneens voorzien is van ruimtes onder het dak en dezelfde eigenschappen hebben als de huidige locatie van de verblijfplaats.
Figuur 17. Soortgelijke bebouwing in directe omgeving van de onderzoekslocatie bieden eveneens alternatieve verblfplaatsen voor de laatvieger
15045468 ZUTAGGECOZ
Pagina 17 van 19
Ec sullancfÊ n
Ad b. (ongeschikt maken) en Ad c. (controleronde) De aangetroffen verblijfplaatsen hebben mogelijk een functie als winterverblijfplaats. De achterliggende spouwruimtes vormen
mogelijk een vorstvrije plek waar vleermuizen
kunnen
overwinteren.
Vleer-
muizen gaan globaal in de periode november tot april in winterrust. Het ongeschikt maken van de verblijfplaats wordt buiten deze periode uitgevoerd. Dit gebeurt bij een temperatuur wanneer het eerste gedeelte van de nacht niet lager is dan 10 graden Celsius en bij afwezigheid van harde regen en wind, zodat vleermuizen actief zullen zijn en gemakkelijk alternatieve verblijfplaatsen kunnen betrekken. Het ongeschikt maken gebeurt minimaal 5 dagen voorafgaand aan de sloop.
De verblijfplaats van de laatvlieger wordt ongeschikt gemaakt door het handmatig verwijderen van de dakpannen van de woning aan de Breegraven nummmer 111. Tijdens het verwijderen van de dakpannen zal worden gecontroleerd of er aan de onderzijde een vleermuis aanwezig is. De verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in de woning aan de Breegraven numer 113 wordt ongeschikt gemaakt door het handmatig verwijderen van de kozijnen ter plaatse van de aangetroffen verblijfplaats.
De ter plaatse aanwezige spouwmuren waar de verblijfplaatsen zijn vastgesteld worden ongeschikt gemaakt middels het verstoren van het microklimaat door het creëren van tocht in de muur. In de spouwmuur worden tochtgaten (circa 0,5 meter bij 0,5 meter) in de buitenste muur naar de spouw aangebracht, zodat tocht in de spouw plaatsvindt. Om in de hele spouw tocht te creëren wordt om elke twee meter (zowel horizontaal als verticaal) een tochtgat gemaakt. Het ongeschikt maken gebeurt onder begeleiding van een ter zake kundige (ecoloog). Deze kan op basis van de situatie
zoals die in het veld wordt aangetroffen aanwijzingen geven om indien nodig aanvullende maatregelen te treffen.
Na het ongeschikt maken zal een wachttijd van enkele dagen worden aangehouden om de eventueel nog aanwezige dieren in de gelegenheid te stellen te vertrekken. Enkele dagen voor aanvang van de sloop wordt met behulp van batdetectors
(registreren van uit- en invliegende dieren onder gunstige
weersomstandigheden) gecontroleerd of er geen dieren meer aanwezig zijn in de te slopen bebouwing. Indien er nog vleermuizen aanwezig zijn, zal met een ter zake kundige worden overlegd wat de mogelijkheden zijn om ook deze laatste exemplaren te doen vertrekken. Na deze controle kan de sloop plaatsvinden. Ad d. (verblijfplaatsen in nieuwbouw) Conform hetgeen is gesteld in de soortenstandaard van de gewone dwergvleermuis zal de nieuwbouw worden voorzien van 8 nieuwe verblijfplaatsen. Voor het behoud van een duurzame functionaliteit van de onderzoekslocatie voor vieermuizen wordt in de nieuwbouw (op minimaal 8 plekken) de spouwruimte geschikt gemaakt voor de gewone dwergvleermuis en voor de laatvlieger. Dit wordt bewerkstelligd door het aanbrengen van enkele open stootvoegen (circa 2,5 cm breed) op minimaal 3 meter hoogte (figuur 18) en het maken van inkepingen tussen aluminiumprofielen en betimmeringen aan de nieuwbouw waardoor vieermuizen eveneens in de spouw terecht komen (figuur 19).
