CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

1106916 - Bijlage 23 - Bijlage 9 bij Vormvrije mer - Verdiepend onderzoek ecologie

Raadsvergadering 26 januari 2026, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Glastuinbouw De Hoven Noord6.817 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanvullend natuuronderzoek Hoveniersweg in Zutphen In opdracht van Wima Plant

Colofon Aanvullend natuuronderzoek Hoveniersweg in Zutphen

Opdrachtgever Contactpersoon

Wima Plant Geanonimiseerd

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad

2129 Geanonimiseerd Geanonimiseerd 21 augustus 2020 Plangebied (foto: Geanonimiseerd)

Eigendom Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever. Het rapport blijft eigendom van de opdrachtgever. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d. m. v. druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert daarom op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van eventuele beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek neemt. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Kwaliteitszorg Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB).

Het Netwerk Groene Bureaus is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl

Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1

2

3

4

Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1

Inleiding ................................................................................................................ 4

1.2

Doel ...................................................................................................................... 4

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1

Gegevens plangebied ........................................................................................... 5

2.2

Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5

2.3

Geplande werkzaamheden ................................................................................... 5

Het ecologisch onderzoek ............................................................................................ 8 3.1

Onderzoeksmethode ............................................................................................ 8

3.2

Resultaten .......................................................................................................... 10

Wet natuurbescherming ............................................................................................. 16 4.1

Buizerd ............................................................................................................... 16

4.2

Vleermuizen........................................................................................................ 17

5

Conclusie ................................................................................................................... 18

6

Bijlagen ...................................................................................................................... 19

Bijlage 1 Resultaten veldonderzoek .................................................................................. 20 Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming ............................................................. 22

Samenvatting Uit het gericht onderzoek blijkt dat de geplande uitbreiding van de glastuinbouw en beoogde bomenkap een negatief effect heeft op de nestlocatie van een buizerd, vaste verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis en het foerageergebied en vliegroutes van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Tijdens een eerder uitgevoerde quickscan natuurtoets is vastgesteld dat er geen negatieve effecten op beschermde soorten van overige soortgroepen verwacht worden (SA rapportnummer 1974). Er moet wel rekening gehouden worden met overige broedvogels. Verstorende werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen (15 maart 15 juli) worden uitgevoerd. Het aanvragen van een ontheffing en het opstellen van een mitigatie- en compensatieplan voor buizerd, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis is noodzakelijk indien er bomen gekapt worden in het plangebied. Voor overige soort(groep)en is het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk, aangezien er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming optreden. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van glastuinbouw te realiseren in het plangebied aan de Hoveniersweg in Zutphen, waarvoor de kap van een populierenlaan noodzakelijk is. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten.

Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van Wima Plant te Zutphen. Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna en voerde gericht veldonderzoek uit op de locatie.

Pagina 3

1 Inleiding en doel 1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een plannenmaker oplegt. Er zijn plannen om glastuinbouw te realiseren in het plangebied aan de Hoveniersweg in Zutphen. Dit project zal in meerdere fasen worden uitgevoerd en heeft een looptijd van circa 15 jaar. Hiervoor is de gedeeltelijke kap van een populierenlaan noodzakelijk. Staring Advies heeft daarom eerder een quickscan natuuronderzoek uitgevoerd en is tot de conclusie gekomen dat aanvullend onderzoek naar roofvogels, ransuil en vleermuizen noodzakelijk is (SSA, rapportnummer 1974). Geanonimiseerd is namens Wima Plant betrokken bij de plannen en heeft Staring Advies opdracht gegeven voor dit aanvullende onderzoek.

1.2 Doel Ruimtelijke plannen kunnen conflicterend zijn met de Wet natuurbescherming, wanneer er sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten. Het doel van het natuuronderzoek is om te inventariseren welke van bovenstaande beschermde soort(groep)en aanwezig zijn en of er door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen sprake is van aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen, jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied van deze soort(groep)en. Voor overige beschermde soorten is tijdens de quickscan natuurtoets aangetoond dat negatieve effecten op deze soorten op voorhand uit te sluiten zijn, of zijn te voorkomen door rekening te houden met gevoelige perioden, zoals het broedseizoen.

