GEWIJZIGD Bijlage 2 Herstelbesluit Bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 – Toelichting A25.003851
Tekst van het document
In droge perioden zal meer water aanvoer nodig zijn om effecten van droogte tegen te gaan en kan hitte een negatief effect hebben op de waterkwaliteit. Daarnaast kan de te verwachten zeespiegelstijging tot een toename van de kweldruk vanuit de ondergrond zorgen. Zeespiegelstijging kan ook gevolgen hebben op een eventuele overstromingsdiepte wanneer er sprake is van een doorbraak van een waterkering. De belangrijkste maatregelen om het gebied toekomstbestendig te maken en te realiseren zijn:
Sweco | Herstelbesluit Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum 31-10-2025
Versie Vastgesteld 94/122
1. In het gebied ligt een oude kreekrug in de ondergrond. Deze kreekrug heeft een steviger grondslag en is gemiddeld hoger gelegen dan het omliggende gebied. Op de kreekrug wordt daarom met een hogere dichtheid gebouwd. In het omliggende gebied de Watertuinen wordt gekozen voor wonen op terpen en worden alternatieve bouwvormen onderzocht zoals wonen op palen (stelten) en drijvend wonen. Er zal minder autonome bodemdaling zijn op de kreekrug. 2. Aanvoer van water van buiten het plangebied wordt zoveel mogelijk voorkomen. Het watersysteem van het plangebied is onlosmakelijk verbonden met het omliggende watersysteem en kan ook in de toekomst op het vlak van waterkwantiteit en waterkwaliteit (afvoer) beïnvloed worden door het achterliggende gebied, bijvoorbeeld door het resterend afvoergebied Bierhoogt (deel tussen Bredeweg, Noordeinde en A12). De precieze werking van aan- en afvoer naar en via het plangebied wordt in het waterhuishoudingsplan uitgewerkt. 3. De daadwerkelijk optredende peilfluctuatie in de verschillende gebieden is afhankelijk van neerslag, verdamping en kwel en aan- en afvoer tussen verschillende deelgebieden in het plangebied. a. Het waterpeil zal in de Watertuinen en het Kreekrugdorp in de toekomst fluctueren binnen een bandbreedte van tussen 0,30 meter en 0,50 meter rond een peil van -5,80 meter NAP.
In het waterhuishoudingsplan wordt onderzocht of een peilfluctuatie van bijvoorbeeld 0,50 beter aansluit bij de ambities voor het woongebied. b. Het waterpeil in het Energielandschap en de 4e tocht zal tevens fluctueren. Er wordt hier voor een hoger waterpeil gekozen (gelegen tussen de huidige situatie en tot aan het nieuwe peil in de Watertuinen en Kreekrugdorp). Gelet op de toekomstige functies wordt het maaiveldniveau niet verhoogd. Het waterpeil komt hoger dan het vigerende waterpeil (-7,12/-6,92 m NAP). Hiermee zal de kwelflux afnemen en mogelijk neutraliseren. Nadere studie naar de relatie van het nieuwe waterpeil tot bestaande en nieuwe infrastructuur (o.a. wegen, buisleidingen en KV station) alsmede een relatief laag maaiveldniveau zal nog plaatsvinden. De exacte peiluitwerking wordt in het waterhuishoudingsplan vastgesteld. c. Ook in het deelgebied Energielandschap, inclusief 4e tocht is het vertrekpunt dat het peil fluctueert binnen een nader te bepalen bandbreedte (minimaal 0,30 meter). Nadere uitwerking volgt in het waterhuishoudingsplan. d. In het Koning Willem I Bos en de bedrijventerreinen Gouwepark II en Doelwijk II zal het waterpeil worden gehandhaafd zoals beschreven in het vigerende peilbesluit. De aanwezige peilafwijking in het toekomstige Gouwepark II wordt opgeheven. Het waterpeil fluctueert tussen een minimaal en maximaal peil van -6,32 / -6,42 m NAP.
