171285RH 2021_BW_00403
Tekst van het document
College van burgemeester en wethouders Besluit
2021_BW_00403
GOEDGEKEURD
Vergadering van 24 augustus 2021 Team Ruimte Economie en Duurzaamheid
Verklaring van geen bedenkingen - verhoging schoorsteen GMB, Oostzeestraat 3b te Zutphen Besluitvormend
Zaaknummer: 171285 Portefeuillehouder: Laura Werger Openbaar Ja Embargo Nee
Samenstelling Aanwezig: mevrouw Annemieke Vermeulen, Burgemeester; mevrouw Eva Boswinkel, Wethouder; de heer Mathijs ten Broeke, Wethouder; mevrouw Annelies de Jonge, Wethouder ; mevrouw Anja de Rouw, Adjunctsecretaris; mevrouw Monique Stouten, gemeentesecretaris
Afwezig: mevrouw Laura Werger, Wethouder
Besluit Besluitpunt 1 Het college besluit de raad voor te stellen een verklaring van geen bedenkingen, zoals bedoeld in artikel 2.27 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 6.5 Besluit omgevingsrecht (Bor), af te geven voor de verhoging van de schoorsteen van GMB BioEnergie Zutphen B.V., Oostzeestraat 3b te Zutphen.
Motivering Aanleiding en context Op 14 december 2020 is door de raad een ontwerp verklaring van geen bedenkingen afgegeven voor het verhogen van de schoorsteen van Slibverwerkingsbedrijf GMB BioEnergie Zutphen BV (hierna; GMB) om geuroverlast te verminderen. Het bevoegd gezag (de provincie) heeft de ontwerp verklaring van geen bedenkingen, samen met de ontwerp omgevingsvergunning voor het verhogen van de schoorsteen van 29 april 2021 tot en met 9 juni 2021 ter inzage gelegd. Hierop is één zienswijze ingediend door omwonenden uit Eefde. Deze zienswijze heeft voornamelijk betrekking op de milieu aspecten van de ontwerp omgevingsvergunning. De zienswijze wordt beantwoord in een zienswijzenota door het bevoegd gezag (provincie) en wordt toegevoegd aan het besluit op de aanvraag omgevingsvergunning.
1/267
Het College van Gedeputeerde Staten van Gelderland kan als bevoegd gezag de omgevingsvergunning pas verlenen, nadat de gemeenteraad een definitieve verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven. Beoogd effect Het verhogen van de schoorsteen naar een hoogte van 125 meter van GMB aan de Oostzeestraat 3b te Zutphen planologisch juridisch mogelijk te maken. Argumenten Zie raadsvoorstel. Kanttekeningen Zie raadsvoorstel. Communicatie / vervolgtraject / uitvoering Zie raadsvoorstel. Rapportage / evaluatie Niet van toepassing. Financiële consequenties Niet van toepassing. Risico’s Zie raadsvoorstel. Personele consequenties Niet van toepassing Programmadoelen Programma 3. Duurzame leefomgeving
Bijlagen 1. 2. 3.
2021-08-04 171285-raadsbesluit vvgb verhoging schoorsteen GMB (versie 24-8-2021).pdf Ruimtelijke Onderbouwing verhogen schoorsteen.pdf situering schoorsteen.pdf
2/267
VOORBLAD
Griffienummer:
ONTWERP RAADSVOORSTEL Onderwerp Programma
Verklaring van geen bedenkingen verhoging schoorsteen GMB 3. Duurzame leefomgeving --
Forum Portefeuillehouder Inlichtingen bij
technisch blok (hamerstuk) Laura Werger Charlotte Burgers 06-8142589 c.burgers@zutphen.nl
Soort bevoegdheid Beleidsvrijheid Programmabegrotingswijziging
kaderstellend geen ja
controlerend beperkt
budgetrecht ruim nee
overig
Het college van burgemeester en wethouders stelt de raad voor: Een verklaring van geen bedenkingen, zoals bedoeld in artikel 2.27 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht(Wabo) in samenhang met artikel 6.5 Besluit omgevingsrecht(Bor), af te geven voor de verhoging van de schoorsteen van GMB BioEnergie Zutphen B.V., Oostzeestraat 3b te Zutphen.
3/267
1 van 4
TOELICHTING
Inleiding/aanleiding
Op 14 december 2020 is door de raad een ontwerp verklaring van geen bedenkingen afgegeven voor het verhogen van de schoorsteen van Slibverwerkingsbedrijf GMB BioEnergie Zutphen BV (hierna; GMB) om geuroverlast te verminderen. GMB heeft hiervoor een toelichting gegeven aan de gemeenteraad. Het bevoegd gezag (de provincie) heeft de ontwerp verklaring van geen bedenkingen, samen met de ontwerp omgevingsvergunning voor het verhogen van de schoorsteen van 29 april 2021 tot en met 9 juni 2021 ter inzage gelegd. Hierop is één zienswijze ingediend door omwonenden uit Eefde. Deze zienswijze heeft voornamelijk betrekking op de milieu aspecten van de ontwerp omgevingsvergunning. De zienswijze wordt beantwoord in een zienswijzenota door het bevoegd gezag (provincie) en wordt toegevoegd aan het besluit op de aanvraag omgevingsvergunning. Het College van Gedeputeerde Staten van Gelderland kan als bevoegd gezag de omgevingsvergunning pas verlenen, nadat de gemeenteraad een definitieve verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven.
Beoogd effect Het verhogen van de schoorsteen naar een hoogte van 125 meter van GMB aan de Oostzeestraat 3b te Zutphen planologisch juridisch mogelijk te maken. Argumenten 1.1 Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het project voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening en daarmee is de uitvoerbaarheid aangetoond. Bij de aanvraag omgevingsvergunning is een goede ruimtelijke onderbouwing aangeleverd waarbij wordt ingegaan op alle relevante omgevingsaspecten. Uit deze ruimtelijke onderbouwing (zie bijlage), onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning, blijkt dat het project voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. De verklaring van geen bedenkingen kan op grond van artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening. Daartoe is geen reden. Kanttekeningen 1.1 De verklaring van geen bedenkingen is een processtap in het traject bij het beoordelen van de omgevingsvergunning door de provincie Gelderland. Deze processtap is nodig voor de beoordeling van de omgevingsvergunning door de provincie Gelderland, zodat de provincie een besluit kan nemen op de aanvraag omgevingsvergunning voor de voorgenomen aanpassingen om de geuroverlast te verminderen. De zienswijze wordt beantwoord in dat traject, want de provincie besluit over de omgevingsvergunning.
Uw raad besluit over de Verklaring van geen bedenkingen. Risico’s Naar aanleiding van de omgevingsvergunning kan door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Raad van de State. Communicatie/Vervolgtraject/Uitvoering Het besluit met betrekking tot de omgevingsvergunning wordt door het bevoegd gezag bekendgemaakt. Na bekendmaking kan er door belanghebbenden gedurende zes weken beroep worden ingesteld. 4/267
2 van 4
De omgevingsvergunning, inclusief de reactie op de zienswijze, leggen wij te zijner tijd voor u ter inzage. Er kan door GMB worden gestart met de werkzaamheden na afloop van de termijn voor het indienen van een beroepschrift mits er geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzieningenrechter en deze toegewezen is.
