CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

1106916 - Bijlage 22 - Bijlage 8 bij Vormvrije mer - Quick scan flora en fauna 2019

Raadsvergadering 26 januari 2026, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Glastuinbouw De Hoven Noord12.077 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurtoets Glastuinbouw aan de Hoveniersweg in Zutphen

In opdracht van WimaPlant, handelend onder Willem Heuterman BV

Colofon Quickscan natuurtoets Glastuinbouw aan de Hoveniersweg in Zutphen

Opdrachtgever Contactpersoon

WimaPlant, handelend onder Willem Heuterman BV Geanonimiseerd

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad Geanonimiseerd)

1974 Geanonimiseerd Geanonimiseerd 20 mei 2019 Plangebied (foto:

Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl

Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1

2

3

4

Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1

Inleiding ................................................................................................................ 4

1.2

Doel ...................................................................................................................... 4

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1

Gegevens plangebied ........................................................................................... 5

2.2

Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5

2.3

Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5

2.4

Geplande werkzaamheden ................................................................................... 5

Beschermde status plangebied .................................................................................... 8 3.1

Gebiedsbescherming ............................................................................................ 8

3.2

Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................... 8

3.3

Natura 2000 ........................................................................................................ 10

Beschermde soorten plangebied ............................................................................... 13 4.1

Methode ............................................................................................................. 13

4.2

Resultaten .......................................................................................................... 14

5

Wet natuurbescherming ............................................................................................. 24

6

Conclusie en aanbevelingen ...................................................................................... 28

Bijlage 1

Impressie plangebied ...................................................................................... 30

Bijlage2

Wettelijk kader Wet natuurbescherming .......................................................... 31

Bijlage 3

Beschermde plant- en diersoorten................................................................... 39

Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande realisatie van glastuinbouw aan de Hoveniersweg in Zutphen aanvullend onderzoek naar roofvogels, ransuil en vleermuizen noodzakelijk is. Voor aanvullend onderzoek naar roofvogels en ransuil zijn 4 gerichte veldbezoeken in de periode 1 maart tot 15 mei noodzakelijk. Aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen bestaat uit 2 veldbezoeken in de periode 15 mei – 15 juli en 2 veldbezoeken in de periode 15 augustus – 15 september. Aanvullend onderzoek naar foerageergebieden van vleermuizen bestaat uit 2 avondronden in de periode 15 april - 15 oktober, waarbij minimaal 1 avondronde tussen 15 mei – 15 juli moet plaatsvinden. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk voor overige soort(groep)en. Er moet bij de werkzaamheden wel rekening worden gehouden met broedvogels, amfibieën en vissen. Werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd. Het dempen van watergangen dient op diervriendelijk wijze te gebeuren. De werkwijze wordt bij voorkeur in een ecologisch werkprotocol vastgelegd. De geplande ruimtelijke ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ door stikstofdepositie.

Het uitvoeren van een AERIUS-berekening is noodzakelijk. De kernkwaliteiten van de NNN worden niet aangetast door de geplande ruimtelijke ontwikkeling. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van glastuinbouw te realiseren in het plangebied aan de Hoveniersweg in Zutphen. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van WimaPlant. Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna en voerde veldonderzoek uit op de locatie.

Pagina 3

1 Inleiding en doel 1.1 Inleiding Het bestaande glastuinbouwbedrijf is voornemens om uit te breiden in noordwestelijke richting aan de Hoveniersweg bij Zutphen. Voor de voorgenomen activiteiten verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een plannenmaker oplegt. Mevrouw Van Geel is, namens de initiatiefnemer WimaPlant, betrokken bij deze plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd om een quickscan natuurtoets uit te voeren. Dit is een vorm van verkennend natuuronderzoek dat op korte termijn en in een kort tijdsbestek kan worden uitgevoerd. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde natuurgebieden en beschermde plant- en diersoorten. Om in te schatten wat het effect van de plannen is op beschermde natuurgebieden en beschermde soorten wordt een quickscan natuurtoets uitgevoerd.

1.2 Doel Het doel van de quickscan natuurtoets is om snel te inventariseren of door de geplande activiteiten schade kan ontstaan aan beschermde natuurgebieden en beschermde flora of fauna. Wanneer dit het geval is wordt vervolgens geadviseerd over het noodzakelijk vervolgonderzoek en eventuele procedurele vervolgstappen.

