Bijlage 8 Quickscan Flora en Fauna gemaal Hitland (geanonimiseerd) A23.001444
Tekst van het document
Beschermde
houtopstanden
In de hoofdstuk is onderzocht of de bescherming van houtopstanden, zoals bedoeld in de Wnb, binnen het project van toepassing is. Hiervoor is gebruik gemaakt van de “komgrenzen Wnb — viewer” van de omgevingsdienst van de Provincie Zuid-Holland. Op grond van de aard van de ingreep en ligging ten opzichte van de bebouwde kom houtopstanden wordt bepaald of en welke vervolgstappen nodig zijn.
6.1
Voorgenomen
kapomvang
en beoordeling
Het plangebied valt buiten de kom houtopstanden (Figuur 6-1). Op het moment is nog onbekend of, hoeveel en waar houtopstanden gekapt dienen te worden. In figuur 2-10 is globaal aangegeven waar kap (mogelijk) plaatsvindt.
+
Zepies
7
Nieuwerkerk a n Gén IJs e
aa
Lageweg
Klen
K
Hiland
Ouderkerk aàn den Jsse
Figuur 6-1. Ligging van Hitland ten opzichte van de grens (aangegeven met een groene lijn) bebouwde kom houtopstanden. Omgevingsdienst Zuid-Holland.
6.2
Bron:
Conclusie houtopstanden
Het plangebied
ligt buiten de grens van de kom
bebouwde
kom
houtopstanden
van de Provincie Zuid-
Holland. Met de komst van het nieuwe gemaal zullen maximaal 20 bomen worden gekapt. Indien bescher-
ming van houtopstanden, zoals bedoeld
in de Wnb, van toepassing is, dient minstens 6 weken voor het
kappen van de opstand een kapmelding ingediend te worden bij het bevoegd gezag. Naast de meldplicht, geldt dan tevens een herplantplicht.
13 maart 2023
QUICK SCAN F&F
KGM245-RHD-ZZ-XX-RP.OM-0013
27
Projectgerelateerd
ìq\‚Royal
HaskoningDHV 7
Conclusies en vervolgstappen
7.1
Beschermde gebieden
Natura
2000
Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied.
Natura 2000-gebied “Boezems
Kinder-
dijk”, is met ongeveer 5,5 kilometer het dichtstbij gelegen ten opzichte van het plangebied. De meeste negatieve effecten door storingsfactoren zoals geluid, licht en optische verstoring zijn uitgesloten, vanwege de grote afstand tussen het plangebied en omliggende Natura 2000-gebieden en tussenliggend landgebruik. Stikstofdepositie De bescherming van natuur is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De soorten- en gebiedsbescherming s in Nederland geregeld n Wet natuurbescherming.
Bescherming van Natura 2000-gebieden
vindt plaats op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb), die op 1 januari 2017 in werking is getreden en voor wat betreft het aspect Natura 2000-gebieden de Natuurbeschermingswet 1998 vervangt.
De Wnb heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen en bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en Natura
2000-gebieden (belangrijke natuurgebieden). Naast een algemeen geldende zorgplicht voor alle voorkomende soorten gelden verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle n het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij-principe; alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden. Met een door het bevoegd gezag te verlenen ontheffing kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen. Daamaast bevat de wet nog andere bepalingen, waaronder over houtopstanden. In het kader van de gebiedsbescherming, is ook 'externe werking’ een relevante opgave. Niet alleen directe ingrepen in Natura 2000-gebieden kunnen schadelijk zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen,
ook kan sprake zijn van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van geluid, licht, abiotiek (verdroging, verontreiniging) en andere verstorende factoren.
Een actueel onderwerp is de
stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Conform de Wet natuurbescherming (Wnb) dient bij nieuwe activiteiten getoetst te worden of binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen optreden.
