CConstaterende datZutphen
Koppel je AI →
Document · PDF

1106916 - Bijlage 21 - Bijlage 7 bij Vormvrije mer - Quick scan flora en fauna 2025

Raadsvergadering 26 januari 2026, gemeente ZutphenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Glastuinbouw De Hoven Noord9.992 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurtoets Hoveniersweg bij Zutphen In opdracht van Looije Agro Technics

Colofon Quickscan natuurtoets Hoveniersweg bij Zutphen

Opdrachtgever Contactpersoon

Looije Agro Technics Geanonimiseerd

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Rapportnummer Projectnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad

2896 5498 Geanonimiseerd Geanonimiseerd 12-05-2025 Populierenlaan Hoveniersweg bij Zutphen (foto: Geanonimiseerd)

Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en soorten die staan opgenomen op de Rode Lijsten. Het voorkomen van beschermde en Rode Lijstsoorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus, de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus (www.netwerkgroenebureaus.nl).

Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk.

Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 Samenvatting ...................................................................................................................... 1 1

2

3

4

Inleiding en doel........................................................................................................... 2 1.1

Inleiding ................................................................................................................ 2

1.2

Doel ...................................................................................................................... 2

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 3 2.1

Gegevens plangebied ........................................................................................... 3

2.2

Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 3

2.3

Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 3

2.4

Geplande flora- en fauna-activiteit ........................................................................ 3

Gebiedsbescherming in de Omgevingswet .................................................................. 5 3.1

Inleiding ................................................................................................................ 5

3.2

Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................... 6

3.3

Natura 2000 .......................................................................................................... 8

3.4

Bijzondere natuurgebieden en landschappen ....................................................... 9

3.5

Beschermde houtopstanden ............................................................................... 11

3.6

Conclusie gebiedsbescherming .......................................................................... 12

Soortenbescherming in de Omgevingswet ................................................................. 13 4.1

Methode ............................................................................................................. 13

4.2

Resultaten .......................................................................................................... 14

4.3

Consequenties soortenbescherming ................................................................... 29

4.4

Conclusie soortenbescherming ........................................................................... 33

Literatuurlijst ..................................................................................................................... 34 Bijlagen ............................................................................................................................. 35 Bijlage 1 Impressie plangebied ......................................................................................... 36 Bijlage 2

Natuurbescherming onder de Omgevingswet .................................................. 40

Bijlage 3

Kernkwaliteiten Gelderse Streek ‘IJsselvallei’ .................................................. 41

Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande flora- en fauna-activiteit, bestaande uit het uitbreiden van het glastuinbouwbedrijf, aanvullend onderzoek naar vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 en 2), de das, boombewonende vleermuizen en vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen in het kader van de Omgevingswet noodzakelijk is. Daarnaast is er een omgevingsvergunning noodzakelijk voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) en de teunisbloempijlstaart. Voor elke flora- en fauna-activiteit geldt de specifieke zorgplicht. In het kader hiervan moet voor het plangebied rekening gehouden worden met broedvogels, kleine zoogdieren, amfibieën, de ringslang en vleermuizen. Om te voldoen aan de zorgplicht voor de ringslang wordt het opstellen van een ecologisch werkprotocol geadviseerd. De activiteit is mogelijk een ‘Natura 2000-activiteit’. Het uitvoeren van een AERIUSberekening is noodzakelijk om vast te stellen of negatieve effecten op Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie aan de orde zijn en of daarmee sprake is van een ‘Natura 2000activiteit’. Voor Natura 2000-gebieden geldt de specifieke zorgplicht.

Gezien de aard en beperkte omvang van de geplande activiteiten en de afstand tot Natura 2000-gebieden zijn er in het kader van de specifieke zorgplicht geen maatregelen noodzakelijk, afgezien van eventueel noodzakelijke maatregelen om stikstofuitstoot te beperken of compenseren. Dit is afhankelijk van de uitkomsten van de nog uit te voeren AERIUS-berekening. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het Natuurnetwerk Nederland is niet aan de orde. Het plangebied ligt niet in/nabij een bijzonder nationaal natuurgebied of bijzonder provinciaal natuurgebied of landschap. De activiteit heeft geen negatief effect op de instandhoudingsdoelen voor deze gebieden. Er is geen sprake van aantasting van de kernkwaliteiten van de Gelderse Streek ‘IJsselvallei’. Het nemen van maatregelen is niet noodzakelijk. Een kapmelding bij de provincie Gelderland en een herplantplicht voor beschermde houtopstanden is ook niet aan de orde. In het kader van de specifieke zorgplicht voor houtopstanden zijn geen maatregelen noodzakelijk. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van Looije Agro Technics.

Pagina 1

1

Inleiding en doel

1.1

Inleiding

Bij een flora- en fauna-activiteit moet, in het kader van de Omgevingswet, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde plant- en diersoorten, beschermde natuurgebieden en beschermde houtopstanden. Om in te schatten wat het effect van de flora- en fauna-activiteit is op beschermde soorten, beschermde natuurgebieden en beschermde houtopstanden wordt een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Indien beschermde soorten verwacht worden is nader onderzoek vereist. Er zijn plannen om het bestaande glastuinbouwbedrijf uit te breiden in noordwestelijke richting aan de Hoveniersweg bij Zutphen. De heer Looije van Looije Agro Technics is betrokken bij de plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd om deze quickscan natuurtoets uit te voeren.

1.2

Doel

Het doel van de quickscan natuurtoets is om snel te inventariseren of door de flora- en fauna-activiteit schade kan ontstaan aan populaties van beschermde soorten flora en/of fauna, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden. Hierbij wordt ook vastgesteld of nader onderzoek, nadere toetsing en/of het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de Omgevingswet aan de orde is. Daarnaast wordt met deze quickscan inzichtelijk gemaakt op welke wijze voldaan kan worden aan de specifieke zorgplicht die geldt bij soortenbescherming, gebiedsbescherming en bescherming van houtopstanden.

Pagina 2

2

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden

2.1

Gegevens plangebied

Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

2.2

Hoveniersweg Zutphen Zutphen Gelderland

Beschrijving van het plangebied

Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van De Hoven bij Zutphen. Het betreft een populierenlaan en enkele agrarische percelen (zie figuur 1). De percelen in kwestie zijn twee maïsakkers en twee graslanden met Engels raaigras. De populieren zijn groot en hoog. Ook is er een soort strook rondom een slootje met rietruigte en wilgjes aan de noordzijde van de laan (zie bijlage 1). De omgeving van het plangebied bestaat uit een spoordijk met daarnaast struweel aan de westzijde, en aan de noord- en oostzijde liggen natuurgraslandjes van Staatsbosbeheer. Hierachter ligt een dode rivierarm van de IJssel die het hele gebied omsluit. Deze natuurterreinen tezamen zijn het gebied ‘De Overmarsch’. Aan de zuidzijde ligt een kassencomplex en een ruderaal opslagterreintje.

