522521 - bijlage 4 - Toelichting Hoveniersweg 11
Tekst van het document
Toelichting “Hoveniersweg 11” IMRO: NL.IMRO.0301.bp0102Hoveniersw11-vs01
Opdrachtgever Familie Altena Hoveniersweg 11 7205 DA Zutphen
Opdrachtnemer Locis Adviseurs B.V. Borchgraven 2.5 7051 CW Varsseveld info@locisadviseurs.nl 0315 820 100 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze opgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Locis Adviseurs. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend, Locis Adviseurs, verwerpt elke aansprakelijkheid voor aan ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor hij wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan veranderd worden zonder voorafgaande kennisgeving.
1
Inhoudsopgave 1.
Inleiding ............................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding .................................................................................................................. 4 1.2 Plangebied .................................................................................................................. 5 1.3 Geldende planologische regeling ................................................................................. 5 1.4 Leeswijzer ................................................................................................................... 6
2.
Het plan ................................................................................................................................ 7 2.1 Ontstaansgeschiedenis ................................................................................................ 7 2.2 Huidige situatie ........................................................................................................... 7 2.3 Toekomstige situatie plangebied ................................................................................. 8
3.
Beleid ................................................................................................................................... 9 3.1 Rijksbeleid .................................................................................................................. 9 3.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ................................................................ 9 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .............................................. 10 3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking ................................................................ 10 3.2 Provinciaal beleid...................................................................................................... 11 3.2.1 Algemeen................................................................................................... 11 3.2.2 Omgevingsvisie .......................................................................................... 11 3.2.3 Omgevingsverordening............................................................................... 12 3.3 Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 13 3.3.1 Structuurvisie Noordrand De Hoven ............................................................ 13 3.3.2. Amendement Structuurvisie Noordrand De Hoven (duurzaamheid) ............ 14
4.
Omgevingsaspecten ............................................................................................................ 15 4.1 Bodem ...................................................................................................................... 15 4.2 Archeologie en cultuurhistorie .................................................................................. 15 4.3 Flora en Fauna .......................................................................................................... 16 4.3.1 Gebiedsbescherming Natura2000 ............................................................... 17 4.3.2 Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk ............................................. 17 4.3.3 Soortenbescherming .................................................................................. 18 4.4 Geluid ....................................................................................................................... 19 4.5 Luchtkwaliteit ........................................................................................................... 20 4.6 Bedrijven- en milieuzonering ..................................................................................... 21 4.7 Geur .........................................................................................................................
22 4.8 Externe veiligheid ..................................................................................................... 23 4.9 Water ....................................................................................................................... 29 2
4.10 Verkeer en parkeren ............................................................................................... 30 4.11 Kabels en leidingen ................................................................................................. 30 4.12 Milieueffectrapportage ........................................................................................... 31 4.13 Erfinpassing ............................................................................................................ 32 5.
Juridische planbeschrijving .................................................................................................. 33 5.1 Algemeen ................................................................................................................. 33 5.2 Inleidende regels ...................................................................................................... 33 5.3 Bestemmingsregels ................................................................................................... 33 5.3.1 Opbouw bestemmingen ............................................................................. 33 5.3.2 Bestemmingen ........................................................................................... 34 5.4 Algemene regels............................................................................................ 34 5.5 Overgangs- en slotregels ............................................................................... 35
6.
Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................. 36 6.1. Economische uitvoerbaarheid .................................................................................. 36 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................ 36
7.
Procedure ........................................................................................................................... 37 7.1 Algemeen ................................................................................................................. 37 7.2 Overleg ..................................................................................................................... 37 7.3 Ontwerpbestemmingsplan ........................................................................................ 37 7.4 Vastgesteld bestemmingsplan ................................................................................... 37
Bijlagen Bijlage 1 Bodemrapport Bijlage 2 Quickscan flora en fauna Bijlage 3 Stikstofberekening Bijlage 4 Geluidsonderzoek Bijlage 5 Digitale watertoets Bijlage 6 Zienswijzennota
3
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding In het buitengebied van Zutphen aan de rand van de wijk de Hoven en op de gronden behorende bij de woning aan de Hoveniersweg 11, wordt een nieuwe woning ontwikkeld. Het betreft een vrijstaande woning met bijgebouw. De bestaande woning aan de Hoveniersweg 11 met bijgebouwen vallen buiten dit plangebied. De gronden naast de woning, waarop diverse opstallen en beplanting aanwezig zijn, vallen wel binnen het plangebied. Alle opstallen, waaronder de bijenhouderij, zullen worden verwijderd en het perceel wordt opgeschoond. De bestaande beplanting blijft zoveel mogelijk bestaan. Hieronder een weergave van het plangebied.
Figuur 1 weergave plangebied in rood omkadert
Binnen de regels van het geldende bestemmingsplan is het niet toegestaan om de beoogde woningbouw te realiseren. Daarom dient het bestemmingsplan voor deze locatie te worden herzien. De gemeente heeft ingestemd om medewerking te willen verlenen aan het verzoek.