De nieuwe Wet stikstofreductie en natuurverbetering
(Wsn), die op 1 juli 2021 in werking is getreden, vereist het doen van onderzoek naar eventuele stikstofdepositie voor de definitieve fase van het planvoornemen. Sinds de uitspraak van de Raad van State van 2
november 2022 dienen ook effecten van tijdelijke bouw- en sloopactiviteiten (aanlegfase) onderzocht te worden. Uit een (AERIUS-)berekening moet vervolgens blijken of de waarde van 0,00 mol N/ha’jaar wordt overschreden, en indien dat het geval is, of sprake is van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Uit de berekeningen met AERIUS
Calculator blijkt dat de stikstofdepositie ten gevolge van optredende
emissies niet meer is dan 0,00 mol N/ha/jaar op de omliggende Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van de bouwfase uit te sluiten zijn en het project daarmee niet vergunningplichtig is in het kader van de Wb Natuurnetwerk
Nederland
Het plangebied ligt voor een gedeelte binnen het Natuurnetwerk Nederland. De beoogde ruimtelijke in-
greep heeft geen negatieve effecten op de lokale wezenlijke kenmerken en waarden. Tevens vraagt
het
project niet om een bestemmingsplan wijziging van het NNN. Het uitvoeren van een ’Nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Er zijn geen verder vervolgstappen nodig.
13 maart 2023
QUICK SCAN F&F
KGM245-RHD-ZZ-XX-RP.OM-0013
28
Projectgerelateerd
ìq\‚Royal
HaskoningDHV 7.2
Beschermde
soorten
Het plangebied is geschikt voor meer algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieënsoorten. Deze soorten zijn door de provincie Zuid-Holland echter vrijgesteld van ontheffingsplicht ten aanzien van de Wb bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel dienen negatieve effecten op deze soorten als gevolg van het voornemen
voorkomen of zo veel mogelijk beperkt te worden door het nemen van voorzorgsmaatregelen. Het plangebied is daarnaast geschikt voor algemene broedvogels, broedvogels met jaarrond beschermde nesten en vleermuizen. Verder komen nabij het plangebied bevers voor. Er kan niet worden uitgesloten dat
deze ook in het plangebied voorkomen en de werkzaamheden leiden tot negatieve effecten. Vervolgonderzoek is daarom noodzakelijk.
7.3
Beschermde houtopstanden
Het plangebied ligt buiten de grens van de bebouwde
kom houtopstanden van de Provincie Zuid-Holland.
Indien kap van bomen moet plaatsvinden, dient nader beoordeeld te worden of het om meer dan 10 are of meer dan 20 bomen gaat en of deze opstanden zodoende beschermd zijn onder de Wnb. Indien bescherming van houtopstanden, zoals bedoeld in de Wnb, van toepassing is, dient minstens 6 weken voor het kappen van de opstand een kapmelding ingediend te worden bij het bevoegd gezag. Naast de
meldplicht, geldt dan tevens een herplantplicht. De herplant dient binnen 3 jaar na afloop van de kap gerealiseerd te zijn.
13 maart 2023
QUICK SCAN F&F
KGM245-RHD-ZZ-XX-RP.OM-0013
29
Projectgerelateerd
ìq\‚Royal
HaskoningDHV 8
Geraadpleegde literatuur
=
https:/www.anemoon.org, Informatie over insekten
= =
https:/www.ravon.nl/, informatie over amfibieën en reptielen https:/www.verspreidingsatlas.nl/, informatie over de verspreiding van beschermde soorten
=
https:/www.vleermuis.net/,
= =
https:/www.vlinderstichting.nl/, informatie over vlinders en libellen https:/www.vogelbescherming.nl/ informatie over vogels
informatie over vleermuizen
=
https:/www.zoogdiervereniging.nl/, informatie over zoogdieren
= ° https://ravon.nl/Portals/2/Bestanden/Soorten/Ringslang_atlastekst.pdf = _ Ministerie van LNV, 2014. Effectenindicator Natura 2000-gebieden. Verkregen op: https://www.synbiosys.alter a.nl/bij1 2/effectenindicatorappl.aspx?subj=effectenmatrix&tab=1,
geraadpleegd op 20 okto-
ber 2021
=
NDFF. Nationale Databank Flora en Fauna. Gegevens van afgelopen 10 jaar, geraadpleegd op 14 oktober 2021.
