Getekende Bijlage 1 Regels Verordening Fysieke Leefomgeving A21.000236
Tekst van het document
De eigenaar is desgevraagd verplicht het onderzoek te laten uitvoeren. 5. Het college kan in het belang van de zorg voor het gemeentelijk beschermd dorpsgezicht nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden binnen een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. Deze regels kunnen mede inhouden een omgevingsvergunning voor afwijken van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of de weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid. 6. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet. § 3.1.3 Bescherming beeldbepalend erfgoed Artikel 3.1 Omgevingsvergunning beeldbepalend erfgoed Het is verboden zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een beeldbepalend erfgoed te wijzigen op dusdanige wijze dat dit negatieve effecten heeft op de fysieke leefomgeving of de kenmerken van het betreffende erfgoed. Artikel 3.8 Termijnen advies beeldbepalend erfgoed 1. Het college zendt een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beeldbepalend erfgoed aan de Commissie Ruimtelijke kwaliteit voor advies. 2. Binnen drie weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit schriftelijk advies uit aan het college.
Artikel 3.9 Weigeringsgronden Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.7 kan slechts worden verleend als karakteristieken zoals opgenomen in de redengevende beschrijving van het beeldbepalende erfgoed zich daartegen niet verzetten. § 3.1.4 Bescherming van archeologische monumenten en terreinen Artikel 3.10 Instandhouding van archeologische gebieden 1. De raad neemt in een bestemmingsplan bepalingen op met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een gebied met archeologische waarden of verwachtingen als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart. 2. Het college kan bepalen dat archeologisch onderzoek moet worden verricht. De eigenaar is desgevraagd verplicht het onderzoek te laten uitvoeren. Artikel 3.11 Vangnet archeologie 1. Het is verboden de bodem dieper dan 30 cm beneden het maaiveld te verstoren in een gemeentelijk archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het bestemmingsplan niet is voorzien in een regeling om het archeologisch erfgoed te beschermen.
19
2.
3.
Het verbod is niet van toepassing indien; a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid onder c, van de Wet algemene bepalingen een omgevingsrecht is verleend, of; b. de activiteit geen strijd oplevert met het gemeentelijk archeologiebeleid, of; c. een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: i. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of ii. de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of iii. in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. Het college kan nadere regels stellen waarmee kaders worden gesteld aan de activiteit en de uitvoering van archeologisch onderzoek.
Artikel 3.12 Archeologisch onderzoek 1. Onverminderd het bepaalde in de Erfgoedwet worden bij onderzoek in de vorm van opgravingen de volgende regels in acht genomen: a. het college stelt een programma van eisen vast als bedoeld in artikel 1 van deze verordening, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek. De nadere regels bevatten in ieder geval bepalingen met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het programma van eisen; b. de initiatiefnemer overlegt, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1.1 van deze verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag. c. In de gemeentelijke richtlijnen voor archeologisch veldonderzoek als bedoeld in artikel 1.1 neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. d. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen. 2. Het college kan nadere regels opstellen over het verrichten van archeologisch onderzoek. Artikel 3.13 Advisering Bij toepassing van artikel 3.11 en 3.12 vraagt het college advies aan een ter zake deskundige.
Afdeling 3.2 Activiteiten in de openbare ruimte § 3.2.1. Gebruik van een openbare plaats Artikel 3.14 Het plaatsen van voorwerpen 1. Het is verboden een openbare plaats of een gedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: a. het gebruik schade toebrengt aan een openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van een openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van een openbare plaats; b. het gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen. 3. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het in het eerste lid gestelde verbod. 4. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j . of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Zuidplas; b.
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Zuidplas; c. terrassen behorend bij een openbare horecagelegenheid waarbij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Zuidplas is verleend;
6.
7.
d. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een omgevingsvergunning; e. voor het gebruik van een openbare plaats is verleend. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de omgevingsverordening Zuid-Holland. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.
Artikel 3.15 Verbod objecten onder hoogspanningslijn 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen opgaand houtgewas of objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. 3. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van dit verbod indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. Over de mogelijkheid voor een omgevingsvergunning wordt overleg gevoerd met de netbeheerder. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. 5. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in dit onderwerp is voorzien in het bestemmingsplan. Artikel 3.16 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het college kan buiten een inrichting plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben, of b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. 2.
Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven. 3. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het in het tweede lid gestelde verbod. Artikel 3.17 Bijen 1. Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; b. binnen een afstand van dertig meter van de weg. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te voorkomen. 3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 4. Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de omgevingsverordening Zuid-Holland. 5.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken. 6. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. Artikel 3.18 Verstrooiing van as 1. Incidentele asverstrooiing is verboden op: a. verharde delen van de weg; b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 2. Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.
3.
4.
Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.