Rapportage/evaluatie Niet van toepassing.
Financiën Niet van toepassing
Bijlagen -
Ruimtelijke Onderbouwing verhogen schoorsteen.pdf situering schoorsteen.pdf
Stukken die ter inzage liggen
5/267
3 van 4
ONTWERP BESLUIT Griffienummer:
De raad van de gemeente Zutphen, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
met nummer
;
gelet op het bepaalde in artikel 2:27 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht besluit: Een verklaring van geen bedenkingen, zoals bedoeld in artikel 2.27 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht(Wabo) in samenhang met artikel 6.5 Besluit omgevingsrecht(Bor), af te geven voor de verhoging van de schoorsteen van GMB BioEnergie Zutphen B.V., Oostzeestraat 3b te Zutphen;
Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Zutphen, gehouden op:
De voorzitter,
de griffier,
6/267
4 van 4
Ruimtelijke onderbouwing verhogen schoorsteen GMB Zutphen 30 juni 2020
7/267
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Verantwoording Titel
Ruimtelijke onderbouwing verhogen schoorsteen GMB Zutphen
Opdrachtgever
GMB BioEnergie Zutphen B.V.
Projectleider
Paul Lammers
Auteur(s)
Nicole van der Meer
Tweede lezer
Suzanne Swenne
Projectnummer
1270082
Aantal pagina’s
28
Datum
30 juni 2020
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon Tauw bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com
8/267 2/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Inhoud 1
2
3
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding .......................................................................................................................... 5
1.2
Ligging en beschrijving plangebied .................................................................................... 5
1.3
Vigerend bestemmingsplan................................................................................................ 6
1.4
Leeswijzer .......................................................................................................................... 7
Beschrijving voorgenomen activiteit .......................................................................................... 8 2.1
Planbeschrijving ................................................................................................................. 8
2.2
Strijdigheid met vigerende bestemmingsplannen .............................................................. 8
Beleidskader .............................................................................................................................. 9 3.1
Rijksbeleid .......................................................................................................................... 9
3.1.1
Structuurvisie infrastructuur en Ruimte (SVIR) ........................................................... 9
3.1.2
Barro/AMvB Ruimte (2012) ......................................................................................... 9
3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking ...................................................................... 10
3.2
Provinciaal beleid ............................................................................................................. 10
3.2.1 3.3
Regionaal beleid .............................................................................................................. 11
3.3.1 3.4
4
Omgevingsvisie Gelderland ...................................................................................... 10
Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 ........................................................ 11
Gemeentelijk beleid.......................................................................................................... 12
3.4.1
Ontwikkelingsvisie Zutphen 2020.............................................................................. 12
3.4.2
Masterplan De Mars .................................................................................................. 13
3.4.3
Structuurplan De Mars .............................................................................................. 13
3.4.4
Businessplan De Mars .............................................................................................. 13
Milieuthema’s........................................................................................................................... 15 4.1
M.e.r.-beoordeling ............................................................................................................ 15
4.2
Landschappelijke inpassing ............................................................................................. 16
4.3
Ecologie ........................................................................................................................... 18
4.4
Stikstof ............................................................................................................................. 19
4.5
Bodem .............................................................................................................................. 21
4.6
Water................................................................................................................................ 21
4.7
Geluid ............................................................................................................................... 22
9/267 3/28
Kenmerk
5
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
4.8
Geur ................................................................................................................................. 22
4.9
Externe veiligheid ............................................................................................................. 23
4.10
Lucht ................................................................................................................................ 25
4.11
Archeologie ...................................................................................................................... 26
4.12
Gezondheid ...................................................................................................................... 27
Uitvoerbaarheid ....................................................................................................................... 28 5.1
Economische uitvoerbaarheid .......................................................................................... 28
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid.................................................................................... 28
Bijlage 1
m.e.r.-beoordeling
Bijlage 2
Visualisaties schoorsteen GMB BioEnergie Zutphen BV
Bijlage 3
Ecologische voortoets GMB BioEnergie Zutphen BV
Bijlage 4
Stikstofdepositie GMB
Bijlage 5
Geuronderzoek bij aanvraag revisievergunning GMB Bio Energie Zutphen B.V,
Olfasense Bijlage 6
Interactie windturbines en emissies GMB Zutphen, Erbrink Stacks Consult
Bijlage 7 Olfasense
Verspreidingsberekeningen diverse componenten GMB BioEnergie Zutphen B.V.,
10/267 4/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
1 Inleiding GMB verwerkt in haar productiepark locatie Zutphen vloeibare en steekvaste slibben afkomstig van waterzuiveringen en de industrie. Vloeibaar slib (verpompbaar, droge stofpercentage circa 5 %) wordt eerst middels decantercentrifuges ontwaterd tot steekvast slib. Steekvast slib (niet verpompbaar, droge stofpercentage circa 20-25 %) wordt door middel van biologisch drogen (‘composteren’) omgezet tot biogranulaat met een drogestof percentage van circa 65 %. Het geproduceerde biogranulaat kan dienen ter vervanging van fossiele brandstoffen in energiecentrales, waardoor GMB bijdraagt aan de reductie van de CO2-uitstoot in de slibverwerkingsketen.
1.1
Aanleiding
De huidige schoorsteen van GMB Zutphen is gesitueerd midden op het terrein van GMB. Deze schoorsteen heeft een hoogte van 85 meter en is recent vernieuwd. Ten gevolge van het productieproces wordt in de omgeving van GMB geuroverlast ervaren. GMB neemt diverse maatregelen om de geuroverlast te verminderen. Eén van de maatregelen is het verhogen van de huidige schoorsteen van 85 meter naar 125 meter. De verhoging van de schoorsteen is niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan. Om dit mogelijk te maken, dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt vastgesteld wat de invloed is van het verhogen van de schoorsteen op het GMB-terrein en onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
1.2
Ligging en beschrijving plangebied
Het terrein van GMB is gelegen aan de noordoostzijde van de gemeente Zutphen, in de provincie Gelderland (figuur 1.1). GMB bevindt zich op industrieterrein De Mars. In de directe omgeving zijn meerdere andere industriële inrichtingen gevestigd. De eerste woningen bevinden zich op meer dan 700 meter afstand van het plangebied. Het plangebied bevindt zich in de nabijheid van de IJssel en het Twentekanaal. Aan de oostzijde van het GMB-terrein is de N348 gelegen. De huidige schoorsteen bevindt zich centraal op het terrein (figuur 2.1).