= =
Verkregen op: https:/www.ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul
RIVM, 2018. Atlas Leefomgeving, Natura 2000-gebieden. Vergregen op: https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten, geraadpleegd op 14 oktober 2021 Webviewer provincie Zuid-Holland, 2021. https://pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=698b578f8bf34f5ab624e1f2ae6871998ex-
tent=33428.9852%2C415026.1883%2C131473.1813%2C477053.1124%2C28992,
geraadpleegd op
20 oktober 2021
13 maart 2023
QUICK SCAN F&F
KGM245-RHD-ZZ-XX-RP.OM-0013
30
Projectgerelateerd
ìq\‚Royal
HaskoningDHV Bijlage |: Beknopt kader natuurwet- en regelgeving De juridische kaders die volgen uit de Wnb en het beleid rond het NNN vormen het toetsingskader. Wat
betreft de Wnb zijn de onderdelen Gebiedsbescherming (Hoofdstuk 2 van de wet), Soortenbescherming (Hoofdstuk 3 van de wet) en Bescherming van houtopstanden (Hoofdstuk 4 van de wet) van toepassing voor het projectvoornemen. De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en voegt de drie voorheen gebruikte
natuurwetten (Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet) samen.
Het uitgangspunt
van de wet is de natuur te beschermen, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en her-
stellen van biologische diversiteit zonder de lasten te verhogen. De uitwerking van de wet is vastgelegd in het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming (Staatsblad, 2016). De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (artikel 1.11) een drietal hoofdstukken die relevant zijn voor voorliggend voornemen. Hoofdstuk 2 van de Wnb gaat over de Natura 2000-gebieden en hoofdstuk 3 over soorten en hoofdstuk 4 over houtopstanden. Deze onderdelen van de wet zijn in onderhavige rapportage beknopt opgenomen. Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000 gebieden is in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming geregeld Met het vervallen van de wettelijke bescherming van Beschermde of Staatsnatuurmonumenten ziet de
Wet natuurbescherming voor wat betreft bescherming van gebieden uitsluitend op zogenoemde Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden bestaande uit Vogel- en Habitatrichtijngebieden (respectievelijk richtlijn 79/409/EEG en 92/43/EEG). Dit
netwerk vormt de hoeksteen van het Europese beleid voor behoud en herstel van biodiversiteit. Een Natura 2000-gebied en bijbehorende instandhoudingsdoelen worden vastgesteld door middel van een aanwijzingsbesluit, welke in tijd en ruimte worden uitgewerkt in een beheerplan. Samen vormen zij de juridi-
sche basis voor de Nederlandse gebiedsbescherming, waarbij de instandhoudingsdoelstellingen het gebied-specifieke toetsingskader vormen. Projecten die - gelet op de instandhoudingsdoelstellingen - de kwaliteit van habitats kunnen verslechteren, die een verstorend effect kunnen hebben op Natura 2000 gebieden of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen,
mogen
niet plaatsvinden zonder ver-
gunning. Voor de vergunning van een dergelijk project of het vaststellen van een plan, zoals een bestemmingsplan, dient een Passende Beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied - rekening
houdend met de instandhoudingsdoelstellingen - te worden gemaakt (conform de artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van de Wet natuurbescherming). Soortenbescherming Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming behandelt de bescherming van soorten, de mogelijkheid om
ontheffing te verlenen en dergelijke. Voor soorten van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing worden verleend op basis van de in deze richtlijnen genoemde belangen (bijvoorbeeld openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna). In de wet zijn in de bijlagen 160 soorten opgeno-
men, ten aanzien waarvan onder deze wet verbodsbepalingen zijn geformuleerd die ten gevolge van een plan of project niet overtreden mogen worden. Is een dergelijke overtreding toch onlosmakelijk verbonden met een voornemen, dient hiervoor een ontheffing te worden verkregen.