2.3

Beschrijving van het onderzoeksgebied

Om het eventuele verstorend effect van de geplande flora- en fauna-activiteit op zowel beschermde als niet beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied alleen (zie figuur 2). Dit onderzoeksgebied bestaat uit meerdere agrarische percelen die doorlopen tot aan de Sprabanenweg, een onverhard karrespoor.

2.4

Geplande flora- en fauna-activiteit

Het bestaande glastuinbouwbedrijf is voornemens om uit te breiden in noordwestelijke richting aan de Hoveniersweg bij Zutphen. Binnen het plangebied wordt in het meest zuidoostelijk deel glastuinbouw gerealiseerd, met een uitbreiding in noordwestelijke richting. Hiernaast is ruimte voor een vijver ten behoeven van hoogwaterafvoer (zie figuur 3).

Pagina 3

Figuur 1. Globale ligging van het plangebied (rood). Bron ondergrond: OpenStreetMap (2024).

Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied (rood) en het onderzoeksgebied voor de quickscan natuurtoets (geel). Bron luchtfoto: Landelijke Voorziening Beeldmateriaal (2024).

Pagina 4

Figuur 3: Landschappelijk inpassingsplan (d.d. 14/06/2023) van het kassencomplex en omgeving. Bron: Gemeente Zutphen.

3

Gebiedsbescherming in de Omgevingswet

3.1

Inleiding

De gebiedsbescherming in de Omgevingswet bestaat uit de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurgebieden, landschappen, en houtopstanden. In paragraaf 3.2 wordt de geplande activiteit behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).. In paragraaf 3.3 wordt de activiteit behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden. In paragraaf 3.4 wordt de activiteit behandeld in relatie tot bijzondere natuurgebieden en landschappen en in paragraaf 3.5 tot de bescherming van houtopstanden. In Gelderland zijn er verschillende beschermde gebieden. De gebieden van het NNN worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). GNN en GO worden besproken in paragraaf 3.2. Ook

Pagina 5

rustgebied voor winterganzen, weidevogelgebieden en beschermde natte landnatuur zijn onderdeel van het GNN. De natte landnatuur kent een beschermingszone, welke buiten het GNN en de GO kan liggen. Bovenstaande gebieden worden eveneens besproken bij paragraaf 3.2. Daarnaast is geheel Gelderland verdeeld in elf karakteristieke streken, de zogeheten Gelderse Streken, welke elk een aantal kernkwaliteiten hebben. Het UNESCO Werelderfgoed is ook een beschermd gebied met kernkwaliteiten. Beide gebiedstypes met kernkwaliteiten worden behandeld bij paragraaf 3.4.

3.2

Natuurnetwerk Nederland

3.2.1 Algemeen In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. Groene Ontwikkelzones (GO) De Groene ontwikkelingszone (GO) is het gebied dat tussen en rondom natuurgebieden ligt. Hierin liggen onder andere de ecologische verbindingszones, de verbindende schakels tussen de natuurgebieden. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.

3.2.2 Geplande activiteit Het plangebied waar de activiteit gepland staat valt niet binnen het GNN en het GO. Het dichtstbijzijnde GNN is het natuurgebied “Overmarsch”, net achter de Sprabanenweg (zie figuur 3). Overige Gelderse beschermde natuurzones binnen het GNN, zoals rustgebied voor winterganzen, weidevogelgebieden en beschermde natte landnatuur, liggen niet binnen het plangebied en ook niet direct grenzend hieraan (zie figuur 3). Vervolgstappen met betrekking

Pagina 6

tot de GNN of het GO, zoals verdere toetsing, vergunningsaanvraag of het opstellen van een versterkingsplan zijn niet noodzakelijk.

Figuur 3. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het dichtstbijzijnde GNN (donkergroen, linksboven) en GO (lichtgroen), bron: Provincie Gelderland (2024).

Pagina 7

3.3

Natura 2000

3.3.1 Algemeen De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Omgevingswet beschermt onder andere Natura 2000gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een omgevingsvergunning nodig. Een dergelijke activiteit wordt een ‘Natura 2000-activiteit’ genoemd en is vergunningsplichtig.

3.3.2 Geplande activiteit Het plangebied ligt niet in of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op afstand van het plangebied, vanaf circa 1,0 kilometer (zie figuur 4). Overige Nederlandse Natura 2000-gebieden, waaronder het Natura 2000-gebied ‘Landgoederen Brummen’ liggen op ruimere afstand van het plangebied, vanaf ruim 1,9 km. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van desbetreffende Natura 2000-gebieden verwacht. Er is geen sprake van oppervlakteverlies, versnippering, verdroging, geluidsverstoring etc. Hooguit kan er sprake zijn van negatieve effecten door stikstofdepositie. Stikstofdepositie Er is tijdens de werkzaamheden door in te zetten materieel en de verkeersbewegingen sprake van extra stikstofdepositie, tenzij er volledig gebruik gemaakt wordt van elektrisch materieel. Ook zou er tijdens de gebruiksfase sprake kunnen zijn van stikstofdepositie. Daarmee zijn er mogelijk negatieve effecten door extra stikstofdepositie op Natura 2000gebieden niet uit te sluiten.

Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om vast te stellen of er sprake is van een (significante) toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden als gevolg van de geplande activiteiten. Specifieke zorgplicht Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebieden (vanaf circa 1,0 km). Gezien de aard en beperkte omvang van de geplande activiteiten en de afstand tot Natura 2000gebieden zijn er in het kader van de specifieke zorgplicht geen maatregelen noodzakelijk, afgezien van eventueel noodzakelijke maatregelen om stikstofuitstoot te beperken of compenseren. Dit is afhankelijk van de uitkomsten van de nog uit te voeren AERIUSberekening.

Pagina 8

Op dit moment is nog niet vast te stellen is of de activiteit een ‘Natura 2000-activiteit’ is, omdat eerst een AERIUS-berekening moet worden uitgevoerd.

Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (blauw = Vogelrichtlijn VR, geel = Habitatrichtlijn HR, groen = VR + HR). Bron: natura2000.eea.europa.eu (2024).

3.4

Bijzondere natuurgebieden en landschappen

3.4.1 Algemeen Het Rijk kan bijzondere nationale natuurgebieden aangewezen hebben. Dit zijn gebieden die zijn aangewezen als vooruitloper op de aanwijzing of begrenzing als Natura 2000-gebied of gebieden die bescherming behoeve voor de instandhouding of herstel van biotopen en leefgebieden van in Nederland van nature in het wild voorkomende soorten genoemd in bijlage I Vogelrichtlijn of Bijlage I, II, IV of V Habitatrichtlijn. Voor de bescherming van bijzondere nationale natuurgebieden geldt de specifieke zorgplicht. De provincies kunnen bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen hebben aangewezen. Ter bescherming van deze gebieden zijn specifieke regels opgesteld.