Artikel 3.19 Straatvegen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode. Artikel 3.20 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten kampeerterreinen dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddel voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 6.8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a. de bescherming van natuur en landschap; b. de bescherming van een dorpsgezicht. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. Artikel 3.21 Oplaten van ballonnen Het is verboden ballonnen op te laten. Onder ballonnen wordt verstaan alle soorten ballonnen en wenslantaarns en soortgelijke objecten die zonder sturing wegdrijven. § 3.2.2.
Veranderen van een openbare plaats Artikel 3.22 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De omgevingsvergunning kan, in aanvulling op artikel 6.8, worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 4. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening Zuid-Holland, de Waterschapskeur, de Waterschapsverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. Artikel 3.23 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college: a. een uitweg te maken naar de weg; b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; c.
verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg; d. Het gebruik van een uitweg te veranderen. 2. De omgevingsvergunning kan, in aanvulling op artikel 6.6, worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;
3.
c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, de Waterschapsverordening, of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
§ 3.2.3. Activiteiten ten aanzien van bomen en houtopstanden Artikel 3.24 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op bomen en houtopstanden: a. b.
die gelegen zijn binnen de bebouwde kom als bedoeld in artikel 2.14, en: die niet gelegen zijn binnen de bebouwde kom als bedoeld in artikel 2.14, voor zover het gaat om houtopstanden als bedoeld in artikel 4.1, onderdelen b en f van de Wet Natuurbescherming.
Artikel 3.25 Verbod vellen waardevolle houtopstanden 1. Het is verboden een waardevolle houtopstand te vellen of te doen vellen; 2. Het is verboden de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de Monumentale- en waardevolle bomen - Zuidplas lijst. 3. Het in het eerste en tweede lid opgenomen verbod geldt niet voor: a. het vellen van een houtopstand krachtens de Plantenziektewet; b. het vellen van een houtopstand op grond van een door het college op basis van deze verordening opgelegde verplichting dan wel in verband met een voornemen daartoe, of: c. het knotten als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen; d. een houtopstand, gelegen in een gebied met ernstige bodemdaling; e. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; 4. Een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in lid 1 wordt geweigerd indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 5.
Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het in het eerste lid opgenomen verbod indien sprake is van: a. instandhouding die niet langer verantwoord is; b. het verplanten van een houtopstand dat geen bedreiging vormt voor het duurzaam behoud van de houtopstand, of: c. een zwaarwegende maatschappelijke reden. 6. Voordat het college een omgevingsvergunning verleent voor afwijken wegens grond a of b van het vijfde lid, dient door de aanvrager van de ontheffing een advies te worden overgelegd van een boomtechnisch deskundige. Artikel 3.26 Verval Een op grond van deze paragraaf verleende omgevingsvergunning vervalt, indien daarvan niet binnen één jaar na het in rechte onaantastbaar worden daarvan, voor alle houtopstanden waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, gebruik is gemaakt. Artikel 3.27 Herplantplicht en overige voorschriften 1. Het college kan aan een omgevingsvergunning in ieder geval als voorschrift verbinden dat binnen een door het college te bepalen termijn en overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen wordt herplant, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten. 2. Het college kan bepalen dat herplant geschiedt met een houtopstand die vergelijkbaar is met de gevelde houtopstand.
3.
4.
Indien herplant niet in redelijkheid op hetzelfde perceel of in de directe omgeving kan geschieden, wordt in plaats van het in het eerste lid bedoelde voorschrift als voorschrift opgenomen dat de houtopstand niet mag worden geveld voordat een door het college te bepalen bedrag, dat gelijk is aan de herplantwaarde, in de Voorziening Groen is gestort. Voordat het college een dergelijk voorschrift opneemt, dient door de aanvrager van de omgevingsvergunning een taxatie van de herplantwaarde door een taxateur van bomen te worden overgelegd. Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van in, op en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.
Artikel 3.28 Herplantplicht bij overtreding verbod 1. Indien een houtopstand in strijd met een in deze verordening opgenomen verbod zonder omgevingsvergunning is geveld, kan het college de verplichting opleggen dat binnen een door het college te bepalen termijn en overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen, wordt herplant. Deze verplichting wordt opgelegd aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond, danwel aan degene die de houtopstand heeft geveld dan wel heeft doen vellen. 2. Indien herplant niet in redelijkheid op hetzelfde perceel of in de directe omgeving kan geschieden, kan in plaats van de in het eerste lid bedoelde verplichting worden opgelegd dat een door het college te bepalen een bedrag, dat gelijk is aan de herplantwaarde in de Voorziening Groen wordt gestort. Artikel 3.29 Bestrijding van boomziekten 1. Indien zich op een terrein één of meer bomen of andere houtopstand bevinden, die naar het oordeel het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de insecten, die boomziekten verspreiden, is de eigenaar of de publiekrechtelijke bevoegde op aanschrijving van het college en binnen de door haar daarbij te stellen termijn verplicht: a. de houtopstand te vellen; b. de houtopstand ter plaatse te ontbasten en de bast te vernietigen; c.