Pagina 4

2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

Hoveniersweg Zutphen Zutphen Gelderland

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied betreft een aantal agrarische percelen (voornamelijk grasland en enkele akkers) ten westen van de woonkern Zutphen (zie figuur 1). Tussen enkele percelen lopen ondiepe, gedeeltelijk watervoerende greppels. Van oost naar west loopt een watervoerende sloot door het plangebied. Verder loopt er een onverharde weg met daarlangs twee rijen populieren door het plangebied. Plaatselijk is opslag van met name wilgen, eenstijlige meidoorn, bramen en gewone vlier te vinden op de perceelranden en in de bermen. De directe omgeving van het plangebied bestaat onder andere uit bestaande glastuinbouw, agrarische percelen, verspreid liggende woonerven, infrastructuur en ‘de Overmarsch’, een natuurterrein met onder andere wilgenbos, (riet)moeras, graslanden en ruigten (zie figuur 2). Ten oosten van het plangebied stroomt de IJssel, vanaf circa 1100 meter afstand. Het plangebied grenst aan de zuidwestzijde aan een spoortalud (spoorlijn Apeldoorn – Zutphen), aan de noordwestzijde aan de Sprabanenweg, aan de zuidoostzijde aan glastuinbouw en aan de overige zijden aan agrarische percelen (zie figuur 2).

2.3 Geplande werkzaamheden Het bestaande glastuinbouwbedrijf is voornemens om uit te breiden in noordwestelijke richting aan de Hoveniersweg bij Zutphen. Binnen het plangebied wordt in het zuidoostelijke deel glastuinbouw gerealiseerd, met een uitbreiding in noordwestelijke richting. Hiernaast is ruimte voor een vijver ten behoeve van hoogwater afvoer (zie figuur 3). Binnen het plangebied is, langs de Hoveniersweg, een populierenlaan aanwezig. Ten behoeve van de beoogde glastuinbouw dient het westelijk gelegen deel van deze bomenrij gekapt te worden. De realisatie van de glastuinbouw vindt plaats in fasen (zie figuur 4). De eerste fase (geel in figuur 4) overlapt voor een relatief klein deel met de bomenrij en voor de realisatie van deze eerste fase is derhalve kap van een relatief klein deel van de bomenrij noodzakelijk. Het westelijk hiervan gelegen deel van de bomenrij dient te worden gekapt voor respectievelijk fase 2 en 3. Het deel van de bomenrij dat oostelijk staat van fase 1, hoeft niet te worden gekapt (zie figuur 4).

Pagina 5

Figuur 1. Globale ligging het plangebied (rood). Bron: Provincie Gelderland (2019).

Figuur 2. Luchtfoto van het onderzoeksgebied (blauw) met daarbinnen het plangebied (rood). Bron: Google Earth (2019).

Pagina 6

Figuur 3. Ontwerptekening van de beoogde glastuinbouw in het plangebied. Bron: Looije Agro Technics (2019).

Figuur 4. Gebouwcontouren per fase: fase 1 (geel), fase 2 (rood), fase 3 (oranje) en fase 4 (blauw). Bron: Looije Agro Technics (2020).

Pagina 7

3 Het ecologisch onderzoek In dit hoofdstuk worden de onderzoeksmethode en de resultaten van het veldonderzoek besproken.

3.1

Onderzoeksmethode

Op basis van de landelijk erkende protocollen voor gericht natuuronderzoek is de onderzoeksintensiteit bepaald. Jaarrond beschermde boombewonende vogelsoorten als boomvalk, buizerd, ransuil en sperwer In het plangebied bevinden zich mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen (nestlocaties) van deze soorten. Wanneer de populierenrij gekapt wordt, is mogelijk sprake van vernietiging van een vaste rust- en verblijfplaats. Daarnaast is tijdens de realisatiefase mogelijk sprake van verstoring van deze soorten. Voor gericht onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen (territoria/broedlocaties) van de te verwachten boomvalk, buizerd, ransuil en sperwer is het plangebied en directe omgeving geïnventariseerd op activiteit van deze vogelsoorten (zie tabel 1). Hierbij is met name gelet op territoriaal gedrag, transport van voedsel, transport van nestmateriaal, bedelroep van jonge vogels, aanwezigheid van prooiresten etc. Op basis van de waargenomen activiteit zijn de nestlocaties vastgesteld en het functioneel leefgebied bepaald. Afwezigheid van territoria van de buizerd, ransuil en sperwer kan worden aangetoond, als er tijdens 4 gerichte veldbezoeken in de periode 1 maart tot 15 mei geen aanwezigheid kan worden aangetoond.

