564694 - Bijlage 10 - Bijlagen bij de toelichting - Bijlage 10 Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
QUICKSCAN
FLORA
BREEGRAVEN
101
EN FAUNA -115
TE WARNSVELD GEMEENTE
ZUTPHEN
) [@})
Eco sultancy,
©
*#
®
Bodem
% Waterbodem %
Water
#% Archeologie # Ecologie #
Milieu
©
L
Quickscan
flora en fauna
Breegraven 101 - 115 te Warnsveld in de gemeente Zutphen Opdrachtgever
|
Stichting Woningbedrijf Warnsveld Postbus
1114
7230
Wamsveld
AC
Project
|
ZUTAGG.ECO1
Rapportnummer
|
14095995
Versienummer
|
D1
Status
|
Eindrapportage
Datum
|
23 oktober 2014
Vestiging
|
Doetinchem
Opsteller
(geanonimiseerd) |
Paraaf
Kwaliteitscontrole
| (geanonimiseerd)
Paraaf
NGB Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belang‘hebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwafiteit van hun werk Betrouwbaarheid
Dit onderzoek i op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde
soorten.
Het incidenteel voorkomen
van
beschermde
soorten
is echter nooit met
zekerheid
te
voorspellen. Econsuitancy accepteert derhalve op voorhand geen aansprakelijheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsuitancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij n deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Flora- en faunawet dan wel inzichten híeromtrent zijn gewij zigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de auickscan opnieuw te toetsen.
Ec sullan(:yî\!?ì n
INHOUDSOPGAVE INLEIDING . GEBIEDSBESCHRIJVING
….
21 22
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving Ligging ten opzichte van beschermde gebieden
23
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
ONDERZOEKSMETHODIEK TOEPASSING
41
_
VAN
DE
…
NATIONALE
NATUURWETGEVING
.
Inleiding …
42
Flora- en faunawe’
43
_ Gebiedsbescherming
ONDERZOEKSRESULTATEN..
5.1 52 53
54 55 56 57
_ Inleiding Vogels. Vleermuizen
_ Overige zoogdieren . _ Reptielen, amfibieën en visse Ongewervelden. Vaatplanten
TOETSING
AAN
6.1
Inleiding
62
Flrae
6.3
WET-
EN
REGELGEVING
_ Gebiedsbescherming
SAMENVATTING
EN
CONCLUSIES .
14095995
ZUT.AGG.ECOT
Ec()ésullancyîÊ 1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Stichting Woningbedrijf Warnsveld opdracht gekregen voor het uitvoeren van
een quickscan flora en fauna aan de Breegraven 101 - 115 te Warnsveld in de gemeente Zutphen. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd n het kader van een bestemmingsplanwijziging. De quickscan heeft tot doel om in te schatten of het bestemmingsplan uitvoerbaar i in de zin van de Wro (artikel 3.1.6 Bro). Het onderzoek heeft niet als doel om vergunningen in het kader van de Floraen faunawet of overige natuurwetgeving te verkrijgen, maar beoordeet of het beoogde plan binnen de
planperiode uitgevoerd zou kunnen worden, binnen de huidige randvoorwaarden die de natuurwetgeving stelt. Een quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er worden in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar. Uit de quickscan flora en fauna zal blijken of aanvullend soortonderzoek noodzakelijk is, bijvoorbeeld indien overtreding van verbodsbepalingen in de geldende wetgeving worden verwacht, of als er een tekort aan gegevens is over het voorkomen van beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie.
Econsultancy i lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus” en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.
14095995 ZUTAGG.ECOT
Pagina 1van
17
Ec 2
21
sultancy
GEBIEDSBESCHRIJVING
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (+ 2.780 m2?) ligt aan de Breegraven 101 - 115, in de kern van Warnsveld, in de gemeente Zutphen. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 33H (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 212.570, Y = 461.360.
de
TA
J
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie is bebouwd met een drietal woonblokken Breegraven nummers 101 /m 115. De woningblokken bestaan in het totaal uit zes huurwoningen. Tot de onderzoekslocatie behoren ook de tuinen en enkele bergingen (hout en steen) gesitueerd in de achtertuinen van de woningen. De
bebouwing is opgebouwd uit stenen muren en voorzien van dakpannen. De tuinen van de woningen zijn deels verhard en ingericht met groen, zoals ligusterhagen en solitaire bomen, en gazon. Verder behoort tot de onderzoekslocatie een onbebouwd terreindeel ingericht met gazon en met langs de randen enige opgaande begroeiing. Aan de noordzijde grenst de onderzoekslocatie aan een terrein van de Warnveldse schooltuinen. Hier
worden groenten en bloemen verbouwd. Ten westen is de Klaprooslaan gelegen. Langs de zuidzijde van de onderzoekslocatie is de Breegraven gelegen. Ten westen van de onderzoekslocatie zijn eveneens woningblokken met tuinen gesitueerd. n figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 5 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto's die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
14095995 ZUTAGG.ECOT
Pagina 2van 17
:
N
CO nsullancì\în\]îì
Figuur 3. Westelik gelegen terreindeel
met gazon. 2.2
Figuur
4.
zoekslocatie
Voorzijde
woningen
onder-
2
Figuur 5. Eén van de achtertuinen met
bijgebouw.
Ligging ten opzichte van beschermde gebieden
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of n de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen
is als Natura 2000.
