CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

180825RH 2021_BW_00454

Raadsvergadering 11 oktober 2021, gemeente ZutphenBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving Zutphen 202128.917 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

College van burgemeester en wethouders Besluit

2021_BW_00454

GOEDGEKEURD

Vergadering van 21 september 2021 Team Ruimte Economie en Duurzaamheid

Verordening fysieke leefomgeving gemeente Zutphen 2021 - Besluitvormend

Zaaknummer: 180825 Portefeuillehouder: Laura Werger Openbaar Ja Embargo Nee

Samenstelling Aanwezig: mevrouw Annemieke Vermeulen, Burgemeester; mevrouw Eva Boswinkel, Wethouder; de heer Mathijs ten Broeke, Wethouder; mevrouw Annelies de Jonge, Wethouder ; mevrouw Laura Werger, Wethouder; mevrouw Anja de Rouw, Adjunct-secretaris; de heer Hendri Kasteel, Loco-secretaris

Afwezig: mevrouw Monique Stouten, Gemeentesecretaris

Besluit Besluitpunt 1 Het college besluit de raad voor te stellen de Verordening fysieke leefomgeving Zutphen 2021 vast te stellen conform bijlage.

Besluitpunt 2 Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester, ieder voor zover het hun toekomende bevoegdheden betreft, besluiten om het bijgaande Besluit tot wijziging van de registers behorend bij het Algemeen bevoegdhedenbesluit gemeente Zutphen (2e wijziging) vast te stellen onder het voorbehoud dat de gemeenteraad de Verordening fysieke leefomgeving Zutphen 2021 vaststelt.

Motivering Aanleiding en context Op 1 juli 2022 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt de wetgeving en de regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Eén van de doelen van de Omgevingswet is het verminderen van regels, het bundelen van regelgeving en het

1/284

toegankelijk maken van regelgeving. Daarnaast heeft de wet als doel het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Na invoering van de Omgevingswet, tijdens de wettelijke overgangsfase tot en met 2029 (de transitiefase), moeten de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving worden samengebracht in één omgevingsplan voor het gehele grondgebied. Dit betreft de regels uit de huidige bestemmingsplannen, maar ook de regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving die nu nog verspreid staan in diverse verordeningen. Ter voorbereiding op de invoering van de Omgevingswet en het uiteindelijk hebben van één omgevingsplan voor heel Zutphen is als tussenstap één Verordening fysieke leefomgeving Zutphen 2021 (hierna: VFL) opgesteld. Alle regels over de fysieke leefomgeving die nu in diverse verordeningen staan worden in de VFL gebundeld. Het is een concrete stap in implementatie van de Omgevingswet. In het Forum van 22 maart 2021 is het raadsvoorstel voor de eerste fase van VFL besproken. Het raadsvoorstel is daarna niet ter besluitvorming voorgelegd, omdat de VFL eerst moest worden aangevuld met de Bomenverordening, de Haven- en IJsselkadeverordening en de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren. In eerste instantie was het de bedoeling deze onderwerpen in een tweede, latere fase toe te voegen.

De nu voorliggende verordening is met deze onderwerpen aangevuld. Er is een presentatie gemaakt waarin de VFL nader wordt toegelicht, zie hiervoor de link https://youtu.be/qGPbPPjIeQQ. Beoogd effect Eén integrale actuele verordening op het gebied van de fysieke leefomgeving, passend binnen de doelen van de Omgevingswet. Daarmee zijn we voorbereid op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarnaast is het direct voor iedereen inzichtelijk welke regels voor de fysieke leefomgeving gelden en die uiteindelijk deel gaan uitmaken van het omgevingsplan. Argumenten

1.1 Bundeling van regels in één overzichtelijke verordening draagt bij aan de verbeterdoelen van de Omgevingswet. Voor argument 1.1 zie bijgaand raadsvoorstel.

1.2 Het samenvoegen van de regels over de fysieke leefomgeving tot één verordening gebeurt beleidsneutraal. De samenvoeging van de regels over de fysieke leefomgeving in een VFL gebeurt beleidsneutraal. Deze verordening bevat dan ook alleen beleid dat de raad al eerder heeft vastgesteld. In de VFL staan de regels die gaan over de fysieke leefomgeving en plaatsgebonden activiteiten. Feitelijke handelingen, persoonsgebonden regels, gedragsregels, legesbepalingen en regels over de openbare orde en veiligheid mogen niet worden opgenomen in de VFL. Bij het samenvoegen zijn de regels geüniformeerd, verduidelijkt en in een structuur geplaatst zonder inhoudelijke wijziging. Er zijn wel redactionele en technische wijzigingen, die de leesbaarheid en toepasbaarheid ten goede komen, doorgevoerd (allemaal beleidsneutraal). In de verordening wordt onderscheid gemaakt tussen hoofdstukken met inhoudelijke regels en hoofdstukken met procedurele regels. De volgende (delen van) verordeningen worden samengevoegd in de VFL:  Algemene Plaatselijke Verordening Zutphen, de onderwerpen:

2/284

 Geluidhinder;  Verbod op wijzigen van wegen;  Verbod op het maken van uitwegen;  Standplaatsen;  Enkele losse onderwerpen, zoals regels over kamperen, ligplaatsen en natuurgebieden;  Algemene verordening ondergrondse infrastructuren gemeente Zutphen;  Bomenverordening gemeente Zutphen;  Bouwverordening Zutphen;  Erfgoedverordening gemeente Zutphen;  Haven- en IJsselkadeverordening gemeente Zutphen;  Marktverordening gemeente Zutphen;  Verordening op het Stads- en Landschapsschoon. De Bomenverordening is beleidsneutraal overgenomen in het hoofdstuk Bomen en houtopstanden van de VFL. Voor dit onderwerp is een evaluatie en herziening in voorbereiding. Eventuele inhoudelijke wijzigingen van de regels over bomen en houtopstanden worden apart ter besluitvorming voorgelegd.