Pagina 4

2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

Hoveniersweg Zutphen Zutphen Gelderland

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied betreft een aantal agrarische percelen (voornamelijk grasland en enkele akkers) ten westen van de woonkern Zutphen (zie figuur 1). Tussen enkele percelen lopen ondiepe, gedeeltelijk watervoerende greppels. Van oost naar west loopt een watervoerende sloot door het plangebied. Verder loopt er een onverharde weg met daarlangs twee rijen populieren door het plangebied. Plaatselijk is opslag van met name wilgen, eenstijlige meidoorn, bramen en gewone vlier te vinden op de perceelranden en in de bermen. De directe omgeving van het plangebied bestaat onder andere uit bestaande glastuinbouw, agrarische percelen, verspreid liggende woonerven, infrastructuur en ‘de Overmarsch’, een natuurterrein met onder andere wilgenbos, (riet)moeras, graslanden en ruigten (zie figuur 2). Ten oosten van het plangebied stroomt de IJssel, vanaf circa 1100 meter afstand. Het plangebied grenst aan de zuidwestzijde aan een spoortalud (spoorlijn Apeldoorn – Zutphen), aan de noordwestzijde aan de Sprabanenweg, aan de zuidoostzijde aan glastuinbouw en aan de overige zijden aan agrarische percelen (zie figuur 2).

2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied voor de glastuinbouw, wordt bepaald door agrarische percelen, onverharde wegen, bomenrijen, bloemrijk grasland en een spoortalud (zie figuur 2).

2.4 Geplande werkzaamheden Het bestaande glastuinbouwbedrijf is voornemens om uit te breiden in noordwestelijke richting aan de Hoveniersweg bij Zutphen. Binnen het plangebied wordt in het meest zuidoostelijk deel glastuinbouw gerealiseerd, met een uitbreiding in noordwestelijke richting. Hiernaast is ruimte voor een vijver ten behoeven van hoogwater afvoer (zie figuur 3).

Pagina 5

Figuur 1. Globale ligging het plangebied (rood). Bron: Provincie Gelderland (2019).

Figuur 2. Luchtfoto van het onderzoeksgebied (blauw) met daarbinnen het plangebied (rood). Bron: Google Earth (2019).

Pagina 6

Figuur 3. Ontwerptekening van de beoogde glastuinbouw in het plangebied. Bron: Looije Agro Technics (2019).

Pagina 7

3 Beschermde status plangebied 3.1 Gebiedsbescherming In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden.

3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Conclusie Het plangebied ligt niet in het NNN. De kernkwaliteiten van het NNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.

3.2.2 Gelders Natuurnetwerk De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland wordt in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. Groene Ontwikkelzones (GO) De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het

Pagina 8

type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.

3.2.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO (zie figuur 4). Aan de noordwestzijde grenst het plangebied wel direct aan GNN natuurgebied ‘de Overmarsch’. Het betreft een oude IJsselstrang, bestaande uit open water, (riet)moeras en bospercelen. De Hoendernesterbeek stroomt eveneens door dit GNN natuurgebied. Ook enkele verspreid liggende bos- en natuurgebieden rond Voorst en Brummen, ten noorden en zuidwesten van het plangebied, zijn aangewezen als bestaande natuur. Verschillende agrarische percelen tussen deze GNN natuurgebieden en een gedeelte van de spoorlijn tussen Apeldoorn en Zutphen zijn aangewezen als GO.

Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk, bron: Provincie Gelderland 2019.

Pagina 9

3.3

Natura 2000

3.2.4 Conclusie Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht, met uitzondering van stikstofdepositie. Het uitvoeren van een AERIUS-berekening is noodzakelijk.

3.2.5 Natura 2000 De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura 2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.

3.2.6 Plangebied In het plangebied vindt de realisatie van glastuinbouw plaats. Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op enige afstand van het plangebied, vanaf circa 1 kilometer (zie figuur 5). Overige Natura 2000gebieden, waaronder ‘Veluwe’ en ‘Landgoederen Brummen’ liggen op grotere afstand, vanaf circa 2 km. Door de aard en de omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ en overige Natura 2000gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn op voorhand uit te sluiten, met uitzondering van stikstofdepositie. Door de fysieke afstand en de barrièrewerking van tussenliggend dijklichaam wordt geen lichtverstoring op de habitats en soorten van het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ of overige Natura 2000-gebieden verwacht, door de geplande glastuinbouw. Stikstofdepositie Stikstof is één van de grootste problemen bij de realisatie van de Natura 2000-doelen.

Het gaat daarbij om de gevolgen van stikstofdepositie afkomstig uit de landbouw, het verkeer en de industrie op voor stikstof gevoelige habitats. Een aantal van de Natura 2000 habitats in het gebied Rijntakken is gevoelig voor depositie van stikstof afkomstig van landbouw, infrastructuur of andere sectoren (bron: Beheerplan Natura 2000 Rijntakken). Zowel een tijdelijke toename van verkeer (tijdens de bouwfase) als een permanente toename van gemotoriseerd verkeer en bebouwing kunnen resulteren in extra emissie van stikstof op

Pagina 10

nabijgelegen gevoelige habitats. De geplande glastuinbouw leidt mogelijk tot extra stikstofdepositie. Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen door stikstofdepositie zijn zonder AERIUS-berekening niet op voorhand uit te sluiten.

Pagina 11

Rijntakken

Landgoederen Brummen

Veluwe

Figuur 5. Ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van de Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’, ‘Landgoederen Brummen’ en ‘Veluwe’ (groen). Bron: Provincie Gelderland 2019.