Het meest nabijgelegen
Natura 2000-gebied,
de Uiterwaarden van
de IJssel, bevindt zich op circa 4 kilometer afstand ten westen van de onderzoekslocatie. Ecologische Hoofdstructuur (EHS) Gelders Natuurnetwerk (GNN). De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van de EHS of GNN. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een onderdeel, behorend tot de EHS/ GNN. Het meest nabijgelegen onderdeel bevindt zich circa 700
meter ten oosten van de onderzoekslocatie.
Het betreft een natuurgebied
(Vel-
dese bos) gelegen buiten de bebouwde kom van Warnsveld.
14095995 ZUTAGG.ECOT
Pagina 3van
17
tco/nsultancy In figuur 6 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van de EHS/ GNN en het Natura 2000 gebied de Uiterwaarden van de IJssel weergegeven.
Figuur 6. Ligging onderzoekslocatie (pil ten opzichte van de EHS (groen) / Natura 2000(gearceerd). 23
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens nieuwbouw op de onderzoekslocatie te realiseren. In de haalbaarheidsstudie van het project wordt uitgegaan van 20 appartementen en 26 parkeerplaatsen. Ten behoeve van de nieuwbouw zal de huidige bebouwing worden gesloopt en beplanting worden verw derd. In figuur 7 is een tekening opgenomen van de haalbaarheidsstudie die voor de onderzoeksloca-
tie is gedaan (Bron: Architectenbureau Gelderland, 2012)
Figuur
ä . Tel
ening haalbaarheidsstudie toekomstige situatie onderzoekslocatie.
14095995 ZUTAGG.ECOT
Pagina 4van
17
Ec()ésullancyîÊ 3
_ ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen
in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten
beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 7 oktober 2014. Tijdens dt veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat.
Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland geraadpleegd. Verspreidingsgegevens van soorten zijn veelal weergegeven op kilometerhokniveau (1 x 1 kilometer) of op uurhokniveau (5 x 5 kilometer). Aangezien met de schaal van kilometerhokken of uurhokk een groter gebied wordt beschouwd dan alleen de onderzoekslocatie, betekent dit niet dat de kri sche soorten ook daadwerkelijk voorkomen binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie. Verder zijn sommige verspreidingsgegevens niet erg actueel. Dit betekent dat de meest recente verspreidingsgegevens reeds verouderd kunnen zijn. De meeste te gebruiken gegevens vormen daarom geen uitsluitsel over het aantal soorten en type waamneming van een soort in het betreffende gebied, maar
enkel
een
indicatie over
het voorkomen.
De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
14095995 ZUTAGG.ECOT
Pagina 5van
17
Ec 4
TOEPASSING
41
_ Inleiding
VAN
DE
NATIONALE
sultancy(.nl
NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Flora- en faunawet bij de meest voorkomende soorten en soortgroe-
pen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. 4.2
Flora-en
faunawet
De Europese natuurwetgeving s in Nederland, op het gebied van de soortbescherming, uitgewerkt in de Flora- en faunawet. Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten te beschermen
en in stand te houden. Om
dît doel te bereiken, bevat de wet een
aantal
verbodsbepalingen (zie tabe! |). Hierbij wordt het zogenaamde “nee, tenzij…” principe gehanteerd. Dit wil zeggen dat activiteiten met een (potentieel) schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn (“nee"). Van dit verbod kan echter onder voorwaarden (‘tenzij”) afgeweken worden door
ontheffingen of vrijstelingen. Tabell.
_
Verbodsbepalingen Flora- en faunawet
Artke!8
Het s verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort,te plukken, te verzamelen, af te snijden, uite steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigeriei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen.
Artkel9
Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoorl ‘bemachtigen of met het o0g daarop op te sporen.
Artkel 10
Het s verboden dieren,
behorende tot een beschermde inheemse diersoort opzettelij 1e verontrusten.
Het s verboden nesten,
holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfsplaatsen van dieren, behorende tot
Arikel 11
‚een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen,
Ie doden,
{e verwonden, [e vangen, e
e vemielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.
Voor de Flora- en faunawet geldt dat vaste rust- en verblijfplaatsen van bepaalde soorten zijn beschermd. De Flora- en faunawet maakt onderscheid in drie beschermingscategorieën. ledere categorie heeft zijn eigen ontheffingsmogelijkheden en toetsingscriteria. Hierbij vallen vogels onder een aparte categorie. Tabelll.
