ECLI NL RBDHA 2022 9119
Tekst van het document
De Staat heeft in dat kader met name naar voren gebracht dat het niet de Staat is die de geuroverlast
veroorzaakt. Dit gegeven leidt volgens de rechtbank echter niet tot de conclusie dat het causaal verband al op voorhand afwezig kan worden geacht, omdat in de individuele gevallen sprake zou kunnen zijn van (mede)aansprakelijkheid van de Staat vanwege de schending van artikel 8 EVRM. Partijen kunnen over het causaal verband verder debatteren in de schadestaatprocedure, evenals over de door de Staat opgeworpen vraag of de schade niet deels het gevolg is van eigen keuzes van eisers, waarmee de Staat kennelijk doelt op het leerstuk van de eigen schuld. Conclusie / proceskosten / uitvoerbaar bij voorraadverklaring 4.30. Ten aanzien van de onder 4.22 genoemde eisers is vast komen te staan dat het wettelijk systeem hen niet afdoende beschermt, of heeft beschermd tegen stankoverlast, terwijl bovendien ten aanzien van hen redelijke en passende maatregelen achterwege zijn gebleven. De Staat heeft ten aanzien van hen zijn uit artikel 8 EVRM voortvloeiende verplichtingen geschonden. Dit leidt tot de onder 5.1 opgenomen verklaring voor recht die als het mindere heeft te gelden van de onder 3.1 sub 1 weergegeven vordering. De hoogte van de schadevergoeding zal – als geen minnelijke overeenstemming daarover mogelijk zal blijken – in een afzonderlijke schadestaatprocedure moeten worden vastgesteld. De onder 3.1 sub 2 weergegeven vordering zal ten aanzien van alle eisers worden afgewezen.
4.31. De Staat zal in de zaken van de onder 4.22 genoemde eisers als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Nu deze eisers gezamenlijk zijn opgetrokken in de procedure, zal de Staat éénmaal € 139,59 aan kosten dagvaarding, € 304 aan griffierecht en € 1.407,50 (2,5 punten tegen tarief II van € 563 per punt) aan salaris advocaat dienen te betalen. Een afzonderlijke veroordeling tot vergoeding van nakosten blijft achterwege, omdat een dergelijke veroordeling al in de proceskostenveroordeling besloten ligt. Nu de Staat in deze procedure niet of nauwelijks extra kosten heeft moeten maken ten aanzien van de eisers die niet in het gelijk worden gesteld, zal geen proceskostenveroordeling worden uitgesproken ten aanzien van deze eisers. 4.32. Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De Staat heeft verweer gevoerd op dit punt, dat eruit bestaat dat eisers geen acute situatie aannemelijk hebben gemaakt waardoor een beslissing in een eventueel hoger beroep niet kan worden afgewacht. Het is echter geen vereiste voor uitvoerbaar bij voorraad-verklaring dat een dergelijke situatie komt vast te staan. Het komt veeleer aan op een afweging van de belangen van partijen. Het belang van een partij die een vordering toegewezen krijgt, wordt verondersteld.
Nu de Staat geen belang bij het achterwege laten van een uitvoerbaar bij voorraadverklaring heeft aangevoerd en dit – nu een “wetgevingsgebod” achterwege blijft – ook niet is gebleken, wordt het verweer van de Staat op dit punt verworpen.
5 De beslissing De rechtbank: 5.1. verklaart voor recht dat de Staat onrechtmatig handelt jegens eisers [eisende partij sub 2] , [eisende partij sub 7] , [eisende partij sub 8] , [eisende partij sub 12] , [eisende partij sub 14] en [eisende partij sub 16] en onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 9] doordat de bescherming tegen geurhinder die de Wgv hen biedt in het licht van artikel 8 EVRM tekortschiet, respectievelijk heeft tekortgeschoten en ten aanzien van hen geen redelijke en passende maatregelen zijn genomen; 5.2. veroordeelt de Staat tot vergoeding van de ten gevolge van deze onrechtmatigheid veroorzaakte
schade van de onder 5.1 genoemde eisers op te maken bij staat; 5.3. veroordeelt de Staat in de (na)kosten van dit geding van de onder 5.1 genoemde eisers, te weten in totaal € 1.851,09; 5.4. verklaart de onder 5.2 en 5.3 opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 5.5. wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass, mr. J.S. Honée en mr. A.G. Castermans en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2022.