4
1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom in het buitengebied van Zutphen. De betreffende locatie is kadastraal bekend onder gemeente Zutphen, sectie E nummer 2249 (gedeeltelijk). Hieronder het plangebied en ten opzichte van Zutphen en omliggend gebied.
Figuur 2 plangebied bij rode marker (bron:ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldende planologische regeling Het plangebied is gelegen binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Omgevingsplan Landelijk gebied’ (vastgesteld 4 juli 2022). De grond heeft hierin de bestemming ‘Wonen’ en is onderdeel van de woonbestemming Hoveniersweg 11. Tevens geldt de dubbelbestemming ‘waarde – archeologische verwachting middelhoge verwachtingswaarde’ en de ‘waarde - Kronkelwaarden. Ook geldt de functieaanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk – imkerij met educatie
Figuur 3 weergave huidige bestemmingen met in rood het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
5
1.4 Leeswijzer Een bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting (voorliggend document) waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hoofdstuk 2 van deze toelichting bevat de beschrijving van de huidige situatie van het plangebied en de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de geldende beleidskaders van de verschillende overheden. In hoofdstuk 4 is een overzicht gegeven van de relevante (milieu)aspecten in het plangebied en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd. Hoe het plan is vertaald naar een verbeelding en regels is opgenomen in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarna wordt afgesloten met een beschrijving van de procedure die wordt doorlopen in hoofdstuk 7.
6
2. HET PLAN 2.1 Ontstaansgeschiedenis De Hoven is een wijk met een dorpskarakter. Het ligt aan de westzijde van de IJssel. De wijk is een onderdeel van Zutphen en is van origine een tuinbouwgebied. Er wonen ongeveer 2500 mensen. Het plangebied is direct gelegen naast de wijk De Hoven. De bestaande woning op het perceel is in 1957 gebouwd.
Figuur 4 plangebied rond 1970 (links) en 2021 (rechts) (bron:topotijdreis)
2.2 Huidige situatie Het plangebied ligt in De Hoven, het westelijke buitengebied van de gemeente Zutphen. Landschappelijk gezien behoort dit gebied tot het rivierenlandschap van de IJssel. Dit landschap wordt gekenmerkt door openheid, de aanwezigheid van rivierduinen met een gaaf microreliëf van lage duinen en complexen van richels en geulen. Dwars door het gebied loopt de weg naar Voorst, een provinciale weg met daarlangs lintbebouwing. Het achterliggende agrarische gebied is van oudsher in gebruik als tuinbouwgebied welke nu in een transformatie zit. Een aantal tuinders heeft in het verleden de overstap gemaakt naar glastuinbouw. Tevens zijn al veel dienstwoningen omgezet naar burgerwoningen. Langs de Hoveniersweg en de Voorste Overmarsweg staat een aantal grote kassencomplexen, afgewisseld met vroegere tuinderswoningen die als burgerwoning in gebruik zijn. De planlocatie maakt onderdeel uit van de woonbestemming Hoveniersweg 11. Op deze grond staan momenteel meerdere opstallen ten behoeve van het houden van bijen. Ook zijn er veel struweel en bomen aangeplant. De opstallen zullen worden verwijderd. De aanwezige bomen en hagen zullen, waar dat kan, zoveel mogelijk worden gehouden.
7
2.3 Toekomstige situatie plangebied Het betreft de realisatie van een nieuwe vrijstaande woning. De woning wordt conform de BENG-criteria uitgevoerd en is aardgasloos. Het dakwater wordt geïnfiltreerd in de bodem op het eigen perceel. Op het perceel zal tevens een bijgebouw worden gerealiseerd met een maximale oppervlakte van 150m2. De ontsluiting vind plaats via de bestaande inrit aan de Hoveniersweg. De bestaande bomen worden zoveel mogelijk behouden. Hieronder een weergave van de toekomstige situatie.
Figuur 5 beoogde situatie
8
3. BELEID 3.1 Rijksbeleid 3.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als structuurvisie. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft de landelijke overheid richting aan de grote opgaven, zoals het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050: Een klimaatbestendige delta, waarbij Nederland beschermd is tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering, waterveiligheid (ook voor de laaggelegen gebieden in het westen) gegarandeerd is en voldoende zoetwater beschikbaar is van goede kwaliteit; Duurzaam, concurrerend en circulair: een toekomstbestendige en volledig circulaire economie zonder vervuilende manieren van produceren en consumeren, met een uitstekend vestigingsklimaat en een hoge quality of life, met een zo goed mogelijke inpassing van duurzame energie in onze leefomgeving en slimme combinaties van functies zonder de risico's en milieunadelen te vergroten.