_ Soortbeschermingscategorieën Flora- en faunawet
Tabelt
algemeen beschermde soorten
Voor de soorten in Tabel 1 van de Flora- en faunawet geldt, bi ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, bestendig beheer en onderhoud en bestendig gebruik, een vrjstellng van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet Voor deze actvieiten hoeft geen ontheffng in het kader van artikel 75 aangevraagd te worden. Voorbeeiden zijn: ree, haas konijn, egel, Tabel2
bruine kikker, gewone pad, wijngaardslak, brede wespenorchis, grote kaardenbol
overige beschermde soorten
Voor de soorten in Tabel 2 van de Flora- en faunawet dient bij overtreding van de verbodsbepalingen een ontheffing aangevraagd te worden. Echter indien er volgens een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode gewerkt wordt, geldt r b uimtelijke ontwikkeling
n inichting,
bestendig beheer en onderhoud en bestendig gebruik, een vrsteling van de verbodsbepalingen en hoeft er geen ontheffing
:aangevraagd te worden. De onthefingaanvraag wordt getoetst aan het criterium ‘doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort (!ichte toets’) Voorbeeiden zijn: eekhoorn, steenmarter, kleine modderkruiper,
14095995 ZUTAGG.ECOT
gele hembioem, steenbreekvaren, tongvaren, maretak
Pagina 6van 17
Ec Tabel3
_ strikt beschermde
sultancy(.nl
soorten
Voor de soorten van Tabel 3 van de Flora- en faunawet dient b overtreding van de verbodsbepalingen j alle activiteiten (waaronder ruimtelike ontwikkeling en inrichting) een ontheffing aangevraagd te worden. In een zeer beperkt aantal gevallen kan er op basis van een door
hef Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode een vrijsteling verleend worden voor de ontheffingsverpichting b een zeer beperkt aantal actwiteiten
De ontheffingaanvraag wordt getoetst aan een drital citeia (uitgebreide toets). B de uitgebreide toets dient aan alle afzonderijke crteria te worden voldaan. De criteria zjn als volgt: de activileiten of werkzaamheden doen geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding
van de soor, e is geen andere bevredigende oplossing (altemaief) voor de geplande actvieiten of werkzaamheden,
die minder schade
oplevert voor de betreffende soort en er moet sprake zijn van een bi de wet genoemd belang. Voorbeeiden zjn: das, waterspitsmuis, alle vleermuissoorten,
rugstreeppad, boomkikker, kamsalamander
Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig
zijn van
de soorten
uit de verschillende beschermingscategorieën.
Vervolgens
wordt
beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Broedvogels en vleermuizen zijn soortgroepen uit de strengste beschermingscategorie. Voor de overige soortgroepen is de beschermingsstatus afhankelijk van de soort. Broedvogels Alle broedende inheemse vogels en hun nesten zijn wettelijk strikt beschermd en qua bescherming-
regime te vergelijken met Tabel 3 van de Flora- en faunawet. Broedvogels vallen onder een aparte beschermingsgroep en zijn ingedeeld in een vijtal beschermingscategorieën (Aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen, Dienst Regelingen, 2009). Zie tabel l voor een indeling van de bescherming van broedvogels. Tabelll.
_ Beschermingscategorieën aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen.
Broedvogels
Voor vogels geldt dat e altd een ontheffing aangevraagd dient te worden.
Indien actviteiten plaatsvinden waarbij verbodsbepalingen worden
overtreden ten aanzien van (broed)vogels dient er een uitgebreide toets, zoals beschreven bij Tabel 3 Flora- en faunawet toegepast e worden. Biij broedvogels kan een overtreding in de meeste gevallen gemakkelijk voorkomen worden door de werkzaamheden buiten het broedseizoen i
e
voeren.
Beschermingscategorie 1 | nesten jaarrond beschermd,
ookbuiten broedseizoen Beschemingscategorie 2
_ | Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen
_
| n gebruik zijn a vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld:steenui]. Nesten van koloniebroeders di e broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvas! zjn of afnankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke)
voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer speciliek en imitatief beschikbaar (voorbeeld:
Beschermingscategorie 3
roek, gierzwaluw en huismus).
Nesten van voges. zinde geen kolonebroeders.
cie e broedseizoen op dezolide
plats broeden en de daa zeer honkvast z of afhankelk van bebouwing. De (tysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschkbaar (voobeeld: ooievaar.kerkuilen sechtvalk). Beschermingscategorie 4
Vogels di jaar in jaa uit gebruik maken van hetzelide nest en die zelf niet of
nauwelijks in staat zjn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvaik, buizerd en ransuil).
Beschermingscategorie 5 | Nesten jaarrond beschermd _ | Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar z het jaar als zwaawegende feiten f _ | daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wei over ecologische omstandigheden | voldoende flexibiitet beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich dat rechtvaardigen elders e vestigen. Overige broedvogels
'algemeen” voorkomende broedvogels}
14095995 ZUTAGG.ECOT
Nesten dîe niethet hele jaar _ | Vogels de elk broedseizoen een nieuw nest maken of n staat zjn een nieuw nest
| door zin beschermd: enkel
_ | te maken. De vogenesten voor eenmalig gebruik.
binnen broedseizoen.
Pagina 7van 17
Ecqásu llan<:yî\]%Vì Vleermuizen
Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten genieten zowel binnen de Flora- en faunawet als binnen de Natuurbeschermingswet een strikte bescherming. Alle vleermuissoorten staan vermeld in
bijlage IV van de Europese Habitatrichtijn. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblifplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: "het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort”. Dit houdt in dat niet alleen alle verblijfplaatsen maar ook de verbindingen hiertussen (vliegroutes) en de foerageergebieden bescherming genieten.
Vleermuizen zijn streng beschermd omdat ze erg kwetsbaar zijn. De afgelopen vijftig jaar zijn sommige soorten erg zeldzaam geworden of geheel verdwenen. Wanneer overwinterende dieren worden verstoord, is de kans groot dat ze sterven omdat ze dan teveel van hun vetreserve gebruiken. Maar al te vaak worden bomen gekapt en oude gebouwen gerenoveerd of gesloopt. Als zich hierin een vleermuiskolonie
bevindt,
heeft dat
negatieve
gevolgen
voor
de vieermuisstand
op
lokaal
niveau.