De fluctuaties volgen waar mogelijk de seizoenen met neerslagoverschot en neerslagtekort. 4. Met het nieuwe waterpeil wordt ook ingespeeld op het effect van zeespiegelstijging op de kweldruk. Op basis van bestaande onderzoeken wordt aangenomen dat het effect van zeespiegelstijging op de kweldruk naar verwachting zeer klein is, en te bepalen is op 5%
Sweco | Herstelbesluit Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum 31-10-2025
Versie Vastgesteld 95/122
tot maximaal 10% van de betreffende zeespiegelstijging. Dus: in het geval van een zeespiegelstijging van 1 meter, is de geschatte toename van de stijghoogte 5 tot 10 cm. Met een peil van (onderkant minimale peilfluctuatie) -5,95 meter NAP en een huidige stijghoogte van -6 meter NAP zal een toename van een zeespiegelstijging van 1 meter nog niet leiden tot een potentiële kwelsituatie. 5. Met de voorgestelde waterpeilen wordt kwel jaarrond weggedrukt. De stijghoogte in het eerste watervoerend pakket wordt op dit moment namelijk geschat op gemiddeld -6,00 meter NAP. Met het accepteren van peilfluctuatie wordt geanticipeerd op de jaarrond optreden van neerslag- en verdampingsoverschot. De fluctuatie in waterpeil draagt bij aan de waterkwaliteit (door wateraanvoer van buiten het woongebied te beperken) en ecologische kwaliteit in het gebied. 6. Om de robuustheid van het systeem op het gebied van waterkwaliteit zo groot mogelijk te maken, moeten – naast het wegdrukken van kwel maatregelen getroffen worden om nutriëntenbelasting op het systeem zoveel mogelijk te beperken, zowel vanaf het land als vanuit de waterbodem. 7. Om in de toekomst de waterkwaliteit te verbeteren, moet oppervlaktewater in het plangebied voldoende en gevarieerde waterdiepte hebben.
Daarnaast zorgen inrichtingsmaatregelen, waaronder natuurvriendelijke oevers (zonder harde beschoeiing) en plas-dras bermen voor een bijdrage aan de robuustheid van het watersysteem. 8. Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater en grondwater te voorkomen wordt geadviseerd om duurzaam te bouwen. De afvoer van hemelwater vindt plaats via afstroming naar watergangen en infiltratie in de bodem. Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. 9. Hemelwater wordt vertraagd afgevoerd door water zo veel mogelijk vast te houden in groen-blauwe netwerken en wadi’s in het woongebied. 10. Hemelwater van verharding wordt afgevoerd middels bodempassages en geïnfiltreerd in het grond- en oppervlaktewater. 11. Innovatieve vormen van sanitatie/circulaire waterstromen worden onderzocht in vervolgonderzoeken. 12. De gemeente (en provincie) zijn verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordening en hebben een zorgplicht voor de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water (KRW). De bovengenoemde maatregelen hebben een positieve invloed op de waterkwaliteit, hiermee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het behalen van de KRW doelstellingen. 13. Het wegpeil ligt minimaal 1 meter boven het maximale toekomstige waterpeil. Het minimale wegpeil komt hiermee op -4,85 m NAP. 14.
Het vloerpeil van woningen ligt minimaal 1,20 meter boven het maximale toekomstige waterpeil. Het minimale vloerpeil komt hiermee op -4,65 m NAP. 15. Een deel van de bestaande watergangen wordt gedempt, het verlies aan wateroppervlak wordt in het gebied 1:1 gecompenseerd. 16. Uitgangspunt is dat de toename van verhard oppervlak gecompenseerd wordt. Gezien het oppervlak van de ontwikkeling van het Middengebied is sprake van maatwerk.
Sweco | Herstelbesluit Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum 31-10-2025
Versie Vastgesteld 96/122
a. De berging in het plangebied is groot genoeg om in het jaar 2100 een neerslaggebeurtenis van T=100 te kunnen bergen (vasthouden, bergen en later afvoeren). Voor het plangebied is gerekend met 143 mm/24 uur. Om deze neerslag te kunnen bergen is tenminste 10% wateroppervlak nodig in het gebied. Daarnaast worden de gevolgen van neerslag op bebouwd gebied niet afgewenteld op omliggende gebieden. b. Ook in het geval van extreme neerslag, (200 mm / 48 uur) kan neerslag in het plangebied worden geborgen, ook wanneer water niet uit het gebied kan worden afgevoerd in geval van een maalstop. Uitgangspunt daarbij is dat er geen significante schade ontstaat aan de functies wonen, bedrijven en infrastructuur. 17. Het bedrijventerrein Gouwepark II ligt aan de regionale boezemwaterkering van de Ringvaart, het plangebied ligt net naast de beschermingszone. Bij aanleg van het bedrijventerrein dient rekening gehouden te worden met de zonering en stabiliteit van deze kering, conform de regels uit de Keur. 18. Er is in de planvorming veel aandacht besteed aan waterveiligheid in het plangebied. Bestaande waterkeringen worden in het algemeen al versterkt aan de hand van nationale overstromingsnormering via het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP).