Pagina 9

In Gelderland zijn dit de Gelderse streken en het UNESCO Werelderfgoed. Beide typen beschermd gebied kennen kernkwaliteiten. Gelderse streken: Gelderland is opgedeeld in elf karakteristieke streken. Deze kennen elk een aantal kernkwaliteiten. Als een omgevingsplan een activiteit of ontwikkeling toelaat, bevat de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten, in het bijzonder de nationale landschappen. Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat: a) per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap die in de betreffende Gelderse streek van toepassing zijn; en b) de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd. UNESCO Werelderfgoed: Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de UNESCO Werelderfgoederen, worden in het omgevingsplan regels gesteld in het belang van de instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten opgesteld voor het desbetreffende werelderfgoed. De regels houden in ieder geval in dat de kernkwaliteiten niet worden aangetast.

De toelichting op het omgevingsplan bevat: a) een beschrijving van de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten; en b) een beschrijving en motivering van de wijze waarop die kernkwaliteiten in stand worden gehouden of versterkt. Groen erfgoed: In Nederland zijn door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed verschillende groenstructuren aangeduid als groen erfgoed. Hieronder worden historische groenaanleggen zoals tuinen, parken, woonwijken, verdedigingswerken, begraafplaatsen, buitenplaatsen en landgoederen verstaan. Ook monumentale bomen en cultuurlandschappen met door de mens beïnvloed groen zoals (hakhout)bossen en houtwallen vallen ook onder de noemer Groen erfgoed.

3.4.2 Geplande activiteit Het plangebied waar de activiteit gaat plaatsvinden, ligt buiten UNESCO Werelderfgoed en er bevinden zich geen groene erfgoederen in het plangebied en de directe omgeving. Het plangebied bevindt zich in de Gelderse Streek ‘IJsselvallei’. Er zijn dertien kernkwaliteiten opgesteld voor deze Gelderse Streek (zie bijlage 3). Er is er geen sprake van aantasting van de opgestelde kernkwaliteiten door de geplande werkzaamheden. Voor bijzondere natuurgebieden en landschappen zijn geen preventieve of herstelmaatregelen noodzakelijk bij de geplande activiteiten.

Pagina 10

3.5

Beschermde houtopstanden

3.5.1 Algemeen De Omgevingswet beschermt houtopstanden vanaf 10 are of meer en bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogeheten ‘bebouwingscontour houtkap’. Als men voornemens is houtopstanden te kappen die onder de Omgevingswet vallen dan geldt een algemene meldplicht en een herplantplicht. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij deze regels niet gelden.

3.5.2 Geplande activiteit Van bomenkap is sprake. De werkzaamheden liggen buiten de bebouwingscontour houtkap. De bomenrij(en) in kwestie betreffen een laan van meer dan 20 bomen. Het betreft echter wel een ‘wegbeplanting van populier’, welke een uitzondering op de regel vormen (Besluit Activiteiten Leefomgeving, artikel 11.111 2a onder 1). Er is dus geen sprake van aantasting van beschermde houtopstanden. Er is eveneens geen sprake van een ‘Oude Bosgroeiplaats’. Voor deze activiteit is er dus geen sprake van een meldplicht en/of herplantingsplicht. Specifieke zorgplicht Voor houtopstanden geldt de specifieke zorgplicht. Deze geldt bij het vellen van houtopstanden, het aanplanten van bomen of nadat een houtopstand teniet is gedaan. Als deze handelingen nadelige gevolgen hebben voor de doelstellingen van de regels voor het vellen en herplanten van houtopstanden, te weten natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal en het beschermen van landschappelijk waarden, dan is de initiatiefnemer verplicht om de nadelige gevolgen te voorkomen te beperken of ongedaan te maken of achterwege te laten. In het plangebied is van bomenkap sprake. Er worden op aangrenzende kavels elzensingels en struweel aangeplant, dus er gaat geen areaal verloren, er komt enkel areaal bij. Dit kan gezien worden als een invulling van de specifieke zorgplicht.

Pagina 11

3.6

Conclusie gebiedsbescherming

Natuurnetwerk Nederland Er is geen sprake van aantasting van beschermde waarden of ontwikkelingsdoelen van het Natuurnetwerk Nederland. Vervolgstappen, zoals nadere toetsing, vergunningsaanvraag of het opstellen van een versterkingsplan is niet noodzakelijk. Bijzondere natuurgebieden en landschappen Voor bijzondere natuurgebieden en landschappen zijn geen preventieve of herstelmaatregelen noodzakelijk bij de geplande activiteiten. Natura 2000-gebieden Op dit moment is nog niet vast te stellen of de activiteit een ‘Natura 2000-activiteit’ is, omdat eerst een AERIUS-berekening moet worden uitgevoerd. Gezien de aard en beperkte omvang van de geplande activiteiten en de afstand tot Natura 2000-gebieden zijn er in het kader van de specifieke zorgplicht geen maatregelen noodzakelijk, afgezien van eventueel noodzakelijke maatregelen om stikstofuitstoot te beperken of compenseren. Dit is afhankelijk van de uitkomsten van de nog uit te voeren AERIUS-berekening. Beschermde houtopstanden Er is geen sprake is van aantasting van beschermde houtopstanden. Voor deze activiteit is er geen sprake van een meldplicht en/of herplantingsplicht. In kader van de specifieke zorgplicht voor beschermde houtopstanden zijn geen maatregelen nodig.

Pagina 12

4

Soortenbescherming in de Omgevingswet

4.1

Methode

Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een bronnenonderzoek en er is gericht veldonderzoek uitgevoerd.

4.1.1 Bronnenonderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over beschermde flora- en faunasoorten, soorten die staan opgenomen op de Rode Lijsten en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. De NDFF is echter niet vlakdekkend en volledig. In de NDFF is voor een zoekgebied met een straal van circa 1 km rond het plangebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten en soorten die staan op de Rode Lijsten, uit de afgelopen 10 jaar.

4.1.2 Veldonderzoek Onderzoekers van Staring Advies onderzochten het plangebied en nabije omgeving om een inschatting te maken van de beschermde soorten, Rode Lijstsoorten (flora en fauna) en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats (zie tabel 1). Bij het veldonderzoek is gebruik gemaakt van een verrekijker en fotocamera. Tabel 1. Veldonderzoek.

Onderzoeker

Datum

Tijd

Weersomstandigheden

S. van der Steeg & I. van Marwijk

01-04-2025

10.00 uur

Deels bewolkt, droog, 11°C, wind 3 Bft

Pagina 13

4.2

Resultaten

Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het bronnenonderzoek en het veldonderzoek.

4.2.1 Literatuuronderzoek Voor het literatuuronderzoek is de NDFF geraadpleegd. Voor het zoekgebied maakt de NDFF melding van de volgende beschermde en Rode Lijstsoorten: Flora De NDFF maakt voor het zoekgebied melding van het voorkomen van de volgende beschermde plantensoort. •

Nationaal beschermde soort: dreps.