de niet ontbaste bomen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen, dat verspreiding van boomziekten wordt voorkomen; d. in geval van iepziekte alle onder hierboven a, b en c genoemde maatregelen te treffen; e. alle andere maatregelen te treffen ter voorkoming van boomziekten behoudens beperkingen bij of krachtens de Plantenziektenwet gesteld. f. tot herbeplanting over te gaan overeenkomstig de daarbij gegeven aanwijzingen. 2. Het is verboden gevelde door boomziekte aangetaste bomen, of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, tenzij het betreft geheel ontbast hout of hout met een doorsnede kleiner dan 4 cm. 3. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het verbod als bedoeld in het tweede lid. § 3.2.4. Openbaar water Artikel 3.30 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.
Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren melding aan het college. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
24
Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de omgevingsverordening Zuid-Holland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. Artikel 3.31 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water of in strijd met het in krachtens het tweede lid bepaalde. 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Artikel 3.32 Beschadigen van waterstaatswerken 1.
Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen. 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van strafrecht, Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de omgevingsverordening Zuid-Holland. Artikel 3.33 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. § 3.2.5. Schade aan groenvoorzieningen Artikel 3.34 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig en een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden ofte doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, of het Besluit geluidproductie sportmotoren Artikel 3.35 Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets of met een fiets of een paard. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;
e.
voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; b. binnen de bij of krachtens de omgevingsverordening Zuid-Holland 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'. 4. Het college kan middels een omgevingsvergunning ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.
Artikel 3.36 Rookverbod in bossen en natuurgebieden 1. Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode. 2. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het roken plaatsvindt in gebouw en aangrenzende erven. § 3.2.6. Parkeren Artikel 3.37 Belanghebbendenplaatsen 1. Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een omgevingsvergunning parkeren verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen. 2. Een omgevingsvergunning parkeren kan worden verleend aan: a.
een eigenaar of houder van een motorvoertuig die: - (huis)arts is in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn, en - die aantoont dat het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is, en - dat hij dagelijks en frequent op niet altijd voorspelbare tijdstippen gebruik moet kunnen maken van een motorvoertuig, en - dat hij een motorvoertuig op korte afstand van een bij hem in gebruik zijnd pand in dat gebied moet kunnen parkeren, en - dat hij niet beschikt over een parkeerplaats op eigen terrein of bij derden (categorie i)
;
b.
een openbare dienstverlener in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn en die: - aantoont dat het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is, en - dat hij dagelijks en frequent op niet altijd voorspelbare tijdstippen gebruik moet kunnen maken van een motorvoertuig, en - dat hij een motorvoertuig op korte afstand van een bij hem in gebruik zijn pand in dat gebied moet kunnen parkeren, en - dat hij niet beschikt over een parkeerplaats op eigen terrein of bij derden (categorie
c.
een openbare dienstverlener in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat het in belang van diens dienstverlening noodzakelijk is dat bezoekers hun motorvoertuig in dat gebied parkeren (categorie III) een eigenaar of houder van een motorvoertuig bestemd voor autodate, waarvan de belanghebbendestandplaats is gelegen in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn (categorie IV); een eigenaar of houder van een elektrisch voertuig die:
d.
e.
ii) ;
26
- aantoont dat hij niet beschikt over een parkeerplaats op eigen terrein of bij derden, en - waarvan het elektrisch voertuig niet gebruikt wordt in het belang van diens beroepof bedrijfsuitoefening, (categorie V). 3. Het college kan aan een omgevingsvergunning parkeren voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Aan een omgevingsvergunning parkeren voor categorie III kan het college voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer, waaronder mede wordt begrepen het stimuleren van selectief autogebruik. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. Artikel 3.38 Beslistermijn 1. Het college beslist binnen 8 weken na ontvangst van een aanvraag voor een omgevingsvergunning parkeren. 2. Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste 4 weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld. Artikel 3.39 Geldigheidsduur 1. Een omgevingsvergunning parkeren wordt tot wederopzegging verleend. 2.
De omgevingsvergunning parkeren bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. het gebied waarvoor de omgevingsvergunning parkeren geldt; b. de naam van de vergunninghouder of het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de omgevingsvergunning parkeren is verleend. Artikel 3.40 Intrekking omgevingsvergunning parkeren Het college kan een omgevingsvergunning parkeren intrekken of wijzigen: a. op verzoek van de vergunninghouder; b. wanneer de vergunninghouder het gebied, waarvoor de omgevingsvergunning parkeren is verleend, verlaat of het daar uitgeoefende beroep of bedrijf beëindigt; c. wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de voorwaarden die relevant waren voor het verlenen van de omgevingsvergunning parkeren; d. wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van omgevingsvergunningen parkeren komt te vervallen; e. wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de omgevingsvergunning parkeren verbonden voorschriften; f. wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de omgevingsvergunning parkeren onjuiste gegevens zijn verstrekt; g. om redenen van openbaar belang. Artikel 3.41 Verbodsbepaling 1. Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden: a. zonder omgevingsvergunning parkeren; b.
zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de omgevingsvergunning parkeren; c. in strijd met de aan de omgevingsvergunning parkeren verbonden voorschriften. 2. Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig te plaatsen of te laten staan op een belanghebbendenplaats. 3. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel. § 3.2.7. Reclame Artikel 3.42 Straatreclame 1. Artikel 3.14 is niet van toepassing op straatreclame.