1.3 De verordeningen/regels die overgaan naar de VFL kunnen vervallen. Voor argument 1.3 zie bijgaand raadsvoorstel.

2.1 Aanpassing van de registers 6, 11, 14, 23, 25 en 26 bij het Algemeen bevoegdhedenbesluit gemeente Zutphen 2020 is nodig omdat enkele verordeningen geheel of gedeeltelijk zijn opgenomen in de nieuwe VFL. Aan de teams Archeologie, DIOR RED, Veiligheid en VenH zijn bevoegdheden verleend voor het nemen van besluiten op grond van verordeningen die nu worden samengevoegd in de nieuwe VFL. Om ervoor te zorgen dat zij deze bevoegdheden ook na vaststelling en inwerkingtreding van de nieuwe verordening kunnen uitvoeren, moeten de bevoegdhedenregisters hierop worden aangepast. De verleende bevoegdheden wijzigen daarbij inhoudelijk niet. Na vaststelling van de verordening en aanpassing van de registers kunnen de betreffende teams de bevoegdheden rechtmatig uitvoeren.

2.2 Aanpassing van de registers 11, 14, 23, 25 en 26 bij het Algemeen bevoegdhedenbesluit gemeente Zutphen 2020 is nodig omdat voor het uitvoeren van de Haven- en IJsselkadeverordening nog geen bevoegdheden waren vastgelegd. Op 14 december 2020 heeft de gemeenteraad de Haven- en IJsselkadeverordening gemeente Zutphen 2020 vastgesteld. Deze verordening wordt nu, op verzoek van de gemeenteraad, opgenomen in de VFL. Bij het vaststellen van de Haven- en IJsselkadeverordening zijn destijds geen bevoegdheden verleend aan de uitvoerende teams. Dit doen wij nu alsnog. Kanttekeningen

1.1 De VFL moet voor 1 juli 2022 worden vastgesteld. Voor de kanttekening 1.1 zie bijgaand raadsvoorstel.

1.2 De VFL bevat nog niet alle onderwerpen die de fysieke leefomgeving betreffen. Op dit moment wordt een Hemelwaterafvoerverordening voorbereid. Deze regels zijn nu nog niet opgenomen in de VFL omdat deze niet beleidsneutraal overgenomen kunnen worden. Om op termijn de regels van de Hemelwaterverordening toe te kunnen voegen aan de VFL er is al wel een hoofdstuk

3/284

in de VFL gereserveerd. De Hemelwaterafvoerverordening wordt later afzonderlijk aan de raad ter besluitvorming voorgelegd, waarna deze wordt geïntegreerd in de VFL.

2.1 Op 16 februari 2021 is al besloten om de registers 6, 23, 25 en 26 bij het Algemeen bevoegdhedenbesluit gemeente Zutphen 2020 te wijzigen. Het besluit is genomen onder het voorbehoud dat de gemeenteraad de VFL vaststelt. De gemeenteraad heeft deze verordening, zoals hiervoor al is aangegeven, nog niet vastgesteld. Voor vaststelling moeten op verzoek van de raad een drietal verordeningen worden toegevoegd. Gevolg hiervan is dat de gewijzigde registers niet in werking zijn getreden. Nu de verordening opnieuw voor vaststelling aan de gemeenteraad wordt voorgelegd, moeten het college en de burgemeester een nieuw besluit nemen over de registers. Communicatie / vervolgtraject / uitvoering Zie bijgaand raadsvoorstel. Rapportage / evaluatie N.v.t. Financiële consequenties Zie bijgaand raadsvoorstel. Risico’s N.v.t. Personele consequenties N.v.t. Programmadoelen Programma 3. Duurzame leefomgeving

Bijlagen 1. 2. 3. 4.

Raadsvoorstel Verordening fysieke leefomgeving Zutphen 2021.pdf Verordening fysieke leefomgeving Zutphen 2021 (DROP incl bijlagen).pdf 2e wijziging bevoegdhedenbesluit incl registers.pdf Transponering bevoegdheidregisters.pdf

4/284

VOORBLAD

Griffienummer:

ONTWERP RAADSVOORSTEL Onderwerp Programma

Verordening fysieke leefomgeving Zutphen 2021 3. Duurzame leefomgeving --

Forum Portefeuillehouder Inlichtingen bij

technisch blok (hamerstuk) Laura Werger Marieke van Essen 14 0575 m.vanessen@zutphen.nl

Soort bevoegdheid Beleidsvrijheid Programmabegrotingswijziging

kaderstellend geen ja

controlerend beperkt

budgetrecht ruim nee

overig

Het college van burgemeester en wethouders stelt de raad voor: de Verordening fysieke leefomgeving Zutphen 2021 vast te stellen conform bijlage.

5/284

1 van 5

TOELICHTING

Inleiding/aanleiding Op 1 juli 2022 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt de wetgeving en de regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Eén van de doelen van de Omgevingswet is het verminderen van regels, het bundelen van regelgeving en het toegankelijk maken van regelgeving. Daarnaast heeft de wet als doel het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Na invoering van de Omgevingswet, tijdens de wettelijke overgangsfase tot en met 2029 (de transitiefase), moeten de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving worden samengebracht in één omgevingsplan voor het gehele grondgebied. Dit betreft de regels uit de huidige bestemmingsplannen, maar ook de regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving die nu nog verspreid staan in diverse verordeningen. Ter voorbereiding op de invoering van de Omgevingswet en het uiteindelijk hebben van één omgevingsplan voor heel Zutphen is als tussenstap één Verordening fysieke leefomgeving Zutphen 2021 (hierna: VFL) opgesteld. Alle regels over de fysieke leefomgeving die nu in diverse verordeningen staan worden in de VFL gebundeld. Het is een concrete stap in implementatie van de Omgevingswet. In het Forum van 22 maart 2021 is het raadsvoorstel voor de eerste fase van VFL besproken.