Een economie die veel maatschappelijke winst oplevert in termen van banen, innovatie en nieuwe bedrijvigheid en exportmogelijkheden; Kwaliteit van leven in stad en dorp: met een aantrekkelijke woon- en leefomgeving en een goede verbondenheid van stad en land. De ontwikkelingen zijn gericht op kwaliteit, met gecontroleerde en doordachte groei waar dat nodig is, waardoor diversiteit in wonen, een stedelijk netwerk, prettige woonmilieus, met rust en ruimte maar ook vitale en leefbare regio's ontstaan. Nabijheid en betrouwbare verbindingen: een uitstekende bereikbaarheid wordt met een goede en betrouwbare infrastructuur gegarandeerd, waarbij wordt ingespeeld op locatiekeuzes voor wonen en werken (nabijheid). De infrastructuur is onderdeel van een mobiliteitssysteem dat een meer divers patroon van mobiliteit veilig, robuust en duurzaam afhandelt. Luchthavens blijven belangrijk voor een sterk internationaal netwerk voor de lange afstanden. De uitdaging is om het vliegverkeer net als het goederenvervoer op een zo veilige, efficiënte en duurzame manier vorm te geven. Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk: een veilig en gezond leven voor iedereen staat voorop. De leefomgeving nodigt uit om te bewegen, elkaar te ontmoeten en te ontspannen.
Daarbij horen een goede milieukwaliteit, robuuste natuur, klimaatbestendigheid en voor iedereen goede toegang tot wonen, werken en voorzieningen. Het realiseren van een fysieke leefomgeving die dit toekomstperspectief mogelijk maakt, is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle overheden. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn: 1. Naar een ruimte voor klimaat adaptatie en energietransitie; 2. Naar een duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Naar sterke en gezonde steden en regio's; 4. Naar een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied;
9
Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit. Toetsing van de ontwikkeling De NOVI gaat niet concreet in op kleinschalige lokale ontwikkelingen zoals de beoogde woningbouw in Zutphen. In het NOVI zijn geen belemmeringen benoemd ten aanzien van de planontwikkeling. In algemene zin draagt het project bij aan de kwaliteit van het leven in stad en land, doordat gericht wordt op een kleinschalige uitbreiding aan de rand van bestaande bebouwing, voor doelgroepen met de grootste behoefte aan woningen.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De basis van juridische borging van de realisatie van de nationale belangen ligt in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is in werking sinds 2011 en bevat onderwerpen die van rijksbelang zijn. Het gaat om onder andere de volgende nationale belangen: rijksvaarwegen, grote rivieren, defensie, ecologische hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en primaire waterkeringen. Het Barro is concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, dat wil zeggen door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming. Toetsing van de ontwikkeling De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op de nationale belangen en is daarmee niet in strijd met het Barro.
3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' (hierna ook: Ladder) is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling.
Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.' In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Volgens de nota van toelichting bij artikel 3.1.6, lid 2, aanhef en onder b, van het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Toetsing van de ontwikkeling Op basis van eerdere uitspraken van de Raad van State blijkt dat woningbouwplannen met minder dan 11 woningen, niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro worden aangemerkt. Een toets aan de Ladder is daarom niet van toepassing.
10
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Algemeen Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren. De Omgevingsvisie en -verordening zijn beide op 1 maart 2019 in werking getreden. Op 1 februari 2022 heeft Provinciale Staten (PS) voor het laatst de Omgevingsverordening geactualiseerd. De Omgevingsvisie en –verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie twee keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast.
3.2.2 Omgevingsvisie De komende decennia komt er veel op Gelderland af: het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze zaken vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. De provincie zet in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. • Gezond en veilig; dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is ook voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is ook aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. • Schoon en welvarend; dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen, alsmede het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.
Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen uitgebreid worden. Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Daarnaast is de provincie met haar partners in gesprek over hoe het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer aangepakt kan worden.
Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in het licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van de Gelderlanders. Toetsing van de ontwikkeling
11
Het initiatief om binnen het plangebied nieuwbouwwoningen te ontwikkelen past binnen het provinciale beleid. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de doelstellingen om voldoende passend en duurzaam woningaanbod in de provincie te garanderen dat aansluit bij de wensen van de inwoners.
3.2.3 Omgevingsverordening De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Toetsing van de ontwikkeling In de verordening wordt aangegeven dat nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts zijn toegestaan wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Voor meer informatie over deze regionale woonagenda en de gemeentelijke uitwerking zie de volgende paragrafen. Hierin wordt onderbouwd dat de ontwikkeling binnen de betreffende kaders past.
