CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

159168RH 2021_BW_00026

Raadsvergadering 1 maart 2021, gemeente ZutphenBij agendapunt: Bestemmingsplan Noorderhaven veld 15 - 1728.615 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

3 88/824

4 89/824

1 Projectgegevens Gemeente: Zutphen Plaats: Zutphen Toponiem: Spoorzone De Mars Projectcode: NH2017 Archis-onderzoeksmeldingsnummer: 4038047100 Coördinaten: 210.305 / 462.304 210.329 / 462.243 210.468 / 462.481 210.513 / 462.445 Periode van uitvoering: 28 tot en met 31 maart 2017 Opdrachtgever: Gemeente Zutphen, projectbureau De Mars Uitvoerder: Gemeente Zutphen, team archeologie Opgravingsleiding: drs. H.A.C. Fermin en drs. J.W. van Dalfsen Aantal uitgegeven vondstnummers: 16 Aantal uitgegeven spoornummers: 98 Documentatie: bevindt zich in het Regionaal Archief Zutphen, Spiegelstraat 13-17, 7201 KA Zutphen Vondstmateriaal: De vondsten bevinden zich in het Gemeentelijk Depot voor Bodemvondsten, Dieserstraat 11, 7201 NA Zutphen.

plangebied

gemeente Zutphen

1. Globale ligging van het plangebied binnen de gemeente Zutphen.

5 90/824

210300

210400

210350

210450

210500

210550

12

ve

rw e

g

462450

462450

O

f Dre e

462400

462400

3

Werkput 4

w.i.u.

Werkput 3 5

462350

462350

107

95

Werkput 2

87 85a

en av H

83

h te

ro

m

Werkput 1

Ac

462300

s tr

462300

aa

t

85

Nie uw

s ta d

462250

462250

77

Kru

210300

210350

ittor

73

en

1

210400

210450 71

210500

School

210550

2. Het plangebied wordt op deze kaart met een blauwe lijn aangegeven en in rood zijn de geplande proefsleuven (werkputten) aangeven. De ondergrond wordt gevormd door de archeologische waardenkaart waar in groengeel de wallen en in lichtgroen de grachten worden aangegeven. In lichtpaars worden de vestingmuren aangegeven. Grijs zijn verstoringen. Werkputten 1 en 2 zijn geprojecteerd vanaf het Kostverloren-rondeel over het Statenbolwerk richting de buitenliggende gracht. Werkputten 3 en 4 liggen op de gracht en de contrescarp.

6 91/824

2 Inleiding In maart 2017 heeft het team archeologie van de gemeente Zutphen een archeologisch onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek verricht op de locatie van de toekomstige nieuwbouwwijk langs het spoor tussen de Kostverlorentunnel en de oude spoorovergang de Overweg. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van projectbureau De Mars van de gemeente Zutphen. Het proefsleuvenonderzoek diende ertoe de aard, kwaliteit en ouderdom van de mogelijke archeologische resten vast te stellen alsmede een selectieadvies te geven over de behoudenswaardigheid.

2.1 Aanleiding en motivering

Het gehele plangebied rondom de Noorderhaven wordt heringericht. Er worden onder meer woningen, winkels en kantoorpanden gebouwd. Eén van de laatste te ontwikkelen fases in de zuidelijke zone van het plangebied is het realiseren van een nieuwe woonwijk, met parkeergarage en groenvoorzieningen langs het spoor, tussen de Kostverlorentunnel en de voormalige Overweg. De woonwijk is gepland in een zone waarin lage, middelhoge en hoge bekende archeologische waarden aanwezig zijn en het ligt buiten een zone die op basis van eerder uitgevoerde onderzoeken reeds is vrijgegeven. De archeologische waarden zijn gekoppeld aan de verdedigingswerken die in het terrein aanwezig zijn geweest. Deze onderdelen zijn in de archeologische waardenkaart opgenomen, waarbij het gemetselde rondeel een hoge bekende archeologische waarde heeft gekregen en de bolwerken en grachten respectievelijk een lage en middelhoge bekende archeologische waarde (zie afbeelding 2). Het onderzoeksgebied is gesitueerd op de Mars (zie afbeelding 1). In dit laaggelegen gebied ligt een voormalige IJsselarm. In deze, in het begin van de 15e eeuw afgedamde, geul kunnen resten van scheepswrakken en/of aan scheepvaart gerelateerde zaken aangetroffen worden. De vondst van tientallen, wellicht honderden, middeleeuwse drinkkannen, in 1863, kan als zodanig gekenschetst worden.