Voor de laat in Nederland arriverende boomvalk, waarvan de jongen pas eind augustus of nog iets later uitvliegen, dienen minstens 2 extra veldbezoeken uitgevoerd te worden in de periode 15 mei tot 31 augustus (bron: Handleiding Broedvogel Monitoring Project (BMP) van SOVON Vogelonderzoek Nederland). Er is ook gekeken of het plangebied en de directe omgeving dienst kan doen als functionele leefomgeving (foerageergebied, rustplaats, etc.) van een nest. De inventarisatie heeft tijdens goede omstandigheden (zoals weersomstandigheden, moment op de dag) plaatsgevonden en met een tussenperiode van minimaal 10 dagen (Kennisdocument buizerd, BIJ12). Onderzoeker

Bezoekronde

Datum

Tijd

Weersomstandigheden

R. Top

1

2-3-2020

15.50 uur

Bewolkt, lichte regen, 8°C, wind 0-1 Bft

R. Top

2

7-4-2020

12.05 uur

Zonnig, droog, 16°C, wind 0-1 Bft

R. Top

3

30-4-2020

08.55 uur

Bewolkt, lichte regen, 10°C, wind 1-2 Bft

R. Top R. Top & C. Vorentjes R. Top & R. Boerboom

4

15-5-2020

09.10 uur

Zonnig, droog, 9°C, wind 0-1 Bft

5

29-5-2020

20.00 uur

Zonnig, droog, 21°C, wind 0-1 Bft

6

10-7-2020

05.00 uur

Bewolkt, droog (vanaf ca. 05.30 uur lichte motregen), 16,5°C, wind 3 Bft

Tabel 1. Veldonderzoek roofvogels en ransuil.

Pagina 8

Vleermuizen Nader onderzoek naar vleermuizen is noodzakelijk aangezien er bij het verwijderen van de populierenrij mogelijk sprake is van aantasting van verblijfplaatsen van boombewonende soorten en foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen. Ook een toename van kunstlicht kan leiden tot aantasting van het leefgebied van vleermuizen. Voor het vleermuisonderzoek is het Vleermuisprotocol, opgesteld door de Zoogdiervereniging VZZ, in samenwerking met het Netwerk Groene Bureaus en de Gegevensautoriteit Natuur, richtinggevend. Voor het onderzoek is, conform dit protocol, de volgende onderzoeksinspanning noodzakelijk: Bij het vermoeden op (essentiële) foerageergebieden, vliegroutes en vaste rust- en verblijfplaatsen van (boombewonende) vleermuizen dient gericht vleermuisonderzoek uitgevoerd te worden middels 2 avond- of ochtendbezoeken in de periode 15 april – 15 juli en 2 avondbezoeken in de periode 15 augustus – 1 oktober. De najaarsronden zijn in 2019 uitgevoerd. De zomerronden in 2020. Het vleermuisonderzoek is onder gunstige weersomstandigheden uitgevoerd (zie tabel 2). Per ronde is minimaal twee uur geïnventariseerd. Onderzoeker

Bezoekronde

Datum

Tijd

Weersomstandigheden

R. Top

1

22-8-2019

00.15 uur

Onbewolkt, droog, 12°C, wind 0 Bft

R. Top R. Top & C. Vorentjes R. Top & R. Boerboom

2

12-9-2019

21.30 uur

Bewolkt, droog, 19°C, wind 0-1 Bft

3

29-5-2020

21.45 uur

Zonnig, droog, 14°C, wind 0-1 Bft

4

10-7-2020

03.58 uur

Bewolkt, droog (vanaf ca. 05.30 uur lichte motregen), 16,5°C, wind 3 Bft

Tabel 2. Veldonderzoek vleermuizen.

Pagina 9

3.2 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het gericht veldonderzoek naar de roofvogels, ransuil en vleermuizen besproken.