Het raadsvoorstel is daarna niet ter besluitvorming voorgelegd, omdat de VFL eerst moest worden aangevuld met de Bomenverordening, de Haven- en IJsselkadeverordening en de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren. In eerste instantie was het de bedoeling deze onderwerpen in een tweede, latere fase toe te voegen. De nu voorliggende verordening is met deze onderwerpen nu aangevuld. Er is een presentatie gemaakt waarin de VFL nader wordt toegelicht, zie hiervoor de link https://youtu.be/qGPbPPjIeQQ.

Beoogd effect Eén integrale actuele verordening op het gebied van de fysieke leefomgeving, passend in de doelen van de Omgevingswet. Daarmee zijn we voorbereid op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarnaast is het direct voor iedereen inzichtelijk welke regels voor de fysieke leefomgeving gelden, die uiteindelijk deel gaan uitmaken van het omgevingsplan.

Argumenten 1.1 Bundeling van regels in één overzichtelijke verordening draagt bij aan de verbeterdoelen van de Omgevingswet. Op dit moment staan, naast de bestemmingsplannen, de regels over de fysieke leefomgeving verspreid over acht verordeningen. De VFL bundelt de bestaande lokale regels in het fysieke domein. In plaats van verschillende verordeningen is er één verordening met één begrippenlijst, handhavingsparagraaf en vergunningsprocedure. Hiermee is de regelgeving voor inwoners, bedrijven en medewerkers overzichtelijker en zijn de regels ook makkelijker op één plek te vinden en te raadplegen. Door de VFL vast te stellen is er in de transitiefase (tot aan vaststelling van uiteindelijk één omgevingsplan voor heel Zutphen) al een overzichtelijk regelkader dat van toepassing is op initiatieven. Dit past bij de verbeterdoelstellingen van de Omgevingswet om regelgeving beter inzichtelijk te maken.

6/284

2 van 5

1.2 Het samenvoegen van de regels over de fysieke leefomgeving tot één verordening gebeurt beleidsneutraal. De samenvoeging van de regels over de fysieke leefomgeving in een VFL gebeurt beleidsneutraal. Deze verordening bevat dan ook alleen beleid dat de raad al eerder heeft vastgesteld. In de VFL staan de regels die gaan over de fysieke leefomgeving en plaatsgebonden activiteiten. Feitelijke handelingen, persoonsgebonden regels, gedragsregels, legesbepalingen en regels over de openbare orde en veiligheid mogen niet worden opgenomen in de VFL. Bij het samenvoegen zijn de regels geüniformeerd, verduidelijkt en in een structuur geplaatst zonder inhoudelijke wijziging. Er zijn wel redactionele en technische wijzigingen, die de leesbaarheid en toepasbaarheid ten goede komen, doorgevoerd (allemaal beleidsneutraal). In de verordening wordt onderscheid gemaakt tussen hoofdstukken met inhoudelijke regels en hoofdstukken met procedurele regels. 1.3 De verordeningen/regels die overgaan naar de VFL kunnen vervallen. Aangezien de regels van de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren, Bomenverordening, Erfgoedverordening, Haven- en IJsselkadeverordening, Marktverordening en Verordening op het Stads- en Landschapsschoon geheel zijn opgenomen in de VFL komen deze verordeningen te vervallen.

Aanvullend worden de Bouwverordening (omdat het laatste onderdeel ‘bodem’ overgaat naar de VFL) en de Brandbeveiligingsverordening 2010 (omdat er sinds 2018 landelijke regels gelden) ingetrokken. Voor de Algemene plaatselijke verordening geldt dat alleen de regels die over de fysieke leefomgeving gaan in de VFL zijn opgenomen. Regels die een ander motief zoals openbare orde en veiligheid hebben of een bevoegdheid van de burgemeester betreffen (bijvoorbeeld evenementen) blijven in de APV staan. Hiermee vervallen alleen de bepalingen uit de APV die overgaan naar de VFL.

Kanttekeningen 1.1 De VFL moet voor 1 juli 2022 worden vastgesteld. De VFL moet vastgesteld worden voor de invoering van de Omgevingswet op 1 juli 2022. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet kunnen alleen nog regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen in het omgevingsplan. Risico’s N.v.t.

Communicatie/Vervolgtraject/Uitvoering De VFL wordt bekend gemaakt in het Digitaal Gemeenteblad (www.overheid.nl) en in het gemeentelijke huis-aan-huisblad Contact. Tegen de VFL staat geen mogelijkheid open tot het indienen van bezwaar of beroep. De verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Rapportage/evaluatie N.v.t.

Financiën Dit voorstel heeft geen financiële consequenties.