12
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Noordrand De Hoven Deze structuurvisie (vastgesteld op 28 januari 2019) is een partiële uitwerking van de Intergemeentelijke structuurvisie Middengebied IJsselsprong, voor het gebied ten noorden van de Weg naar Voorst in de Hoven, de 'Noordrand de Hoven'. De clustering en uitbreiding van de glastuinbouw is economisch van belang voor de omgeving en draagt bij aan de integrale gebiedsontwikkeling van de noordrand. Deze partiële uitwerking leunt inhoudelijk sterk op de Intergemeentelijke structuurvisie Middengebied. Woningbouw in de Hoven draagt, ook in de beperktere aantallen, bij aan doorstroming en wooncarrière en behoud van voorzieningen en verenigingen en daarmee aan de sociale cohesie en de economische draagkracht. De Noordrand van de Hoven heeft ook een ruimtelijke herstructurering nodig. Deze wordt mogelijk gemaakt door de verplaatsing van bestaande glasopstanden en door de inzet van woningbouw en de daaraan gekoppelde structuuringrepen.
Toetsing van de ontwikkeling De realisatie van de nieuwe woning betreft een particulier initiatief in de Noordrand van de Hoven in een gebied dat is aangemerkt als ‘groene dorpsrand’. Het initiatief levert een kleine bijdrage aan de doorstroming en wooncarrière, behoud van voorzieningen en verenigingen en daarmee aan de sociale cohesie en de economische draagkracht. Zodoende past het initiatief binnen het beleid van de structuurvisie Noordrand de Hoven.
13
3.3.2. Amendement Structuurvisie Noordrand De Hoven (duurzaamheid) De duurzaamheidsambitiesin de structuurvisie ‘Noordrand De Hoven’ zijn onder de noemer ‘Cleantechambities’ opgenomen als ‘intermezzo en maken nog geen deel uit van de in de structuurvisie uitgezette koers. De tekst stamt uit 2017 en is gebaseerd op de toen geldende ambitie Zutphen energieneutraal uit 2011 en het programma Zutphen Energieneutraal 2013-2017. Sindsdien is er het nodige veranderd, waardoor de status van de tekst niet meer geheel actueel is. de gemeenteraad heeft in 2018 een stevige duurzaamheidsambitie uitgesproken, waaronder energieneutralitiet als doelstelling voor 2030. Deze is verder uitgewerkt in de vorm van een Regionale Energie Strategie (RES), een Warmtetransitieplan en een Zutphens Energieakkoord. Daarbij is de gebouwde omgeving een van de belangrijkste speerpunten. De indieners van het amendement achten het wenselijk om deze ambitie ook van toepassing te laten zijn bij de verder ontwikkeling in het deelgebied Noordrand De Hoven. Toetsing van de ontwikkeling De nieuw te realiseren woning wordt gasloos en zal voldoen aan de BENG-eisen waardoor het voorliggende plan volledig past binnen de duurzaamheidsambitie.
14
4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Bodem Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te kunnen maken is er een bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder de conclusie van het rapport. Het complete rapport is als bijlage 1 (verkennend bodemonderzoek door Montferland Milieu B.V. projectnummer MM22102 met datum 15 juni 2022) bij deze toelichting gevoegd. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Hierbij zijn geen indicaties waargenomen die hierop duiden. • Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodemof grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. De vastgestelde waarden overschrijden enkel de achtergrond- en/ of streefwaarde, wat duidt op enkel lichte (natuurlijke) verontreinigingen. • De tevoren gestelde hypothese ‘De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ dient te worden aangenomen. • Uit milieukundig oogpunt is er naar onze mening geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.
Concluderend: Ten aanzien van het aspect bodem is er, met in achtneming van de inhoud van het onderzoeksrapport, sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.
Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden
15
veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Concluderend: Cultuurhistorie Het gebied rond het plangebied ligt net buiten het hoveniersdorp de Hoven. Tussen 1584 en 1586 is rond De Hoven een stelsel van schansen aangelegd als onderdeel van de oorlogshandelingen rond Zutphen tussen Staatse en Spaanse troepen. Eén van die schansen bevond zich dicht bij de planlocatie. Na 1600 is de grond tot in de 19e eeuw in gebruik geweest als bouwgrond en pas in de tweede helft van de 19e eeuw is een geometrisch landwegenpatroon aangelegd. Als onderdeel van de ruilverkaveling tussen 1950 en 1955 is dit volledig verdwenen en een nieuwe verkaveling met wegenverloop aangelegd. Van de oudere verkaveling, noch van de 16e-eeuwse schansen zijn op de planlocatie bovengronds restanten bewaard gebleven (bron: Martijn Horst, Een historisch-geografische inventarisatie van De Hoven en de Overmarsch, Heerde 2011 (rapport Cultuurland Advies i.o.v. Gemeente Zutphen). In de omgeving van het plangebied is bovengronds niets van waarde bewaard gebleven. Archeologie Op basis van de landschappelijk ligging op de oeverwal van de IJssel, heeft het gebied een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Deze verwachtingswaarde houdt in dat er een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden bij het realiseren van een bouwwerk groter dan 500 m².