Het betreft een scheepslading die is aangetroffen nabij de zuidgrens van het huidige onderzoeksgebied. Na de afdamming was het gebied vanaf de 15e eeuw in gebruik als stadsweide. Vanaf het begin van de 17e eeuw worden in de Mars vestingwerken aangelegd die in de daaropvolgende eeuwen verder worden uitgebouwd. In 1863 vindt hier de laatste grote aanpassing plaats en wordt het plangebied ingericht als spoorwegemplacement. De vestingwerken worden iets verder naar het noorden weer herbouwd. Kort daarna, in 1874, wordt de vestingstatus opgeheven en kan er worden begonnen met het ontmantelen van de vestingwerken. Gezien de militaire functie van de Mars gedurende enkele eeuwen, is het aannemelijk dat binnen het onderzoeksgebied resten van verdedigingswerken in de ondergrond aanwezig zijn, meer specifiek kan het daarbij gaan om restanten van het Statenbolwerk, een Kostverlorenrondeel, een contrescarp en grachten. In de gemeentelijke beleidskaart zijn verschillende ondergrenzen opgenomen voor ingrepen die plaatsvinden in gebieden met een archeologische waarde. In het geval van een terrein met een hoge bekende archeologische waarde is ar-

7 92/824

cheologische onderzoek verplicht bij ingrepen die dieper gaan dan 30 cm over een oppervlak van meer dan 10 m2, bij een middelhoge bekende archeologische waarde is de ondergrens een ingreep van 100 m2 die dieper gaat dan 50 cm en bij de lage bekende archeologische waarde is deze ondergrens een ingreep van 10.000 m2 die dieper gaat dan 50 cm. Het oppervlak van de nieuwe woonwijk is 17.750 m2 en de gemiddelde diepte van de ingrepen is ruim meer dan 50 cm, met name de funderingen en riolen worden dieper aangelegd, maar ook de eventuele waterpartijen en parkeergarage komen dieper te liggen. Archeologisch onderzoek is daarom vereist voorafgaand aan de geplande ingrepen. Teneinde een goed afgewogen beslissing (selectiebesluit) door het bevoegd gezag mogelijk te maken over het behoud (al dan niet in situ) van eventuele resten, diende het onderzoek zich te richten op een aantal aspecten ten aanzien van de archeologische resten. In een Programma van Eisen (PvE)1 zijn hiervoor vraagstellingen geformuleerd die door middel van het proefsleuvenonderzoek beantwoord dienden te worden.

2.2 Vraagstellingen

Het onderzoek is toegespitst op een drietal onderwerpen. Zijn er scheepresten en aan scheepsvaart gerelateerde zaken in het onderzoeksgebied aanwezig in de oude IJsselloop daterend uit de late middeleeuwen? Zijn er in de grachten scheepresten en aan scheepsvaart gerelateerde zaken in het onderzoeksgebied aanwezig daterend uit de middeleeuwen en nieuwe tijd? Zijn de verwachte verdedigingswerken in het onderzoeksgebied aanwezig? Onderzoeksvragen Landschap -- Is uit de IJsselsedimenten een stroomgeul aan te wijzen? Is de activiteit van de geul te dateren? -- Wanneer raakten de geul of zandige rivierafzettingen afgedekt door kleiafzettingen? Scheepsresten -- Zijn er in de ondergrond scheepsresten aanwezig en/of resten van scheepsladingen? -- Wat is de aard, omvang, typologie, datering en kwaliteit van deze resten? -- Is er een verband met de in 1863 aangetroffen scheepslading? -- Zijn de resten te relateren aan de rivierscheepvaart of lokale scheepvaart in de gracht? Verdedigingswerken -- Zijn er nog restanten van de laatmiddeleeuwse gracht in het onderzoeksgebied aanwezig? -- Was deze gracht oorspronkelijk een deel van de rivieroever? -- Zijn er nog resten van het rondeel Kostverloren aanwezig? 1 Van Dalfsen, 2017.