3.2.1 Jaarrond beschermde boombewonende vogelsoorten Tijdens het gericht roofvogelonderzoek zijn de boomvalk en buizerd aangetroffen in het plangebied. Boomvalk Tijdens het veldbezoek van 30 april zijn twee exemplaren van de boomvalk waargenomen in het plangebied (zie foto 1 en bijlage 1). Het betreft mogelijk een broedpaar. De vogels bevonden zich in het westelijk deel van de populierenrij in het plangebied. De vogels vertoonden geen binding met een mogelijke nestlocatie in de betreffende bomenrij. Tijdens de vervolgbezoeken zijn geen boomvalken meer waargenomen in het plangebied en de directe omgeving. Er zijn geen indicaties dat er sprake is van een broedgeval in het plangebied, zoals alarmerende vogels bij/op een nest, bedelende jongen etc. De waargenomen boomvalken waren vermoedelijk nog op doortrek en broeden elders.

Foto 1. Eén van waargenomen boomvalken in het plangebied (foto: Geanonimiseerd).

Pagina 10

Buizerd Tijdens het veldonderzoek is één bezet nest van de buizerd aangetroffen, in de populierenrij in het plangebied. De nestlocatie bevindt zich globaal halverwege de bomenrij in een populier aan de zuidzijde van de onverharde weg. Tijdens elk veldbezoek zijn steeds twee buizerds waargenomen in het plangebied, nabij deze nestlocatie (zie foto 2). Op het veldbezoek van 7 april is waargenomen dat de nestlocatie bezocht werd door één van de vogels. De buizerds vertoonden steeds een sterke binding met de populierenrij. Op 30 april is een van de buizerds ook broedend waargenomen. Op foto 3 is een deel van de staart van de vogel zichtbaar op het nest. Onder het betreffende nest zijn daarnaast verse prooiresten, verse uitwerpselen en een staartpen van een buizerd waargenomen (zie foto 4 t/m 6). In bijlage 1 is een kaart opgenomen met de nestlocatie van de buizerd en de overige waarnemingen van de soort in het plangebied en de directe omgeving. Overige jaarrond beschermde boombewonende vogelsoorten zoals de havik, sperwer of ransuil zijn niet waargenomen in het plangebied en de directe omgeving.

Foto 2. Eén van de adulte buizerds behorende bij het broedpaar in het plangebied (foto:Geanonimiseerd).

Pagina 11

Foto 3. Eén van de adulte broedend op het nest. Een deel van de staart van de buizerd is zichtbaar (foto: Geanonimiseerd).

Foto 4 t/m 6. Veren, uitwerpselen en prooiresten van de buizerd, gevonden onder de nestlocatie in het plangebied (foto’s: Geanonimiseerd).

Pagina 12

3.2.2 Vleermuizen Tijdens het veldonderzoek zijn 4 vleermuissoorten in het plangebied waargenomen: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Het gebiedsgebruik wordt hieronder per soort beschreven. Gewone dwergvleermuis Voorjaar/zomer Tijdens de verschillende veldbezoeken zijn verspreid over de populierenrij in het plangebied foeragerende gewone dwergvleermuizen aangetroffen. Deze bomenrij wordt intensief gebruikt als foerageergebied door de soort. Het gaat om tientallen exemplaren. De soort jaagt langs en onder de boomkronen. Door de aanwezigheid van een dubbele bomenrij is er ook tijdens winderige omstandigheden voldoende luwte voor de soort om te jagen. De hoogste dichtheden worden met name in het meest oostelijke deel van de bomenrij aangetroffen, maar de gehele bomenrij wordt gebruikt als foerageergebied en vliegroute (zie bijlage 1). Tijdens de zomerronden zijn geen aanwijzingen gevonden van een verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in het plangebied. De waargenomen gewone dwergvleermuizen komen vermoedelijk vanuit oostelijke richting naar de bomenrij om hier te foerageren. De verblijfplaats(en) bevinden zich vermoedelijk in gebouwen langs de Sprabanenweg, Hoveniersweg of de Weg naar Voorst (N345).