De NDFF maakt melding van de volgende soorten hogere planten die op de Rode Lijst staan: Planten: Dreps, dubbelloof, Engelse alant, groot touwtjesmos, gulden sleutelbloem, kamgras, kartuizer anjer, karwij, karwijvarkenskervel, kleine bevernel, kleine ratelaar, korenbloem, kruisbladwalstro, moeraskruiskruid, moeraswolfsmelk, moeslook, rapunzelklokje, sikkelklaver, steenanjer, trosdravik, veldsalie, waterscheerling en zwartmoeskervel. Broedvogels De NDFF maakt voor het zoekgebied melding van diverse beschermde vogelsoorten en soorten die op de Rode Lijst staan. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kunnen hier of in de omgeving wel een territorium bezetten, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. De NDFF maakt melding van de volgende vogelsoorten waarvan de vaste rusten verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd (categorie 1) zijn: •

Boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw.

Daarnaast zijn er waarnemingen van categorie 2-soorten bekend. Categorie 2-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Het betreft de volgende soorten: •

Blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, grutto, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, kwartel, middelste bonte specht, oeverzwaluw, patrijs, raaf, spreeuw, tapuit, torenvalk, tureluur, veldleeuwerik, velduil, wulp, zeearend, zwarte kraai, zwarte mees en zwarte roodstaart.

De NDFF maakt melding van de volgende vogelsoorten die op de Rode Lijst staan:

Pagina 14

•

Blauwe kiekendief, boerenzwaluw, boomvalk, brilduiker, buidelmees, draaihals, gele kwikstaart, goudplevier, graspieper, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, grote karekiet, grote lijster, grote mantelmeeuw, grutto, huismus, huiszwaluw, keep, kemphaan, kneu, koekoek, kraanvogel, kramsvogel, matkop, nachtegaal, oeverloper, paapje, patrijs, raaf, ransuil, ringmus, roerdomp, slobeend, smient, snor, spotvogel, steenuil, tapuit, torenvalk, tureluur, veldleeuwerik, visdief, watersnip, wilde zwaan, wintertaling, wulp, zeearend, zomertaling, zwarte mees en zwarte stern.

Zoogdieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van de volgende beschermde zoogdiersoorten: •

•

Nationaal beschermde soorten: boommarter, bosmuis, bunzing, das, dwergspitsmuis, eekhoorn, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, steenmarter, vos en wezel1. Internationaal beschermde soorten: bever, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, otter en rosse vleermuis.

Daarnaast maakt de NDFF melding van een aantal Rode Lijst zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten: •

Bunzing, haas, hermelijn, konijn, laatvlieger en wezel.

Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van de volgende beschermde amfibieën: • •

Nationaal beschermde soorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en ringslang1 . Internationaal beschermde soorten: kamsalamander.

Daarnaast maakt de NDFF melding van de volgende Rode Lijstsoorten: •

Alver, kamsalamander en ringslang.

Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van de volgende beschermde ongewervelde dieren: • •

Nationaal beschermde soorten: grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder. Internationaal beschermde soorten: rivierrombout en teunisbloempijlstaart.

1 Deze soorten zijn, met uitzondering van de boommarter, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, ringslang,

steenmarter en wezel, in de provincie Gelderland vrijgesteld van de verboden als bedoeld in de Bal 11.54.

Pagina 15

Daarnaast maakt de NDFF melding van de volgende Rode Lijstsoorten: •

Bruin blauwtje, gewone korsetzweefvlieg, kleine ijsvogelvlinder, kleine kartuizerslak en wijngaardslak.

4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora Het plangebied betreft grotendeels intensieve agrarische percelen. Merendeels is er sprake van raaigrasland, op de overige percelen is er sprake van bouwland met maïs. De laan met grote (zwarte) populieren kent een marginale ondergroei en struweelrand met dauwbraam, rode kornoelje, wilg sp. en een enkele mei- en sleedoorn. Verder staan er soorten van voedselrijke bermen zoals speenkruid, fluitenkruid, grote brandnetel en paardenbloem. Er ligt ten noorden van de populierenlaan een ruigtestrook die grotendeels bestaat boswilg en riet. Aan de zuidkant van de populierenlaan ligt er nog een kleine watervoerende (waarschijnlijk ’s zomers droogvallende) greppel. Hierlangs staat nog pitrus en pinksterbloem. Langs het spoor, net buiten het plangebied, ligt een struweelrand/houtwal bestaande uit boswilg, riet, rode kornoelje, sleedoorn en meidoorn. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt melding van het voorkomen van de beschermde plantensoort dreps voor de omgeving van het plangebied. Deze soort wordt in het plangebied niet verwacht, door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Natuurlijke groeiplaatsen van overige beschermde soorten zijn ook niet in het plangebied en de directe omgeving van het plangebied aanwezig.

Dreps De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt melding van een waarneming van de beschermde dreps uit de IJsseluiterwaard. Dreps is een soort van zonnige, warme en droge, matig voedselarme en uitgesproken stikstofarme, basenrijke en vaak kalkhoudende grond (al of niet lemig zand en mergel) en ook op stenige plaatsen. Ze groeien in schrale- en kalkgraslanden, in bosschages langs bermen en dijken en op leisteenhellingen en zandsteenrotsen (bron: Verspreidingsatlas.nl). Dergelijk habitat is in het plangebied niet aanwezig. Rode Lijst Geen van de in de omgeving bekende Rode Lijstsoorten flora wordt in het plangebied verwacht, door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Voor een groot deel van de bekende Rode Lijstsoorten uit de omgeving van het plangebied geldt dat het specialisten zijn van voedselarme omstandigheden of van soorten die enkel bekend zijn langs de grote rivieren. Natuurlijke groeiplaatsen van deze soorten bevinden zich ook niet in de (wijde) omgeving van het plangebied.

Pagina 16

Broedvogels Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied en de directe omgeving de volgende vogelsoorten aangetroffen: blauwe reiger, boomkruiper, bruine kiekendief, buizerd, ekster, graspieper, grauwe gans, groene specht, grote bonte specht, grote Canadese gans, grote gele kwikstaart, havik, heggenmus, holenduif, houtduif, kauw, kleine mantelmeeuw, kneu, koolmees, meerkoet, ooievaar, pimpelmees, putter, roek, roodborst, roodborsttapuit, spreeuw, scholekster, tjiftjaf, vink, watersnip, wilde eend, winterkoning, witte kwikstaart en zwarte kraai. Jaarrond beschermde nesten (categorie 1) De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied het voorkomen van een aantal soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek zijn in de omgeving van het plangebied buizerd, grote gele kwikstaart, havik, ooievaar en roek waargenomen. Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer, wespendief en zwarte wouw. Tijdens het veldbezoek zijn de jaarrond beschermde boombewonende soorten buizerd, havik en roek in het plangebied en in de directe omgeving waargenomen. Bij de buizerd is balts (zie foto 1) en een paring waargenomen in het plangebied. Het is bij het opstellen van deze quickscan nog onduidelijk of deze buizerds ook broeden in het plangebied.