Pagina 12

4 Beschermde soorten plangebied 4.1

Methode

Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en een gericht veldonderzoek.

4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. In de NDFF is voor het onderzoeksgebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten.

4.1.2 Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied om een inschatting te maken van de beschermde soorten die aanwezig zijn en om beschermde flora en fauna waar te nemen (zie tabel 1).

Onderzoeker Bezoekronde

Datum

Tijd

Weersomstandigheden

R. Boerboom

29-04-2019

11.10 uur

Half bewolkt, droog, 12°C, wind 1-2 Bft

1

Tabel 1. Veldonderzoek.

Pagina 13

4.2 Resultaten Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.

4.2.1 Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor het onderzoeksgebied geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten. Broedvogels De NDFF maakt voor het onderzoeksgebied en omgeving melding van diverse beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kunnen hier of in de omgeving wel een territorium bezetten, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de in de NDFF vermelde boomvalk, buizerd, gierzwaluw, huismus, ooievaar, roek en steenuil zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd. Zoogdieren De NDFF maakt voor het onderzoeksgebied melding van een aantal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten: •

•

Nationaal beschermde soorten: aardmuis, boommarter, bosmuis, bunzing, das, dwergspitsmuis, eekhoorn, egel, haas, hermelijn, konijn, ree, rosse woelmuis en steenmarter, vos, waterspitsmuis, wezel en woelrat1. Internationaal beschermde soorten (Habitatrichtlijn): bever, gewone dwergvleermuis, laatvlieger en otter.

Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor het onderzoeksgebied melding van het voorkomen van de volgende beschermde amfibieënsoorten en reptielensoort: • •

Nationaal beschermde soorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en ringslang¹. Internationaal beschermde soorten (Habitatrichtlijn): kamsalamander, knoflookpad en poelkikker.

Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor het onderzoeksgebied melding van het voorkomen van één beschermde dagvlindersoort: •

Nationaal beschermde soorten: kleine ijsvogelvlinder.

1 Deze soorten zijn in de provincie Gelderland, met uitzondering van de boommarter, bunzing, das, eekhoorn,

hermelijn, kleine ijsvogelvlinder, otter, ringslang, steenmarter, waterspitsmuis en wezel, vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Pagina 14

4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit agrarische graslanden en akkers, met enkele greppels, sloten, bermen, bomenrijen en plaatselijk opslag van houtige beplanting. De vegetatie van de graslanden bestaat uit algemene soorten van voedselrijke omstandigheden, zoals paardenbloem grote vossenstaart, vogelmuur, kropaar, Engels raaigras en herderstasje. In aangrenzende bermen en taluds groeien algemene soorten van voedselrijke omstandigheden als grote brandnetel, kleefkruid, vogelmuur, gewone vogelmelk, speenkruid, ijle dravik, hondsdraf, kraailook, fluitenkruid en paardenbloem. Plaatselijk zijn in de bermen van de Sprabanenweg kenmerkende soorten uit het rivierengebied, zoals poelruit, heksenmelk en wilde reseda aanwezig. In het talud van de aangrenzende spoorlijn zijn enkele kenmerkende en minder algemene soorten van matig voedselrijke bossen, zoals boskortsteel en gevlekte aronskelk te vinden. Op de recent bewerkte akkers was tijdens het veldbezoek vegetatie nagenoeg afwezig. Plaatselijk groeien hier algemene, eenjarige onkruidsoorten als gewoon varkensgras, vogelmuur en melganzenvoet. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten voor de omgeving van het plangebied.

Beschermde plantensoorten worden niet verwacht omdat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek. Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de quickscan natuurtoets. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied en de directe omgeving de volgende vogelsoorten aangetroffen: tjiftjaf, vink, heggenmus, zwartkop, grauwe gans, koekoek, grasmus, buizerd, zwarte kraai, kauw, boomkruiper, witte kwikstaart, kievit, roodborsttapuit en fitis. Het plangebied is geschikt als nestlocatie voor weide- en akkervogels als kievit, wulp en scholekster. De randen van het plangebied en aangrenzende bermen zijn geschikt als broedgebied voor soorten als gele kwikstaart, grasmus en roodborsttapuit. De populierenrijen en aangrenzende bosschages zijn geschikt als nestlocatie voor diverse vogelsoorten van bos en struweel, waaronder een enkele soort waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Jaarrond beschermde nesten De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied het voorkomen van de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, huismus, ooievaar, roek en steenuil, waarvan de nesten jaarrond (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek is de buizerd waargenomen in het plangebied. Buizerd Tijdens het veldbezoek zijn twee een roepende en baltsende buizerds in en nabij de populierenrij in het plangebied waargenomen.

Achterin de populierenrij in het plangebied, vlakbij waar eerder een roepend exemplaar is gehoord, is een fors nest aangetroffen dat

Pagina 15

mogelijk in gebruik is door de buizerd (zie foto 1). Het plangebied is door de afwisseling van bermen, graslanden, taluds en akkers met uitkijkposten in de vorm van bomen en weidepalen geschikt als foerageergebied voor de buizerd.