Wanneer onverhoopt het dijklichaam van de Hollandse IJssel doorbreekt en stormvloedkeringen niet sluiten (zeer kleine kans) en er is sprake van een zeespiegelstijging van 1 tot 1,25 meter, blijft bij het minimaal gehanteerde vloerpeil -4,65 m NAP en een minimale verdiepingshoogte van 2,9 m, de eerste verdieping droog11. In het woongebied wordt 1/3 deel van de woningen toegerust met een 2e verdieping zodat er bij een combinatie van doorbraak van de kering van de Hollandse IJssel, falen van de stormvloedkeringen en een zeespiegelstijging van 2 meter de tweede verdieping droog blijft en afdoende vluchtmogelijkheid geeft voor de inwoners. Deze woningen hebben een dakraam om verticaal te kunnen evacueren, daarnaast worden er in het dorp publieksruimtes beschikbaar gesteld, op voldoende hoogte waar men kan schuilen in geval van overstromingen met benodigde voorzieningen (zogenoemde shelter). In de volgende fase wordt bij de Veiligheidsregio advies ingewonnen of op deze manier de waterveiligheid en de zelfredzaamheid voldoende is geborgd bij een overstroming vanuit de Hollandse IJssel als onderdeel van de meerlaagse veiligheid. 19. Door het vasthouden en bergen van water en het hanteren van een flexibel waterpeil zal het gebied minder afhankelijk zijn van de aanvoer van water.
De precieze periode is afhankelijk van inrichting en gebruik van het gebied en met een volle waterbuffer aan begin van de droge periode. De wateraanvoerbehoefte wordt hiermee aanzienlijk gereduceerd. De waterpeilen kunnen nog afwijken van hierboven voorgestelde fluctuaties en principes. Dit heeft geen invloed op het
11
De overstromingsdiepten komen voort uit een overstromingsrisico analyse die is uitgevoerd door HKV als onderdeel van het MER traject (Overstromingsscenario’s Zuidplas 5e dorp, juni 2022). De genoemde vloerpeilen blijven droog bij een doorbraak van het regionale dijklichaam en falen van de stormvloedkeringen en genoemde zeespiegelstijging tot twee weken na de doorbraak. De verwachting is dat een bres in de kering eerder gedicht zal worden.
Sweco | Herstelbesluit Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum 31-10-2025
Versie Vastgesteld 97/122
bestemmingsplan. De gevolgen van droogte op bebouwd gebied worden zo min mogelijk afgewenteld op omliggende gebieden. 20. Bij de bestaande woonlinten wordt op kavelniveau nader onderzoek uitgevoerd om het nieuwe waterpeil mogelijk te maken. Daar waar dit niet mogelijk is zal gezocht worden naar een alternatieve maatwerkoplossing, zoveel mogelijk in collectief of in uiterst geval op kavelniveau. De waterhuishoudkundige situatie voor bestaande kavels zal tenminste gelijk blijven of verbeteren. 21. Door het opzetten van het waterpeil in het woongebied is het mogelijk dat er minimale verandering in de kwelsituatie optreedt in de Groene Waterparel. Uitgangspunt is dat geen verslechtering van de waterkwaliteit optreedt in de Groene Waterparel. Door in het plangebied maatregelen te nemen voor het verbeteren van de waterkwaliteit en het vasthouden van water zal, bij gelijk functioneren van het watersysteem, er minder vaak water via de 4e tocht langs de Groene Waterparel worden gevoerd. In bovenstaande maatregelen zit mogelijk één wijziging ten opzichte van het Voorkeursalternatief zoals dat is onderzocht in het MER. Het betreft het waterpeil van het Energielandschap en de 4e tocht. In het Voorkeursalternatief was het waterpeil in het Energielandschap gelijk aan het waterpeil in de Watertuinen en Kreekrugdorp.