7/284

3 van 5

Bijlagen -

Verordening fysieke leefomgeving Zutphen 2021

Stukken die ter inzage liggen -

8/284

4 van 5

ONTWERP BESLUIT Griffienummer:

De raad van de gemeente Zutphen, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van

met nummer

;

gelet op artikel(en) 149, 154, 156, 160, eerste lid, aanhef en onder g. en 229 van de Gemeentewet, 96 van de Wet bodembescherming, 8 van de Woningwet en 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet, gelezen in samenhang met de artikel(en) 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en 2.1 en 2.2. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht, 5.2 en 5.4, vierde lid van de Telecommunicatiewet en 4.1, aanhef en onder a. van de Wet natuurbescherming; besluit: de Verordening fysieke leefomgeving Zutphen 2021 vast te stellen conform bijlage.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Zutphen, gehouden op:

De voorzitter,

de griffier,

9/284

5 van 5

Verordening van de raad van de gemeente Zutphen houdende bepalingen over de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving gemeente Zutphen 2021) De raad van de gemeente Zutphen, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van datum met nummer zaaknummer; overwegende dat naar verwachting op 1 juli 2022 de Omgevingswet in werking treedt en dat het gewenst is om vooruitlopend hierop de regels over de fysieke leefomgeving samen te voegen in één verordening; gelet op artikel(en) 149, 154, 156, 160, eerste lid, aanhef en onder g. en 229 van de Gemeentewet, 96 van de Wet bodembescherming, 8 van de Woningwet en 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet, gelezen in samenhang met de artikel(en) 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en 2.1 en 2.2. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht, 5.2 en 5.4, vierde lid van de Telecommunicatiewet en 4.1, aanhef en onder a. van de Wet natuurbescherming; besluit: vast te stellen de: Verordening van de raad van de gemeente Zutphen houdende bepalingen over de fysieke leefomgeving (Verordening fysieke leefomgeving gemeente Zutphen 2021)

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsomschrijvingen Bijlage 1 bij deze verordening bevat begrippen en definities voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen.

Hoofdstuk 2 Ambulante handel Afdeling 2.1 Algemene bepalingen

Artikel 2:1 Inrichting van de markt, branche-indeling 1. Het college bepaalt voor iedere markt: a. het aantal standplaatsen; b. de afmetingen van de standplaatsen; c. de opstelling en indeling van de markt;

10/284

d. welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerkersplaats. 2. Het college kan voor iedere markt vaststellen: a. een lijst met artikelgroepen of branches; b. het maximum aantal standplaatsen per branche. 3. Het college kan bepalen, dat: a. om bijzondere redenen er geen markt wordt gehouden; b. een markt incidenteel geheel of gedeeltelijk op een andere locatie wordt gehouden.

Artikel 2:2 Nadere regels Het college is bevoegd nadere regels te stellen over het bepaalde in dit hoofdstuk.

Afdeling 2.2 Vergunningen

Artikel 2:3 Vergunning 1. Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college. 2. Het is verboden als standwerker op een markt op te treden zonder vergunning van het college.

Artikel 2:4 Vereisten Voor toewijzing van een standplaats of standwerkersplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon, die a. een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college; b. gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten, en c. staat ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel.

Artikel 2:5 Vrijgekomen standplaats, standplaatsverbeteringslijst 1. Een vergunninghouder van een vaste standplaats, die een verzoek doet voor verbetering van de standplaats, wordt op een daartoe ingestelde standplaatsverbeteringslijst geplaatst.

11/284

2. De vergunninghouder wordt op de in het eerste lid bedoelde lijst geplaatst in volgorde van de datum waarop hem voor het eerst een vaste standplaatsvergunning is verleend, met vermelding van de branche waartoe hij behoort of de artikelen die hij verhandelt. Zijn er twee of meer vergunninghouders aan wie op dezelfde datum een eerste vaste standplaatsvergunning is verleend, dan is de datum van het verzoek, zoals vermeld in het eerste lid, bepalend voor de volgorde. 3. Als een standplaats vrijkomt die werd ingenomen door de houder van een vaste standplaatsvergunning, kan deze worden toegewezen aan de hoogstgeplaatste vergunninghouder op de standplaatsverbeteringslijst. Uitgangspunt hierbij is dat de vergunninghouder de afmetingen van de nieuwe standplaats moet aanhouden. Als de plaats bestemd is voor een specifieke branche of artikelgroep, komt alleen een vergunninghouder in aanmerking die aan dat vereiste voldoet. 4. De nieuwe standplaats wordt toegewezen voor de resterende duur van de vergunning.

Artikel 2:6 Doorhalen van plaatsing op de standplaatsverbeteringslijst De plaatsing op de standplaatsverbeteringslijst wordt doorgehaald: a. als de vergunning van de houder van een vaste standplaats wordt ingetrokken; b. als de vergunninghouder van een vaste standplaats op grond van artikel 2:5 een nieuwe standplaats toegewezen heeft gekregen.

Artikel 2:7 Vaste standplaatsvergunning, toekenning volgens selectiestelsel 1. Voor de toekenning van vaste standplaatsvergunningen op de markt wordt het selectiestelsel gehanteerd. 2. Het college maakt bekend dat voor de markt: a. een of meer vaste standplaatsvergunningen kunnen worden verleend; b. voor welke branche of artikelgroep dit geldt, en c. binnen welke termijn gegadigden daarvoor een aanvraag kunnen indienen. 3. De bekendmaking geschiedt door openbare kennisgeving in het Gemeenteblad, op de website van de gemeente en de Centrale Vereniging voor de Ambulante Handel. 4. Bij de beoordeling van de aanvragen kent het college punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximum aantal punten: a. of het assortiment van de gegadigde een gewenste toevoeging aan het marktassortiment vormt (maximaal 20 punten); 12/284

b. de uitstraling van de uitstalling (maximaal 20 punten); c. het marktverleden van de gegadigde en de indruk die de gegadigde maakt (maximaal 10 punten). 5. Het college legt de aanvragen om advies voor aan een selectiecommissie bestaande uit de marktmeester en twee marktvertegenwoordigers uit verschillende branches. De marktvertegenwoordigers zijn niet afkomstig uit de branche waarin de vacature is. 6. De vaste standplaatsvergunning wordt verleend aan de gegadigde aan wie de meeste punten zijn toegekend. Als er gegadigden zijn met hetzelfde aantal punten vindt verlening plaats na loting. 7. Als in totaal niet meer dan 20 punten worden toegekend, wordt de aanvraag niet verder in behandeling genomen.