Foto 1. Mogelijk buizerdnest in een populier in het plangebied (foto:

Geanonimiseerd). Boomvalk, ransuil, roek en sperwer De populierenrij in het plangebied is geschikt als nestlocatie voor overige boombewonende soorten als boomvalk, ransuil, roek en sperwer. Deze soorten zijn niet aangetroffen tijdens het veldbezoek. Het is niet bekend of deze soorten broeden in deze bomenrij. Roeken broeden in kolonies en zijn vrij luidruchtig tijdens het broedseizoen. De nestlocaties van deze soort zijn vrij eenvoudig te lokaliseren. Tijdens het veldbezoek zijn geen roeken in de bomenrij gezien of gehoord. Ook zijn er geen nesten aangetroffen. In de agrarische percelen binnen het onderzoeksgebied zijn geen foeragerende roeken waargenomen. Het is daarom uit te sluiten dat er roeken broeden in het plangebied. De overige soorten broeden mogelijk wel in de populierenrij in het plangebied. De nesten van deze soorten zijn

Pagina 16

niet eenvoudig te vinden, wanneer er al blad aan de bomen zit. Bovendien zijn deze soorten vaak stil in de nabijheid van hun nest, waardoor deze onopgemerkt blijven. Gierzwaluw en huismus Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van de gierzwaluw en huismus bekend (bron: NDFF). In het plangebied ontbreken geschikte nestlocaties voor deze soorten, in de vorm van geschikte bebouwing. In de directe omgeving van het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen waargenomen. In de woonkern Hoven, ten zuidoosten van het plangebied, zijn wel roepende huismussen waargenomen. Deze locaties bevinden zich op ruime afstand van het plangebied. Enkele woningen aan de Hoveniersweg, ten zuiden en oosten van het plangebied zijn mogelijk geschikt als nestlocatie voor de huismus. Deze locaties bevinden zich buiten de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen. Er bevinden zich in de directe nabijheid van het plangebied geen nestlocaties, waardoor er ook geen sprake is van een functioneel leefgebied van de huismus binnen het plangebied. Het plangebied is ook van niet van belang als leefgebied voor de gierzwaluw. Ooievaar De ooievaar is tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Voor de ooievaar ontbreken nestlocaties in de vorm van kunstnesten op palen of daken van gebouwen in het plangebied en de directe omgeving.

De graslandpercelen in het plangebied zijn wel geschikt als foerageergebied voor de ooievaar. Ooievaars hebben een groot leefgebied en zijn opportunistisch bij het verzamelen van voedsel. Er is daarom geen sprake van een essentieel leefgebied binnen het plangebied. Steenuil Rondom enkele erven in de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van steenuilen bekend. Onder andere bij een erf aan de Hofweg, ten oosten van het plangebied is een territorium van de steenuil aanwezig (bron: NDFF). Dit erf ligt op circa 350 meter afstand van het plangebied. In het onderzoeksgebied zijn tijdens het veldbezoek geen steenuilen waargenomen. Ook zijn er geen gebouwen, nestkasten of holle (knot)bomen in het plangebied aanwezig, waardoor geen sprake is van een nestlocatie. Het plangebied is door het ontbreken van geschikte broedgelegenheden niet geschikt als nestlocatie. De bermen, perceelranden en graslandpercelen in het plangebied zijn geschikt als foerageergebied voor de steenuil. De akkers zijn marginaal geschikt als foerageergebied voor de soort. Vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties van overige jaarrond beschermde vogelsoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikte broedgelegenheden. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn twee hazen aangetroffen in het plangebied.

Daarnaast zijn in het aangrenzende talud van de spoordijk twee burchten van vermoedelijk een vos aangetroffen. Bij de eerste burcht lagen ook enkele restanten van een prooi (zie foto 2 t/m 5). Mogelijk gebruiken verder soorten als bunzing, das, egel, hermelijn, konijn, mol, ree,

Pagina 17

steenmarter, wezel en (spits)muizen het plangebied als leefgebied. De NDFF bevestigt de aanwezigheid van een deel van deze soorten voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Voor de in de NDFF vermelde soorten geldt, met uitzondering van de bever, boommarter, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, otter, steenmarter, waterspitsmuis en wezel, in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Foto 2 t/m 5. Mogelijke vossenburchten en prooiresten in het talud van de spoordijk, aan de westzijde van het plangebied (foto: Geanonimiseerd).

Bever De in de NDFF vermelde strikt beschermde bever is gebonden aan open water en bijbehorende oeverzones met hoofdzakelijk zachthout ooibos, met voldoende rust en schuilmogelijkheden. Dit habitat is niet in het plangebied of direct hieraan grenzend aanwezig. Er zijn geen sporen van de bever aangetroffen tijdens het veldbezoek. Het plangebied is geen onderdeel van het leefgebied voor deze soort en incidenteel gebruik van het plangebied wordt ook niet verwacht. De leefgebieden van de bevers uit de NDFF bevinden zich, op ruime afstand van het plangebied, in de Overmarsch en de IJsseluiterwaarden, ten noorden en oosten van het plangebied.