Omdat ze meestal maar één jong per jaar krijgen, kan herstel erg lang duren. Vleermuizen kunnen zelf geen verblijfplaatsen maken en zijn dus afhankelijk van bestaande verblijfplaatsen. Daarnaast hebben ingrepen in het landschap ook negatieve gevolgen doordat foerageergebieden en vliegroutes, waar vleermuizen jaren achtereen gebruik van maken, verdwijnen. De impact die een ingreep kan hebben verschilt sterk per situatie en per soort waardoor meestal gedetailleerde gegevens nodig zijn om een passend advies te geven.
Algemene Zorgplicht De algemene zorgplicht houdt n dat een ieder die redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handeIen nadelige gevolgen voor de flora en fauna kunnen ontstaan, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten of maatregelen te nemen om de nadelige gevolgen te voorkomen. Zo kan er bijvoorbeeld rekening worden gehouden met amfibieën en kleine zoogdieren worden wanneer materialen en houtstapels, waaronder de dieren verblijven, worden verwijderd. TabelIV.
_ Algemene Zorgplicht
Algemene Zorgplicht (artikel 2) Een belangrik uitgangspunt binnen de Fiora- en faunawet is úat op elke burger de plicht rust om voldoende zorg in acht te nemen voor alle
in het wid levende planten en dieren en hun directe leefomgeving.
Dit houdt in dat iedereen zich dient n te spannen om de nadelige ge:
volgen voor een soort e voorkomen, e beperken of ongedaan te maken.
De zorgpficht i te allen tjde van toepassing, ook al vindt er geen
overtreding van een verbodsbepaling plaats.
De algemene zorgplicht is in de meeste gevallen voornamelijk van toepassing op beschermde soorten die staan vermeld in Tabel 1 van de Flora- en faunawet. Dit betreffen algemeen voorkomende soorten, waarvoor bij ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling geldt. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor de betreffende soortgroep worden aangegeven.
14095995 ZUTAGG.ECOT
Pagina 8van
17
Ec()ésullancyîÊ 43
Gebiedsbescherming
De quickscan flora en fauna toetst voornamelijk aan de Flora- en faunawet. Indien een plangebied in of nabij een gebied is gelegen dat tot de EHS behoort of onder de Natuurbeschermingswet valt, dient te worden bepaald of er een effect valt te verwachten. Bij een toetsing aan de Natuurbeschermingswet spelen vaak andere facetten mee, zoals de aanwezige doelsoorten en kernwaarden van het betreffende beschermde gebied. Natuurbeschermingswet 1998; Natura 2000
De Natuurbeschermingswet 1998 heeft tot doel bijzondere natuurgebieden in Nederland te beschermen en in stand te houden. De wet omvat onder andere de richtijnen van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn ten aanzien van gebiedsbescherming. Doordat de Habitatrichtijn en de Vogelrichtljn beide zijn opgenomen in de Natura 2000-wetgeving, zijn de termen "Habitatrichtlijngebied” en ‘Vogelrichtijngebied” komen te vervallen. Natura 2000 is een samenhangend
netwerk van beschermde
na-
tuurgebieden op het grondgebied van de Europese Unie. Handelingen die een negatieve invloed hebben op gebieden die binnen dit netwerk vallen, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning s vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het Ministerie van Economische Zaken (via Riijksdienst voor Ondernemend Nederland) of door de Provincie.
Natuurbeschermingswet 1998; Beschermde Natuurmonumenten Beschermde Natuurmonumenten zijn gelegen buiten de Natura 2000-gebieden. Met de inwerkingtreding van de Natuurbeschermingswet 1998 is het onderscheid tussen Staats- en Beschermde Natuurmonumente opgeheven en gewijzigd in Beschermde Natuurmonumenten en zijn (delen van) Beschermde Natuurmonumenten die overlappen met Natura 2000- gebieden komen te vervallen. Het beschermingsregime voor Beschermde Natuurmonumenten betreft het verbod om zonder vergunning handelingen te verrichten die schadelijk kunnen zijn voor de te beschermen waarden van een natuurmonument, zoals natuurschoon en de natuurwetenschappelijke betekenis ervan. Ontwikkelingen zijn wel mogelijk als door het Ministerie of de Provincie een vergunning is verleend. Nationaal netwerk, Gelders NatuurNetwerk; Ecologische hoofdstructuur (EHS) De Nederlandse Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een netwerk van gebieden dat planten- en diersoorten in staat stelt zich door en tussen verschillende natuurgebieden te verplaatsen. Het netwerk moet voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat gebieden hun ecologische waarde verliezen. De EHS is onderdeel van een Europees ecologisch netwerk en bestaat uit kerngebieden
(in Nederland de Natura-2000 gebieden,
Beschermde
Natuurmonumenten
en
de Wetlands) of verweven gebieden (gericht op de verweving van landbouw, wonen en natuur) die onderling verbonden worden door ecologische verbindingszones. Ecologische verbindingszones zijn stroken en stukjes natuur die de verspreid liggende natuurgebieden met elkaar verbinden. Op deze manier kunnen dieren en planten zich van het ene naar het andere leefgebied verplaatsen. Met name de kleine populaties die met uitsterven worden bedreigd, blijven hierdoor levensvatbaar. Negatieve invloed op de werking van een verbinding of aantasting van een verbinding dient vermeden en gecompenseerd te worden zodat het netwerk niet verslechterd.