Artikel 2:8 Overschrijven vaste standplaatsvergunning 1. Bij overlijden, ondercuratelestelling, het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, (gedeeltelijke) bedrijfsbeëindiging of blijvende arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder kan de vaste standplaatsvergunning op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of zijn curator worden overgeschreven op naam van de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of een andere achterblijvende persoon met wie hij duurzaam samenwoonde, een kind, broer of zus van de vergunninghouder. 2. Als het bepaalde in het eerste lid geen toepassing kan vinden, kan de vergunning op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of zijn curator worden overgeschreven op een medewerker van de vergunninghouder of de mede-eigenaar van zijn bedrijf als deze ten minste één jaar in loondienst heeft gewerkt bij de vergunninghouder of als mede-eigenaar heeft gefunctioneerd. 3. Bij overlijden, ondercuratelestelling of blijvende arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder wordt de aanvraag tot overschrijving binnen twee maanden nadien ingediend. 4. Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd of (gedeeltelijke) bedrijfsbeëindiging wordt de aanvraag tot overschrijving ten minste twee maanden van te voren ingediend. 5. Overschrijving van de vaste standplaatsvergunning vindt plaats voor de resterende duur van de vergunning.

13/284

Artikel 2:9 Toewijzing dagplaats 1. Voor een dagplaatsvergunning komt in aanmerking degene, a. die geen vaste standplaats op de markt heeft; b. aan wie gedurende de voorafgaande 3 maanden niet vaker dan 4 keer een dagplaatsvergunning is verleend; c. die niet van toewijzing van een dagplaats is uitgesloten op grond van het bepaalde in artikel 2:13, en d. die zich op de betreffende marktdag vóór aanvang van de markt heeft aangemeld bij de marktmeester. 2. Een dagplaats wordt alleen toegewezen als de aanvrager een artikel of artikelsoort verkoopt dat nog niet op de markt verkrijgbaar is. 3. Als het aantal aanvragers het aantal beschikbare dagplaatsen overtreft, vindt toewijzing plaats na loting door de marktmeester. De loting vindt plaats om 08.00 uur. 4. De loting vindt plaats door middel van een willekeurig gekozen getal, waarna uitgifte van de plaatsen in volgorde van aanmelding plaatsvindt. 5. De marktmeester wijst de opengevallen plaatsen toe aan de aanvragers die zijn ingeloot. 6. Het college kan voor een gegadigde bepalen dat een uitsluitingsgrond vermeld in artikel 2:13, of het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b. niet geldt of dat voor de toepassing daarvan een langere termijn in aanmerking wordt genomen.

Artikel 2:10 Toewijzing standwerkersplaats 1. Voor een standwerkvergunning komt in aanmerking degene, die: a. geen vaste standplaats op de markt heeft; b. niet van toewijzing van een standwerkersplaats is uitgesloten op grond van het bepaalde in artikel 2:13, en c. zich op de betreffende marktdag vóór 08.00 uur heeft aangemeld bij de marktmeester. 2. De branches waar het maximum aantal toe te wijzen vaste standplaatsen is bereikt, kunnen worden aangevuld met ten hoogste één standwerkersplaats. 3. Een standwerker met een artikel dat al op de markt is vertegenwoordigd mag niet met eenzelfde artikel of artikelsoort op de markt hebben gewerkt in een voorafgaande periode van vier weken. 14/284

4. Per drie standwerkersplaatsen wordt niet meer dan één standwerker met hetzelfde artikel toegelaten. Als door deze maatregel standwerkersplaatsen open blijven, kan de marktmeester per marktdag bepalen dat dit aantal wordt uitgebreid naar twee. 5. Wanneer het aantal aangemelde standwerkers groter is dan het aantal beschikbare plaatsen, geschiedt toewijzing via loting door de marktmeester. De loting vindt plaats om 08.15 uur. 6. De loting vindt plaats door middel van een willekeurig gekozen getal, waarna uitgifte van de plaatsen in volgorde van aanmelding plaatsvindt. Standwerkers met een artikel of artikelsoort dat nog niet op de markt verkrijgbaar is, hebben daarbij voorrang.

Artikel 2:11 Persoonlijk innemen standplaats, bijstand en vervanging 1. De vergunninghouder neemt de hem toegewezen standplaats persoonlijk in. 2. De vergunninghouder kan zich doen bijstaan door een of meer andere personen. 3. De vergunninghouder van een vaste standplaats neemt ten minste een keer per twee weken en tenminste tien keer per dertien weken zijn plaats in op de markt. 4. De vergunninghouder van een vaste standplaats die verhinderd is zijn vaste plaats in te nemen, deelt dit tijdig, indien mogelijk vóór de betreffende marktdag, mee aan de marktmeester, met vermelding van de reden en (verwachte) duur van zijn afwezigheid. 5. Bij ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan het college de vergunninghouder van een vaste standplaats op zijn verzoek voor een bepaalde periode ontheffing verlenen van de in het derde lid vermelde verplichting. 6. In de in het vijfde lid vermelde situaties kan het college, op aanvraag van de vergunninghouder, toestaan dat de standplaats wordt ingenomen door een vervanger. De aanvraag vermeldt de reden en de verwachte duur van de afwezigheid van de vergunninghouder en de naam van de beoogde vervanger. 7. De vervanger treedt op namens de vergunninghouder.