Het plangebied is geschikt als nestlocatie voor boombewonende soorten met jaarrond beschermde nesten. In de laan zijn diverse nesten aanwezig die bezet kunnen zijn door één van deze vogelsoorten. Door het ontbreken van voldoende dekking is het voorkomen van typische bosvogels als havik en wespendief op deze locatie uitgesloten.

Pagina 17

Foto 1. Baltsende buizerds boven het plangebied. Foto: Geanonimiseerd.

Voor de overige soorten (boomvalk, buizerd, ransuil, roek, sperwer en zwarte wouw) geldt dat zij kunnen broeden in het plangebied en de omgeving. Hiertoe heeft een nestencheck plaatsgevonden en wordt er nog aanvullend onderzoek uitgevoerd. Gierzwaluw en huismus Tijdens het veldbezoek zijn gierzwaluwen en huismussen niet waargenomen. Gierzwaluwen zijn echter op het moment van het veldbezoek (1 april) nog niet terug uit hun overwinteringsgebied in Afrika. Gierzwaluwen en huismussen zijn koloniebroeders die hun verblijfplaatsen doorgaans hebben in bebouwing. Nestlocaties liggen vaak in ruimtes tussen dakpannen en het dakbeschot, achter dakgootbekisting of in scheuren of spleten van muren van gebouwen. Er zijn geen gebouwen in het plangebied en ook de nabijgelegen kassen bieden geen geschikte nestlocaties voor huismus en gierzwaluw. In de wijde(re) omgeving van het plangebied liggen verschillende woningen en boerderijen die waarschijnlijk wel broedgelegenheid bieden, hierdoor zal er af en toe een huismus of gierzwaluw het plangebied doorkruisen, maar is er van essentieel leefgebied geen sprake. Grote gele kwikstaart Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van deze jaarrond beschermde vogelsoort bekend. Het betreft hoofdzakelijk waarnemingen van overvliegende, foeragerende en pleisterende exemplaren buiten de broedtijd van de soort.

Tijdens het veldbezoek is er een overvliegend exemplaar gehoord. Er zijn geen broedgevallen bekend vanuit het plangebied en de omgeving (bron: NDFF). Beken en andere waterlopen zijn het

Pagina 18

belangrijkste habitat voor de grote gele kwikstaart, waarbij als broedlocatie vrijwel altijd een sluis, watermolen, stuw of ander bouwwerk nabij het water wordt uitgekozen. Bij voorkeur zijn die beken en rivieren snelstromend, maar hij broedt ook aan zwak of zelfs nauwelijks stromend water. Het broeden in bebouwd gebied, en met name in dorpen waar een beek doorheen loopt, komt in de bolwerken (Twente, Achterhoek, Limburg) van de grote gele kwikstaart regelmatig voor (bron: Vogelbescherming Nederland). In het plangebied ontbreekt het aan geschikte broedlocaties voor de grote gele kwikstaart. Incidenteel kunnen foeragerende of rustende grote gele kwikstaarten in de directe omgeving van het plangebied worden aangetroffen. Kerkuil en steenuil Er zijn waarnemingen van de kerk- en steenuil bekend vanuit de omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn er geen kerk- en steenuilen waargenomen. De kerkuil en steenuil zijn kenmerkende vogelsoorten van erven van burgerwoningen en boerderijen in het agrarische cultuurlandschap. Het ideale leefgebied van de steenuil wordt bepaald door een open tot halfopen landschap met een afwisselend korte en verruigde vegetatie, erven met bebouwing, beplanting, tuinen, moestuinen en weilandjes met vee en voldoende nestplaatsen in de vorm van boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen.

Verder is het belangrijk dat er een gevarieerd prooiaanbod is in het territorium, dan wel de directe omgeving, zoals muizen, regenwormen en insecten (bron: Kennisdocument Steenuil, BIJ12). Door de afwezigheid van geschikte en vrij toegankelijke gebouwen, speciale nestkasten, holle knotbomen en sporen die de aanwezigheid van een nestplek aannemelijk maken, zoals braakballen, veren of krijtstrepen, worden geen nestlocaties van de kerk- en steenuil verwacht. Ooievaar Van de ooievaar zijn vanuit de NDFF uitsluitend waarnemingen van overvliegende exemplaren bekend. Tijdens het veldbezoek zijn er drie foeragerende exemplaren waargenomen. In het plangebied en de directe omgeving is er geen ooievaarsnest gezien. Nestlocaties zoals kunstnesten, gebouwen en geschikte bomen zijn niet gezien en kunnen uitgesloten worden. Slechtvalk Slechtvalken maken zelf geen nesten. Nestkasten in hoge gebouwen, oude nesten van roofvogels en kraaien in open agrarisch gebied en hoogspanningsmasten worden door de slechtvalk als nestlocatie gebruikt. In Nederland broedt het merendeel in steden in speciale nestkasten die vaak bij kerktorens, kantoorgebouwen of zendmasten worden geplaatst (bron: SOVON, 2018). Dergelijke gebouwen zijn in of nabij het plangebied niet aanwezig. Een nestlocatie van de slechtvalk kan worden uitgesloten in het plangebied.

Categorie 2 De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied diverse categorie 2-soorten.

Pagina 19

Tijdens het veldbezoek zijn er zes categorie 2-soorten vastgesteld in het onderzoeksgebied, namelijk blauwe reiger, boomkruiper, groene specht, grote bonte specht, spreeuw en zwarte kraai. Van de boomkruiper, grote bonte specht en spreeuw is het aannemelijk dat zij in de populieren van de Sprabanenweg broeden. Het is onduidelijk of zij ook daadwerkelijk broeden in één van de populieren die weggaan. Enkel de boomkruiper is vastgesteld in dit specifieke stuk. In het plangebied zelf is er maar zeer beperkt geschikte nestgelegenheid voor deze soorten aanwezig. In de populierenlaan zijn twee holtes vastgesteld die geschikte broedlocaties kunnen vormen voor holtebroeders als grote bonte specht en spreeuw. In enkele takkennesten in de populierenlaan kunnen torenvalk en zwarte kraai broeden. Op de agrarische percelen en gebouwen in de directe omgeving van het plangebied kunnen wel enkele categorie 2-soorten broeden. Het betreft met name enkele weide- of akkervogels als tureluur, patrijs, veldleeuwerik en heel misschien een grutto of wulp. Op de bebouwing van het kassencomplex e.o. zouden soorten als spreeuw en zwarte roodstaart kunnen broeden. Vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties van overige jaarrond beschermde vogelsoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikte broedgelegenheden.