In het waterstructuurplan is voor het Energielandschap, afhankelijk van de te kiezen afwateringsvariant, mogelijk een ander – iets lager – waterpeil voorgesteld. Dit waterpeil valt binnen de bandbreedte van het alternatievenonderzoek dat in het MER is uitgevoerd. Het meenemen van dit waterpeil in het Voorkeursalternatief zou in het MER niet tot andere (nieuwe) effecten hebben geleid. Om die reden is er voor gekozen om deze mogelijke wijziging op te nemen in de waterparagraaf (toelichting van dit bestemmingsplan), maar niet te verwerken in het MER.
4.10 Natuur Kader Ontwikkelingen kunnen effect hebben op beschermde natuurwaarden. Dit betreft potentiële effecten op beschermde soorten, maar ook effecten op beschermde natuurgebieden zijn mogelijk. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming bevat alle regels voor de bescherming van zowel soorten als natuurgebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de mogelijke effecten van het project op de beschermde natuurwaarden. Soortenbescherming De bescherming van in het wild voorkomende planten- en diersoorten is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. De Europese Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn zijn voor Nederland geïmplementeerd in deze wet. Op grond van de Wet natuurbescherming gelden diverse verbodsbepalingen, zoals het doden van specifiek aangewezen vogel- en vleermuissoorten. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. In Nederland zijn deze richtlijnen geïmplementeerd in de Wet natuurbescherming. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden, waaronder het IJsselmeer en
Sweco | Herstelbesluit Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum 31-10-2025
Versie Vastgesteld 98/122
de Waddenzee. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd voor de soorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft. Activiteiten in Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve effecten op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten, of als een afweging heeft plaatsgevonden over alternatieven, dwingende redenen van groot openbaar belang en de inzet van compenserende maatregelen. In de passende beoordeling worden de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Daarbij dient ook een eventuele externe werking van een initiatief op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te worden bepaald. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn bieden een juridisch kader dat verzekert dat menselijke activiteiten worden ondernomen op een wijze die de integriteit van Natura 2000gebieden niet negatief beïnvloeden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Wanneer (kleine) natuurgebieden en de daarin voorkomende soorten geïsoleerd komen te liggen, bijvoorbeeld door bebouwing en infrastructuur, bestaat het risico dat soorten niet kunnen overleven en het natuurgebied zijn waarde verliest.
Door het aaneenschakelen van natuurgebieden wordt een bijdrage geleverd aan het voorkomen van deze achteruitgang van natuur en biodiversiteit (veelheid van soorten). Provincies wijzen de NNN-gebieden aan en deze worden op hun beurt vastgelegd in ruimtelijke plannen van de gemeenten. De ecologische hoofdstructuur is planologisch beschermd met het 'nee, tenzij'-principe. Nieuwe ontwikkelingen zijn niet toegestaan als deze het gebied aantasten, tenzij er geen alternatieven zijn en de ontwikkeling van groot openbaar belang is. Schadelijke effecten op de natuur dienen te worden gecompenseerd.
Betekenis voor het bestemmingsplan: Om inzicht te krijgen in de effecten van het plan op de natuur heeft er een ecologisch onderzoek plaatsgevonden. Hieruit kwamen de volgende conclusies: Soortenbescherming Op basis van bronnenonderzoek en een habitatgeschiktheidsbeoordeling is het plangebied potentieel geschikt voor de volgende beschermde soorten: huismus, gierzwaluw, steenuil, ransuil, buizerd, sperwer, diverse soorten vleermuizen (o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis en meervleermuis), waterspitsmuis, ringslang en platte schijfhoren. Verder zijn er verschillende (deels Rode Lijst) vogelsoorten in het plangebied aanwezig, zoals weidevogels als grutto, kievit, tureluur en slobeend. Door het plan kunnen leefgebieden van diersoorten of groeiplaatsen van (beschermde of Rode Lijst) plantensoorten verdwijnen. Door het voorgenomen plan worden (mogelijk) vaste verblijfplaatsen van vogels en vleermuizen vernietigd of verstoord. Ook wordt (mogelijk) leefgebied van vogels en vleermuizen vernietigd of verstoord. Hierbij valt te denken aan vernietiging of aantasting van foerageergebied van vogels en vleermuizen en vliegroutes van vleermuizen, maar ook leefgebied van zoogdieren, amfibieën, reptielen en ongewervelden. Verder wordt (mogelijk) leefgebied van de waterspitsmuis, ringslang en platte schijfhoren vernietigd.