De rechten – behalve die tot vervanging op grond van het vorige lid – en verplichtingen die bij of op grond van dit hoofdstuk van deze verordening gelden voor de vergunninghouder, zijn van overeenkomstige toepassing op de vervanger.

Afdeling 2.3 Intrekken en schorsen vergunningen, uitsluiting

15/284

Artikel 2:12 Intrekken en schorsen vaste standplaatsvergunning 1. Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in: a. op schriftelijke aanvraag van de vergunninghouder, of b. twee maanden na het overlijden of de ondercuratelestelling van de vergunninghouder, tenzij een aanvraag tot overschrijving is ingediend op grond van het bepaalde in artikel 2:8. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college een vaste standplaatsvergunning, al dan niet voorwaardelijk, intrekken of telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, als: a. de vergunninghouder ter verkrijging van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt; b. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 2:4 vermelde vereisten; c. de vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet; d. de vergunninghouder, degene die hem vervangt of een persoon die hem bijstaat zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; e. de vergunninghouder, degene die hem vervangt of een persoon die hem bijstaat een bij of op grond van dit hoofdstuk van deze verordening gestelde bepaling of de voorschriften van de vergunning overtreedt; f.

de vergunninghouder, degene die hem vervangt of een persoon die hem bijstaat direct of indirect de goede gang van zaken of orde op de markt verstoort of in gevaar brengt; g. de vergunninghouder, degene die hem vervangt of een persoon die hem bijstaat het gemeentelijk marktpersoneel belemmert in de uitoefening van zijn taak dan wel de door het marktpersoneel gegeven aanwijzingen niet naleeft; h. als van de vergunning gedurende ten minste twee maanden geen gebruik is gemaakt, tenzij ontheffing is verleend op grond het bepaalde in artikel 2:11, vijfde lid. 3. Als degene op wie een vergunning op grond van artikel 2:8 is overgeschreven al over een vaste standplaatsvergunning voor de betrokken markt beschikt, dan wordt deze laatste vergunning ingetrokken.

Artikel 2:13 Uitsluiting vergunninghouder van een dagplaats of standwerkersplaats

16/284

Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, als deze: a. een bij of op grond van dit hoofdstuk van deze verordening gestelde bepaling overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet; d. niet als standwerker actief is op een toegewezen standwerkersplaats.

Afdeling 2.4 Individuele standplaatsen

Artikel 2:14 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een individuele standplaats in te nemen of te hebben. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 11:3 kan de vergunning worden geweigerd: a. als de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. als, als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente, redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; c. vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan.

Artikel 2:15 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college een individuele standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 2:16 Afbakeningsbepalingen 1. Het verbod van artikel 2:14, eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, of het Provinciaal wegenreglement.

17/284

2. De weigeringsgrond van artikel 2:14, tweede lid, onder a. geldt niet voor bouwwerken.

Hoofdstuk 3 Bodem Artikel 3:1 Status Het bepaalde in dit hoofdstuk wordt mede aangemerkt als Bouwverordening in de zin van artikel 8 van de Woningwet.

Artikel 3:2 Bodemonderzoek 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid van de Woningwet bestaat uit: a. de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740; b. als op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707:2015nl. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk, als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. 3. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toe, als voor toepassing van artikel 3:3 bij het bevoegd gezag al bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.

Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, als uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is 18/284

dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, niet rechtvaardigen. 5. Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, moet het bodemonderzoek plaatsvinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

Artikel 3:3 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, en c. dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.

Artikel 3:4 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 3:3 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, als zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/ of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan, als bedoeld in artikel 39, eerste lid van die wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.

Artikel 3:5 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in dit hoofdstuk van deze verordening wordt verwezen, als de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.

19/284

Hoofdstuk 4 Bomen en houtopstanden Artikel 4:1 Groene Kaart en Bomenlijst 1. Het college stelt eens in de 5 jaar een Groene Kaart vast, die een samenhangend geheel bevat van de volgende beschermde houtopstanden: a. boomstructuren; b. aangewezen aandachtsgebieden. 2. Het college stelt eens per jaar een Bomenlijst vast, die kan worden uitgebreid met nieuwe bomen. De Bomenlijst bevat tenminste de volgende gegevens: a. soort boom of bomen; b. aantal; c. straatnaam/ locatie; d. eigendomsgegevens. 3. De zakelijk gerechtigde van een boom kan het college verzoeken zijn boom op de Bomenlijst te plaatsen. 4. Het college stelt een bijdrageregeling vast voor een tegemoetkoming in de kosten die noodzakelijk zijn voor het duurzaam in stand houden van een beschermde boom in privaat eigendom.

Artikel 4:2 Kapverbod Groene Kaart en Bomenlijst 1. Het is verboden bomen die zijn opgenomen op de Groene kaart of Bomenlijst te vellen, te doen vellen of te laten vellen. 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod volgens de criteria vermeld in artikel 4:3. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. bomen die moeten worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving van het bevoegd gezag; b. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; c. het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; d. het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan bomen met achterstallig onderhoud; e. dunning van de bomen;

20/284

f. bomen binnen een vastgesteld bestemmingsplan in relatie tot een herstructureringsplan, als de uitvoering geschiedt conform dat bestemmingsplan. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bomen behorend tot houtopstand als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Wet natuurbescherming zoals: a. wegbeplanting en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot; b. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; c. fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; d. kweekgoed; e. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die: i. ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are; ii. ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen. 5. Het bevoegd gezag kan, als een boom direct gevaar oplevert die noodkap noodzakelijk maakt, besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk bekendgemaakt.