Met voorliggend plan gaat het om het realiseren van een woning en bijgebouw(en) kleiner dan 500 m². Een archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. De dubbelbestemming 'Waarde – Archeologische verwachting 2’ blijft in onderhavig bestemmingsplan gehandhaafd. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering ten aanzien van de beoogde ontwikkeling.
4.3 Flora en Fauna Met de beoogde ontwikkeling mogen beschermde soorten flora en fauna niet worden verstoord. Tevens moet beoordeeld worden in hoeverre beschermde gebieden (negatief) worden beïnvloed. Het wettelijk 16
kader hieromtrent is de Wet natuurbescherming. Het plan gebied is op 10 mei 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Hieronder volgt een conclusie. Het volledige rapport (Quickscan flora en fauna door Natuurbank Overijssel, 17 juni 2022 met nummer 4347) is bijgesloten als bijlage 2.
4.3.1 Gebiedsbescherming Natura2000 In het kader van de toets aan de Wet Natuurbescherming wordt bepaald of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Natura2000 gebieden bevinden zich op korte afstand van het plangebied. Voor plannen dient middels een pretoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan mogelijk significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden. De beoordeling van plannen, projecten en andere handelingen is uitgewerkt in paragraaf 2.3 van de Wet natuurbescherming. Het plangebied ligt op circa 750 meter afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is Rijntakken. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Figuur 6 planlocatie t.o.v. natura-2000 gebied (bron:pdok.nl)
4.3.2 Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk Het plangebied behoort niet tot het Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone (geen externe werking). Met uitzondering van het aspect stikstof, kan een negatief effect op Natura 2000- gebied uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de gebruiksfase.
17
Stikstofparagraaf Uit de berekeningen met Aerius-calculator (toegevoegd als bijlage 3, stikstofparagraaf door Locis Adviseurs met datum 1 maart 2023) blijkt dat er ter hoogte van kwetsbare habitattypen in de Natura2000, ten gevolge van de stikstofuitstoot binnen dit planproject, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn. De stikstofdepositie ten gevolge van de activiteiten in de bouw- en gebruiksfase van het plan vormt daarmee geen belemmering.
4.3.3 Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in standhouden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Concluderend: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.
Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied maar benutten het wel als foerageergebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het verstoren, beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd, de overkapping gesloopt en de bouwwerkzaamheden uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren
18
gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.
4.4 Geluid Bij het opstellen van ruimtelijke plannen voor geluidgevoelige bestemmingen (zoals woningen) is de Wet geluidhinder van toepassing. De Wet geluidhinder kent drie geluidbronnen waar geluidzones voor gelden: railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en industrielawaai. Wanneer een ontwikkeling in een zone valt zoals aangegeven in de Wet geluidhinder, moet akoestisch worden aangetoond dat aan de grenswaarden in deze wet wordt voldaan. Wordt niet voldaan aan deze grenswaarden, dan hebben Burgemeester en Wethouders onder voorwaarden de mogelijkheid hogere grenswaarden vast te stellen. Hierbij wordt een procedure doorlopen die aan de eisen van de Wet geluidhinder moet voldoen. Railverkeerslawaai In de omgeving van het plan bevindt zich geen spoorweg. Het onderdeel railverkeerslawaai van de Wet geluidhinder is niet van toepassing. Industrielawaai In de omgeving van het plan bevindt zich geen gezoneerd industrieterrein. Het onderdeel industrielawaai van de Wet geluidhinder is niet van toepassing. Verkeerslawaai In de omgeving van het plan bevinden zich wegen met een wettelijk zone. Voor een ontwikkeling binnen de zone van wegen moet akoestisch onderzoek aantonen dat het verkeerslawaai op de gevel van (bijvoorbeeld) de woning voldoet aan de grenswaarde uit de Wet geluidhinder.
Voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone geldt een voorkeurswaarde van ten hoogste 48 dB. Op 15 juni 2022 is er door Adviesburo Van der Boom een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is als bijlage 4 toegevoegd.