Rode Lijst De NDFF vermeldt voor het plangebied en de directe omgeving een aantal Rode Lijst soorten. Tijdens het veldbezoek zijn de graspieper, kneu en watersnip vastgesteld. In het plangebied is er geschikt broedbiotoop voor de boomvalk, gele kwikstaart, kneu, patrijs, ransuil, ringmus, spotvogel, torenvalk, tureluur, veldleeuwerik en wellicht een wulp. Door de plannen, wordt het plangebied minder geschikt maar de directe omgeving (onderzoeksgebied) wordt geschikter voor veel van deze soorten door aanleg van struweel en singels. Zie inpassingsplan (figuur 3). Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied (sporen van) das, rosse woelmuis, haas, mol en ree aangetroffen. NDFF maakt melding van de beschermde bever, boommarter, bosmuis, bunzing, das, dwergspitsmuis, eekhoorn, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, otter, ree, rosse woelmuis, steenmarter, vos en wezel (zie paragraaf 4.2.1). De verschillende struweelranden kunnen leefgebied vormen voor het merendeel van deze soorten. Enkel watergebonden soorten als otter en bever kunnen direct worden uitgesloten, doordat er maar een klein slootje aan open water in de nabijheid van het plangebied aanwezig is. Deze soorten zullen dus vooral in de dode rivierarm rondom het plangebied aanwezig zijn, maar zijn binnen het plangebied uitgesloten.

Nabijgelegen groenstructuren kunnen onderdeel zijn van het leefgebied van het merendeel van deze soorten. Voor een deel van de in het onderzoeksgebied potentiele grondgebonden zoogdiersoorten geldt een vrijstelling in Gelderland. Deze vrijstelling geldt niet voor

Pagina 20

boommarter, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en wezel. Deze soorten worden hieronder verder beschreven. Boommarter Uit de omgeving van het plangebied is er één waarneming van een boommarter bekend. Het plangebied zelf is door de openheid en het agrarisch gebruik grotendeels ongeschikt als leefgebied voor de boommarter. De bosschages langs het spoor aan de westzijde van het plangebied zijn geschikt als leefgebied voor de soort. Hier bevinden zich echter geen geschikte nestlocaties (holle bomen). Boommarters kunnen echter ook oude vogelnesten als verblijfplaats gebruiken. Dergelijke nesten zijn aanwezig in de populierenlaan. Door de vrij geïsoleerde ligging ten opzichte van de bestaande leefgebieden, het ontbreken van waarnemingen uit het plangebied, de afwezigheid van holle bomen kan echter aangenomen worden dat het plangebied geen functioneel leefgebied voor de boommarter is. Bunzing, hermelijn en wezel Vanuit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van de kleine marterachtige bunzing, hermelijn en wezel bekend (bron: NDFF). Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) komen voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar de voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden.

Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. De bunzing is vooral gebonden aan gebieden met water. Hermelijn en wezel komen in vergelijkbare landschapstypen voor, maar zijn over het algemeen minder gebonden aan waterrijke gebieden. Het plangebied kent enkele lijnvormige groenstructuren die als leefgebied voor kleine marterachtigen kunnen dienen. De agrarische percelen zijn te intensief om te dienen als leefgebied voor kleine marterachtigen. De populierenlaan is geschikt leefgebied en kent enkele muizenholletjes die als verblijfplaats kunnen dienen. Ten noorden van de populierenlaan ligt een struweelrand van riet en boswilg die geschikt leefgebied vormt (zie foto 2). Aan de zuidkant ligt nog een omgezaagde populier die een schuilplaats kan bieden aan kleine marterachtigen. De bosschages langs het spoor kunnen eveneens schuilplaatsen bieden en een migratieroute. In de huidige plannen wordt deze groene noord-zuidader versterkt en verbreed.

Pagina 21

Foto 2. Struweelrand noordzijde plangebied. Foto: Geanonimiseerd.

Das Er zijn vele dassensporen in het plangebied aangetroffen. De soort is ook bekend uit de omgeving (bron: NDFF). De dassenprenten zijn over vrijwel de gehele lengte van het plangebied naast de spoordijk aangetroffen. Met name op een maïsakker net ten noorden van de populierenlaan zijn er nogal wat prenten gezien (zie foto 3). Hoewel er geen burcht gevonden is, doen de vele wissels vermoeden dat de burcht(en) in/onder/bij de spoordijk zit(ten). Hier zit ook veel dassenhaar aan het prikkeldraad (zie foto 4). Dit is ook het enige hoge, droge punt in deze omgeving. Er is al intensiever gezocht, maar de verwachting is doordat de wissels de dijk oplopen (zie foto 5 en 6), het spoor op, en het gebrek aan gaten/graafsporen aan de noordzijde, dat de ingang(en) van deze burcht(en) aan de andere zijde van het spoor zitten. In verband met veiligheid is dit niet onderzocht.

Pagina 22

Foto 3 (links): dassenprent. Foto 4 (rechts): dassenhaar aan prikkeldraad (onderdeel van de afrastering tussen perceel/plangebied en het spoor). Foto’s: Geanonimiseerd.

Foto 5 en 6: Wissels spoordijk op. Foto’s: Geanonmiseerd.

Eekhoorn Er zijn uit de omgeving van het plangebied enkele waarnemingen van eekhoorns bekend (bron: NDFF). Eekhoorns leven in een groene omgeving, wat ook parken en tuinen kan behelzen. Het plangebied betreft een vrij kale populierenlaan zonder andere opgaand groen in de nabijheid. Ook zijn er geen eekhoornnesten aangetroffen. Doordat het maar marginaal geschikt leefgebied is en er geen aanwijzingen zijn dat er eekhoorns in het plangebied aanwezig zijn, kan de eekhoorn worden uitgesloten in het plangebied.

Pagina 23

Steenmarter Uit de omgeving van het plangebied zijn verspreide waarnemingen van de steenmarter bekend (bron: NDFF). Steenmarters gebruiken loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor de steenmarter, doordat dergelijke bijgebouwen ontbreken. In de omgeving zijn dergelijke gebouwen en daarmee kan een passerende steenmarter wel verwacht worden, maar zal er van een verblijfplaats geen sprake zijn. Overige beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht, door het ontbreken van geschikt leefgebied. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen vaste verblijfplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdiersoorten aangetroffen. Rode Lijst De NDFF vermeldt voor het plangebied en de directe omgeving de volgende Rode Lijst soorten: bunzing, haas, hermelijn, konijn en wezel. De Rode Lijstsoorten bunzing, hermelijn en wezel zijn hierboven reeds behandeld. Haas en konijn Konijn en haas zijn bekend uit de omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn er drie hazen aangetroffen binnen het plangebied. Er zijn geen (sporen van) konijnen aangetroffen in het plangebied.