Sweco | Herstelbesluit Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum 31-10-2025
Versie Vastgesteld 99/122
Binnen het plangebied komen diverse Rode Lijstsoorten voor, zoals in beperkte mate weidevogels. Toenemende verstoring door geluid en licht van het plan – zoals infrastructuur, bedrijven en woningen – maken de reeds (zeer) beperkt geschikte gronden voor weidevogels nog minder geschikt of zorgen ervoor dat deze in zijn geheel verdwijnen. Om het verdwijnen van de zeer beperkt geschikte grond voor weidevogels te compenseren, kan worden ingezet op het voor weidevogels geschikter maken van weidegronden die gelegen zijn in het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied. Dit kan door het nemen van enkele maatregelen zoals het (fors) verhogen van de grondwaterstand en minder intensieve landbouw. Met deze maatregelen wordt tevens invulling gegeven aan een toekomstbestendige landbouw. Binnen het ruim 1.000 ha grote plangebied wordt 390 ha bebouwd (waarvan 325 ha het Vijfde Dorp is en 47 ha netto bedrijventerrein), een bos gerealiseerd en wordt in de Groene Schakel natuur gerealiseerd. Dit levert in verschillende gebieden kansen op voor bestaande en nieuwe soorten. (Beschermde) soorten die hierdoor in het plangebied kunnen voorkomen zijn o.a. boommarter, vos, otter, ringslang en diverse soorten vogels zoals blauwborst en roerdomp.
Voor de aanwezige beschermde soorten zal een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Omgevingsvergunning onder de Omgevingswet) aangevraagd moeten worden. De verwachting is dat de ontheffing zal worden verleend, maar dat rekening moet worden gehouden met mitigerende en compenserende maatregelen. Mitigerende maatregelen zullen bestaan uit o.a. werken buiten de gevoelige periode van een soort en het leefgebied voorafgaand aan de werkzaamheden ongeschikt maken. Compenserende maatregelen die genomen moeten worden zijn soortafhankelijk, maar te denken valt aan het realiseren van permanente alternatieve verblijfplaatsen in de vorm van kasten voor bijvoorbeeld huismus, gierzwaluw en vleermuizen, maar ook aan het realiseren van geschikt leefgebied voor de soorten waarvan het leefgebied wordt aangetast. Verder geldt dat buiten het broedseizoen (ca. half maart tot half augustus) moet worden gestart en dat met alle soorten rekening moet worden gehouden vanuit de altijd geldende zorgplicht. Als voor het broedseizoen werkzaamheden worden gestart en de werkzaamheden continue plaatsvinden, is de kans gering dat een vogel tot broeden komt in de directe omgeving van de werkzaamheden waarmee verstoring van een broedende vogel wordt voorkomen. Als dit niet mogelijk is, moet een broedvogelcontrole ter plaatse van het werkgebied worden uitgevoerd door een ecologisch deskundige.
Natura 2000-gebieden In het plangebied ligt geen Natura 2000-gebied. Er treedt daardoor geen aantasting van Natura 2000-gebied op. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op 7,5 kilometer van het plangebied. Gezien deze grote afstand kunnen indirecte effecten alleen optreden als gevolg van stikstofdepositie. Om te bepalen of er een effect optreedt als gevolg van stikstofdepositie is een AERIUS-berekening uitgevoerd (Deelrapport Stikstofdepositie, Sweco). Uit deze berekening komt naar voren dat er als gevolg van het plan sprake is van een afname aan stikstofdepositie in vergelijking met de referentiesituatie. Deze afname is het gevolg van het zogenoemde ‘intern salderen’. Dit houdt in dat de toename aan stikstofdepositie als gevolg van de toename aan verkeersbewegingen gesaldeerd mag worden met de afname aan stikstofdepositie als gevolg van het wegvallen van het agrarische gebruik in het
Sweco | Herstelbesluit Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum 31-10-2025
Versie Vastgesteld 100/122