Uit het onderzoek volgt: Toetsing wegverkeer en hogere waarden De geluidbelasting door wegverkeer op de Weg naar Voorst (N345) bedraagt ten hoogste 38 dB na aftrek van 5 dB ex art 110g Wgh op de zuidgevel. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee niet overschreden. Voor de geluidbelasting door wegverkeer op de Weg naar Voorst (N345) hoeft geen hogere waarde te worden aangevraagd. De geluidbelasting door de Hoveniersweg en de Voorste Overmarsweg is akoestisch niet relevant door de lage verkeersintensiteit. Toetsing hogere waarden aan geluidbeleid
19
In de Nota hogere waarden geluid 2015-2025 heeft de gemeente vastgelegd onder welke voorwaarden zij een hogere waarde verleent voor geluidbelastingen vanwege wegverkeer, railverkeer en industrielawaai die de voorkeursgrenswaarde uit de Wet Geluidhinder te boven gaan. Omdat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden hoeft niet te worden getoetst aan deze voorwaarden. Eis geluidwering Volgens het Bouwbesluit moet bij een, krachtens de Wet Geluidhinder vastgesteld, hogere waardenbesluit de zgn. karakteristieke geluidwering GA;k van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied in een woning in geval van wegverkeerslawaai of spoorweglawaai ten minste gelijk zijn aan de hoogst toelaatbare vastgestelde geluidbelasting verminderd met 33; voor verblijfsruimten gelden 2 dB lagere waarden voor de geluidwering GA;k. Voor de woningen hoeft geen hogere waardenbesluit te worden vastgesteld. Voor de woningen zijn daarom krachtens het Bouwbesluit ook geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k. bedraagt 20 dB, dit is de minimumwaarde uit het Bouwbesluit. Concluderend: Het aspect geluid vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.5 Luchtkwaliteit Op 15 november 2017 is de Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Ten aanzien van de kwaliteit van de buitenlucht gelden uitsluitend bepalingen uit deze Titel. In bijlage 5 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofdioxiden, fijnstof (PM10), lood, benzeen en koolmonoxide. Bestuursorganen moeten er bij het uitoefenen of toepassen van hun bevoegdheden, waaronder het vaststellen van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning, voor zorgen dat deze grenswaarden niet (verder) worden overschreden. Tegelijkertijd met het in werking treden van de luchtkwaliteitseisen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is ook het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: NIBM) in werking getreden. In dit besluit is geregeld dat (nu er een plan is bekendgemaakt, zoals wordt bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, namelijk het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van 10 juli 2009) uitbreidingen zijn toegestaan wanneer aannemelijk is gemaakt dat de concentratie in de buitenlucht van fijnstof ten gevolge van de uitbreiding niet de 3% grens overschrijdt. De 3% grens is 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10).
3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie is 1,2 µg fijnstof (PM10 per m³). Met de komst van de extra woning nemen de verkeersbewegingen licht toe. In het kader van de “worstcase”- benadering wordt per woning uitgegaan van maximaal 8 (auto)verkeersbewegingen per etmaal (norm crow.nl). Door middel van de NIBM-tool is berekend of het extra verkeer invloed heeft op de luchtkwaliteit. De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier bepaald worden of een plan niet-in-betekende-mate bijdraagt (NIBM). In de figuur hieronder is de berekening van de NIBM-tool weergegeven. Geconcludeerd is dat de toename van het verkeer niet-in-
20
betekende-mate bijdraagt. De grens voor 'niet in betekende mate' ligt bij woningbouwprojecten op 1.500 woningen
Concluderend: De beoogde ontwikkeling leidt vanwege de zeer geringe omvang niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Binnen en rondom de planlocatie is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer, waardoor de veehouderijen in de omgeving niet worden belemmerd. Luchtkwaliteit is daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
4.6 Bedrijven- en milieuzonering De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen bij en rondom bedrijven. De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van een rustig woongebied of een rustig buitengebied. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Bij het voldoen aan de richtafstanden is in beginsel sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en worden omliggende bedrijven niet onevenredig benadeeld in hun mogelijkheden. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden.
21
Figuur 7 richtafstanden tabel Bedrijven en milieuzonering (bron: infomil.nl)
In de directe omgeving is een aantal (agrarische) bedrijven gelegen. In onderstaande tabel zijn deze vermeld. De afstanden in de tabel zijn gemeten vanuit de rand van de bouwvlakken tot op de (geprojecteerde) gevel van de nieuwe woning. In deze situatie is sprake van een rustig buitengebied.
Adres Hoveniersweg 11a Weg naar Voorst 184a Hoveniersweg 14
Bedrijf Glastuinbouw Aannemersbedrijf
Richtafstand 30 meter 30 meter
Feitelijke afstand 75 meter 135 meter
Melkveehouderij, vleesstieren en overig vleesvee
100 meter
240 meter
De beoogde ontwikkeling vindt niet plaats binnen de richtafstand van een nabijgelegen bedrijf. Concluderend: Gezien de omliggende functies en de aard en omvang daarvan mag ter plaatse van de woningen worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat. Omliggende bedrijven en functies worden bovendien niet belemmerd door de ontwikkeling. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.7 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren. Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen: • binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter; 22
• buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom.
De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woonen verblijfklimaat. In een straal van 1 kilometer in de omtrek van het plangebied zijn een aantal veehouderijen gelegen. Deze zijn hieronder weergegeven. Adres Dieren Geuremissiefactor Afstand Hoveniersweg 14 Melkveehouderij, 30 vleesstieren en ja 240 meter overig vleesvee Tondensestraat 20Melkveehouderij, 3 fokstieren en overig nee 830 meter 22 rundvee Uit rechtspraak (jurisprudentie) is gebleken dat bij een achtergrondbelasting tot 20 ouE/m3 voor woningen in het buitengebied kan worden gesproken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Gezien de grote afstand en de nevenactiviteit van het houden van 30 vleesstieren en overige vleesvee bij een melkveehouderij, kan op voorhand worden geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat, door de komst van de nieuwe woning, de veehouderijen niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Concluderend: Gelet op de grote afstand ten opzicht van de beoogde woning tot aan de omliggende veehouderijen en beperkte hoeveelheid dieren met een geuremmissie kan er worden geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon-en leefklimaat.