Najaar Tijdens de najaarsronden zijn op verschillende locaties in de bomenrij binnen het plangebied baltsende gewone dwergvleermuizen waargenomen (zie bijlage 1). Het betreft minimaal drie exemplaren. Nagenoeg gedurende de gehele onderzoeksronden vlogen de baltsende exemplaren door de bomenrij en vertoonden daarmee een duidelijke binding met deze groenstructuur. De paarverblijfplaatsen van deze exemplaren bevinden zich in de populieren. De gewone dwergvleermuis is hoofdzakelijk een gebouwbewonende vleermuissoort. Paarverblijfplaatsen en verblijfplaatsen van individuele dieren worden echter ook wel in bomen aangetroffen. Het betreffen vooral spleetvormige ruimtes (bron: Kennisdocument Gewone Dwergvleermuis, BIJ12). Conclusie Er bevinden zich 3 paarverblijfplaatsen van solitaire mannetjes van de gewone dwergvleermuis in het plangebied. Beide verblijfplaatsen bevinden zich in te kappen populieren binnen de bomenrij in het plangebied. De overige aangetroffen gewone dwergvleermuizen hebben buiten de onderzoekslocatie hun verblijfplaats(en). Er is daarnaast sprake van een essentieel foerageergebied en vliegroute voor de gewone dwergvleermuis, in de vorm van de bomenrij in het plangebied.

Pagina 13

Laatvlieger Voorjaar/zomer Tijdens de zomerronden zijn geen laatvliegers aangetroffen in het plangebied. Najaar Tijdens de najaarsronden zijn maximaal 2 foeragerende/passerende laatvliegers aangetroffen in het plangebied. De exemplaren zijn foeragerend in of langs de bomenrij in het plangebied waargenomen (zie bijlage 1). De bomenrij wordt mogelijk ook als vliegroute gebruikt door de soort, waarbij de bomenrij een verbindend element vormt naar lijnvormige groenstructuren ten noorden en noordwesten van het plangebied. De laatvlieger is een uitgesproken gebouwbewonende soort. De verblijfplaats van deze laatvliegers bevinden zich buiten het plangebied, vermoedelijk in gebouwen langs de Sprabanenweg, Hoveniersweg of de Weg naar Voorst (N345). Conclusie Er is sprake van een essentieel foerageergebied en vliegroute voor de laatvlieger, in de vorm van de bomenrij in het plangebied. Rosse vleermuis Voorjaar/zomer Tijdens de zomerronden zijn steeds enkele foeragerende en passerende rosse vleermuizen waargenomen in het plangebied. Er werd hoofdzakelijk aan de buitenzijden van de bomenrij, langs de boomkronen gejaagd (zie bijlage 1). Er zijn geen indicaties van een verblijfplaats, zoals in- of uitvliegende exemplaren of zwermgedrag waargenomen in het plangebied.

De verblijfplaatsen van de waargenomen rosse vleermuizen bevinden zich vermoedelijk in boomholten elders, buiten het plangebied. Najaar Tijdens de najaarsronden zijn ook steeds enkele foeragerende en passerende rosse vleermuizen waargenomen in het plangebied. Er zijn geen indicaties van een (paar)verblijfplaats, zoals een baltsroep, in- of uitvliegende exemplaren of zwermgedrag waargenomen in het plangebied. De verblijfplaatsen van de waargenomen rosse vleermuizen bevinden zich vermoedelijk in boomholten elders, buiten het plangebied. Aangezien er geen indicaties voor de aanwezigheid van een kraam-, zomer- of paarverblijfplaats van de rosse vleermuis zijn waargenomen, kan aangenomen worden dat er in de bomen in het plangebied ook geen sprake is van de aanwezigheid van een winterverblijfplaats. Conclusie Er is sprake van een essentieel foerageergebied en vliegroute voor de rosse vleermuis, in de vorm van de bomenrij in het plangebied.