14095995 ZUTAGG.ECOT
Pagina 9van
17
Ecqásullancyan 5
_ONDERZOEKSRESULTATEN
541
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden en verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingroutes. Indien van toepassing wordt tevens beoordeeld of de voorgenomen plannen een verstorend effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Dit is nader uitgewerkt in hoofdstuk 6. 52
Vogels
Broedvogels (beschermingscategorie 1 t/m 4) Huismussen en gierzwaluwen ontbreken zelden binnen de bebouwde kom als broedvogel (Sovon, 2012). Gierzwaluwen en huismussen zijn zeer plaatsgetrouw. Gierzwaluwen keren zolang ze leven vanuit Afrika op hetzelfde nest terug zolang er niets met het nest of gebouw gebeurt. Gierzwaluwen en huismussen gebruiken ruimte onder dakpannen en achter betimmeringen om te broeden. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn huismussen gehoord. De onderzoekslocatie biedt potentiële
nestgelegenheid voor de soort door de aanwezigheid van ruimtes onder de dakpannen daken van de woningen (figuur 8 en 9). De bebouwing op de onderzoekslocatie is door de aanwezigheid van ruimte onder (kantjdakpannen eveneens geschikt voor de gierzwaluw om tot broeden te komen. De tuinen rond de woningen kunnen deel uit maken van het functionele leefgebied van de soort.
s OO OC > C
H9
=&
h
OSO
Figuur 8. Potentiële nestlocaties huismus rond dakgoot.
Figuur 9. Ruimte onder dakpan .
Andere nesten van jaarrond beschermde soorten, zoals nesten van roofvogelsoorten als sperwer, ransuil en buizerd, zijn op basis van de ligging in de bebouwde kom en type beplanting op de onderzoekslocatie
niet te verwachten.
Broedvogels (beschermingscategorie 5) De broedvogels die onder de beschermingscategorie 5 vallen zijn voornamelijk holenbroeders. Maar ook soorten als ekster, zwarte kraai en huiszwaluw zijn onder bepaalde gevallen jaarrond beschermd en vallen onder deze beschermingscategorie. Of er sprake is van jaarronde bescherming is onder andere afhankelijk van het voorkomen van grote aantallen en de aanwezigheid van voldoende alternatieve nestgelegenheid in de omgeving.
14095995 ZUTAGG.ECOT
Pagina 10 van 17
E(:()Ásullan<:yî\]%Vì Tijdens het veldbezoek zijn geen indicaties aangetroffen dat er op de onderzoekslocatie broedvogels aanwezig zijn uit deze beschermingscategorie waarvan het nest een jaarrond beschermde functie zou moeten
hebben.
Overige broedvogels Door de aanwezigheid van tuinen met struiken, bomen en hagen zijn er op de onderzoekslocatie geschikte nestlocaties aanwezig voor algemene vogels als merel, heggenmus, winterkoning, roodborst en
houtduif.
Slaapplaatsen Sommige vogelsoorten zoals houtduif, kauw en huismus, maar ook ransuilen, maken vooral buiten het broedseizoen gebruik van gemeenschappelijke slaapplaatsen. Meestal wordt hierbij beschutting gezocht in de vorm van dichte begroeiing, hoge bomen, of de veiligheid van open water. Er zijn geen indicaties dat op de onderzoekslocatie een gemeenschappelijke slaapplaats aanwezig s. 5.3
Vleermuizen
Volgens het cursusdictaat "Vleermuizen en Planologie” (Limpens et al., 2010) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, vale vleermuis, franjestaart, Bechstein's vleermuis, meervleermuis, baardvieermuis, en watervleermuis. Verblifplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie is geschikt als verblifplaats voor vleermuizen. Vleermuizen kunnen met name gebruik maken van de ruimtes onder de dakpannen als verblijfplaats (figuur 10). Er zijn op enkele plekken aan de kopse kanten van de woningen nokpannen en openingen aanwezig die geschikt lijken als verblijfplaats voor vleermuizen (figuur 11). In de muren
zijn weinig toegangsmoge-
ljkheden aangetroffen.
Figuur 10. Ruimte onder dakpannen.
Figuur 11. Ruimte achter nok- en kantpannen.
Er is niet op voorhand uit te sluiten dat zich op de onderzoekslocatie een vaste rust- of verblijfplaats van vleermuizen bevindt. De te verwachten vleermuissoorten zijn gewone dwergvleermuis en laatvlieger.
14095995 ZUTAGG.ECOT
Pagina 11 van 17
ECQÁ sul l[ancyîÊ Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed
kunnen
ondervinden
van de werkzaamheden.
Foeragerende vleermuizen De onderzoekslocatie zal, gelet op de aanwezigheid kunnen
worden
door in de omgeving
van tuinen en opgaande
verblijvende vleermuizen
als gewone
beplanting, gebruikt
dwergvleermuis
en laat-
vlieger om te foerageren. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving
is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen
aanwezig.
Vliegroutes Vleermuizen
maken
veelal gebruik van lijnvormige (donkere)
landschapselementen
als houtsingels,
beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergeljke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. Bovendien hebben vleermuizen n de bebouwde kom genoeg oriëntatie punten. 54
_ Overige zoogdieren
Licht beschermde
soorten
De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. In de tuinen van de woningen kunnen algemene soorten als egel en rosse woelmuis voorkomen. In de bebouwing worden algemene zoogdieren niet verwacht Streng beschermde soorten De steenmarter is een soort die onder andere verblijfplaatsen in bebouwing heeft. Steenmarters gebruiken loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. De bebouwing op de onderzoekslocatie is bewoond. Uit navraag bij enkele bewoners blijken geen waarnemingen (geen overlastmeldingen) van het gebruik van de bebouwing door steenmarter bekend. Eén bewoner heeft aangegeven dat weleens geluiden worden gehoord rond het dak die mogelijk duiden op de aanwezigheid van steenmarter.