11/267 5/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Figuur 1.1 Globale locatie van het GMB-terrein (rood omkaderd) in Zutphen (Bron: Cyclomedia)
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘De Mars midden en noord (veegplan)’ vastgesteld op 6 december 2016, door de gemeente Zutphen . Binnen dit bestemmingsplan heeft het plangebied de enkelbestemming ‘bedrijventerrein’ en de dubbelbestemming ‘waardearcheologische verwachting-2’ (figuur 1.2). Daarnaast zijn voor het GMB-terrein de functieaanduidingen bedrijf tot en met categorie 5.1, specifieke vorm van bedrijf- slibverwerking en specifieke vorm van bedrijventerrein - geluidszoneringsplichtige inrichting van toepassing. Het maximale bebouwingspercentage bedraagt 75 % en de maximale bouwhoogte is 20 meter. Voor de verplaatsing en nieuwbouw van de schoorsteen is daarnaast een vergunning verleend 1. Deze vergunning is een aanvulling op het bestemmingsplan. Met deze vergunning is op de huidige locatie van de schoorsteen een schoorsteen van maximaal 85 meter is toegestaan. De verhoging naar 125 meter van de schoorsteen is conform het bestemmingsplan en de verleende vergunning niet toegestaan. Op grond van de maximale bouwhoogte van 85 meter die geldt op de locatie van de schoorsteen is het verhogen van de schoorsteen met 40 meter onder het vigerende bestemmingsplan en de recent verleende vergunning niet mogelijk.
1
Kenmerk: ODRN W.Z18.100184.01, OLO: 3390649 (fase 1); ODRN: W.Z18.106978.01, OLO: 3391789 (fase 2)
12/267 6/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Figuur 1.2 Vigerend bestemmingsplan van het plangebied (Bron: Ruimtelijk plannen)
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt de voorgenomen ontwikkeling en de strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het beleidskader van het Rijk, de provincie Gelderland, de regio en de gemeente Zutphen toegelicht. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de relevante milieuthema’s. Tenslotte volgt in hoofdstuk 5 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan.
13/267 7/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
2 Beschrijving voorgenomen activiteit 2.1
Planbeschrijving
Voornemen is om de schoorsteen te verhogen, waarbij de schoorsteen in de nieuwe situatie 125 meter hoog wordt. De huidige schoorsteen is centraal op het terrein van GMB gesitueerd (figuur 2.1).
Figuur 2.1 Het GMB-terrein, de huidige locatie van de schoorsteen
2.2
Strijdigheid met vigerende bestemmingsplannen
Zoals in paragraaf 1.3 is toegelicht is het plan voor de verhoging van de schoorsteen strijdig met het vigerende bestemmingsplan De Mars midden en noord van de gemeente Zutphen. Conform de hiervoor afgegeven vergunning geldt voor de huidige locatie van de schoorsteen een maximale bouwhoogte van 85 meter. Het plan voorziet niet in een nieuwe schoorsteen met een hoogte van 125 meter. De verhoging van de schoorsteen is conform het bestemmingsplan dan ook niet mogelijk.
14/267 8/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
3 Beleidskader 3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie infrastructuur en Ruimte (SVIR) In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. In deze structuurvisie geeft het kabinet aan waar het naar streeft: Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Om dat te bereiken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij...'). Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De juridische borging van de nationale belangen vindt plaats in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Een van de nationale belangen luidt het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving. Hierin wordt onder andere ingegaan op het aspect milieukwaliteit. Een aantal regelingen is 'getrapt' vastgelegd. Dit wil zeggen dat de provincies en gemeenten verplicht zijn dit beleid nader uit te werken. Betekenis voor dit project De 13 nationale belangen zijn niet van betekenis voor dit plan. Dit houdt in dat de betekenis van de nationale structuurvisie voor het plangebied zodoende zeer beperkt is. Het relevante beleidskader wordt gevormd door provincie en vooral de gemeente. 3.1.2
Barro/AMvB Ruimte (2012)
In samenhang met de SVIR is het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro / AMvB Ruimte) opgesteld, waarin de nationale belangen uit de SVIR zijn opgenomen die juridische borging vragen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen moeten gemeenten zich houden aan in de AMvB Ruimte of verordening gestelde regels. De regels uit de AMvB Ruimte hebben onder meer betrekking op hoofdwegen en hoofdspoorwegen, defensie, Rijksvaarwegen, kustverdediging, de elektriciteitsvoorziening en de ecologische hoofdstructuur. In het Barro 2012 zijn de volgende onderwerpen toegevoegd: reserveringen uitbereidingen weg en spoor, veiligheid vaarwegen, netwerk voor elektriciteitsvoorzieningen, buitendijkse uitbreidingsruimte in het IJsselmeer, bescherming van de (overige) primaire waterkeringen, reservering voor rivierverruiming Maas en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Betekenis voor dit project Met het mogelijk maken van de verhoging van de schoorsteen op het GMB-terrein wordt niet voorzien in ontwikkelingen die strijdig zijn met het Barro / AMvB Ruimte (2012). De ontwikkeling is niet gepland in het rivierbed, waarvoor in het Barro een beleid is geformuleerd ter bescherming van de waterstaatkundige functie. Het voornemen is zodoende inpasbaar wat betreft het Barro.
15/267 9/28
Kenmerk
3.1.3
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Ladder voor duurzame verstedelijking
In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is vastgelegd dat bij plannen die een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maken, de toelichting moet aantonen dat voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. Deze ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd om de ruimte in stedelijke gebieden optimaal te benutten. Met de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Indien sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet beoordeeld worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Ten eerste moet aangetoond worden dat er een behoefte bestaat aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. Vervolgens wordt geïnventariseerd of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied plaats kan vinden. Ligt het plangebied in bestaand stedelijk gebied en voorziet de stedelijke ontwikkeling in een behoefte, dan wordt voldaan aan de Ladder. Betekenis voor dit project De ladder is niet van toepassing op de verhoging van de schoorsteen op het GMB-terrein omdat dit geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland De Gelderse Omgevingsvisie is een integrale visie vastgesteld op 9 juli 2014, geconsolideerd januari 2018. De visie gaat niet alleen in op de ruimtelijke ordening, maar ook op waterkwaliteit en veiligheid, bereikbaarheid, economische ontwikkeling, natuur en milieu, inclusief de sociale gevolgen daarvan. De Omgevingsvisie richt zich op de komende 10 jaar maar biedt ook een vooruitblik voor de lange termijn. De provincie heeft in de Omgevingsvisie twee doelen gesteld: 1.
Een duurzame economische structuurversterking. Een gezonde economie met een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om sterke steden en een vitaal landelijk gebied met voldoende werkgelegenheid. Het streven is om de concurrentiekracht van Gelderland te vergroten door het duurzaam versterken van de ruimtelijk economische structuur. De komende jaren zullen minder in het teken staan van denken in termen van ‘groei’ en meer in termen van ‘beheer en ontwikkeling van het bestaande’
2.