Pagina 14

Ruige dwergvleermuis Voorjaar/zomer Tijdens de verschillende veldbezoeken zijn verspreid over de populierenrij in het plangebied steeds enkele foeragerende ruige dwergvleermuizen aangetroffen. De waarnemingen concentreren zich voornamelijk in het oostelijk deel van de bomenrij (zie bijlage 1). Tijdens de zomerronden zijn geen aanwijzingen gevonden van een verblijfplaats van de ruige dwergvleermuis in het plangebied, maar het is niet geheel uit te sluiten dat er zich in één van de bomen een zomerverblijfplaats van een solitair exemplaar bevindt, mede gezien het feit dat hier tijdens de najaarsronden een baltsend exemplaar is waargenomen. Najaar Tijdens de najaarsronden is aan het begin van de bomenrij, langs de rand van het plangebied, een baltsende ruige dwergvleermuis waargenomen (zie bijlage 1). Dit exemplaar is roepend vanuit één van de populieren in de bomenrij waargenomen. In deze boom bevindt zich een paarverblijf van deze soort. Daarnaast zijn wederom enkele foeragerende exemplaren in/langs de bomenrij waargenomen, waarbij de waarnemingen zich met name concentreren in het oostelijk deel van de bomenrij. Conclusie Er bevindt zich een paarverblijfplaats van solitaire mannetjes van de ruige dwergvleermuis in het plangebied.

De verblijfplaats bevindt zich in een populier op de grens van het plangebied, welke volgens de planning niet gekapt zal worden, maar wel binnen de invloedsfeer van de geplande werkzaamheden staat. Er is daarnaast sprake van een essentieel foerageergebied en vliegroute voor de ruige dwergvleermuis, in de vorm van de bomenrij in het plangebied.

Pagina 15

4 Wet natuurbescherming De effecten op de aangetroffen beschermde soorten en de wettelijke consequenties zijn ingeschat aan de hand van de geplande werkzaamheden (zie bijlage 2). Binnen de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen zijn de strikt beschermde buizerd, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis vastgesteld. De boomvalk is eenmalig waargenomen in het plangebied. Er kon geen territorium van de soort worden vastgesteld.

4.1 Buizerd 4.1.1 Beschermde status De buizerd is strikt beschermd via de Wet natuurbescherming. Hij staat ook vermeld in de Europese Vogelrichtlijn. De nesten van de buizerd en het daarbij behorend functioneel leefgebied zijn het gehele jaar beschermd. Bij werkzaamheden aan of nabij nestbomen is mogelijk sprake van het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van de buizerd of aantasting van de functionaliteit door verstoring. Door het toepassen van zorgplicht maatregelen en activiteit specifieke maatregelen is het wellicht mogelijk om negatieve effecten teniet te doen. Wanneer dit het geval is, is er geen sprake van een overtreding en behoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. Wanneer dit niet of in onvoldoende mate het geval is, moet er een ontheffing worden aangevraagd omdat er dan wel sprake is van een overtreding van artikel 11: Voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren.

4.2.2 Gebruik van het plangebied Er bevindt zich een nestlocatie van de buizerd in de bomenrij in het plangebied (zie figuur 3 en bijlage 1). Het nest bevindt zich in een populier, globaal halverwege de bomenrij, in het deel dat volgens de geplande ruimtelijke ontwikkeling in fase 1 gekapt zal worden. In geval van kap van de betreffende boom gaat deze nestlocatie verloren. Ook bij behoud van deze groenstrook en ontwikkeling van glastuinbouw in de directe omgeving, wordt door verstoring en verslechtering van het leefgebied de functionaliteit van deze verblijfplaats aangetast. Grote delen van het plangebied behoren tot het functioneel leefgebied van de buizerd. Open terreindelen worden als foerageergebied gebruikt en de opgaande groenstructuur is in gebruik als nestlocatie, slaapplaats, uitkijkpost en schuilgelegenheid. Door de beoogde uitbreiding van de glastuinbouw kan de functionaliteit van de vaste rusten verblijfplaats niet behouden worden. Het aanvragen van een ontheffing en het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is dan ook noodzakelijk voor de buizerd. Compensatie dient op geschikte locaties ruim buiten de invloedsfeer van de geplande ingrepen plaats te vinden door het optimaliseren van het bestaande leefgebied (bron: Kennisdocument Buizerd, BIJ12).

Pagina 16

4.2 Vleermuizen 4.2.1 Beschermde status Alle vleermuissoorten zijn strikt beschermd via de Wet natuurbescherming. Ze staan ook vermeld in de Europese Habitatrichtlijn. Dat wil zeggen dat de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd zijn. Daarnaast zijn essentiële foerageergebieden en vliegroutes ook strikt beschermd. Wanneer een vaste rust- en verblijfplaats, vliegroute of essentieel foerageergebied verdwijnt dient hiervoor ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden en dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen te worden.