55
_ Reptielen, amfil
Reptielen Reptielen stellen spedifieke eisen aan het habitat de betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Amfibieën
en
vissen
In de tuinen kunnen algemene amfibieënsoorten als gewone pad, kleine watersalamander en bruine kikker onderkomen vinden tussen de beplanting. In één van de voortuinen is een kleine kunststof vijver aanwezig. Het is niet te verwachten dat deze voortplantingsmogelijkheden biedt voor amfibieën of wilde vissoorten.
56
_ Ongewervelden
Libellen
De kleine kunststof vijver biedt geen geschikt habitat voor libellen. Gezien het ontbreken van overige oppervlakte wateren kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen.
14095995 ZUTAGG.ECOT
Pagina 12 van 17
EC()Á su llancyîÊ Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Het i uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig
is voor een
(deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige ongewervelden Overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoorn, zijn niet op de onderzoekslocatie te verwachten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig.
57
_ Vaatplanten
Gelet op het huidige gebruik van de onderzoekslocatie als tuin en straatbeplanting, is het niet te verwachten dat er beschermde plantensoorten op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Daarbij is tevens
gelet op de aanwezigheid
van beschermde
muurvegetatie.
Vanwege
de specifieke eisen die de
meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten, waarvoor geen vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling geldt, op de onderzoekslocatie niet te verwach ten.
14095995 ZUTAGG.ECOT
Pagina 13 van 17
E(:()Ásullancyî\]%“ì 6
_ TOETSING
61
Inleiding
AAN
WET-
EN
REGELGEVING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet optreden of kan er sprake zijn van negatieve gevolgen voor door de wetgever vanuit natuurwetgeving
beschermde
gebieden.
In dit hoofdstuk wordt beschreven
voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Flora- en faunawet en overige natuurwetgeving
en
of met
eenvoudige
maatregelen
overtreding
is te voorkomen.
Verder
wordt
be-
schreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Flora- en faunawet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen en ontheffingen. 6.2
Flora-en
faunawet
Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden gestart en de nestkasten buiten het broedseizoen worden verwijderd, of verplaatst buiten de invloed van de ingreep, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. In de Flora- en faunawet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Huismus
en Gierzwaluw
De woningen op de onderzoekslocatie zijn potentieel geschikt als nestlocatie van de huismus en de gierzwaluw. Deze soorten vallen onder de beschermingscategorie 1, hetgeen inhoudt dat het aantasten van nestlocaties zelfs buiten het broedseizoen een overtreding van artikel 11 van de Flora- en faunawet
inhoudt.
Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soort (periode 1 april tot
15 mei). Dit geldt eveneens voor nestlocaties van de gierzwaluw. Door de uitvoering van nader onderzoek binnen het broedseizoen (juni tot half julí) van de soort kan vastgesteld worden dan wel worden uitgesloten of er broedgevallen van gierzwaluw binnen de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Vleermuizen
De bebouwing op de onderzoekslocatie is geschikt voor gebouwbewonende vleermuissoorten. Er is niet op voorhand uit te sluiten dat zich op de onderzoekslocatie een vaste rust- of verblijfplaats van vleermuizen bevindt. Alle vleermuissoorten staan vermeld in bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen, zelfs op het moment dat ze niet in gebruik zijn. De te verwachten vleermuissoorten zijn gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Een aanvullend onderzoek binnen het geschikte seizoen (half april t/m september) dient meer uitsluitsel te geven over het gebruik van de onderzoekslocatie door vleermuizen. Steenmarter
Voor het verstoren van een verblijfplaats van steenmarter geldt dat een ontheffing noodzakelijk is, tenzij wordt gewerkt conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode (bijvoorbeeld Bouwend Nederland).
14095995 ZUTAGG.ECOT
Pagina 14 van 17
Ec()ésullancyîÊ Dit houdt
in dat tijdens de werkzaamheden
rekening
(maart Um juli, kraamtijd) en dat de werkzaamheden
gehouden
wordt met de gevoelige
periode
zodanig worden uitgevoerd dat een dier de gele-
genheid krijgt om te ontsnappen. De aanvuling die nodig is bij het werken conform de gedragscode is dat de planning en uitvoering van de werkzaamheden worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol, zodat duidelijk wordt op welke wijze wordt voorkomen dat de Flora- en faunawet ten aanzien van deze soort wordt overtreden. Indien met de werkzaamheden geen rekening kan worden gehouden met deze gevoelige periode wordt een nader onderzoek geadviseerd of er daadwerkelijk een vaste rust- of verblijfplaats van steenmarter op de onderzoekslocatie aanwezig is.
Overige soort(groep)en Overtredingen van de Flora- en faunawet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens en gezien de aard van de ingreep niet aan de orde. Noodzaak aanvraag ontheffing Flora- en faunawet artikel 75C Indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat op de onderzoekslocatie nestlocaties aanwezig zijn van de broedvogels waarvan het nest jaarrond is beschermd (huismus, gierzwaluw), of verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, treden er door de voorgenomen werkzaamheden overtredingen op ten aanzien van de Flora- en faunawet. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats behouden moeten blijven en schade aan individuen moeten worden voorkomen.