Het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving. Dit doel betekent vooral: • Ontwikkelen met kwaliteit, recht doen aan de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek; uitgaan van doelen, niet van regels • •
Zorgdragen voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap Een robuust en toekomstbestendig water- en bodemsysteem voor alle gebruiksfuncties;
•
bij droogte, hitte en waterovervloed Een gezonde en veilige leefomgeving
16/267 10/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Om deze doelen in beleid te vertalen, hanteert de provincie drie aandachtsgebieden: dynamisch, mooi en divers Gelderland. Ontwikkelingen in Gelderland wil de provincie benaderen vanuit elk van deze drie perspectieven, die elkaar aanvullen: 1. Dynamisch: de (ruimtelijk-economische) ontwikkelingen en de geleiding daarvan op 2. 3.
provinciaal niveau Mooi: de Gelderse kwaliteiten die bescherming nodig hebben en ruimte voor behoud door ontwikkeling Divers: het herkennen van de regionale verschillen in maatschappelijke vraagstukken en opgaven en het koesteren van de regionale identiteiten
Betekenis voor dit project In de Omgevingsvisie Gelderland wordt onder andere aandacht besteed aan het aspect milieu. GMB voldoet met haar activiteiten aan de gestelde milieunormering. De verhoging van de schoorsteen binnen het GMB-terrein heeft geen effect op de mogelijke risico’s. In hoofdstuk 4 wordt per milieuthema ingegaan op de voorgenomen ontwikkeling.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030
In de Regionale Structuurvisie Stedendriehoek 2030 zijn de gemeenschappelijke ambities van de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Deventer, Lochem, Voorst en Zutphen voor de lange termijn tot 2030 vastgesteld. De gemeenten streven naar een hoogwaardige ontwikkeling van de stedendriehoek als geheel. De centrale doelstelling hierin is het behoud en de versterking van de samenhang en variatie in woon-, werk- en recreatiegebieden, met het gelijktijdig ontwikkelen van nieuwe kwaliteiten in water, natuur, landschap en landbouw. Om deze doelstelling concreet te maken zijn vijf strategische keuzes geformuleerd: • Duurzaam waterbeheer als basis voor ruimtelijke ontwikkeling • Natuur, landschap en landbouw ontwikkelen in functiecombinaties • • •
Regionale bereikbaarheid verbeteren door hoogwaardig openbaar vervoer Stedelijke herstructurering gaat boven nieuwe stadsuitbreidingen Toevoegen van centrum-stedelijke en landelijke woonmilieus
De volgende concrete aspecten worden van belang geacht voor de Stedendriehoek in 2030: • Het landschap blijft ‘open’ • • •
Het versterken van stedelijke voorzieningen en openbaar vervoer Het stimuleren van innovatieve regionale economie Het reduceren van automobiliteit door goede koppeling aan openbaar vervoer en fietsgebruik
•
Het vergroten van variatie in de samenstelling van de stedelijke bevolking en de woningvoorraad
17/267 11/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Betekenis voor dit project De activiteit binnen het plangebied, de verhoging van de schoorsteen op het GMB-terrein is een dusdanige kleine lokale ontwikkeling dat deze niet in strijd is met het ruimtelijk beleid van de Stedendriehoek.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Ontwikkelingsvisie Zutphen 2020
In de Ontwikkelingsvisie Zutphen 2020 zijn de gemeentelijke ambities vertaald naar een ruimtelijk functioneel toekomstperspectief richting 2020. Een aantal belangrijke speerpunten in de visie zijn: • Bestaande identiteit behouden en versterken • •
Verder ontwikkelen als een moderne stad, waarin historie en dynamiek samengaan Profileren als een duurzame gemeente met sterke sociale en economische structuur en burgers die tevreden zijn over het woon- en leefklimaat
In figuur 3.1 is de ontwikkelingskaart van de Ontwikkelingsvisie Zutphen 2020 weergegeven.
Figuur 3.1 Ontwikkelingskaart Ontwikkelvisie Zutphen 2020, plangebied globaal rood omkaderd (bron: Ontwikkelingsvisie Zutphen 1999)
18/267 12/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Betekenis voor dit project Het GMB-terrein is in de Ontwikkelingskaart Ontwikkelvisie Zutphen 2020 aangegeven als bestaand bedrijventerrein. De geplande activiteit valt binnen de ontwikkelvisie Zutphen en is van dusdanig kleine schaal dat deze geen invloed heeft op de gemeentelijke visie. 3.4.2 Masterplan De Mars In het masterplan De Mars wordt voor een periode van 10 à 20 jaar de ontwikkelingsrichting voor het gebied weergegeven. Het masterplan biedt het formele kader voor het nemen van diverse vervolgbesluiten en creëert op die manier het kader voor planontwikkeling en de uitvoering van projecten. Voor De Mars wordt ingezet op de vestiging van industrie in de zwaardere milieucategorieën (categorie 3 tot en met 5). Meerdere bedrijven op het terrein houden zich bezig met het op een innovatieve wijze verwerken van afval. Een vorm van bedrijvigheid die met technisch geavanceerde technieken afval opwerkt tot grondstoffen. Nederland is in deze een voorbeeld in Europa. Innovatie in milieu is een leidend thema bij de ruimtelijke invulling van het gebied. Betekenis voor dit project GMB BioEnergie Zutphen (GMB) is een slibverwerkingsbedrijf gevestigd op het bedrijventerrein De Mars te Zutphen. Het bedrijf neemt minerale en organische afvalstoffen in, bewaart en/of bewerkt en verwerkt deze tot biogranulaat (zie ook hoofdstuk 1). De activiteiten van GMB vallen in categorie 5.
De activiteiten op het gebied van de verwerking van slib tot biogranulaat van GMB passen binnen de ontwikkelingsrichting voor het gebied. Op deze manier houdt GMB zich bezig met het op innovatieve wijze verwerken van afval door middel van geavanceerde technieken. De geplande ontwikkeling is uitvoerbaar binnen het Masterplan De Mars. 3.4.3
Structuurplan De Mars
De noordzone van De Mars staat in het structuurplan beschreven als zone bestemd voor bedrijven uit de zwaarste milieucategorie. Het gaat om grote bedrijven met in milieu-technologisch opzicht vaak zeer geavanceerde technieken. Dit gebied moet overzichtelijk ingericht worden, met profielen die berekend zijn op het zware transport dat hier plaatsvindt. De N348 biedt de bedrijven de mogelijkheid zich te tonen. De inrichting moet robuust en hightech zijn. Betekenis voor dit project De geplande ontwikkeling is uitvoerbaar binnen het structuurplan De Mars en bevat geen strijdigheden. 3.4.4 Businessplan De Mars Ondernemers die gevestigd zijn op bedrijventerrein De Mars hebben samen met de gemeente een Businessplan voor het terrein opgesteld. Het Businessplan beschrijft de ruimtelijke kaders voor De Mars. Circulaire economie en Clean Tech zijn uitgangspunten waaronder De Mars zich naar buiten profileert.
19/267 13/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Betekenis voor dit project GMB past met haar activiteiten binnen de uitgangspunten die De Mars voor ogen heeft. Met het geproduceerde biogranulaat kunnen fossiele brandstoffen worden vervangen, waardoor bijgedragen wordt aan de reductie van de CO2-uitstoot. De geplande ontwikkeling is uitvoerbaar binnen het Businessplan De Mars.
20/267 14/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
4 Milieuthema’s In dit hoofdstuk worden de verschillende thema’s besproken die onderzocht zijn ten behoeve van de verhoging van de schoorsteen op het GMB-terrein. De volgende thema’s worden in dit hoofdstuk beschreven: m.e.r.-beoordeling, landschappelijke inpassing, ecologie, stikstof, bodem, water, geluid, geur, externe veiligheid, lucht en archeologie.