Pagina 18

Boommarter Er is één waarneming van de boommarter bekend uit de omgeving van het plangebied. Het betreft vermoedelijk een verkeersslachtoffer. Het plangebied zelf is door de openheid en het agrarisch gebruik grotendeels ongeschikt als leefgebied voor de boommarter. Er bevinden zich geen geschikte nestlocaties (holle bomen). De populierenrij is in principe geschikt als migratieroute voor de soort. Echter door de vrij geïsoleerde ligging ten opzichte van de bestaande leefgebieden, het ontbreken van waarnemingen uit het plangebied, de afwezigheid van holle bomen en de beperkte omvang van het opgaand groen kan echter aangenomen worden dat het plangebied geen functioneel leefgebied voor de boommarter is. Bunzing, hermelijn en wezel

Na de provincie Noord-Brabant en Noord-Holland zijn ook in de provincie Gelderland per 1 maart 2019 de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel niet meer vrijgesteld in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit betekend dat bij bepaalde activiteiten onderzocht dient te worden of deze activiteiten schadelijk kan zijn voor de rustplaatsen van deze kleine marterachtigen of dat dieren worden gedood.

De NDFF meldt het voorkomen van deze kleine marterachtigen voor de omgeving van het plangebied. Met name aan de randen van het plangebied kunnen verblijfplaatsen van deze soorten verwacht worden. Deze kleine marterachtigen maken hun schuilplaats in oude holen van bijvoorbeeld konijn, mol, vos en das. Maar ook onder steenhopen, houtmijten, in holle bomen of onder boomwortels (bron: Zoogdiervereniging). Dergelijke schuilgelegenheden zijn met name op de perceelranden in het plangebied en net buiten het plangebied te vinden. In de intensief bewerkte, agrarische percelen in het plangebied worden geen verblijfplaatsen van deze soorten verwacht. Das Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor de das. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen sporen als wissels, krabsporen, uitwerpselen, haren of graafsporen waargenomen in het plangebied. Ook zijn er geen dassenburchten in het plangebied en de directe omgeving aangetroffen. De twee kleine burchten in het talud van de aangrenzende spoordijk zijn vermoedelijk van een vos. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich geen dassenburchten, waardoor ook geen sprake is van een functioneel leefgebied van de soort. In de NDFF zijn slechts enkele waarnemingen van de soort bekend uit de ruime omgeving. Het betreft vermoedelijk zwervende exemplaren.

Eekhoorn Uit de ruime omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van de eekhoorn bekend (bron: NDFF). De eekhoorn maakt nesten in bomen. De forse populieren in het plangebied zijn potentieel geschikt als nestboom voor de eekhoorn. Door de geïsoleerde

Pagina 19

ligging in een open, agrarisch landschap worden hier echter geen eekhoorns verwacht. Tijdens het veldbezoek zijn geen eekhoorns waargenomen. Ook zijn er vanuit het plangebied geen meldingen van de soort bekend. Door het ontbreken van aaneengesloten bossen wordt de soort hier niet verwacht. Otter Vanuit het natuurterrein ‘De Overmarsch’ en de Hoendernesterbeek, ten noorden van het plangebied, zijn recente waarnemingen van de otter bekend. Het betreft zowel sporen (uitwerpselen/spraints) als camerabeelden van wildcamera’s (bron: NDFF). De oude IJsselstrangen, De Hoendernesterbeek en de Voorsterbeek ten noorden van het plangebied vormen vermoedelijk het leefgebied van de soort. In het plangebied ontbreekt geschikt leefgebied voor de otter. De zeer smalle en ondiepe, deels watervoerende sloten/greppels in het plangebied vallen vermoedelijk in de zomer droog en bieden onvoldoende beschutting. Deze watergangen vormen hierdoor geen geschikt leefgebied voor de soort. Steenmarter Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van steenmarters gevonden of steenmarters waargenomen. De steenmarter is echter hoofdzakelijk ’s nachts actief. Het plangebied is door de afwezigheid van bebouwing en andere geschikte schuilgelegenheden ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor de steenmarter. Het plangebied is wel geschikt als foerageergebied voor de soort.

Waterspitsmuis De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt (bron: Zoogdiervereniging). De soort is aangetroffen in ‘De Overmarsch’, ten westen van het plangebied, op circa 800 meter afstand van het plangebied. Hier bevindt zich geschikt leefgebied in de vorm van een oude loop van de IJssel met daarnaast moerasbos. Binnen het plangebied is geen geschikt habitat voor de soort aanwezig. De agrarische percelen zijn ongeschikt voor de soort. De in het plangebied aanwezige watergangen hebben geen goed ontwikkelde oever- en watervegetatie en vallen droog. De aanwezigheid van waterspitsmuis in het plangebied is daardoor niet te verwachten. Overige strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het bronnenonderzoek bevestigt de afwezigheid van overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen De NDFF maakt melding van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Door het ontbreken van gebouwen is het plangebied ongeschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende soorten als de gewone dwergvleermuis en laatvlieger.