4.5.2 Gebruik van het plangebied In het plangebied is sprake van minimaal drie paarverblijven van de gewone dwergvleermuis en een paarverblijf van de ruige dwergvleermuis. Daarnaast is sprake van een essentieel foerageergebied en vliegroute van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Door de geplande kap van een deel van de bomenrij in het plangebied, verdwijnt een deel van deze paarverblijfplaatsen. Daarnaast wordt het functioneel leefgebied aangetast door het verdwijnen van essentieel foerageergebied en een vliegroute van de vier aangetroffen vleermuissoorten. Ontwikkelingen als een toename van kunstlicht, geluid en trillingen kunnen ook tot verstoring van paarverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied van deze vleermuizen leiden. Deze negatieve effecten worden verwacht vanaf de realisatie van fase 1 van de geplande ontwikkelingen. In fase 1 wordt namelijk de bomenrij doorsneden, waardoor de functionaliteit van de verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes wordt aangetast. Zowel in de realisatiefase als de gebruiksfase van projectfase 1 wordt in het oostelijke deel van de bomenrij, dat niet zal worden gekapt, wel verstoring van de functionele verblijfplaatsen, de vliegroute en het foerageergebied verwacht door toename van kunstlicht, geluid en trillingen.

Met uitvoering van de geplande bomenkap kan overtreding van de Wet natuurbescherming niet worden voorkomen. Daarom is het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Er dient een mitigatie- en compensatieplan voor vleermuizen opgesteld te worden, waarbij de compensatie buiten het plangebied gezocht dient te worden. Hierbij dient opgemerkt te worden dat compensatie van foerageergebieden en vliegroutes niet eenvoudig is, doordat groenstructuren tijd nodig hebben om zich te kunnen ontwikkelen tot waardige alternatieven voor de huidige robuuste groenstructuur in het plangebied.

Pagina 17

5 Conclusie Aan de hand van de verkregen resultaten en datgene wat gesteld wordt in de Wet natuurbescherming kunnen de volgende conclusies getrokken worden: In het plangebied is sprake van een nestlocatie van de buizerd en paarverblijven van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Daarnaast is sprake van een essentieel foerageergebied en vliegroute van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. De geplande ontwikkelingen, te weten bomenkap en de realisatie van glastuinbouw, tasten deze functies aan door het verwijderen en verstoren van verblijfplaatsen en functioneel leefgebied. Om overtreding van de wet te voorkomen, is het aanvragen van een ontheffing en het opstellen van een mitigatie- en compensatieplan noodzakelijk.

Pagina 18

6 Bijlagen 1 2

Resultaten veldonderzoek Wettelijk kader

Pagina 19

Bijlage 1 Resultaten veldonderzoek Waarnemingen broedvogels

= plangebied

Buizerd (ter plaatse) Buizerd (overvliegend) Buizerd (bezet nest) Boomvalk (ter plaatse)

Pagina 20

Waarnemingen vleermuizen

= plangebied

Gewone dwergvleermuis (foeragerend/passerend) Gewone dwergvleermuis (baltsend) Ruige dwergvleermuis (foeragerend/passerend) Ruige dwergvleermuis (baltsend) Laatvlieger (foeragerend/passerend) Rosse vleermuis (foeragerend/passerend)

Pagina 21

Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.

Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.

Pagina 22

Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist). Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •

•

Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.

Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.

Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.

Pagina 23

Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

Pagina 24

2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

Pagina 25

3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •

•

•

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

Pagina 26

c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.

Pagina 27

3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.

Gedragscodes De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik, of d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor: • • •

ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op vogels, één van de in artikel 3.3, vierde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, of van planten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, of in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f of g, genoemde redenen;

Pagina 28

b. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, geen benutting of economisch gewin plaatsvindt; c. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, zorgvuldig wordt gehandeld.

Zorgvuldig handelen Van zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: • •

•

dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood; nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of

c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield. 4. Alvorens een gedragscode als bedoeld in het eerste lid, of een wijziging daarvan, goed te keuren of in te trekken, overlegt Onze Minister met gedeputeerde staten over zijn voornemen daartoe.

Pagina 29

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel T 0314 641 910 info@staringadvies.nl

Pagina 30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=1e9a3da7-44ad-45a1-99cc-55355e801a64