2. 3. 4.
Straatreclame mag alleen worden aangebracht op de door burgemeesters en wethouders aangewezen plekken door middel van de door het college beschikbaar gestelde middelen. Het gebod in het tweede lid geldt niet voor spandoeken, deze mogen alleen worden aangebracht op de door het college aangewezen plekken. Het college kan nadere regels stellen omtrent straatreclame.
Artikel 3.43 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2. Het college kan nadere regels stellen in het belang van de verkeersveiligheid en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 3. Dit artikel is niet van toepassing op bouwwerken. § 3.2.8. Ambulante handel Artikel 3.44 Omgevingsvergunning voor innemen van marktstandplaats 1. Het is verboden een marktstandplaats op een markt in te nemen zonder omgevingsvergunning van het college. 2. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. Artikel 3.45 Toewijzing marktstandplaatsen Een marktstandplaats wordt toegewezen als: a. vaste plaats; b. dagplaats; of c. standwerkerplaats. Artikel 3.46 Vereisten omgevingsvergunningaanvraag Voor toewijzing van een marktstandplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die een (schriftelijke) aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft ingediend bij het college en die daarbij tevens aantoont dat hij persoonlijk voldoet aan alle publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisatie.
Artikel 3.47 Intrekking omgevingsvergunning 1. De omgevingsvergunning voor het innemen van een vaste plaats wordt ingetrokken: a. op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder; b. bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 3.49 de omgevingsvergunning wordt overgeschreven. 2. Het college kan een omgevingsvergunning intrekken: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 3.49 genoemde vereisten voor het toewijzen van een marktstandplaats; c. indien de vergunninghouder niet het minimum aantal keren de marktstandplaats inneemt overeenkomstig artikel 3.46. 3. Indien degene op wie een omgevingsvergunning ingevolge artikel 3.49 is overgeschreven, reeds een omgevingsvergunning heeft voor een andere vaste plaats op dezelfde markt, wordt deze omgevingsvergunning ingetrokken. Artikel 3.48 Opzeggen omgevingsvergunning Indien de vergunninghouder zijn inname van een vaste marktstandplaats wil beëindigen, dient hij dit, twee maanden voor de datum dat hij de inname van de vaste marktstandplaats wil beëindigen, aan te geven bij de marktmeester. Artikel 3.49 Overschrijven omgevingsvergunning 1.
In geval van overlijden dan wel blijvende (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder kan de omgevingsvergunning voor de vaste plaats worden overgeschreven op de achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of de levenspartner van de vergunninghouder.
2.
Indien de omgevingsvergunning niet kan worden overgeschreven op grond van het eerste lid, kan een kind van de vergunninghouder vergunning voor een vaste plaats krijgen indien hij ten minste drie jaar in loondienst van het marktbedrijf van de vergunninghouder heeft gewerkt of gedurende eenzelfde periode als mede-eigenaar in dit bedrijf heeft gefunctioneerd. 3. Indien de omgevingsvergunning niet kan worden overgeschreven op de personen genoemd in lid 1 en 2 van dit artikel dan kan een medewerker van de vergunninghouder omgevingsvergunning voor een vaste plaats krijgen indien hij tenminste driejaar in loondienst van het marktbedrijf van de vergunninghouder heeft gewerkt of gedurende eenzelfde periode als mede-eigenaar in dit bedrijf heeft gefunctioneerd. 4. Een aanvraag tot overschrijving wordt ingediend binnen twee maanden na het overlijden van de vergunninghouder danwel binnen vier weken nadat de blijvende arbeidsongeschiktheid is vastgesteld. 5. Het college is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken van het bepaalde in dit artikel. Artikel 3.50 Persoonlijk innemen marktstandplaats 1. De vergunninghouder neemt de marktstandplaats die hem is toegewezen persoonlijk in. Hij mag de marktstandplaats niet aan een ander afstaan of in gebruik geven. 2. De vergunninghouder mag zich op de marktstandplaats doen bijstaan. 3.