Pagina 20

In het plangebied bevindt zich een rij forse populieren. In de bomen bevinden zich mogelijk geschikte holten die kunnen fungeren als verblijfplaats voor boombewonende vleermuissoorten, zoals de rosse vleermuis of de ruige dwergvleermuis. Het plangebied is door de aanwezigheid van een lijnvormige groenstructuur (de populierenrij) geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Een vliegroute wordt hier niet verwacht, aangezien de populierenrij vrij geïsoleerd in een open, agrarisch landschap ligt. De agrarische percelen in het plangebied zijn niet of nauwelijks van belang als foerageergebied of vliegroute voor vleermuizen. Amfibieën Tijdens het veldbezoek is een bastaardkikker aangetroffen bij een tijdelijk watervoerende sloot in het plangebied. Verder is het voorkomen van overige algemene soorten als bruine kikker en gewone pad te verwachten, met name langs de randen van het plangebied en bij de sloten/greppels door het plangebied. Door het agrarisch gebruik is het plangebied slechts marginaal geschikt als landbiotoop voor weinig kritische soorten als bruine kikker en gewone pad. De NDFF meldt naast algemene soorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander ook de strikt beschermde kamsalamander, knoflookpad en poelkikker voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1).

Kamsalamander De kamsalamander is bekend uit een poel ten zuidwesten van het plangebied (bron: NDFF). Dit voortplantingswater ligt op ruim een kilometer afstand van het plangebied. In het plangebied is geen geschikt voortplantingswater of landhabitat aanwezig. De ondiepe greppels/sloten in het plangebied zijn ongeschikt als voortplantingswater voor de soort, door het ontbreken van een goed ontwikkelde watervegetatie en de geringe waterdiepte. Knoflookpad De knoflookpad is bekend uit een poel ten zuidwesten van het plangebied (bron: NDFF). Dit voortplantingswater ligt op ruim een kilometer afstand van het plangebied. Het voortplantingsbiotoop bestaat vaak uit vrij grote en diepe poelen met een weelderige onderwater- en oevervegetatie en een voedselrijk karakter (bron: RAVON). In het landhabitat is de aanwezigheid van open zandplekken omringd door vegetatie van essentieel belang. Het zand moet een zodanige structuur hebben, dat het goed vergraafbaar is. Ook extensief bewerkte akkers (bijv. asperge en aardappelen) voldoen hieraan. In het plangebied is geen geschikt voortplantingswater of landhabitat aanwezig. De knoflookpad wordt niet verwacht in het plangebied. Poelkikker Als voortplantingswater worden bij voorkeur zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden gebruikt.

Hij komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarden. Voorwaarde is dat het water voedselarm en schoon is (bron: RAVON). De soort overwintert op het land, onder andere in de strooisellaag van bosschages. In het plangebied ontbreekt zowel geschikt voortplantingswater als geschikt landhabitat voor de soort.

Pagina 21

Overige strikt beschermde amfibieënsoorten worden hier niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen aangetroffen. Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van de beschermde ringslang bekend geworden (zie paragraaf 4.2.1). Ringslang De soort is aangetroffen in ‘De Overmarsch’, ten westen van het plangebied, op circa 800 meter afstand van het plangebied. Hier bevindt zich geschikt leefgebied in de vorm van een oude loop van de IJssel met daarnaast moerasbos. Binnen het plangebied is geen geschikt habitat voor de soort aanwezig. Onderaan het spoortalud, aan de zuidwestzijde van het plangebied, bevindt zich een vochtige zone met open water, riet, oevervegetatie en bosopslag. Hier is vrij recent de bosschage grotendeels verwijderd, waardoor een open moeraszone is ontstaan die plaatselijk geschikt is als leefgebied voor de ringslang (zie foto’s 6 t/m 9). Hier zijn tijdens het veldbezoek geen ringslangen waargenomen, ondanks gunstige weersomstandigheden. Mogelijk wordt deze zone als foerageergebied of migratieroute door de ringslang gebruikt. Van een voortplantingsplaats is geen sprake.

Foto’s 6 t/m 9. Geschikt leefgebied voor de ringslang aan de zuidwestzijde van het plangebied (foto’s

Geanonimiseerd.

Pagina 22

Overige beschermde reptielensoorten worden niet verwacht in het plangebied door het ontbreken van geschikte leefgebieden. Vissen Permanent open water ontbreekt in het onderzoeksgebied, waardoor het voorkomen van (beschermde) vissen uitgesloten is. De ondiepe sloten in het plangebied vallen droog en vormen geen geschikt leefgebied voor (beschermde) vissen. Ongewervelde dieren Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van de beschermde kleine ijsvogelvlinder bekend geworden (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen. Kleine ijsvogelvlinder De kleine ijsvogelvlinder wordt niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied: Vochtige, structuurrijke loofbossen met de waardplant wilde kamperfoelie. Overige beschermde ongewervelde diersoorten worden niet verwacht in het plangebied door het ontbreken van geschikte leefgebieden.