Figuur 18. Voorbeeld toegang tot de luchtspouw is een eenvoudige maatregel om nieuwbouw geschikt e maken {bron: vleermuizeninfo.be) 15045468 ZUTAGGECOZ
_ Flguur 19. Voorbeeld toegang tot uchtspouw inkeping tussen _ aluminiumprofiel en betimmering nieuwoouw _ (bron: Archiktengroep Geideriand b.v). Pagina 18 van 19
Ec()ésullancyîÊ De ruimte achter en boven deze open stootvoegen (minimaal 50 bij 80 centimeter) mag niet worden opgevuld met isolatiemateriaal. De spouwruimte kan geïsoleerd worden met isolatieplaten. Daarbij dienen de platen opgeruwd te worden of middels een stevig kunststof gaas met een maaswijdte van 3 tot 10 mm te bevestigen. Indien glaswol (e.d.) wordt gekozen als isolatiemateriaal wordt een dunne
ruwe plaat tegen het isolatiemateriaal aangebracht, bijvoorbeeld houtwolcement. Noodzakelijk i dat er een spouwruimte (luchtspouw) van minimaal 3 tot 5 centimeter aanwezig blijft tussen de buitenmuur en de isolatie en dat vleermuizen houvast hebben. Vleermuizen kunnen jaarrond verblijven in de spouw. De permanente verblijfplaatsen worden aangebracht op de hoeken, zodat de vleermuis zich
binnendoor
van
de ene
kant
naar de
andere
kant
kan verplaatsen
(meerdere
microklimaten).
Verder dienen de open stootvoegen onverlicht te blijven en niet worden voorzien van bijenbekjes. Voor de laatvlieger worden tevens extra ruimtes achter betimmeringen gecreëerd van de nieuwbouw. Bij de bebouwing met een betimmering van larikshout worden (onzichtbare) toegangen gemaakt op enige afstand van ramen en muren om zo een mogelijke overlast zo veel als mogelijk te beperken. Het
heeft de voorkeur
om
de afstand
van
het hout tot aan
de muur
te variëren
van
0.7- 3 m.
Deels
wordt dit bereikt worden door het potdekselen, maar ook een licht toelopende (van 3 em dikte tot 0,7 ‚m dikte) tengel zou uitkomst kunnen bieden. 63
Zorgvuldig handelen
Voor alle soorten geldt de zorgplicht artikel 2 van de Flora- en faunawet, die van toepassing is op zowel beschermde als onbeschermde dier- en plantensoorten, ongeacht vrijstelling of ontheffing. Op grond hiervan dient zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, schade aan alle soorten te worden voorkomen. Hierbij dient, met name bij het verwijderen van groen, rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kleine algemeen voorkomende diersoorten zoals egel, gewone pad en bruine kikker. Deze soorten dienen de gelegenheid te krijgen om de onderzoekslocatie uit zich zelf te verlaten. Indien noodzakelijk dienen de dieren te worden verplaatst naar geschikt habitat buiten de ingrepen op de onderzoekslocatie. Ten aanzien van algemene broedvogels wordt de beplanting buiten het broedseizoen verwijderd. Tijdens het onderzoek naar huismus zijn er eveneens geen nesten van andere broedvogels, zoals spreeuw of kauw, n de te slopen bebouwing aangetroffen. 6.3.1
Tijdstip en locatie mitigerende en compenserende maatregelen
In tabel II is per maatregel aangegeven waar en wanneer deze plaatsvinden of hebben plaatsgevonden.
Tabel I_
Planning mitigerende maatregelen
werkzaamheden
locatie
2015 s
x
2016 Tm
o
m
e
m
am
w
Aanbrengen tjdelike voor- _ [ Directe omgeving onderzieningen gewone dwerg_ | zoekslocate. buien de Veermuis enlaatwieger | inoed van de ingreep. Verwiderenbeplanting, _ rekening houdenmetzorgplieht
| Tuinen |e
op onderzoeksies-
Ongeschikt maken bebouwing voor vleermuizen
_ | Te siopen bebouwing onder ecologische begelidng ter zake kundge (ecdoog)
5 _ dagen Vooratgaand aan sloop.
Controle atwezigheid weer. muizen
| Te sopen
Daags vooatgaand
bebouwing
aa sloop.