De standwerker mag zich alleen doen bijstaan door degene die hij overeenkomstig artikel 3.64, tweede lid bij de marktmeester heeft aangemeld. Artikel 3.51 Aantal keren innemen marktstandplaats De vergunninghouder van een vaste plaats neemt ten minste eenmaal per twee weken en ten minste tienmaal per dertien weken zijn plaats op de markt in, dit met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 3.52 en 3.53. Artikel 3.52 Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden 1. De vergunninghouder van een vaste plaats die wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn vaste plaats in te nemen, deelt dit schriftelijk mee aan de marktmeester. Bij vakantie geeft de vergunninghouder aan hoe lang zijn afwezigheid duurt. 2. De schriftelijke mededeling wordt tijdig voor de betreffende marktdag gedaan. Plotselinge verhindering wordt mondeling of telefonisch aan de marktmeester gemeld, gevolgd door een schriftelijke bevestiging daarvan aan de marktmeester. 3. Bij langdurige afwezigheid wegens ziekte overlegt de vergunninghouder als bewijs van ziekte iedere drie maanden een geneeskundige verklaring aan het college, tenzij het college hiervan ontheffing heeft verleend 4.
Indien de in het vorige lid bedoelde verklaring niet wordt overlegd of indien naar het oordeel van het college behoefte bestaat aan nadere informatie, dient de vergunninghouder een keuring te ondergaan bij een door het college aan te wijzen geneeskundige. 5. Het college is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken van het bepaalde in dit artikel. Artikel 3.53 Ontheffing en vervanging 1. In geval van ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan het college op aanvraag van de vergunninghouder van een vaste plaats hem tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichting om ten minste eenmaal per twee weken en tienmaal per dertien weken de plaats op de markt in te nemen. 2. Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder hem omgevingsvergunning verlenen zich op zijn marktstandplaats te laten vervangen door een met name genoemde persoon. Artikel 3.54 Intrekken en vervallen marktstandplaatsvergunning Het college kan een omgevingsvergunning voor een vaste plaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of degene die hem bijstaat: a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de omgevingsvergunning overtreedt; zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; b.
niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.
Artikel 3.55 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerkerplaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkerplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, gelegen binnen een periode van tweejaar na de bekendmaking van het besluit tot uitsluiting, indien deze: a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkerplaats; d. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Artikel 3.56 Onmiddellijke verwijdering Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college, indien hij dit noodzakelijk acht, een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen, indien hij: a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de omgevingsvergunning overtreedt; b. zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkerplaats; d. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Artikel 3.57 Tijdstip innemen marktstandplaats/aan- en afvoer goederen 1.
Het is verboden voor vergunninghouders op het marktterrein meer dan 1,5 uur voor aanvang en meer dan 1 uur na afloop van de markt met een voertuig, goederen of anderszins ruimte in te nemen dan wel goederen aan of af te voeren. 2. De vergunninghouder is verplicht zijn marktstandplaats tot de sluitingstijd van de markt te blijven innemen. Het college kan van deze verplichting ontheffing verlenen. 3. Indien de vergunninghouder zijn vaste plaats niet uiterlijk om 08.30 uur heeft ingenomen, wordt de betreffende plaats voor die dag als dagplaats aangemerkt. 4. Het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing indien de vergunninghouder de marktmeester vóór dit tijdstip, onder opgave van een geldige reden die hem belet tijdig aanwezig te zijn, heeft verzocht de plaats vrij te houden. Artikel 3.58 Dag, tijd en plaats van de markt 1. De markten vinden plaats op door het college vastgestelde plaatsen en tijden. 2. Het college kan op grond van dringende redenen en voor bijzondere evenementen, in afwijking van het eerste lid, in overleg met de marktcommissie, bepalen dat de markt tijdelijk zal plaatsvinden: a. op een andere dag; b. op een andere tijd; c. op een andere plaats. 3.
Het college is bevoegd te bepalen dat de markt tijdelijk zal plaatsvinden op een andere dag, indien de in het eerste lid bedoelde dag samenvalt met een van de in artikel 2, eerste lid, onder b van de Winkeltijdenwet genoemde dagen of een andere door het college op grond van bijzondere gelegenheden aangewezen dag. Artikel 3.59 Indeling van de markt; branche-indeling 1. Het college besluit ten aanzien van de markt: a. de standaardafmetingen vande marktstandplaatsen; b. de opstelling en indeling vandemarkt; c. welke marktstandplaatsen worden toegewezen als vaste plaats en als standwerkerplaats; d. welke gedeelten van het marktterrein bestemd zijn voor het verhandelen van bepaalde artikelen; e. welk gedeelte van de markt eventueel bestemd wordt voor het plaatsen van verkoopwagens. 2. Het college kan voor de markt vaststellen: a. een lijst met artikelengroepen (branches) en;
30
3.
b. een maximumaantal standplaatsen per branche. Het college kan vaste plaatsen toewijzen met grotere afmetingen dan de ruimte die standaard door een vaste plaats wordt ingenomen.