4.1
M.e.r.-beoordeling
Wettelijk kader De (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of bij de verhoging van de schoorsteen mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Hiertoe wordt een aanmeldingsnotitie opgesteld. In een aanmeldingsnotitie wordt op objectieve wijze de informatie verzameld en gepresenteerd die voor de m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Met de informatie in de aanmeldingsnotitie besluit het bevoegd gezag of een uitgebreidere m.e.r.-procedure nodig is. Plangebied De voorgenomen activiteit betreft een activiteit waarbij de bestaande schoorsteen wordt verhoogd met 40 meter binnen het GMB-terrein. Dit valt onder de D-lijst, artikel 18.1 van het Besluit-m.e.r, de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval (niet elders benoemd). Daarbij geldt een drempelwaarde voor de m.e.r-beoordelingsplicht van 50 ton per dag of meer. Tauw heeft voor deze ontwikkeling een m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is in bijlage 1 toegevoegd. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies beschreven. Bij de vergunde aangevraagde wijziging blijft de maximale jaarcapaciteit gehandhaafd op 190.000 ton/jaar voor slibverwerking middels biologisch drogen. De maximale dag capaciteit bedraagt 520 ton/dag. De activiteit overschrijdt de drempelwaarde van de m.e.r.-beoordelingsplicht.
Hiermee is de vergunning m.e.r.-beoordelingsplichtig. Procedureel is er geen verschil meer tussen de m.e.r.-beoordeling en de voormalige vormvrije m.e.r.-beoordeling die opgesteld had moeten worden wanneer de drempelwaarde niet was overschreden. Tauw heeft een m.e.r.-beoordeling 2 opgesteld. Hierbij zijn de verschillende milieuthema’s afgewogen. Conclusie Conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dat er geen belangrijke nadelige effecten worden verwacht ten gevolge van de verhoging van de schoorsteen.
2
Tauw, m.e.r.-beoordeling verhogiing van de schoorsteen op het terrein van GMB Bio Energie Zutphen B.V., kenmerk N002-1270082ISJ-V05-mdg-NL, d.d. 20 december 2019
21/267 15/28
Kenmerk
4.2
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Landschappelijke inpassing
De schoorsteen van GMB is in de verre omtrek van de locatie zichtbaar. Omdat deze beeldbepalend is voor de landschappelijk inpassing aan de noordzijde van Zutphen, zijn visualisaties gemaakt. Tevens is door vaststelling van het bestemmingsplan Fort de Pol, Eefde West en Windpark IJsselwind medewerking verleend aan de realisatie van een drietal windmolens ten noorden van het terrein van GMB. Beide ontwikkelingen hebben impact op het landschap. In deze paragraaf is de impact door middel van enkele visualisaties weergegeven. Plangebied Van de ontwikkeling binnen het plangebied, de verhoging van de schoorsteen op het GMB-terrein en het plaatsen van nieuwe windmolens zijn visualisaties gemaakt. Deze impressies geven de huidige situatie en de nieuwe situatie weer om de verandering in het landschap inzichtelijk te maken. De nieuwe situatie is vanuit verschillende locaties in de nabije omgeving gevisualiseerd. De huidige situatie kan hierdoor vergeleken worden met de nieuwe situatie van verschillende locaties in de nabije omgeving. In bijlage 2 is een overzicht weergegeven van de locaties. De locaties bestaan uit: N348, Mettrayweg, Wellenbergweg en op de dijk nabij Gelders Hoofd.
Een voorbeeld van de huidige situatie en een impressie van de nieuwe situatie vanaf de Wellenbergweg (bovenste twee afbeeldingen) en de Mettrayweg (onderste twee afbeeldingen) is de ligging weergegeven in figuur 4.1 en de visualisaties in figuur 4.2. Op de vergelijking van de huidige- en nieuwe situatie is te zien dat nieuwe windmolens en een verplaatsing plus verhoging in het landschap is toegevoegd. Door de smallere schoorsteen op grotere hoogte zijn de effecten gering.
Figuur 4.1 Locatie van de visualisaties van de Wellenbergweg en de Mettrayweg
22/267 16/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Wellenbergweg
Mattrayweg
Figuur 4.2 Voorbeelden van de huidige situatie en een impressie van de nieuwe situatie vanaf de Wellenbergweg en de Mettrayweg
Conclusie De nieuwe schoorsteen wordt smaller naar mate deze hoger wordt. De visualisaties tonen aan dat de extra hoogte die de schoorsteen krijgt, hierdoor nagenoeg wegvalt in het landschap. Tevens zorgen de extra windturbines, die op termijn geplaatst gaan worden, ervoor dat de schoorsteen niet meer als solitair object in het landschap voorkomt, waardoor deze eveneens minder zichtbaar is.
23/267 17/28
Kenmerk
4.3
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Ecologie
Wettelijk kader Sinds 1 januari 2017 is de Nederlandse natuurbescherming wettelijk verankerd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De wet vervangt de Flora- en faunawet (beschermde soorten), de Natuurbeschermingswet 1998 (beschermde natuurgebieden) en de Boswet (houtopstanden). Bij bestemmingsplanwijzigingen moet worden beoordeeld welke effecten die wijziging kan hebben op beschermde soorten, gebieden en bosopstanden, hoe die effecten kunnen worden beperkt en in hoeverre voor de mogelijk gemaakte activiteiten een ontheffing / vergunning nodig is. Plangebied Tauw heeft in opdracht van GMB BioEnergie Zutphen een ecologische voortoets 3 uitgevoerd in juni 2019 (zie ook bijlage 3). In dit onderzoek wordt ingegaan op soorten- en gebiedsbescherming met betrekking op de voorgenomen ontwikkeling. Soortenbescherming Op basis van literatuuronderzoek wordt in de ecologische voortoets gesteld dat de omgeving van het plangebied grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en vogels aanwezig zijn. Gedurende het veldbezoek zijn er geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten. Tevens zijn geen geschikte verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en foerageergebieden waargenomen. Om deze reden zijn effecten met betrekking tot soortengroepen dan ook uitgesloten.
Ten aanzien van de zorgplicht zijn de volgende maatregelen van toepassing: bij het aantreffen van beschermde soorten voorafgaand aan de werkzaamheden advies inwinnen bij een deskundige Gebiedsbescherming In het kader van gebiedsbescherming moet getoetst worden of er ten gevolge van de ontwikkeling negatieve effecten optreden aan Natura 2000-gebieden. Het plangebied is gelegen in de nabijheid van Natura 2000-gebied de Rijntakken. De Rijntakken is gelegen op circa 500 meter van het plangebied en omvat vier deelgebieden. Deelgebied Uiterwaarden IJssel bevindt zich het dichtst bij het plangebied, dit deelgebied is gelegen vanaf Arnhem tot aan het IJsselmeer. De landgoederen Brummen bevinden zich op circa 5 kilometer afstand van het plangebied en is gelegen op de overgang tussen de Veluwe en het IJsseldal. Natura 2000-landschap de Veluwe bevindt zich op circa 11 kilometer afstand van het plangebied (figuur 4.1). In de huidige situatie is al een schoorsteen aanwezig. De verhoging van deze schoorsteen heeft vanuit het aspect ecologie geen effect.