Andersom kan worden geredeneerd dat de veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
4.8 Externe veiligheid De paragraaf externe veiligheid bevat geen toetsingskader. Het advies is om onderstaand toetsingskader op te nemen. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer, de circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations, de circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. Daarnaast wordt ook rekening gehouden met de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Zutphen. De beleidsvisie geeft het ambitieniveau van de gemeente aan: hoe veilig moet het zijn in Zutphen? Naast externe veiligheid in het algemeen, gaat het
23
daarbij in het bijzonder over het omgaan met de normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, kampeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR.
Binnen de 10-6 -contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.
Figuur 8 kaartuitsnede risicokaart.nl (plangebied bij blauwe rondje)
Risicobronnen: Buisleidingen Hogedrukaardgasleidingen: N-559-20 - Op circa 285 meter ten westen van het plangebied ligt een hogedruk aardgasleiding (N-559-20). Deze buisleiding valt onder het Bevb en kent, volgens de EV-Signaleringskaart, een invloedsgebied (1% letaliteitszone) van 95 meter. Het plangebied valt buiten het invloedsgebied en de buisleidingen is daarmee niet relevant voor externe veiligheid. Transportroutes Basisnetroute: Route 62, Ressen Noord – Zutphen Twentekanaal aansl. - Op circa 800 meter van het plangebied ligt een spoorweg, spoorroute 62. Dit is een basisnetroute die valt onder het Bevt en is onderdeel van het Basisnet spoor. Op basis van de Regeling basisnet vindt over dit traject vervoer van zowel brandbare gassen (stofcategorie A), brandbare vloeistoffen (stofcategorie C3), (zeer) toxische gassen (stofcategorie B2) en (zeer) toxische vloeistoffen (stofcategorie D3 en D4).
24
Het invloedsgebied van deze spoorlijn wordt bepaald door stofcategorie D4 en bedraagt meer dan 4.000 meter. Het invloedsgebied reikt hiermee over het plangebied en is dus relevant voor externe veiligheid. Binnenvaartroute: Corridor Rijn – Oost Nederland - Op circa 780 meter van het plangebied ligt binnenvaartroute ‘Corridor Rijn – Oost Nederland. Deze vaarroute is onderdeel van het Basisnet Water. Volgens de Regeling basisnet worden over deze route brandbare vloeistoffen (stofcategorie LF1 en LF2) vervoerd. Beide stofcategorieën hebben een zelfde invloedsgebied, namelijk 35 meter. Het invloedsgebied reikt niet tot het plangebied, waardoor deze risicobron niet relevant is voor externe veiligheid. Provincialeweg N345 - Op circa 150 meter van het plangebied ligt de N345. Op basis beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Zutphen vindt over deze weg vervoer van brandbare gassen (GF3) en brandbare vloeistoffen (LF1 en LF2) plaats en valt daarmee onder het Bevt. Het invloedsgebied van deze weg wordt bepaald door stofcategorie GF3 en bedraagt meer 355 meter. Het invloedsgebied reikt hiermee over het plangebied en is dus relevant voor externe veiligheid. Stationaire risicobronnen Gasdrukregel- en meetstations: N-423 N.V. Nederlandse Gasunie - Op circa 340 meter van het plangebied ligt een bovengronds gasdrukregel- en meetstations van de Nederlandse Gasunie.
Conform het activiteitenbesluit is de maximale veiligheidsafstand 25 meter. Hiermee rijkt dit niet tot het plangebied en is de risicobron niet relevant voor externe veiligheid. Toetsing aan normen externe veiligheid: Spoorweg De plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar is op basis van de Regeling basisnet 0 meter. Dit betekent dat het plan voldoet aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico. Omdat het plan binnen invloedsgebied van de spoorweg ligt maar buiten de 200 meter dient conform Artikel 7 Bevt het groepsrisico beperkt verantwoord te worden. Dit betekent dat inzicht gegeven dient te worden in mogelijkheden voor de rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Verder dient, krachtens Artikel 9 Bevt, de Veiligheidsregio in gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen. N345 Uit de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente volgt dat de N345 geen plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar. Dit betekent dat het plan voldoet aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico. Verder geeft de visie aan dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde ligt. Gezien de beperkte ontwikkeling (één woning) kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico van de N345 door de ontwikkeling niet zal toenemen. Op basis hiervan dient conform de artikelen 6 en 7 van het Bevt het groepsrisico beperkt verantwoord te worden.