Artikel 3.60 De marktcommissie 1. Het college kan een commissie van advies instellen die tot taak heeft het college te adviseren inzake marktaangelegenheden. 2. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de samenstelling en werkwijze van deze marktcommissie. Artikel 3.61 Inhoud marktstandplaatsvergunningen Indien een vaste plaats kan worden toegewezen, verleent het college een omgevingsvergunning waarin in ieder geval is bepaald: a. de naam en voorletters, de geboortedatum en -plaats, het adres en de woonplaats van de vergunninghouder; b. een duidelijke omschrijving van de toegewezen vaste plaats met vermelding van het nummer en de afmetingen daarvan; c. de verkoopmaterialen die de vergunninghouder bij het innemen van de plaats mag gebruiken; d. de artikelen (branche) die de vergunninghouder mag verhandelen; e. de datum waarop aan de vergunninghouder voor het eerst omgevingsvergunning is verleend en zijn volgnummer op de Anciënniteitlijst; f. dat de vergunninghouder zelf zorg draagt voor inzameling en afvoer van zijn afval en dat hij zijn marktstandplaats schoon oplevert; g. van wie de vergunninghouder zijn elektriciteit betrekt; h. welke geluidsapparatuur op de marktstandplaats is toegestaan; i. welke kook-, bak- en verwarmingsapparatuur zijn toegestaan.
Artikel 3.62 Inschrijving op de anciënniteitlijst Vergunninghouders van vaste marktstandplaatsen worden met vermelding van en in volgorde van de datum, waarop aan hen voor het eerst een vaste marktstandplaats is toegewezen, op een doorlopend te nummeren lijst ingeschreven. Bij deze inschrijving wordt tevens vermeld welke artikelen de vergunninghouder mag verhandelen. Artikel 3.63 Volgorde toewijzing vaste plaatsen Vrijkomende vaste marktstandplaatsen worden achtereenvolgens toegewezen aan: a. de vergunninghouder van een vaste marktstandplaats die aan het college schriftelijk de wens te kennen heeft gegeven van marktstandplaats te willen veranderen, in volgorde van plaatsing op de anciënniteitlijst; b. aan degene die in aanmerking komt voor een opengevallen vaste marktstandplaats op de markt, op voordracht van de selectiecommissie. Artikel 3.64 Selectie door marktcommisie 1. De marktcommissie draagt zorg voor werving van kandidaten, rekening houdend met het branchepatroon op de markt en maakt uit de aanmeldingen een beredeneerde voordracht van een gegadigde voor de opengevallen marktstandplaats; 2. Indien een lid van de marktcommissie werkzaam is in de branche waarvoor een nieuwe kandidaat wordt gezocht of indien er sprake is van familie of zakelijke relaties met een kandidaat, wordt zijn plaats ingenomen door een plaatsvervangend lid; 3.
Het college kan bepalen dat van de voordracht van de marktcommissie wordt afgeweken. Artikel 3.65 Toewijzing dagplaats 1. Toewijzing van een dagplaats geschiedt door afgifte van een omgevingsvergunning door het college op het moment dat de marktstandplaats niet als vaste plaats wordt ingenomen. 2. De plaats wordt toegewezen aan degene die zich als eerste aanmeld, voor 08:30 uur. Dit met inachtneming van het branchepatroon. Indien meerdere gegadigden zich melden gaat toewijzing door middel van loting uitgevoerd door de marktmeester en een ambtenaar.
31
Artikel 3.66 Toewijzing standwerkplaats 1. Het college wijst een standwerkplaats toe aan de degene die zich als eerste aanmeldt, met inachtneming van het branchepatroon. Indien er meerdere gegadigde zich melden gaat toewijzing door middel van loting uitgevoerd door de marktmeester en een ambtenaar. 2. Indien een standwerker zich wil doen bijstaan, meldt hij dit vooraf aan de marktmeester onder vermelding van de naam van degene die hem zal bijstaan. Degene die hem zal bijstaan, mag niet op eigen naam deelnemen aan de loting. Artikel 3.67 Plaats voertuigen 1. Het is verboden rij- en voertuigen, waarmee de goederen of waren ter markt worden of zijn aangevoerd, op de markt aanwezig te hebben op een andere plaats dan die, welke door de marktmeester is aangewezen. 2. Behoudens het bepaalde in het eerste lid, is het verboden voor en gedurende markt zich met een voertuig op het marktterrein te bevinden of een Voertuig op het Marktterrein aanwezig te hebben. Artikel 3.68 Verzorging marktstandplaats De vergunninghouder dient: a. ervoor te zorgen dat zijn marktstandplaats steeds een goed verzorgd aanzien biedt; b. tijdens de markt zelf zijn afval, verpakkingsmaterialen en dergelijke in te zamelen; en c. voordat hij het marktterrein verlaat zijn marktstandplaats en de onmiddellijke omgeving daarvan achter te laten en het afval in de daarvoor bestemde afvalbakken te deponeren.