3
Tauw, Ecologische voortoets GMB BioEnergie Zutphen BV, juni 2019
24/267 18/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Figuur 4.1 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden
In de ecologische voortoets wordt gesteld dat het plangebied buiten NNN valt en in de provincie Gelderland externe werking op het NNN niet van toepassing is. Voor de geplande ontwikkeling worden geen bomenrijen van 21 bomen of meer of houtopstanden van 10 are of meer gerooid. Hierdoor is de bescherming van houtopstanden niet van toepassing. Op het onderdeel gebiedsbescherming zijn er, met uitzondering van stikstof, geen effecten op het nabij liggende Natura 2000-gebied Rijntakken. Het aspect stikstof wordt onder paragraaf 4.3 nader beschouwd. Er worden geen schadelijke effecten verwacht met betrekking tot ecologie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is vanuit het thema ecologie uitvoerbaar.
4.4
Stikstof
Wettelijk kader In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante effecten’ op de beschermde natuurgebieden. Dit is alleen toegestaan met een Wet natuurbescherming vergunning (Wnb-vergunning). In 2009 werd afgesproken het stikstofprobleem ‘programmatisch’ te gaan aanpakken. Dit heeft geleid tot ‘Programma Aanpak Stikstof’ (PAS), dat van 2017 tot mei 2019 in werking was. Met de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 is het PAS komen
25/267 19/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
te vervallen. Inmiddels worden vergunningaanvragen voor de wet Natuurbescherming weer in behandeling genomen, waarbij aan onderstaande salderingsregelingen moet worden voldaan. In de nieuwe situatie mag er niet meer stikstofdepositie plaatsvinden op de relevante Natura 2000-gebieden dan dat er was in het referentiejaar. Bestaande inrichtingen kunnen nieuwe projecten realiseren als zij binnen de inrichting elders een reductie in stikstofemissies creëren. De netto stikstofemissie neemt zo niet toe. Dit wordt ‘intern salderen’ genoemd. Voor nieuwe inrichtingen of plannen is die optie er niet, omdat er geen sprake is van een referentiesituatie: het is immers nieuw. Interne saldering geldt als onlosmakelijk onderdeel van een project en kan een vergunningplicht voorkomen als het netto-effect na saldering nul is of zelfs afname van de depositie betekent. Voor bestaande inrichtingen en nieuwe projecten/inrichtingen bestaat de optie tot ‘extern salderen’. Dit is hetzelfde principe, namelijk dat de netto stikstofdepositie op relevante Natura 2000-gebieden hetzelfde blijft of afneemt ten opzichte van het referentiejaar. Extern salderen wordt echter als vorm van mitigatie beschouwd en is daarmee automatisch onderdeel van een Passende Beoordeling.
Plangebied Het verhogen van de schoorsteen zorgt niet voor een verschuiving van het initiatief ten opzichte van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Tauw heeft in juni 2020 een stikstofberekening (AERIUS) uitgevoerd voor de verhoging van de schoorsteen (zie bijlage 4). Er zijn in dit onderzoek twee berekeningen uitgevoerd: 1. Berekening van de aanlegfase van de schoorsteenverhoging. Het betreft een verschilberekening waarin de productie stop, in verband met het plaatsen van het verhoogde 2.
deel op de schoorsteen, in aftrek is genomen Verschilberekening van de gehele beoogde situatie plus de aanlegfase van de schoorsteenverhoging minus de in december 2019 aangevraagde situatie voor de Wet natuurbescherming.
Ten gevolge van de aanleg van de verhoging wordt een stikstofdepositie op aanwezige Natura2000 gebieden berekend van 0,03 mol/ha/jaar. Vervolgens is een verschilberekening uitgevoerd waarbij de aanlegfase en gebruiksfase als één situatie zijn beschouwd. Deze is vergeleken met de in december 2019 aangevraagde situatie in het kader van de vergunning Wet natuurbescherming. Uit de berekening volgt dat er geen natuurgebieden zijn met een depositietoename van 0,00 mol per hectare per jaar of meer. Dit betekent dat de stikstofdepositie door de beoogde situatie en de aanlegfase samen binnen de in 2019 aangevraagde situatie past. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de schoorsteenverhoging in de (gebruiksfase) inclusief de aanlegfase past binnen de in december 2019 aangevraagde situatie. Het voornemen is daarmee uitvoerbaar.
26/267 20/28
Kenmerk
4.5
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Bodem
Relevant kader De bodem moet geschikt zijn voor het beoogde gebruik op de locatie. Aangetoond moet worden wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plan verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het plan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Deze bodemonderzoeken mogen wettelijk niet ouder zijn dan vijf jaar. Conclusie plangebied In het kader van de verhoging gaan er geen werkzaamheden in de bodem plaatsvinden waardoor het uitvoeren van bodemonderzoek niet noodzakelijk is. Het plan is hiermee uitvoerbaar voor het onderdeel bodem.
4.6
Water
Wettelijk kader - Watertoets Een belangrijke ontwikkeling in het waterbeleid is de Watertoets. Het doel van de Watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige manier in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het plangebied valt in het werkgebied van Waterschap Rijn en IJssel. Onderstaand is aangegeven op welke manier wordt omgegaan met de waterbelangen. Plangebied De activiteit betreft het verhogen van de schoorsteen op het GMB-terrein. Doordat er alleen een verhoging plaatsvindt is er geen sprake van een toename van het verhard oppervlak. Ook heeft de verhoging geen consequenties voor de hemelwaterafvoer, waterkwaliteit of overige wateraspecten. Het plangebied is gelegen nabij de IJssel en het Twentekanaal, echter vinden er op het vlak van water geen wijzigingen plaats ten opzichte van de huidige situatie. De ontwikkeling is niet voorzien in de beschermingszone van een kering of een grondwaterbeschermingsgebied. Conclusie Het plan heeft betrekking op het verhogen van een schoorsteen op het GMB-terrein te Zutphen. De activiteit heeft geen significante gevolgen voor de waterhuishouding in het plangebied. Vanuit het thema water bezien is de verhoging van de schoorsteen uitvoerbaar.
27/267 21/28
Kenmerk
4.7
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Geluid
Wettelijk kader In de Wet geluidhinder zijn geluidhindernormen voor toelaatbare equivalente geluidniveaus opgenomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in buitennormen (geluidbelasting op de gevel) en binnennormen (binnenwaarde). De geluidhindernormen gelden voor woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen gelegen binnen de geluidzone van een (spoor)weg of gezoneerd industrieterrein. Een geluidzone is een aandachtsgebied aan weerszijden van een (spoor)weg waarbinnen de geluidhindernormen van de Wet geluidhinder van toepassing zijn. Er dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden onderbouwd of na realisatie van het plan sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie. Er is gekeken naar de gevolgen van de nieuwe situatie op het aspect van geluidseffecten op de omgeving. Plangebied De verhoging van de schoorsteen heeft geen wijziging in de geluideffecten, waardoor de zone ongewijzigd blijft. Het uitvoeren van geluidonderzoek en toetsing aan de zone is daarmee niet noodzakelijk. Conclusie Het verhogen van de schoorsteen heeft geen effect op de geluidproductie, waardoor geconcludeerd wordt dat het plan uitvoerbaar is vanuit het aspect geluid.