Permanente voorzieningen
_ | Nieuwoouw
nieuwbouw
Econsultancy Doetinchem,
26 november
15045468 ZUTAGGECOZ
2015
Pagina 19 van 19
Econsultancy is een onafhankelijk adviesbureau. Wij bieden realistisch advies en concrete oplossingen voor milieuvraagstukken en willen daarmee een bijdrage leveren aan een duurzaam .en verantwoord gebruik van onze leefomgeving.
Diensten
Wij kunnen
u van
waterbodem,
water, archeologie, ecologie en milieu. Op www.econsultancy.nl vindt u uitgebreide informatie
dienst
zijn met
een
uitgebreid
scala aan
onderzoeken
op
het gebied
van
bodem,
over de verschillende onderzoeken.
Werkwijze Inzet en professionele betrokkenheid kenmerkt onze diensten. De verantwoordelijke projectleider is het eenduidige aanspreekpunt voor de klant en draagt zorg voor alle aspecten van het project: kwaliteit, tijd, geld, communicatie en organisatie. De kernwaarden deskundig, vertrouwd, betrokken, flexibel, zorgvuldig en
vernieuwend zijn een belangrijke leidraad in ons handelen. Kennis
Het
deskundig
bedoelingen
begeleiden
van
de
van
onze
opdrachtgever.
opdrachtgevers
vraagt
Het
gedegen
vereist
ook
om
betrokkenheid
en
actuele
bij
en
kennis
vakinhoudelijke
van
de
kennis.
Alle
beschikbare kennis wordt snel en effectief ingezet. De medewerkers vormen ons belangrijkste kapitaal. Persoonlijke en inhoudelijke ontwikkeling staat centraal want het werk vraagt steeds om nieuwe kennis en
nieuwe verantwoordelijkheden. Creativiteit
Onze medewerkers zijn in staat om buiten de geijkte kaders een oplossing te zoeken met in achtneming van de geldende wet- en regelgeving. opdrachtgever te bereiken.
Oplossingen
die bedoeld
zijn om
snel
en
efficiënt
het doel
van
de
Kwaliteit
Er wordt continue gestreefd naar het verhogen van de professionaliteit van de dienstverlening. Het leveren
van diensten wordt intem op een dusdanige wijze georganiseerd dat het gevraagde resultaat daadwerkelijk op een zo effectief en efficiënt mogelijke wijze wordt voortgebracht. Hierbij staat de klanttevredenheid centraal. Het kwaliteitssysteem van Econsuitancy voldoet aan de NEN-EN-ISO 9001: 2008. Tevens is
Eoonsultancy gecertificeerd voor diverse protocollen en beoordelingsrichtljnen. Opdrachtgevers Econsultancy heeft sinds haar oprichting n 1996 al meer dan tienduizend projecten uitgevoerd.
Projecten in
opdracht van particulier tot de Riijksoverheid, van het bedrijfsleven tot non-profit organisaties. De projecten kennen een grote diversiteit en hebben in sommige gevallen uitsluitend een onderzoekend karakter en zijn in
andere gevallen meer adviserend.
Steeds vaker wordt onderzoek binnen meerdere disciplines door onze op-
drachtgevers verlangd. Onze medewerkers zijn n staat dit voor de opdrachtgever te coördineren en zelf (deel)onderzoeken uit te voeren. Ter illustratie van de veelvoud en veelzijdigheid van de projecten in de
werkvelden bodem,
waterbodem,
ecologie, archeologie, water, geluid en milieu kunnen
uitgebreide refe-
rentielijsten worden verschaft.
Vestiging Limburg Rijksweg Noord 39
Vestiging Gelderland Fabriekstraat 19C
Vestiging Brabant Rapenstraat 2
6071
7005 AP
5831
KS
Swalmen
Tel. 0475 - 504961
Swalmen@econsultancy.nl
Doetinchem
Tel. 0314 -365150
Doetinchem@econsultancy.nl
GJ
Boxmeer
Tel. 0485 - 581818
Boxmeer@econsultancy.nl
sultancy.nl
econsultancy.nl
Eco sultancy,