Artikel 3.69 Afvalbakken De vergunninghouder aan wie omgevingsvergunning is verleend om geringe eet-en drinkwaren voor consumptie gereed te maken en te verkopen, dient aan de voorzijde van zijn marktstandplaats voldoende afvalbakken te plaatsen. Artikel 3.70 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 6.8 weigert het college de omgevingsvergunning: a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de omgevingsvergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt; c. het maximaal aantal standplaatsen is ingenomen zoals bepaald in artikel 3.70 lid 1. 3. Het college weigert de omgevingsvergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. 5. Aan een aanvrager kan één standplaatsvergunning per dag worden verleend.
Artikel 3.71 Locaties en tijden 1. Standplaatsen kunnen op gemeentegrond worden ingenomen op de onderstaande locaties en zoals aangegeven op de bij deze verordening gevoegde plattegronden: Locatie J.A. Beijerinkstraat 53
Dorpskern Nieuwekerk aan den IJssel
Raadhuisplein Burgemeester Boerstraat (ter hoogte van het Bosgrachtpad) Parkeerterrein bij oude begraafplaats aan de Kerklaan nabij de hoek van Kon. Julianastraat
Moerkapelle Zevenhuizen
Aantal standplaatsen 2 (waarvan één met geurverspreidende waren) 1 1
Moordrecht
1
2.
Indien onvoorziene omstandigheden van tijdelijke aard zulks noodzakelijk maken, kan het college wijziging aanbrengen in de situering van de vaste standplaatsen en elders in de gemeente een andere locatie aanwijzen. 3. Het college kan als naar haar oordeel bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven afwijken van het in het eerste lid bepaalde. 4. De omgevingsvergunning voor een standplaats wordt niet verleend op de dag dat de weekmarkt plaats vindt in het betreffende dorp. 5. De standplaats moet worden ingenomen met een verplaatsbare verkoopwagen/kraam die buiten de verkoopuren van de standplaats verwijderd wordt. Artikel 3.12 Standplaatsen in winkelcentra Geen omgevingsvergunning is vereist voor een standplaats in een winkelcentrum, dat 's nachts is afgesloten, indien de standplaatshouder binnen 10 werkdagen voorafgaand aan de inname van de standplaats melding heeft gedaan aan het college en de inname van de standplaats voldoet aan de brandveiligheidseisen. Artikel 3.73 Gronden voor intrekking 1. De verleende omgevingsvergunning voor een standplaats kan worden ingetrokken: a. wanneer de ingeschreven niet langer handelingsbekwaam is of niet langer voldoet aan alle overige voorgeschreven publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van de bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisaties; b.
bij overlijden van de standplaatshouder, tenzij het college overschrijving toestaat; c. als gebleken is dat een ander dan de vergunninghouder de standplaats in gebruik heeft genomen zonder dat daarvoor vergunning is verleend; d. als een vergunninghouder gedurende 3 achtereenvolgende dagen of gedurende 5 dagen binnen een tijdvak van 13 weken geen gebruik heeft gemaakt van de standplaats zonder een naar het oordeel van het college geldige reden; 2. Het college kan, indien zij onverwijld optreden noodzakelijk acht, de vergunninghouder in afwachting van de besluitvorming het recht ontzeggen om de standplaats gedurende een periode van maximaal vier weken daadwerkelijk te gebruiken. Artikel 3.74 Rechtsopvolging 1. Bij overlijden van de houder van een omgevingsvergunning voor een standplaats wordt de vergunning overgeschreven op de overblijvende echtgeno(o)t(e), dan wel duurzaam samenwonende partner, of een kind dat bij voortduring zijn ouder op diens standplaats heeft bijgestaan, mits een schriftelijk verzoek daartoe binnen vier weken na het overlijden wordt ingediend. 2.
De omgevingsvergunning voor een standplaats kan analoog aan het in lid 1 bepaalde ook overgeschreven worden bij blijvende arbeidsongeschiktheid of pensioen van de vergunninghouder, mits daartoe een schriftelijk verzoek wordt gedaan binnen vier weken na het bekend worden van de blijvende arbeidsongeschiktheid, dan wel vier weken voor aanvang van het pensioen. § 3.2.9. Naamgeving en nummering Artikel 3.75 Namen en nummerdragers aanbrengen 1. De door het college aan delen van de openbare ruimte toegekende namen worden zichtbaar en in voldoende aantallen ter plaatse aangebracht. 2. Aan een adresseerbaar object dat een nummer heeft gekregen, moet het nummer door de rechthebbende op een doeltreffende wijze en duidelijk zichtbaar vanaf de openbare weg zijn aangebracht. 3. Het is eenieder, die daartoe niet bevoegd is, verboden naamborden in de openbare ruimte aan te brengen. 4. Het is eenieder, die daartoe niet bevoegd is, verboden aan adresseerbare objecten zonder de daar aan ten grondslag liggende collegebesluiten nummerdragers aan te brengen.