De maatregelen, vastgelegd in een activiteitenplan dienen vooraf bij de Riijksdienst Voor Ondernemend Nederland ter goedkeuring worden voorgelegd, middels een ontheffingsaanvraag. 6.3
Gebiedsbescherming
Aangezien de onderzoekslocatie niet is gelegen in of in de nabijheid van een onderdeel dat behoort tot de EHS, is aantasting niet aan de orde. De onderzoekslocatie ligt niet in de directe nabijheid van Natura-2000 gebieden. Indien er een effect te verwachten valt dan zal dit een extern effect zijn. Externe werking op beschermde natuurgebieden is gelet op afstand tot de onderzoekslocatie en de aard van de ingreep niet aan de orde.
14095995 ZUTAGG.ECOT
Pagina 15 van 17
Ec sultanc Î!ZÎ? n
7
SAMENVATTING
EN
CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Stichting Woningbedrijf Warnsveld een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Breegraven 101 - 115 te Warnsveld in de gemeente Zutphen. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd n het kader van een bestemmingsplanwijziging. Het onderzoek heeft tot doel te onderzoeken of het plan uitvoerbaar is in de zin van de Wro.
De initiatiefnemer is voornemens nieuwbouw op de onderzoekslocatie te realiseren. In de haalbaarheidsstudie van het project wordt uitgegaan van 20 appartementen en 26 parkeerplaatsen. Ten behoeve van de nieuwbouw zal de huidige bebouwing worden gesloopt en beplanting worden verwijderd.
De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel V. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de conseguenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Flora- en faunawet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Tabel V. Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen
Soortgroep
Broedvogels [ algemeen jaarrond beschermd
Geschikt | ingreep | Nader | Ontheffingshabitat
# 2
| verstorend
mogelijk mogelijk
| onderzoek
Bijzonderheden / opmerkingen
| _ aanvraag
nes a
nee Werkzaamheden buiten het broedseizoen mogelik _ [ Onderzoek 15 mei nestlocaties huismus 1 april Um starten.
Onderzoek nestlocaties gierzwaluw juni Um alf jí
Vieermuizen | verblijfplaatsen toerageergebied viegroutes Grondgebonden zoogdieren
a j nee a
mogelijk A nee nee nee nee mogelik | mogelik
mogelijk _ | Onderzoek verblijplaatsen periode half aprl nee nee nee Onderzoek verblifplaats steenmarter of Um september.
werken volgens goedgekeurde gedragscode.
Amfibieön Reptielen Vissen Libellen en dagviinders Overige ongewervelden Vaatplanten Gebiedsbescherming Natura 2000 EHS
14095995 ZUTAGG.ECOT
2 nee nee nee nee nee
nee nee nee nee nee nee
nee nee nee nee nee nee
nee nee nee nee nee nee
= -
:
Gebied [ Ingreep | Nader | Vergunning4km nee nee nee 700 m nee nee nee -
aanwezig
| verstorend
| onderzoek
|
_
plicht
Pagina 16 van 17
E(:()Ásullan<:yî\]%Vì Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Een overtreding ten aanzien van steenmarter is eveneens te voorko-
men door zorgvuldig handelen en rekening te houden met de gevoelige periode van de soort. Op basis van de nader te verkrijgen informatie kan worden bepaaid of verstoring/overtreding door de ingrepen ten aanzien van de huismus, gierzwaluw of vleermuizen aan de orde is. De mogelijk aanwezige nest- en verblijffuncties van de betreffende beschermde soorten vormen echter geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging. Middels het tijdig treffen van de juiste maatregelen en het eventueel aanvragen van een ontheffing kunnen de voorgenomen plannen
worden uitgevoerd.
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Flora- en faunawet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Conclusie
Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling is de verwachting dat de wijziging van het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient het bepaalde in de Flora- en faunawet in acht te worden genomen, hetgeen — zie tabel IV en bovenstaande — goed mogelijk is.
Econsultancy Doetinchem, 23 oktober 2014
14095995 ZUTAGG.ECOT
Pagina 17 van 17
Ec()ésullancyîÊ GERAADPLEEGDE
BRONNEN
Algemene Literatuur Dienst Regelingen 2009. Aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag. van
Heusden, W.R.M. & S.J. Vreugdenhil Gebied, Den Haag.
2008.
Handreiking
Flora- en faunawet.
Dienst Landelijk
Limpens, H. J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2005. Buiten aan het werk? Houd tijdig rekening met beschermde dieren en planten! De Flora- en faunawet in de praktijk: informatie over vrijstellingen, ontheffingen en gedragscodes. Ministerie van LNV, Den Haag.
SOVON
Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.
websites
www-rijksoverheid.nl (natuurwetgeving) www.mijn.rvo.nl (natuurwetgeving) www.rvo.nl (nationale natuurwetgeving en soortenstandaards)
www.s0von.nl (soortgegevens vogels) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)
14095995
ZUTAGG.ECOT
Ec
sultancy(.nl
Verklarende woordenlijst Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. len verwoord schade
aan
waarmee
de functionaliteit van
een
rust- of verblijplaats van
een
In het activiteitenplan zijn maatregebeschermde
soort behouden
blijft en
individuen wordt voorkomen.
Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/EHS hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "extere werking” genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstelingen van de soorten en habîtattypen in het Natura 2000-gebied/ EHS, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voor!plantingsplaats of van een vaste- rust of verblijfplaats te behouden. Een nestiocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alieen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieTen te leggen en jongen groot e brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat
Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abitische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme
stelt om te kunnen
overleven,
groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vieermuizen in een kraamgroep kun opIopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap. Landhabitat
Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebrt van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tjdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voidoende alternatief eefgebied en/of potentiële verblifplaatsen. Ontheffing De Fiora- en faunawet is gemaakt om planten- en diersoorten di vrij n het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbaTe soorten te beschermen bevat de Flora- en faunawet een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij n een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt
14095995
ZUTAGG.ECOT
Ec
sultancy(.nl
Paarverblijfplaats Dit is een verbljfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsviuchten getracht vrouwtjes aan te Iokken. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogeis, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status. Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort’ in de zin van de Flora- en faunawet. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode List te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten.
Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied dreigen te worden aangetast Het begrip 'significant staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelsteling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Vaste rust- of verblijfplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levencyclus van een individu.
De Flora- en fauna-
wet omschrijft niet exact wat een vaste rust- of verblijfplaats is. Dit is soortafhankelijk.
Vliegroute Een vaste route die door vieermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Winterverblijfplaats Verblijplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblifplaatsen, verbljfplaatsen van kleine groepen of 6én of enkele individuen.
Zomerverblijfplaats Is een vleermuisverblifplaats anders dan een kraamverblijf. bruikt, binnen de kraamperiode door individuele manneties.
14095995
ZUTAGG.ECOT
Buiten de kraamperiode worden
deze door vrouwijes ge-
Econsultancy is een onafhankelijk adviesbureau. Wij bieden realistisch advies en concrete oplossingen voor milieuvraagstukken en willen daarmee een bijdrage leveren aan een duurzaam en verantwoord gebruik van onze leefomgeving. Diensten
Wij
kunnen
u van
dienst
zijn
met
een
uitgebreid
scala
aan
onderzoeken
op
het gebied
van
bodem,
waterbodem, water, archeologie, ecologie en milieu. Op www.econsultancy.nl vindt u uitgebreide informatie over de verschillende
onderzoeken.
Werkwijze
Inzet en
professionele
eenduidige
betrokkenheid
aanspreekpunt
kenmerkt
onze diensten.
De verantwoordelijke
projectleider is het
voor de klant en draagt zorg voor alle aspecten van het project: kwaliteit, tijd,
geld, communicatie en organisatie. De kernwaarden deskundig, vertrouwd, betrokken, flexibel, zorgvuldig en vernieuwend zijn een belangrijke leidraad in ons handelen. Kennis
Het
deskundig
bedoelingen beschikbare
begeleiden
van
onze
opdrachtgevers
vraagt
om
betrokkenheid
bij en
kennis
van
de
van de opdrachtgever. Het vereist ook gedegen en actuele vakinhoudelijke kennis. Alle kennis wordt snel en effectief ingezet. De medewerkers vormen ons belangrijkste kapitaal.
Persoonlijke en inhoudelijke ontwikkeling staat centraal want het werk vraagt steeds om nieuwe kennis en nieuwe verantwoordelijkheden. Creativiteit
Onze medewerkers zijn in staat om buiten de geijkte kaders een oplossing te zoeken met in achtneming van de geldende wet- en regelgeving. opdrachtgever te bereiken.
Oplossingen
die bedoeld
zijn om
snel
en
efficiënt
het doel
van
de
Kwaliteit
Er wordt continue gestreefd naar het verhogen van de professionaliteit van de dienstverlening. Het leveren
van diensten wordt intem op een dusdanige wijze georganiseerd dat het gevraagde resultaat daadwerkelijk op een zo effectief en efficiënt mogelijke wijze wordt voortgebracht. Hierbij staat de klanttevredenheid centraal. Het kwaliteitssysteem van Econsuitancy voldoet aan de NEN-EN-ISO 9001: 2008. Tevens is
Eoonsultancy gecertificeerd voor diverse protocollen en beoordelingsrichtljnen. Opdrachtgevers Eoonsultancy heeft sinds haar oprichting n 1996 al meer dan tienduizend projecten uitgevoerd. Projecten in opdracht van particulier tot de Rijksoverheid, van het bedrijfsleven tot non-profit organisaties. De projecten kennen een grote diversiteit en hebben in sommige gevallen uitsluitend een onderzoekend karakter en zijn in
andere gevallen meer adviserend. Steeds vaker wordt onderzoek binnen meerdere disciplines door onze opdrachtgevers verlangt. Onze medewerkers zijn in staat dit voor de opdrachtgever te coördineren en zelf (deel)onderzoeken uit te voeren. Ter illustratie van de veelvoud en veelzijdigheid van de projecten in de werkvelden bodem, waterbodem, ecologie, archeologie, water en milieu kunnen uitgebreide referentielijsten worden verschaft.
Vestiging Limburg
Vestiging Gelderland
Vestiging Brabant
Rijksweg Noord 39
Fabriekstraat 190
Rapenstraat 2
6071
7005 AP
Doetinchem
5831
Tel. 0475 - 504961
Tel.
- 365150
Tel.
Swalmen@econsultancy.nl
Doetinchem@econsultancy.nl
KS
Swalmen
0314
GJ
Boxmeer
0485 - 581818
Boxmeer@econsultancy.nl
sultancy.nl
econsultancy.nl
Eco sultancy,