8 93/824

-- Is het Statenbolwerk in het onderzoeksgebied aanwezig? Zo ja, welke constructieresten zijn er van het bolwerk nog in de ondergrond aanwezig en wat is de opbouw van het bolwerk? -- Zijn er nog restanten van de gracht die tussen bolwerk en de contrescarp gelegen heeft aanwezig? -- Is de contrescarp met bijbehorende gracht nog in het onderzoeksgebied aanwezig? -- Zijn er in de gracht (dempings-)lagen met stadsafval aanwezig? -- Hoe sluiten de onderzoeksresultaten aan op de eerder uitgevoerde onderzoeken? Overig -- Zijn er naast de verdedigingswerken en scheepsresten nog andere archeologische resten in het onderzoeksgebied aanwezig? Zo ja, wat is de aard, omvang, datering en kwaliteit van deze resten?

9 94/824

3. Kaart van de oude loop van de IJssel door de eeuwen heen. Linksboven 900-1200 (na Christus), rechtsboven 12001356, linksonder 1357-1406 en rechtsboven 1406-1600. Het plangebied wordt met de kleine rode stip aangegeven. Op de kaarten is te zien dat een IJsselgeul in verschillende vormen door of vlak langs het plangebied heeft gelopen gedurende de vroege en volle middeleeuwen. Pas in 1406 verdwijnt deze stroomgeul, door menselijk ingrijpen, uit de Mars. De verlande geul blijft echter nog tot in de 20ste eeuw zichtbaar en bij hoog water stroomde de geul nog mee.

10 95/824

3 Landschappelijke context2 Het onderzoeksgebied ligt direct ten noordwesten van de middeleeuwse stad, in het zuidelijke deel van het gebied dat de Mars heet. De Mars heeft lange tijd onder directe invloed van de IJssel gestaan (zie afbeelding 3). Als gevolg hiervan zijn in de ondergrond resten van deze rivier goed herkenbaar. Ook de naam Mars verwijst naar dit natte verleden (mars = moeras; vgl. Frans marais). De laatste jaren is de meest gangbare theorie dat de IJssel een betrekkelijk jonge rivier moet zijn die aan het einde van de Romeinse tijd of het begin van de middeleeuwen zou zijn ontstaan.3 Vermoedelijk is de rivier het gevolg van een reeks van grote doorbraken door een aantal dekzandruggen die een oud dal van de proto-Rijn afsloten. Om deze ontwikkeling beter te begrijpen moet teruggegaan worden naar de laatste ijstijden, het Saalien (322.000-126.000 jaar BP4) en het Weichselien (114.000-97.000 BP). Gedurende de koudste periode van het Saalien was de noordelijke helft van ons land bedekt met landijs. Onder het gewicht van het tot anderhalve kilometer dikke pakket landijs werden een aantal diepe tongbekkens, waaronder het tegenwoordige IJsseldal uitgesleten. De bodem van dit dal lag op ongeveer 125 m -NAP.

Na het afsmelten van het landijs is dit tongbekken geleidelijk aan opgevuld geraakt, eerst door smeltwaterstromen en afzettingen afkomstig uit smeltwatermeren en vanaf het warmere Eemien (126.00-114.000 BP) ook met afzettingen afkomstig van de Rijn. Deze rivier waterde toen nog naar het noorden toe af. Ook aan het begin van de laatste ijstijd, het Weichselien, liep de hoofdstroom van de Rijn nog in noordelijke richting door het dal van de tegenwoordige IJssel. Hierbij werden sedimenten afgezet die tot de Formatie van Kreftenheye worden gerekend. Tijdens het pleniglaciaal, een periode van extreme droogte en koude, verlegde de Rijn zijn stroming naar het westen, min of meer in het huidige stroomgebied van de Rijn. Het IJsseldal fungeerde alleen nog als afvoergebied voor lokale beken en rivieren. Daarbij werden op grote schaal beeksedimenten afgezet.5 Als gevolg van droogte en kou veranderde het landschap geleidelijk aan in een poolwoestijn. Hierdoor trad bodemerosie op waarbij door de wind enorme hoeveelheden zand werden verplaatst, waardoor het voor Oost-Nederland zo karakteristieke dekzandlandschap gevormd werd. De waterscheiding voor de beken lag tussen Deventer en Zutphen. De Hunnepe (de latere Schipbeek) bij Deventer waterde naar het noorden af en de Berkel naar het zuiden op de Rijn. Aan deze situatie kwam een einde na de doorbraak van de IJssel.