4.8
Geur
Relevant kader Er dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden onderbouwd of na realisatie van het plan sprake is van een aanvaardbare situatie met betrekking tot geur. Er is gekeken naar de gevolgen van de nieuwe situatie op het aspect van geureffecten op de omgeving. Plangebied Voor het plangebied is een geuronderzoek uitgevoerd in juni 2020 door Olfasense (bijlage 5). De enige doorgerekende wijziging betreft de verhoging van de schoorsteen tot 125 meter. Uit het geuronderzoek blijkt dat door het verhogen van de schoorsteen de geurbelasting ter plaatsen van het adres Meijerinkstraat 40 met bijna een factor 4 afneemt. De immissieverbetering op de andere toetspunten (Wellenberg 2 en Valkeweg 5) zal minder groot zijn. Geconcludeerd wordt zodoende dat de geurimmissie (dus hetgeen wordt waargenomen door personen in de omgeving) ten noordoosten van de planlocatie duidelijk verbetert. Het verhogen van de schoorsteen heeft een gunstig effect op de geurbelasting in de omgeving.
28/267 22/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Figuur 4.2 Geurcontouren van geurimmissieconcentratie voor de nieuwe situatie (Bron: Geuronderzoek GMB BioEnergie Zutphen BV, Olfasense, juni 2020)
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is vanuit het thema geur uitvoerbaar.
4.9
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over de veiligheid van personen die zelf niet direct betrokken zijn bij risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen (risicobronnen), maar als gevolg van die activiteiten wel risico kunnen lopen. Wettelijk kader Het wettelijk kader voor de externe veiligheid bestaat uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijhorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Het huidige beleid voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is afkomstig uit het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Sinds 1 april 2015 is ook de Regeling Basisnet van kracht. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Er is een Basisnet voor weg, water en spoor. Met dit Basisnet wordt een evenwicht voor de lange termijn gecreëerd tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes en welke regels gelden voor de ruimtelijke ontwikkeling.
29/267 23/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Risiconiveau De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau voor activiteiten met gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Deze begrippen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is het risico op een plaats nabij een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als gevolg van een ongewoon voorval bij de risicobron. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door middel van risicocontouren rond de risicobron en is onafhankelijk van de aanwezige bevolking. Het GR is de cumulatieve kans per jaar dat ten minste tien mensen slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde waaraan getoetst wordt. De oriëntatiewaarde is een richtwaarde, het bevoegd gezag mag hier gemotiveerd van afwijken. Bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde of een toename van het GR moeten beslissingsbevoegde overheden het GR betrekken bij de vaststelling van het besluit. Plangebied De effecten van het verhogen van de schoorsteen vallen niet onder de werkingssfeer van de wetgeving rondom externe veiligheid. De schoorsteen is namelijk geen (beperkt) kwetsbaar object. Toetsing aan dit aspect is daarom niet aan de orde.
Omdat rondom de locatie van GMB een hogedruk gasleiding, hoogspanningsmasten en windturbines aanwezig zijn, is nog wel gekeken naar het risico op aantasting. De hogedruk gasleiding kan door het eventueel omvallen van de 125 meter hoge schoorsteen aangetast worden als de afstand tot deze leiding uit minder dan 125 meter bestaat. In figuur 4.3 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart met daarin de afstand van de nieuwe locatie van de schoorsteen tot de meest nabij gelegen locatie van de gasleiding. Deze afstand bedraagt circa 230 meter en is daarmee ruim groter dan 125 meter. Geconcludeerd wordt daarom dat bij eventuele val van de schoorsteen er geen extra risico’s zijn ten aanzien van het beschadigen van de gasleiding. De afstand tot de meest nabij gelegen bestaande windturbine van de Mars (separate inrichting van derden) bedraagt circa 175 m: de schoorsteen van 125 m vormt - ingeval van omvallen - geen bedreiging voor de windturbine. De veiligheidscontour van de 150 kV-hoogspanningsleiding Woudhuis-Zutphen heeft zijn beslag in een parallel met de leiding lopende zone van 80 m aan weerszijden van de hartlijn waarin geen gevoelige bestemmingen mogen komen. Dit is binnen GMB – ook deze revisieaanvraag - niet aan de orde en vormt dus ook geen belemmering.
30/267 24/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Figuur 4.3 Uitsnede risicokaart met daarin de afstand van de schoorsteen tot de gasleiding.
Conclusie Vanuit het thema externe veiligheid bezien is de verhoging van de schoorsteen uitvoerbaar.
4.10
Lucht
Wettelijk kader De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit is opgenomen onder titel 5.2 van de Wet Milieubeheer (Wet luchtkwaliteit). Daarbij is sprake van grens- en richtwaarden voor concentraties van stoffen in de buitenlucht. In de wet luchtkwaliteit is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) geïntroduceerd. Wanneer een project een NIBM bijdrage aan de luchtkwaliteit kent, is het inpasbaar. Plangebied Omdat in de nabijheid van het plangebied drie windmolens aanwezig zijn en er tevens nog drie zijn voorzien, zijn de luchtkwaliteit berekeningen uitgevoerd met een specifiek hierop gericht model. Erbrink Stacks Consult heeft met behulp van een speciale module in het Stacks model de effecten bepaald van de windturbines op de pluim van GMB, zowel in de huidige als toekomstige situatie (bijlage 6). De effecten zijn bepaald voor NOx, benzeen en geur. Fijn stof is niet bepaald omdat GMB dit niet emitteert.
31/267 25/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
In het onderzoek zijn de volgende scenario’s beschouwd: 1. 85 m hoge schoorsteen (nieuwe locatie) en huidige 3 windmolens 2. 125 m hoge schoorsteen (nieuwe locatie) en huidige 3 windmolens 3. 85 m hoge schoorsteen (nieuwe locatie) en huidige 3 windmolens + 3 nieuwe windmolens 4. 125 m hoge schoorsteen (nieuwe locatie) en huidige 3 windmolens + 3 nieuwe Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies toegelicht: • • •
In geen van de scenario’s worden voor de genoemde parameters de grens- danwel richtwaarden overschreden. Het verhogen van de schoorsteen heeft een gunstig effect bij beschouwing van de huidige drie windmolens. De concentraties op leefniveau dalen Wanneer bij de verhoging eveneens de drie nieuwe (hogere) windmolens worden toegevoegd, heeft dit een gunstig effect op de jaargemiddelde concentraties. Echter, plaatselijk is wel een verhoging van de concentraties zichtbaar. Zoals in de eerste bullet verwoord, wel in alle gevallen onder de grens- danwel richtwaarden voor de verschillende stoffen
•
De emissies vanuit GMB van de benzeenconcentraties zijn verwaarloosbaar. De achtergrondconcentraties die in het algemeen in de lucht aanwezig zijn, zijn een factor 10.000 keer hoger. Ook de NO2 concentraties van GMB zijn verwaarloosbaar
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is vanuit het thema lucht uitvoerbaar.