Pagina 23

5 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. In dit hoofdstuk wordt vastgesteld of beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn of verwacht worden op de locatie. Vervolgens wordt bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. Deze effecten worden getoetst aan de verbondsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 1 en 2). Wanneer de Wet natuurbescherming (mogelijk) wordt overtreden wordt geadviseerd over het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing. Flora Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Uit de NDFF zijn geen waarnemingen van beschermde plantensoorten bekend geworden uit het plangebied en de directe omgeving. Deze worden ook niet in het plangebied verwacht. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Broedvogels Alle aangetroffen en te verwachten vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk.

Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan. Daarom moet er buiten het broedseizoen gestart worden met de werkzaamheden. Als de werkzaamheden in volle gang zijn bij aanvang van het broedseizoen, is het verstoringeffect op (broed)vogels minimaal. Het broedseizoen ligt, afhankelijk van de weeromstandigheden en aanwezige soorten, ruwweg tussen 15 maart en 15 juli. Broedgevallen buiten deze periode zijn ook beschermd.

Pagina 24

Vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn In het plangebied bevinden zich geen (geschikte) gebouwen met nestgelegenheden of speciale nestkasten voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten, zoals gierzwaluw, huismus, kerkuil, ooievaar of steenuil. Door de geplande werkzaamheden is geen sprake van fysieke aantasting van een vaste rust- en verblijfplaats van deze jaarrond beschermde vogelsoorten. Er is eveneens geen sprake van aantasting van het functioneel leefgebied van deze soorten. Mogelijk is er wel sprake van een nestlocatie van de jaarrond beschermde boomvalk, buizerd, ransuil of sperwer in de populierenrij in het plangebied. Tijdens het veldbezoek is de buizerd in het plangebied waargenomen en is een mogelijk buizerdnest aangetroffen in de populierenrij (zie foto 1). Boomvalk, buizerd, ransuil en sperwer In het plangebied bevinden zich mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen (nestlocaties) van deze soorten. Wanneer de populierenrij gekapt wordt, is mogelijk sprake van vernietiging van een vaste rust- en verblijfplaats. Daarnaast is tijdens de realisatiefase mogelijk sprake van verstoring van deze soorten. Het plangebied is verder met name voor de buizerd geschikt als foerageergebied. Het uitvoeren van gericht onderzoek naar het voorkomen van de boomvalk, buizerd, ransuil en sperwer is dan ook noodzakelijk.

Voor gericht onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen (territoria/broedlocaties) van de te verwachten boomvalk, buizerd, sperwer en ransuil dient het plangebied geïnventariseerd te worden op activiteit van deze vogelsoorten. Hierbij wordt met name gelet op territoriaal gedrag, transport van voedsel, transport van nestmateriaal, bedelroep van jonge vogels, aanwezigheid van prooiresten etc. Op basis van de waargenomen activiteit worden de nestlocaties vastgesteld en het functioneel leefgebied bepaald. Afwezigheid van territoria van de buizerd en sperwer kan worden aangetoond, als er tijdens 4 gerichte veldbezoeken in de periode 1 maart tot 15 mei geen aanwezigheid kan worden aangetoond. Voor boomvalk en ransuil is een aanvullend veldbezoek in juni noodzakelijk. De inventarisatie moet bij voorkeur tijdens goede omstandigheden (zoals weersomstandigheden, moment op de dag) plaatsvinden en met een tussenperiode van minimaal 10 dagen (Kennisdocument buizerd, BIJ12). Overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht in het plangebied. Voor overige jaarrond beschermde vogelsoorten is het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het aanvragen van ontheffing niet noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek is de beschermde haas waargenomen in het plangebied en zijn net buiten het plangebied twee (vermoedelijke) vossenburchten aangetroffen.

Het plangebied wordt verder mogelijk gebruikt als foerageergebied/leefgebied door enkele algemene beschermde soorten als bunzing, egel, hermelijn, konijn, mol, ree, steenmarter, wezel en (spits)muizen. Voor deze soorten zoogdieren geldt, met uitzondering van de bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel, in de provincie Gelderland automatisch de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen.

Pagina 25

Bunzing, hermelijn en wezel Het voorkomen van deze beschermde kleine marterachtigen is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Hiervan is geen sprake in het plangebied. Nader onderzoek naar het voorkomen van de bunzing, hermelijn of wezel, of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. Steenmarter Het voorkomen van de beschermde steenmarter is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Hiervan is geen sprake in het plangebied. Nader onderzoek naar het voorkomen van de steenmarter of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor overige grondgebonden zoogdiersoorten, zoals de uit de omgeving van het plangebied bekende strikt beschermde bever, boommarter, das, eekhoorn, otter en waterspitsmuis. In het plangebied is geen sprake van een vaste rust- en verblijfplaats of essentieel leefgebied van deze soorten. Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging VZZ. Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven: 1.