Voor het konijn en haas is er voldoende geschikt leefgebied binnen het plangebied, alhoewel voor het konijn wel geldt dat het merendeel van de agrarische percelen zelf te nat zijn voor een geschikte burcht. Voor hazen is wel het hele plangebied geschikt leefgebied. Overige grondgebonden zoogdiersoorten die zijn opgenomen op de Rode Lijst worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied in het plangebied en directe omgeving. Vleermuizen De NDFF maakt melding van de laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen In het plangebied staan geen gebouwen, waardoor verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten uit te sluiten zijn. In de wijde omgeving zijn er wel gebouwen aanwezig, hier zijn dergelijke verblijfplaatsen wel mogelijk. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In het plangebied is een laan met grote populieren aanwezig. Een deel van deze laan zal gekapt worden. In de te kappen bomen zijn drie mogelijk geschikte boomholtes aanwezig (zie foto 7 en 8). Dit kunnen geschikte verblijfsruimten voor boombewonende vleermuizen,

Pagina 24

zoals de baardvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis zijn.

Foto 7 en 8: Mogelijk geschikte boomholtes in te kappen bomen. Foto’s: Geanonimiseerd.

Vliegroutes en foerageergebied(en) Het plangebied wordt doorsneden door een laan van grote populieren, dit is in de ruime omgeving de grootste opgaande groenstructuur en is dus mogelijk een essentieel foerageergebied. Doordat het een groot, lijnvormig element is, zou het ook een essentiële vliegroute kunnen zijn. De omliggende agrarische percelen en struweelranden zijn vliegroutes en foerageergebieden, omdat het vooral open terrein betreft wat in de omgeving ook voldoende voor handen is. Rode Lijst De NDFF vermeldt voor het plangebied en de directe omgeving de volgende Rode Lijst soort: laatvlieger. Deze soort is reeds behandeld. Overige vleermuissoorten die zijn opgenomen op de Rode Lijst worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied in het plangebied en directe omgeving. Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF meldt de beschermde bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en ringslang voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). In het plangebied is er beperkt open water (klein slootje) en enkele bosschages te vinden. Van een voortplantingshabitat, landhabitat of winterverblijfplaats voor algemene amfibieën kan dus sprake zijn. Het merendeel van deze soorten zijn vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit geldt niet voor de kamsalamander en ringslang.

Deze worden hieronder verder uitgewerkt Kamsalamander De kamsalamander heeft een voorkeur voor relatief grote, diepe en stilstaande wateren. Die

Pagina 25

wateren zijn tenminste gedeeltelijk begroeid met waterplanten, niet verontreinigd en bevatten gewoonlijk geen vis. De kamsalamander verkiest als landhabitat kleinschalige landschapselementen, zoals hagen, houtwallen, rijen knotbomen, en vochtige bosjes. De soort overwintert meestal op land, onder boomstammen, stenen, puin en in ondergrondse holen. Met name jonge dieren kunnen afstanden tot circa 1 kilometer per jaar afleggen (bron: RAVON). Dergelijk habitat is in de dode rivierarm bij Empe wel te vinden, maar het slootje nabij het plangebied is dit niet. Het voorkomen van de kamsalamander is uitgesloten in het plangebied. Ringslang Ringslangen zijn bekend uit de omgeving van het plangebied. Bijna alle waarnemingen komen van de omgeving van de dode rivierarm ten noorden, westen en zuiden van het plangebied. In het plangebied is marginaal geschikt foerageergebied aanwezig, namelijk het slootje ten zuiden van de populierenlaan. Hier zullen de nodige amfibieën (prooien) aanwezig zijn. Overwinteringsplaatsen (hoge, droge plekken) of voortplantingshabitat (bijvoorbeeld broeihopen) zijn niet in het plangebied aanwezig. De meest waarschijnlijke overwinteringsplaats voor de ringslangen zal de spoordijk zijn. Dit spoortalud biedt ook de nodige opwarmingsplekken aan de zuidrand, en onderaan het spoortalud (noord- en zuidzijde) ook foerageergebied.

Dit zijn behoorlijk vochtige stukken met rietruigte en boswilg. Het slootje in het plangebied sluit aan op dit leefgebied. Derhalve kan ringslang niet worden uitgesloten in het plangebied. Het voorkomen van overige beschermde amfibieën, reptielen en vissen is uitgesloten. Rode Lijst De NDFF vermeldt voor het plangebied en de directe omgeving de volgende soorten die staan opgenomen op de Rode Lijst: alver, kamsalamander en ringslang. Zoals reeds aangegeven ontbreekt geschikt leefgebied voor de kamsalamander in het plangebied en kan er wel een ringslang foerageren. Het open water in het plangebied, te weten het slootje, biedt geen geschikt leefgebied voor een rheofiele soort als de alver. Overige soorten amfibieën, reptielen of vissen die zijn opgenomen op de Rode Lijst worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied in het plangebied en directe omgeving. Ongewervelde dieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen. Deze zijn echter op het moment van het veldbezoek grotendeels niet actief. De NDFF vermeldt het voorkomen van de beschermde grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, rivierrombout en teunisbloempijlstaart voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1).

Pagina 26

Grote weerschijnvlinder In de omgeving van het onderzoeksgebied is er een waarneming van deze dagvlinder bekend (bron: NDFF). Het gebied rondom de dode rivierarm is geschikt leefgebied voor de grote weerschijnvlinder. Hier staan de waardplanten (boswilg) en is sprake van vochtige bossen. Van de aanwezigheid van (vaste) populaties in het plangebied is geen sprake, door het ontbreken van geschikt leefgebied. Incidenteel zouden er rondzwervende volwassen exemplaren in het plangebied en de omgeving hiervan aangetroffen kunnen worden. Kleine ijsvogelvlinder De kleine ijsvogelvlinder is gebonden aan vochtige, structuurrijke bossen waar de waardplant wilde kamperfoelie aanwezig is. Buiten deze leefgebieden kunnen zwervende exemplaren aangetroffen worden. In het plangebied ontbreekt geschikt habitat voor deze dagvlindersoort. Incidenteel kan een rondzwervend exemplaar in het plangebied aangetroffen worden en eventuele vesting van deze soort in het onderzoeksgebied is mogelijk. Rivierrombout Uit de omgeving van het plangebied zijn diverse waarneming bekend van de beschermde rivierrombout (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek is deze libellensoort niet aangetroffen. Het veldbezoek is echter ook buiten de reguliere vliegperiode van deze soort uitgevoerd.

