Getekende Integrale Verordening Sociaal Domein A20.001412
Tekst van het document
Bij een pgb dan wel een bekostiging leerlingenvervoer gaat het om terugvorderen van het pgb dan wel de aan aanvrager uitbetaalde bekostiging. In het vijfde lid is bepaald, dat het college de bevoegdheid heeft om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken indien binnen 3 maanden na de beslissing tot het verstrekken van een pgb nog geen voorziening is getroffen. Een pgb wordt immers verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet). In het zesde tot en met negende lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen en reeds uitbetaald pgb of bekostiging leerlingenvervoer. Artikel 67. Klachtenregeling
In de Memorie van Toelichting van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Kamerstukken II 2013/14, 33 841. nr. 3. biz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Uiteraard geldt dit voor alle dienstverlening van de gemeente, dus ook de Wmo 2015, Jeugdwet en het leerlingenvervoer. Voor dergelijke klachten worden afgehandeld overeenkomstig de klachtenregeling van de gemeente Zuidplas (lid 1). In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet maatschappelijke ondersteuning, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet maatschappelijke ondersteuning). Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan 90
om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten, die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Artikel 68. Medezeggenschap bij aanbieders
Dit artikel geeft uitvoering aan Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, art. 2.1.3, tweede lid, onder f, en art. 4, tweede lid, onder b van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder, welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. Alle aanbieders van maatwerkvoorzieningen zijn verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen. In het derde lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Dit is geregeld in de regionale overeenkomsten met zorgaanbieders. Het college kan hiervoor nadere regels stellen (lid 4). Artikel 69. Incidenten, calamiteiten en geweld
In artikel 3.4, eerste lid, van de wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de Wmo is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. Gemeente Zuidplas heeft de directeur GGD en zijn personeel aangewezen als toezichthoudend ambtenaar. In artikel 9.1 van de Jeugdwet staat beschreven dat, onverminderd artikel 36 van de Gezondheidswet, de Inspectie gezondheidszorg en jeugd (IGJ) als taak heeft het onderzoeken van de kwaliteit in algemene zin. Artikel 70. Doel- en rechtmatigheid
Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 en Jeugdwet. Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte maatwerkvoorziening en pgb’s te waarborgen en fraude te voorkomen. In het kader van contractmanagement wordt onderzoek gedaan bij aanbieders van maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen. Een belangrijke manier om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de dienstverlening te toetsen is het uitoefenen van toezicht. Een toezichthouder heeft op grond van de wet vergaande bevoegdheden en kunnen bijvoorbeeld administraties en cliëntgegevens inzien en panden betreden. In de Wmo 2015 is geregeld dat het college toezichthouders moet aanwijzen voor toezicht op de nalevering van de wet. Het gaat hierbij om de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid. In de Jeugdwet is geregeld dat de landelijke inspectie toezicht houdt op de kwaliteit van de jeugdhulp. Toezicht op de rechtmatigheid is in de Jeugdwet niet geregeld. In Lid 1 is opgenomen dat het college ook voor de Jeugdwet toezichthouders aanwijst, die specifiek zien op de rechtmatigheid. Daarmee is voor dit toezicht de wettelijke basis gelegd
91
Hoofdstuk 7. Participatie in het Sociaal Domein Artikel 71 t/m artikel 83 spreken voor zich en behoeven geen extra uitleg in de toelichting.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen Artikel 84. Hardheidsclausule en gevallen waarin de verordening niet voorziet
Het opnemen van de hardheidsclausule in lid 1 opent de mogelijkheid voor het college om een onderdeel van de verordening buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken, indien toepassing van de Verordening leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Dit kan slechts in voor cliënt/ouders van een leerling voordelige zin. Omdat het college uitgaat van het principe maatwerk te bieden en uitgaat van de persoonlijke situatie van cliënt, moet de hardheidsclausule als uiterste vangnet worden gezien, mocht er sprake zijn van een niet billijke situatie. Ter voorkoming van - ongewenste - precedentwerking moet de toepassing van de hardheidsclausule worden onderbouwd met argumenten die op de specifieke, concrete situatie van de cliënt/ouders/leerling betrekking hebben. Het college vraagt zo nodig advies van deskundigen ter zake. Bij het leerlingenvervoer kan van een afwijking in voor ouders gunstige zin bijvoorbeeld sprake zijn bij toekenning van bekostiging van openbaar vervoer voor een begeleider, toekenning van een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer, bekostiging van groepsvervoer dat is georganiseerd door de ouders, toekenning van een vervoersvoorziening naar een verder weg gelegen school, of een toekenning in verband met bijzondere gezinsomstandigheden. De ouders dienen aan te tonen dat er sprake is van een bijzondere situatie.
De ABRvS heeft in de casuïstiek van het leerlingenvervoer nadere richtlijnen gegeven voor de toepassing van de hardheidsclausule: - Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van overwegende aard, die zich ten aanzien van personen bij een strikte toepassing van de bepalingen van de verordening zouden voordoen, weg te nemen. De toepassing ervan is niet aan enige beperking gebonden. Met alle feiten en omstandigheden kan rekening worden gehouden, zoals bijvoorbeeld medische, pedagogische en sociale factoren (12 mei 1989, nr. R03.88.7057/Sp347/26-41). - Door middel van toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de verordening worden afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag (2 april 1990 R03.87.7147/58-43). Lid 2 is een aanvulling in het kader van het leerlingenvervoer op lid 1 en stelt dat het college kan afwijken van het afstandscriterium van 6 kilometer wanneer schoolverzuim van de betreffende leerling dreigt. Ook hier moet er dan wel sprake zijn van een bijzondere situatie en het is aan ouders om dat aan te tonen. Het afwijken van het afstandscriterium op basis van artikel 55kan slechts overwogen worden op voordracht van het Sociaal Team van de gemeente. Daarnaast geldt dat er slechts sprake kan zijn van een tijdelijke toekenning, zodat in de beperkte periode gezocht kan worden naar een andere oplossing dan leerlingenvervoer.
In de verordening zijn de bepalingen voor voorzieningen en bekostiging vanuit de Wmo, de Jeugdwet en het leerlingenvervoer vastgelegd. Er kunnen zich echter concrete gevallen voordoen waarin de verordening niet voorziet. Artikel 84 lid 3 bepaalt dat het college in dergelijke situaties beslist. Redelijkheid is hierbij het uitgangspunt. Bij de besluitvorming dient in de geest van de wet en de verordening gehandeld te worden. Artikel 85 Intrekken oude verordeningen en overgangsrecht
In dit artikel is het overgangsrecht geregeld. In het eerste lid is bepaald, dat de Integrale Verordening Sociaal Domein wordt ingetrokken op het moment, dat deze verordening in werking treedt.
92
In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het derde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen, die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. Artikel 86 Inwerkingtreding en citeertitel
Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening dient te worden aangehaald.
93