Dit betekent dat inzicht gegeven dient te worden in mogelijkheden voor de rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Verder dient, krachtens Artikel 9 Bevt, de Veiligheidsregio in gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen. Verantwoording groepsrisico: Ten gevolge van de risico’s van de hogedruk aardgasleiding, DPO leiding en de spoorlijnen dient het groepsrisico beperkt verantwoord te worden. Hiervoor is het scenarioboek externe veiligheid en het
25
advies van de veiligheidsregio als basis gebruikt. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat in op: - De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp; - Het advies van de veiligheidsregio met betrekking tot de onderwerpen beheersbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Maatgevende scenario’s De mogelijkheden van de rampenbestrijding en zelfredzaamheid zijn afhankelijk van de maatgevende scenario’s die zich voor kunnen doen bij een incident. Voor de spoorweg is een toxische wolk het maatgevende scenario. Voor de N345 is dat een wolkbrand en een koude BLEVE. Wolkbrand (weg): Een wolkbrand wordt veroorzaakt doordat na een botsing de afsluiter van de LPG/LNGtank afbreekt. Hierdoor ontstaat een gat waar LPG/LNG uit stroomt. Er wordt een wolk gevormd die zich over de grond verspreidt en eenvoudig kan worden ontstoken. Het ontsteken van de gaswolk leidt tot een kortdurende vlammenzee. Als de wolk bij het ontbranden niet kan expanderen ontstaat er een gaswolkexplosie. Het effect van een wolkbrand is een kortdurende vlammenzee. Wanneer de brandbare wolk ingesloten is en ontstoken raakt kan naast warmtestraling ook een drukeffect ontstaan: een gaswolkexplosie. De effecten van een wolkbrand/gaswolkexplosie kunnen slachtoffers en schade in de omgeving veroorzaken.
Koude BLEVE (weg): Een koude BLEVE op het spoor kan ontstaan doordat een tankwagen met brandbare gassen (zoals LPG en LNG) een botsing krijgt waardoor de tank scheurt. Door deze grote impact ontsteekt het brandbaar gas in de tank direct. Dit leidt tot een grote explosie, ook wel een koude BLEVE genoemd. Mensen in de omgeving kunnen slachtoffer worden door de overdruk en de bijkomende hittestraling. Gebouwen in de omgeving storten in, hebben schade of vatten vlam. Toxische wolk (spoorweg) Een giftige plas ontstaat doordat de tank van de ketelwagen openscheurt na bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor stroomt een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uit. De stof verspreidt zich over het spoorbed, dampt uit en vormt een toxische wolk. De wolk verspreidt zich met de wind mee. Mogelijkheden voor de rampenbestrijding Weg-N345 Een fakkelbrand is van korte duur. De hulpverlening komt ter plaatse wanneer de fakkelbrand uitdooft. Daardoor ligt bij dit scenario de nadruk op redden/evacueren, uitbreiding voorkomen en blussen van secundaire branden. Een koude BLEVE kent geen ontwikkeltijd. Het incident vindt plaats waardoor de tank openscheurt, het gas direct vrijkomt en ook direct explosief tot ontbranding komt. Daardoor ligt bij dit scenario de nadruk op redden/evacueren, uitbreiding voorkomen en blussen van secundaire branden.
Spoorweg Bij een toxische wolk wordt door de brandweer zoveel mogelijk vanaf de bovenwindse zijde opgetreden. Bij het vrijkomen van giftige stoffen zal de brandweer zich richten op verdunnen van een mogelijke gifwolk door het inzetten van een waterscherm of het voorkomen van het uitdampen giftige vloeistoffen door het inzetten van schuimvormend middel. Bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen Hiervoor dient in de vergunningenprocedure contact opgenomen worden met de lokale accounthouder namens de VNOG.
26
Regionaal Crisisplan De Veiligheidsregio Noord- en Oost- Gelderland (VNOG) heeft voor rampenbestrijding het Regionaal Crisisplan VNOG 2020-2023 opgesteld. In het crisisplan is vastgelegd wie waarvoor verantwoordelijk is tijdens een crisis en hoe de informatielijnen lopen. Dit plan beschrijft de hoofdstructuur, de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van functionarissen en instanties ten tijde van een crisis. Mogelijkheden voor de zelfredzaamheid Zelfredzaamheid Koude BLEVE – weg Een koude BLEVE kent geen ontwikkeltijd en daarmee is de zelfredzaamheid voor dergelijke scenario’s beperkt. De zelfredzaamheid start pas wanneer het scenario is voltrokken. Voor personen binnen, dichtbij de bron (daar waar gebouwen ontbranden of instorten) is het handelingsperspectief ontruimen en vluchten. Voor personen binnen, op grotere afstand van de bron (daar waar gebouwen niet ontbranden of instorten) is het handelingsperspectief binnenblijven.