Artikel 4:3 Criteria ontheffing 1. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen om bomen van de Groene Kaart of Bomenlijst te vellen, te doen vellen of te laten vellen, dan wel onder voorschriften of beperkingen verlenen. 2. De ontheffing voor het vellen van een beschermde boom kan, mits alternatieven voor behoud uitputtend zijn onderzocht, slechts worden verleend als: a. een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang, van niet-tijdelijke aard opweegt tegen duurzaam behoud van de boom, of b. naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade.

Artikel 4:4 Kapverbod overig

21/284

1. Het is verboden, onverminderd het gestelde in artikel 4:2, eerste lid, zonder vergunning van het bevoegd gezag, bomen die staan op een privaat perceel groter dan 2.500 m2 te vellen, te doen vellen of te laten vellen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: a. bomen die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving van het bevoegd gezag; b. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; c. het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; d. het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan bomen met achterstallig onderhoud; e. dunning van de bomen; f. bomen, opgenomen op de Bomenlijst. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bomen behorend tot houtopstand als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Wet natuurbescherming zoals: a. wegbeplanting en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot; b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden; c. fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; d. kweekgoed; e. houtopstand die deel gelegen is buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die: i.

ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are; ii. ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen. 4. Het bevoegd gezag kan, als een boom direct gevaar oplevert die noodkap noodzakelijk maakt, besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk bekendgemaakt.

Artikel 4:5 Criteria vergunning 1. Het bevoegd gezag kan vergunning om te vellen te doen vellen of te laten vellen als bedoeld in artikel 4:4 weigeren dan wel onder voorschriften of beperkingen verlenen. 22/284

2. De vergunning voor het vellen van een boom als bedoeld in artikel 4:4 wordt geweigerd, als de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de boom op basis van één of meer van de volgende waarden: a. de ecologische waarde van de boom; b. de landschappelijke waarde van de boom; c. de waarde van de boom voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de boom; e. de cultuurhistorische waarde van de boom; f. de recreatieve functie van de boom.

Artikel 4:6 Aanvraag 1. De ontheffing of vergunning moet schriftelijk en gemotiveerd door middel van het daarvoor vastgestelde aanvraagformulier worden aangevraagd, door, namens of met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de boom te beschikken, onder overlegging van een overzicht van de overige vergunningen, ontheffingen of toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van een project. 2. Bij een bouwwerk of bij technische ingrepen in het terrein binnen de invloedssfeer van de boom moeten bovendien een bomeneffectanalyse dan wel een advies van een gemeentelijk boomdeskundige, een compensatieplan en een taxatierapport met boomwaarde van alle bomen staande binnen de invloedssfeer van de te vellen boom worden overlegd.

Artikel 4:7 Bijzondere voorschriften 1. Tot de aan de omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften, kan behoren het voorschrift dat binnen drie jaar en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. 2. Als niet ter plaatse kan worden herplant, kan tot de aan een omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften behoren het voorschrift dat een geldelijke bijdrage gestort moet worden in het gemeentelijk Bomenfonds. 3. De in het tweede lid bedoelde bijdrage geldt uitsluitend voor bomen in eigendom van de gemeente Zutphen.

23/284

4. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt telkens bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. 5. Tot de aan de omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften, kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van de boom op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan als andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is. 6. Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot en met het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4:8 Herplant- en instandhoudingsplicht 1. Als een boom waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder ontheffing of vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de boom bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. 2. Als niet ter plaatse kan worden herplant wordt een financiële bijdrage gestort in het gemeentelijk Bomenfonds. 3. De in het tweede lid bedoelde bijdrage geldt uitsluitend voor bomen in eigendom van de gemeente Zutphen. 4. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. 5. Als een boom waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de boom bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om: a.

overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen; b. een bomeneffectanalyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag. 24/284

6. Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4:9 Schadevergoeding Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding bij weigering van een ontheffing of vergunning tot vellen op grond van artikel 6.3 van de Wet natuurbescherming.

Artikel 4:10 Afstand tot de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek is vastgesteld op: a. 0,5 meter voor bomen; b. nihil voor heesters en heggen in privaat eigendom, en c. nihil voor bomen, heesters en heggen in gemeentelijk eigendom.

Artikel 4:11 Bestrijding van boomziekten 1. Als zich op een terrein één of meer houtopstanden bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, als hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: a. de houtopstand te vellen; b. conform de gemeentelijke richtlijnen de gevelde houtopstanden direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. 2. Het is verboden zonder vergunning van het college gevelde houtopstanden of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, als het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. 3. Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor rekening en risico van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

25/284

Artikel 4:12 Bescherming gemeentelijke houtopstanden 1. Het is verboden om houtopstanden, die eigendom van de gemeente zijn, te beschadigen, te bekladden, te vellen of te beplakken, daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door of namens ambtenaren ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak. 2. Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een houtopstand in eigendom van de gemeente aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens ontheffing van het college. 3. Het is verboden binnen de kroonprojectie van gemeentelijke houtopstanden, behoudens ontheffing: a. te graven; b. grond op te hogen of weg te nemen; c. in de invloedssfeer van de houtopstand water te onttrekken. 4. Het gestelde in het derde lid geldt niet voor werken die volgens hoofdstuk 9 worden uitgevoerd.

Hoofdstuk 5 Erfgoed Afdeling 5.1 Algemeen

Artikel 5:1 Gemeentelijk erfgoedregister 1. Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens dit hoofdstuk onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed (gemeentelijk erfgoedregister). 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. gegevens over de inschrijving en ter identificatie van: i. een aangewezen gemeentelijk monument; ii. een karakteristieke bebouwing; b. gegevens over door het college van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister, als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid van de Erfgoedwet.