Tot in de middeleeuwen kon deze rivier nog vrijelijk meanderen. Zeker na het ontstaan van de Zuiderzee in de 12e eeuw nam de watertoevoer 2 De gegevens in deze paragraaf zijn voornamelijk ontleend aan Fermin, Kastelein & Rijs, 2015 en Ringenier, 2017. 3 Cohen, 2010; Makaske, Maas & Smeerdijk, 2008. Recentelijk is betoogd dat het ontstaan van de IJssel in de Midden of de Late Bronstijd geplaatst moet worden: Jongmans et al., 2015. Het ontstaan van de IJssel is al decennialang onderwerp van discussie. Het voert te ver om in deze publicatie daar diep op in te gaan. 4 BP = Before Present. Dat is het jaar 1950, destijds vastgesteld om een vast referentiepunt in C14-ouderdom te hebben. 5 Makaske, Maas & van Smeerdijk, 2008, 323; Deze datering is echter niet onomstreden. Zo plaatsen Cohen et al. de laatste fase van de Rijn in het IJsseldal tussen 60.000 BP en 40.000 BP: Cohen et al., 2009.

11 96/824

door de IJssel toe waardoor de meanderende rivier herhaaldelijk zijn bedding verlegde en in de 13e eeuw het zuidelijk deel van Zutphen bedreigde. Rond 1350 is zelfs een deel van de zuidelijke stadsmuur weggespoeld. Ook het grafelijk machtscentrum werd door het water bedreigd. Ten noorden van de stad is lange tijd een meander actief geweest. Deze zijarm van de IJssel raakte na kanalisatie van de rivier in 1406/1407 afgesneden van de hoofdstroom. In dezelfde jaren werd de rivier deels bedijkt. Bij grote watertoevoer konden deze lage dijken overstromen en diende het achterland als bergingsgebied. De rest van het jaar fungeerde de Mars als stadsweidegrond (zie afbeelding 4).

4. Kaart van Thomas JanszoonWitteroos, ca 1575. Een tekening van de Mars met rechts de stad, onder de IJssel en aan de bovenkant en links de Berkel die toen nog ten noorden van de stad uitmondde in de IJssel.

12 97/824

4 Historische context In voorgaande archeologische publicaties naar aanleiding van archeologisch onderzoek op de Mars is de historie en de ontwikkeling van de Mars in zijn geheel ruimschoots aan bod gekomen.6 In dit hoofdstuk wordt daarom alleen ingegaan op de ontwikkelingen op de locatie van het plangebied met daarnaast een vogelvluchtbeschrijving van de ontwikkeling van de stadsverdediging voor zover die betrekking heeft op het plangebied. Vanaf het moment van stadsrechtverlening in het laatste decennium van de 12e eeuw is de stad bezig met het aanleggen van stadsmuren, poorten en torens. De stadsverdediging is een belangrijk kenmerk van middeleeuwse stad en zorgde voor veiligheid en geborgenheid. De ontwikkeling van het vuurgeschut in de 14e eeuw en de snelle ontwikkeling en het veelvuldig gebruik ervan bij belegeringen en veldslagen zorgde er echter voor dat vanaf ca. 1450 de stadsmuur zelf beschermd moest worden. In de 16e eeuw vindt daarom de eerste grote aanpassing van de stadsverdediging plaats. Er komt een dubbele stadsgracht, met tussen de beide grachten een complex van wallen en muren en op twee kritieke locaties, bij de Nieuwstadspoort en de Kruittoren, een rondeel, gebouwd in

5.Tekening van de stad Zutphen in perspectief (tekenaar is onbekend). De tekening dateert van rond 1600. Men is inmiddels begonnen met het aanleggen van bastions langs de IJsselkade maar is gestopt na de aanleg van het Traliebolwerk (A op de tekening).Voor de Kruittoren en de Nieuwstadspoort zijn de rondelen ingetekend (helemaal links). Op de kaart zijn drie fasen van vestingbouw zichtbaar: als eerste de laatmiddeleeuwse vestingmuren, torens en poorten, als tweede de vroeg-16e eeuwse aanpassingen bestaande uit de dubbele gracht met wallen, muren en rondelen en als derde het begin van de aanleg van de bastions in de 17e eeuw. 6 De informatie in deze paragraaf is ontleend aan Fermin, 2013, Fermin en Van Straaten, 2011 en Fermin & Kastelein, 2013 en Ringenier, 2017.