33
Artikel 3.76 Nummerdragers aanbrengen 1. De rechthebbende is verplicht het nummer, zoals bedoeld in artikel 3.75, tweede lid, binnen vier weken na kennisgeving van het besluit van het college aan te brengen. 2. Tenzij door het college anders is besloten, is de rechthebbende van een object verplicht het in het eerste lid genoemde nummer, alsmede daarmee verband houdende verwijs- en verzamelborden aan te brengen op een wijze zoals krachtens artikel 3.75, tweede lid is bepaald. 3. Indien een object nog niet is voltooid, wordt het nummer binnen vier weken na voltooiing aangebracht. 4. Het college kan de in het eerste en derde lid genoemde termijn verlengen. Artikel 3.17 Uitvoeringsvoorschriften 1. De wijze van toekennen, het plaatsen van de nummerdragers alsmede de voorschriften voor de afmetingen, vormgeving en materiaalkeuze van de nummerdragers dienen te geschieden conform de in bijlage 3 (technische uitvoeringsvoorschriften) benoemde NEN-normen. 2. Het college is bevoegd nadere uitvoeringsvoorschriften vast te stellen betreffende het bepaalde in deze paragraaf. Afdeling 3.3 Milieubelastende activiteiten § 3.3.1. Festiviteiten Artikel 3.78 Collectieve festiviteiten 1.
De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.80 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten, in het bebouwde deel van de inrichting, gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. Hierbij geldt dat uiterlijk om 00.00 uur op zondag tot en met donderdag en 1.00 uur op vrijdag en zaterdag de lichten moeten zijn gedoofd, tenzij in de aanwijzing van de collectieve festiviteiten anders is aangegeven. 3. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 4. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 5.
Op dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit, en artikel 3.80 van deze verordening, uiterlijk om 00:00 uur beëindigd als dag valt op een zondag tot en met donderdag en uiterlijk om 01:00 uur als de dag valt op een vrijdag en zaterdag. 6. De equivalente geluidsniveaus LAeq en LCeq veroorzaakt door de inrichting, bedragen niet meer dan 65 dB(A) en 80 dB(C) in de dagperiode, 60 dB(A) en 75 dB(C) in de avondperiode en 55 dB(A) en 70 dB(C) in de nachtperiode, gemeten op de gevel van gevoelige gebouw op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidswaarden als bedoeld in het zesde lid zijn inclusief onversterkte muziek. De toeslag voor muziekgeluid van 10 dB(A) en de bedrijfsduurcorrectie wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. Artikel 3.79 Incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden in het bebouwde gedeelte van de inrichting, waarvan ten hoogste 4 maal inclusief de buitenruimte, waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.80 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2.
Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan
34
in kennis heeft gesteld. Hierbij geldt dat uiterlijk in 00.00 uur op zondag tot en met donderdag of 1.00 uur op vrijdag en zaterdag de lichten moeten zijn gedoofd. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving; 4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats die op dat formulier is vermeld. 5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. De equivalente geluidsniveaus LAeq en LCeq veroorzaakt door de inrichting, bedragen niet meer dan 65 dB(A) en 80 dB(C) in de dagperiode, 60 dB(A) en 75 dB(C) in de avondperiode en 55 dB(A) en 70 dB(C) in de nachtperiode, gemeten op de gevel van gevoelige gebouw op een hoogte van 1,5 meter. 7. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, in het bebouwde gedeelte van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit - uiterlijk 00.00 uur op zondag tot en met donderdag en 1.00 uur op vrijdag en zaterdag beëindigd. 8.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, op het buitenterrein van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit - uiterlijk om 00.00 uur beëindigd. 9. De geluidswaarden als bedoeld in het zesde lid zijn inclusief onversterkte muziek. De toeslag voor muziekgeluid van 10 dB(A) en de bedrijfsduurcorrectie wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in het bebouwde gedeelte van de inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. § 3.3.2. Geluidhinder Artikel 3.80 onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c.
de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. e. Tabel Dagperiode Avondperiode Nachtperiode LAr,LT op de gevel van gevoelige 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) gebouwen LAr.LT in in- en aanpandige 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) gebouwen LAmax in in- en aanpandige 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) gevoelige gebouwen 2. Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dagperiode en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit van toepassing. 3. Het eerste lid geldt niet indien artikel 3.75 of artikel 3.76 van toepassing is.
Artikel 3.81 Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht 1. Het is verboden buiten een inrichting toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan voor het afwijken van het verbod een omgevingsvergunning verlenen. 3. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Zuid-Holland. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. § 3.3.3. Overige milieubelaste activiteiten Artikel 3.82 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Het verbod geldt niet voorzover het betreft: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert. 3.