Afdeling 5.2 Aanwijzing gemeentelijk monument

26/284

Artikel 5:2 Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Het college kan ambtshalve besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente door zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Dit artikel is niet van toepassing op rijks- en/ of provinciale monumenten. 3. Het college kan voor de aanwijzing van een gemeentelijk monument bepalen dat er een onderzoek wordt verricht.

Artikel 5:3 Voornemen tot aanwijzing 1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 5:2 maakt het college schriftelijk bekend aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Kadasterwet. De zakelijk gerechtigden kunnen binnen zes weken hun zienswijzen naar voren brengen. 2. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar.

Artikel 5:4 Voorbescherming 1. De bescherming zoals bepaald in afdeling 5.3 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 5:3 is bekendgemaakt. 2. De voorbescherming, als bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.

Artikel 5:5 Advies Erfgoedadviesraad 1. Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 5:2 advies aan de Erfgoedadviesraad. 2. De Erfgoedadviesraad brengt binnen 14 weken na ontvangst van de adviesaanvraag een schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit.

27/284

3. In gevallen, als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid van de Erfgoedwet, brengt de Erfgoedadviesraad in afwijking van het tweede lid binnen 6 weken na ontvangst van de adviesaanvraag advies uit.

Artikel 5:6 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. Het college beslist binnen 20 weken na ontvangst van het advies, dan wel de zienswijze, als bedoeld in artikel 5:3, eerste lid, als deze op een latere datum dan het advies wordt ontvangen. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval; a. de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijk monument; b. de datum van aanwijzing; c. de kadastrale aanduiding, en d. een beschrijving van het gemeentelijk monument.

Artikel 5:7 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Kadasterwet. 2. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 5:8 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1. In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 5:5 wordt in dat geval aan de Erfgoedadviesraad geen advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, als bedoeld in artikel 5:2. 3. Afdeling 5.3 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 5:7 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. 28/284

Artikel 5:9 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het gemeentelijk erfgoedregister is afdeling 5.2 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister, als bedoeld in artikel 3.17, derde lid van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld aangebracht in het gemeentelijk erfgoedregister.

Afdeling 5.3 Bescherming gemeentelijk monument

Artikel 5:10 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 5:11 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of b. inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. 29/284

3. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen voor het uitvoeren van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, als bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen, als bedoeld in het tweede lid. 4. Het college stelt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning, als bedoeld in het eerste lid, eisen aan de deskundigheid en de uitvoering van het onderzoek. 5. Het college kan aan de vergunning voorschriften verbinden over nader uit te voeren onderzoek, vereiste technische deskundigheid, de uitvoering en materiaaltoepassingen. 6. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning, als bedoeld in het eerste lid, wordt op papier of digitaal ingediend. 7. Het college vraagt bij een aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, de CRKC om advies. 8. De CRKC brengt binnen vier weken na ontvangst van de adviesaanvraag een schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit.

Artikel 5:12 Weigeringsgronden 1. De vergunning, als bedoeld in artikel 5:11, kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2. Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5:11, voor een kerkelijk monument wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

Afdeling 5.4 Rijksmonumenten

Artikel 5:13 Advies omgevingsvergunning rijksmonument 1. Het college zendt onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor advies aan de CRKC. 2. De CRKC brengt binnen veertien weken na ontvangst van de afschrift van de ontvankelijke aanvraag een schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit.

Afdeling 5.5 Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten

30/284

Artikel 5:14 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2. Het college zendt het voorstel voor advies aan de Erfgoedadviesraad. Artikel 5:5, tweede lid is van overeenkomstige toepassing. 3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. de plaatselijke aanduiding; b. de datum van aanwijzing; c. de gebiedsaanwijzing van het beschermd stads- of dorpsgezicht, en d. een beschrijving van de daarin vervatte cultuurhistorische waarden. 6. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan, als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 7.

Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld. 8. Het college zendt een voorstel tot besluitvorming, als bedoeld in het zesde en zevende lid, voor advies aan de Erfgoedadviesraad. De Erfgoedadviesraad brengt binnen zes weken na ontvangst van de adviesaanvraag een schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. 9. Als een bestemmingsplan, als bedoeld in het zesde of zevende lid, opnieuw moet worden vastgesteld op grond van artikel 3.1, tweede lid van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening, als bedoeld in die wet, vaststellen. 10. Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid van de Monumentenwet 1988 of een

31/284

provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 5:15 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stadsen dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing, als bedoeld in artikel 5:14, eerste lid wijzigen of intrekken. Artikel 5:14, tweede en derde lid is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid van de Monumentenwet 1988, of b. beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 5:16 Verbodsbepaling en aanvraag vergunning 1. Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een bouwwerk te slopen. 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. De artikelen 5:11, zevende en achtste lid, 5:12 en 11:7 zijn van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen op grond van een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet.

Afdeling 5.6 Archeologie

32/284

Artikel 5:17 Vangnet archeologie Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument, een archeologisch waardengebied, een archeologisch verwachtingswaardengebied of een bijzonder archeologisch verwachtingswaarden-gebied als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij: a. deze verstoring plaatsvindt: i.

in een gebied binnen de grens van de binnenstad met een zeer hoge, bekende waarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 5 m2 en de verstoring niet dieper is dan 30 centimeter onder het maaiveld (straat- of terreinniveau) en geen betrekking heeft op verstoringen in kelders of souterrains;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=a441c009-3e52-4301-8207-9cdac4320b59