13 98/824

respectievelijk 1532 en 1535 (zie afbeelding 5).7 Rondelen zijn zware bolwerken van aarde, bekleed met bakstenen muren in een ronde vorm die dienden ter versterking van kwetsbare punten en die geschikt waren om geschut op te plaatsen. De dubbele grachten, en het systeem van wallen, muren en rondelen diende ervoor om de stadsmuren tegen vijandelijk geschut te beschermen. Alle aanpassingen ten spijt werd de stad in 1572 eerst ingenomen door Staatse troepen en vervolgens door Spaanse troepen.8 De stad kwam later weer in opstand tegen de Spanjaarden waardoor de stad in 1583 opnieuw door de Spanjaarden veroverd moest worden. Pas in 1591 kwam Zutphen definitief in Staatse handen en werd het een frontierstad van de Republiek. De vestingwerken van de stad waren echter dringend aan vernieuwing toe vanwege de voortdurende Spaanse aanwezigheid in een deel van de graafschap Zutphen en Twente. De ommuring van de stad werd uitgebreid met een extra brede gracht, bolwerken en hoornwerken, uitgevoerd in Oud Hollands Stelsel (zie afbeelding 6). Door deze werken werd de afstand die een kanonskogel moest overbruggen aanzienlijk vergroot. Bovendien werd de verdedigingslinie aan de buitenzijde voorzien van een aardlichaam waarop de gietijzeren kanonskogels weinig invloed hadden. De werkzaamheden begonnen aan de IJsselkade, daar waar de stad een zeer slechte verdediging had.

Met de aanleg van de bolwerken werkte men met de klok mee tot kort na 1600 het Traliebolwerk voltooid was (zie afbeelding 5). Voordat men kon beginnen aan het Statenbolwerk moest er een oplossing gevonden worden voor de uitmonding van de Berkel. Deze stroomde tot dan vanuit de stad voor de Kruittoren naar het noorden om in de buurt van het huidige Fort de Pol uit te monden in de IJssel (zie afbeelding 4). Deze monding lag echter buiten de vestingwerken van Zutphen en dus,

6. Perspectief-tekening van Blaeu uit ca 1649. Op deze tekening zijn de vestingswerking van het Oud Hollands Stelsel in maximale omvang weergegeven. 7 Doornink-Hoogenraad 1953, 150. 8Tadama, 1976, 203 en 222.

14 99/824

tijdens een belegering, ook buiten de controle van de stad. Om de controle over de Berkel te behouden is er voor gekozen om de Berkel op de locatie van de huidige Kattenhaven uit te laten monden in de IJssel. In 1610 werd in de vestingmuur aan de IJssel, tussen het Marspoortbolwerk en het Bourgonjebolwerk, deze nieuwe Berkelmonding aangelegd: het zogenaamde Hillebrandsgat.9 In 1612 wordt aansluitend begonnen met het afbreken van het Kostverlorenrondeel en met de bouw van het Statenbolwerk. Gedurende de hele 17e eeuw blijft men bezig met het moderniseren van de vestingwerken, maar al vroeg in de 18e eeuw begint men met een tweede, grote vestingbouwfase. De aanleiding hiervoor was het uitbreken van de Spaanse Successieoorlog, waarbij de Republiek en Engeland (met koning-stadhouder Willem III) en Brandenburg enerzijds en de Franse koning Lodewijk XIV anderzijds, tegenover elkaar kwamen te staan. Onder leiding van baron Menno van Coehoorn werd begonnen aan een forse uitbreiding van de vesting, uitgevoerd in het Nieuw Nederlands Vestingstelsel (zie afbeelding 7). Dit behelsde onder meer de bouw van reeksen lunetten aan de noordzijde van de stad, de bouw van een ravelijn en de aanleg van inundatiewerken. De 17e eeuwse hoornwerken werden volledig afgebroken, met uitzondering van het zuidelijke hoornwerk.

Deze werd gereviseerd, maar op dusdanige wijze dat er geen steen op zijn plaats bleef. Het hoornwerk in het Noorderhavengebied werd vervangen door een nieuwe linie die bestond uit vier lunetten met daaromheen nog een gracht. De schans De Pol, aan de noordzijde van de Polbeek, werd in 1785 verbouwd tot Fort de Pol. Dit fort werd gedekt door twee redouten in het noorden van de Mars en de batterij Wellenberg aan de overzijde van de IJssel. Deze fortificaties moesten er voor zorgen dat de sluis van de Polbeek, waarmee de hele Mars on-

7. Een kaart van Isaak Tirion uit 1741 met rondom de stad de vestingwerken van Menno van Coehoorn. De monding van de Berkel bij de IJsselkade, het Hillebrandsgat, is duidelijk weergegeven. 9 Groothedde 2005, 12.

15 100/824

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=2e8ca8aa-3015-4805-a14c-865f3434dd98