4.11
Archeologie
Relevant kader Voor de bescherming van archeologische waarden is de Erfgoedwet van toepassing. Deze wet bundelt wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De bedoeling is dat, wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Plangebied In het bestemmingsplan ‘De Mars midden en noord’ is het plangebied voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde - archeologische verwachting 2’. Gronden met deze dubbelbestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Bij de verhoging van de schoorsteen hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd omdat er geen bodemingrepen plaatsvinden.
32/267 26/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
Conclusie Vanuit het thema archeologie zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.12
Gezondheid
Naar aanleiding van klachten vanuit de directe omgeving van GMB ten aanzien van gezondheidsaspecten, heeft GBM Olfasense verspreidingsberekeningen 4 laten uitvoeren voor diverse stoffen die het bedrijf emitteert bij een schorsteenhoogte van 85 meter (worst case, zie bijlage 7). Hierbij is gekeken naar de stof benzeen en de stofgroepen carcinogenen (kankerverwekkende stoffen) en reprotoxische stoffen (stoffen die schadelijk kunnen zijn voor het ongeboren kind bij zwangere vrouwen). Met behulp van een verspreidingsmodel is bepaald wat de concentraties van de stoffen op leefniveau zijn van de stoffen die uit de schoorsteen van GMB emitteren. Alleen voor benzeen is een grenswaarde vastgesteld. Deze grenswaarde (in de lucht) voor de bescherming van de gezondheid van de mens is gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie van 5 µg/m3. Doordat deze grenswaarde is gesteld zijn van benzeen ook achtergrondconcentraties bekend. De overige stoffen zijn eveneens aan deze grenswaarde getoetst. Onderstaande tabel is afkomstig uit het rapport van Olfasense. Hieruit komt naar voren dat op genoemde adressen de benzeenconcentraties nagenoeg overeenkomen met de achtergrondconcentraties. De bijdrage in concentratie ten gevolge van GMB bedraagt maximaal 0,02 %.
Wanneer de concentraties op leefniveau van de somgroepen carcinogenen en reprotoxische stoffen worden vergeleken met de benzeenconcentraties, geldt dat de bijdrage van GMB gering is. Op basis van de verspreidingsberekeningen van Olfasense wordt geconcludeerd dat de concentraties benzeen, som carcinogenen en som reprotoxische stoffen nagenoeg overeenkomt met de in Nederland heersende achtergrondconcentraties voor benzeen. Het is daarmee niet aannemelijk dat een verhoogd gezondheidsrisico aanwezig is ten gevolge van blootstelling aan stoffen die door GMB worden geëmitteerd, noch bij 85 meter, noch bij 125 meter.
4
Olfasense, Verspreidingsberekeningen diverse componenten GMB BioEnergie Zutphen B.V., kenmerk GMBS19A1, 6 februari 2019
33/267 27/28
Kenmerk
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
De GGD heeft, naar aanleiding van de klachten, een gezondheidsonderzoek uitgevoerd in de directe omgeving van GMB. GMB heeft hieraan haar medewerking verleend, ondermeer door het hierboven beschreven rapport met hen te delen. Ook de GGD concludeert dat de berekende blootstelling aan benzeen onder de gezondheidskundige advieswaarden blijft. Ook stelt de GGD dat ‘gezondheidsrisico’s op de lange termijn door de vermeende milieufactor daarom verwaarloosbaar zijn’.
5 Uitvoerbaarheid 5.1
Economische uitvoerbaarheid
De kosten voor de verhoging van de schoorsteen binnen het terrein komen volledig ten laste aan GMB BioEnergie BV Zutphen. De verhoging van de schoorsteen wordt gezien als noodzakelijk omdat geuroverlast ervaren wordt in de nabije omgeving van GMB Zutphen. Om dit te verminderen zijn diverse maatregelen onderzocht waaronder de verhoging van de schoorsteen.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De verhoging van de huidige schoorsteen op het GMB-terrein te Zutphen kan worden gezien als noodzakelijk omdat er geuroverlast ervaren wordt in de nabije omgeving van GMB Zutphen. Het verhogen van de schoorsteen is één van de maatregelen die worden getroffen om deze overlast te verminderen. GMB voert met regelmaat gesprekken met de omgeving om zaken rondom de bedrijfsvoering te bespreken. De omgeving staat positief tegenover de verhoging gezien het verminderen van de overlast.
34/267 28/28
Kenmerk
Bijlage 1
R001-1270082NMR-V01-mdg-NL
m.e.r.-beoordeling
35/267
Notitie Contactpersonen
Suzanne Swenne, Nicole van der Meer
Datum
30 juni 2020
Kenmerk
N004-1270082NMR-V02-mdg-NL
m.e.r.-beoordeling verhoging van de schoorsteen op het terrein van GMB Bio Energie Zutphen B.V. 1 Inleiding en achtergrond 1.1
Introductie en voornemen
In opdracht van GMB Bio Energie Zutphen B.V. (hierna GMB) heeft Tauw een aanmeldnotitie opgesteld voor een vormvrije m.e.r.-beoordeling voor de verhoging 40 m van de schoorsteen op het terrein van GMB aan de Oostzeestraat 3B in Zutphen (figuur 1.1).
Figuur 1.1 Globale locatie van het GMB terrein (rood omkaderd) in Zutphen (Bron: Cyclomedia)
GMB verwerkt in haar productiepark locatie Zutphen vloeibare en steekvaste slibben afkomstig van waterzuiveringen en de industrie. Vloeibaar slib (verpompbaar, droge stofpercentage circa 5 %) wordt eerst middels decantercentrifuges ontwaterd tot steekvast slib. Steekvast slib (niet verpompbaar, droge stofpercentage circa 20-25 %) wordt door middel van biologisch drogen (‘composteren’) omgezet tot biogranulaat met een drogestofpercentage van circa 65 %. Het geproduceerde biogranulaat kan dienen ter vervanging van fossiele brandstoffen in energiecentrales, waardoor GMB bijdraagt aan de reductie van de CO2-uitstoot in de slibverwerkingsketen.
36/267
Kenmerk
N004-1270082NMR-V02-mdg-NL
De huidige schoorsteen van GMB is centraal gelegen op het terrein. GMB heeft het voornemen om de huidige schoorsteen te verhogen. De hoogte van de schoorsteen wordt 125 m.
Figuur 1.2 Het GMB terrein, de huidige locatie van de schoorsteen
Op het GMB-terrein geldt een maximale hoogte van de schoorsteen van 85 m volgens het vigerende bestemmingsplan. De hoogte van 125 m is niet mogelijk waardoor een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd in afwijking van het bestemmingsplan. Uit het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). volgt dat voor deze ontwikkeling een m.e.r.beoordeling moet worden uitgevoerd. In deze aanmeldingsnotitie is de m.e.r.-beoordeling van de voorgenomen activiteit opgenomen.