Deze soort wordt ook niet verwacht in het plangebied, aangezien geschikt (larven) leefgebied, zoals zandig substraat in stromingsluwe riviertrajecten, ontbreekt. Teunisbloempijlstaart Uit de omgeving van het onderzoeksgebied zijn enkele waarnemingen van deze nachtvlindersoort bekend (bron: NDFF). Het leefgebied van de teunisbloempijlstaart bestaat voornamelijk uit vochtige open plekken in bossen en bosranden, vooral in rivierdalen. De soort wordt echter ook gevonden op zandige, braakliggende en ruderale terreinen in en rond het stedelijk gebied. Waardplant van deze nachtvlinder is de teunisbloem, maar de rupsen worden ook op andere planten uit de familie Onagraceae aangetroffen, zoals wilgenroosje en harig wilgenroosje. Het harig wilgenroosje is volop aangetroffen bij het veldbezoek, met name bij de greppels ten noorden van de laan. Overige soorten Onagraceae kunnen ook niet uitgesloten worden in het plangebied. Derhalve kan ook de teunisbloempijlstaart niet uitgesloten worden in het plangebied. Rode Lijst De NDFF noemt het voorkomen van de Rode Lijstsoorten bruin blauwtje, gewone korsetzweefvlieg, kleine ijsvogelvlinder, kleine kartuizerslak en wijngaardslak voor de omgeving van het plangebied. De kleine ijsvogelvlinder is reeds behandeld. Het merendeel van deze soorten komt voor op ruderale terreinen, terwijl een deel voorkomt in vochtige milieus, bossen en bosranden.

Dergelijk habitat (zowel ruderaal terrein als vochtige bossen en bosranden) is in het plangebied marginaal aanwezig. In de huidige plannen, waarbij de agrarische percelen worden omgebouwd tot ofwel een kas ofwel natuurcompensatie, is de

Pagina 27

aanname dat er per saldo meer leefgebied komt voor deze soorten. Uitzondering is de wijngaardslak, welke vooral voorkomt op warme, droge plaatsen. Dat is in de directe omgeving van het plangebied enkel het spoortalud. Derhalve worden er in het plangebied geen wijngaardslakken verwacht. Overige soorten ongewervelden die zijn opgenomen op de Rode Lijst worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied in het plangebied en directe omgeving.

Pagina 28

4.3

Consequenties soortenbescherming

Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel soorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen (zie bijlage 2). In dit hoofdstuk worden de nadelige effecten van de flora-en fauna-activiteit op beschermde soorten, flora- en faunasoorten die staan opgenomen op de Rode Lijsten en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats besproken. Er is sprake van een vergunningsplichtig geval als schadelijke handelingen2 plaatsvinden met betrekking tot beschermde soorten. Om dit vast te kunnen stellen is mogelijk aanvullend onderzoek noodzakelijk. Hierover wordt in dit hoofdstuk geadviseerd. Tevens wordt in dit hoofdstuk in het kader van de specifieke zorgplicht aangegeven of er door de activiteit nadelige gevolgen zijn voor flora en fauna soorten, die opgenomen staan op de Rode Lijsten en de voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Als nadelige gevolgen worden verwacht dan wordt aangegeven hoe deze voorkomen kunnen worden, beperkt kunnen worden of ongedaan gemaakt kunnen worden.

Tijdens en na het verrichten van de activiteit moet nagegaan worden of de getroffen passende preventieve maatregelen de beoogde effecten hebben. Flora Wettelijk: Beschermde soorten Beschermde plantensoorten of Rode Lijstsoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en het aanvragen van een omgevingsvergunning is dan ook niet noodzakelijk. Specifieke zorgplicht: Soorten Rode Lijst Het treffen van maatregelen in het kader van de specifieke zorgplicht is niet noodzakelijk. In het plangebied en de directe omgeving worden geen Rode Lijstsoorten verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen.

2 De inhoud van de schadelijke handelingen komen overeen met de verbodsbepalingen van de soortenbeschermingsregimes

uit de Wet natuurbescherming, aangezien deze rechtstreeks voortkomen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen.

Pagina 29

Broedvogels Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Omgevingswet (Vogelrichtlijn). Het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep is niet toegestaan. Activiteiten moeten bij voorkeur buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden, waarbij voorkomen wordt dat broedvogels zich vestigen in het plangebied. Werkzaamheden mogen plaatsvinden, zo lang er maar geen broedvogels verstoord worden. Wettelijk: Beschermde soorten Soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 ) In het plangebied is er geschikt broedbiotoop voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Dit zijn dan enkele takkennesten (oude kraaiennesten en een roofvogelhorst). In de populierenlaan kunnen boomvalk, buizerd, ransuil en sperwer broeden. Aanvullend onderzoek naar vogels met jaarrond beschermde nesten is noodzakelijk. Categorie 2 soorten In het plangebied is geschikt broedbiotoop voor categorie 2-soorten. Dit is uit te splitsen in meerdere ecologische soortgroepen: er zijn holtebroeders die in de laan kunnen broeden (boomkruiper, groene specht, grote bonte specht en spreeuw), er zijn vogels die in de takkennesten kunnen broeden (torenvalk en zwarte kraai) en er zijn akker- of weidevogels die op de agrarische percelen kunnen broeden, zoals patrijs, grutto, tureluur, veldleeuwerik en wulp.

Door de schaal van de ingreep is er niet op voorhand uit te sluiten dat er geen negatieve effecten op deze soorten zijn. Daarom is er voor deze soorten een aanvullend onderzoek noodzakelijk. Specifieke zorgplicht: Soorten Rode Lijst In het plangebied en de directe omgeving is geschikt broedbiotoop voor veel Rode Lijstsoorten. In de omgeving van het plangebied kunnen boomvalk, gele kwikstaart, kneu, patrijs, ransuil, ringmus, spotvogel, torenvalk, tureluur, veldleeuwerik en wellicht een wulp broeden. Om negatieve effecten op eventueel in de omgeving broedende Rode Lijstsoorten te voorkomen moeten de werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden. De werkzaamheden mogen plaatsvinden, zo lang er maar geen broedvogels verstoord worden.

Pagina 30

Grondgebonden zoogdieren Wettelijk: Beschermde soorten In het plangebied is geschikt foerageergebied voor de das aanwezig. De burcht(en) is/zijn aanwezig onder het spoor. Er is aanvullend onderzoek naar de das noodzakelijk om vast te stellen hoeveel dassen er aanwezig zijn in de spoordijk en hoe het plangebied gebruikt wordt door deze dassen. Uit dit aanvullend onderzoek volgt dan of er een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) is er geschikt leefgebied aanwezig. Zowel foerageergebied als verblijfplaatsen zouden aanwezig kunnen zijn in het plangebied. Voor kleine marterachtigen geldt dat de provincie Gelderland initiatiefnemers de keuze geeft voor (spoor 1) het uitvoeren van een nader onderzoek wanneer niet kan worden uitgesloten dat er kleine marterachtigen binnen een projectgebied voorkomen of (spoor 2) het direct aanvragen van een vergunning op basis van een leefgebiedenbenadering en een opgesteld mitigatieplan. In dit geval is, doordat er al natuurcompensatie gepland is, het meest logisch om voor spoor 2 te kiezen en de maatregelen voor kleine marterachtigen in te passen in de huidige plannen. Aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de Omgevingswet is niet noodzakelijk voor de overige beschermde grondgebonden zoogdiersoorten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zutphen&id=9cdcd4fa-3275-4043-87b8-6b4caa926cf4