Zijn er gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Nee → Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen is niet noodzakelijk. 2. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden? Ja → Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen is noodzakelijk. 3. Maken de struiken, gewassen, boom (bomen) deel uit van een mogelijke route/verbinding of een essentieel foerageergebied? Ja → Nader onderzoek naar foerageergebieden en routes van vleermuizen is noodzakelijk. Nader onderzoek naar vleermuizen is noodzakelijk aangezien er bij het verwijderen van de populierenrij mogelijk sprake is van aantasting van verblijfplaatsen van boombewonende soorten en foerageergebied van vleermuizen. Ook een toename van kunstlicht kan leiden tot aantasting van het leefgebied van vleermuizen. Aanvullend onderzoek naar

Pagina 26

verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen, zoals de te verwachten rosse vleermuis en de ruige dwergvleermuis, bestaat uit 2 veldbezoeken in de periode 15 mei – 15 juli en 2 veldbezoeken in de periode 15 augustus – 15 september. Aanvullend onderzoek naar foerageergebieden bestaat uit 2 avondronden in de periode 15 april - 15 oktober, waarbij minimaal 1 avondronde tussen 15 mei – 15 juli moet plaatsvinden. Overige soortgroepen Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn beschermde amfibieën, reptielen, vissen en/of ongewervelde dieren, met uitzondering van enkele algemene soorten als bastaardkikker, bruine kikker en gewone pad, niet te verwachten in het plangebied. Voor deze soorten geldt in de provincie Gelderland automatisch de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soortgroepen. Strikt beschermde soorten, zoals de uit de omgeving van het plangebied bekende kamsalamander, knoflookpad, kleine ijsvogelvlinder en poelkikker worden niet verwacht. In het plangebied is geen sprake van functioneel leefgebied van deze soorten. Net buiten het plangebied kan de ringslang verwacht worden. Ringslang Langs het talud van de spoorlijn aan de zuidwestzijde van het plangebied kan plaatselijk de ringslang verwacht worden.

Hier vinden echter geen ruimtelijke ingrepen plaats. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soort. Zorgplicht Bij het uitvoeren van werkzaamheden is er dus geen aantasting van het leefgebied van strik beschermde soorten amfibieën, reptielen en vissen. Wel dient bij het dempen van watergangen rekening te worden gehouden met de zorgplicht. Dit betekent dat het dempen op een amfibie- en visvriendelijke manier dient te worden uitgevoerd. Het uitgangspunt voor de planning van dergelijke werkzaamheden is dat bij voorkeur gewerkt wordt tussen 15 augustus en 1 november. Tussen 15 februari en 15 augustus mag niet gewerkt worden in verband met de kwetsbare periode voor amfibieën, vissen en broedvogels, tenzij deze dieren verplaatst zijn of nestlocaties ontzien worden bij de werkzaamheden. Het dempen van watergangen dient op diervriendelijke wijze uitgevoerd te worden, onder ecologische begeleiding. Aanwezige dieren worden zo veel mogelijk weggevangen en verplaatst naar watergangen in de directe omgeving waarbij voorkomen dient te worden dat dieren terug kunnen keren. De exacte werkwijze wordt bij voorkeur uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol.

Pagina 27

6 Conclusie en aanbevelingen Aan de hand van de resultaten van de quickscan natuurtoets in het onderzoeksgebied ‘Hoveniersweg in Zutphen’ kan de volgende conclusie worden getrokken: Beschermde natuurgebieden NNN De kernkwaliteiten van de NNN worden niet aangetast door de geplande ruimtelijke ontwikkeling. Verder toetsing of een vergunningsaanvraag zijn niet noodzakelijk. Natura 2000 De instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ worden mogelijk aangetast door stikstofdepositie. Het uitvoeren van een AERIUS-berekening is noodzakelijk. Beschermde soorten Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van roofvogels, ransuil en vleermuizen is noodzakelijk. Aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk voor overige soort(groep)en. Zorgplicht amfibieën en vissen Bij het dempen van watergangen dient rekening te worden gehouden met amfibieën en vissen. Dit betekent dat het dempen op een amfibie- en visvriendelijke manier dient te worden uitgevoerd. De exacte werkwijze wordt bij voorkeur uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol.

Pagina 28

Bijlagen 1 2 3

Impressie plangebied Wettelijk kader Beschermde plant- en diersoorten

Pagina 29

Bijlage 1 Impressie plangebied

Pagina 30

Bijlage2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.

Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.

Pagina 31

Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist).

Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •

•

Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.

Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.

Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.

Pagina 32

Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

Pagina 33

2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

Pagina 34

3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=5a42e48a-8cac-44e7-a2ec-ee4659fb4166