Er wordt onderscheid gemaakt in internationaal beschermde soorten (Vogelrichtlijn artikel 3.1 en habitatrichtljn n artikel 3.5) en nationaal beschermde soorten, ook wel overige soorten genoemd (in artikel 3.10). Internationaal beschermde soorten vallen onder het strengste beschermingsregime. Nationaal
13 maart 2023
QUICK SCAN F&F
KGM245-RHD-ZZ-XX-RP.OM-0013
x
Projectgerelateerd
ì\ Royal HaskoningDHV beschermde soorten genieten een minder strenge bescherming. Dit it zich bijvoorbeeld in het feit dat voorwaardelijke opzettelijke verstoring van nationaal beschermde soorten niet meer verboden is. Voor na-
tionaal beschermde soorten - ook wel: andere soorten - gelden de verbodsbepalingen op grond van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming zoals vermeld in onderstaande overzicht (Tabel 1). Tabel 1. Soortenbescherming:
HR: Habitatrichtlijn.
VR:
overzicht verbodsartikelen Wet natuurbescherming voor fora en fauna.
Vogelrichtljn.
N.v.:
Niet van toepassing.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn $ 3.1
Beschermingsregime soorten Habi htlijn $ 3.2
Beschermingsregime andere soorten $ 3.3
Art. 3.1lid
Art. 3.5lid
Art. 3.10
1
1
lid 1a
Het s verboden in het wild levende vogels opzettelijk e doden of te vangen.
Het is verboden soorten in hun natuurljk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
Het is verboden soorten opzetteljk te doden of te vangen.
Art. 3.1lid2
Art.3.5lid 2
Art. 3.10 lid 1b
Het is verboden opzetteljk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen ofte beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
Het is verboden dieren opzettelijk te ver-
Het is verboden de vaste voortplantings-
storen.
plaatsen of rustplaatsen van dieren opzet-
teljk te beschadigen of te vernielen.
Art.3.1lid3
Art. 3.5lid
Het s verboden eieren te rapen en deze
Het
onder zich te hebben.
natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
Art.3.1lid4
Art.3.5
Het is verboden vogels opzettelijk te sto-
Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen
ren.
3
s verboden
eieren van dieren in de
lid 4
Art.
of te vernielen.
3.10 lid 1C
Hetis verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen
Art.3.1lid5
Art. 3.5lid
Opzettelijk storen is niet verboden indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Het s verboden plantensoorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzetteijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen
of te venielen.
5
of te vernielen.
Voor de ‘andere soorten' van artikel 3.10 kunnen provincies en het ministerie van LNV een algemene vrij stelling van de vergunningplicht vaststellen door middel van een verordening. De Provincie Zuid Holland
heeft de provinciale verordening en vrijstelling vastgesteld. Voor ruimtelijke ingrepen geldt hierdoor een vrijstelling van de ontheffingsplicht voor een aantal meer algemeen voorkomende soorten (Tabel 2). Tabel 2: Soorten met een algemene vrijsteling voor ruimtelijke ingrepen op basís van door PS vastgestelde provinciale verordeningen
Aardmuis Bosmuis
Gewone bosspitsmuis Haas
Rosse woelmuis Veldmuis
Bruine kikker Gewone pad
Bunzing
Hermelijn
Vos
Kleine watersalamander
Dwergmuis
Huisspitsmuis
Wezel
Meerkikker
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Ree
Woelrat
Bastaardkikker (middelste groene kikker)
Voorzorgs- en mitigerende maatregelen
Indien door voorzorgsmaatregelen de negatieve effecten volledig kunnen worden opgeheven, waardoor overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden, is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Het gaat erom dat de voorzorgsmaatregel zorgt dat de functionaliteit van voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van de aanwezige beschermde soort blijft behouden en de betreffende soort niet gedood, verwond of verstoord wordt. 13 maart 2023
QUICK
SCAN
F&F
KGM245-RHD-ZZ-XX-RP.OM-0013
32
Projectgerelateerd
ìq\‚Royal
HaskoningDHV
De voorzorgsmaatregelen worden als randvoorwaarde meegegeven aan de aannemer.
Indien dit niet
wenselijk of mogelijk is, dan dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om de optredende effecten te verzachten. Omdat in een dergelijk geval automatisch sprake is van het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen, moet een ontheffing worden aangevraagd. In specifieke gevallen geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht als ruimtelijke ontwikkelingen uitgevoerd worden volgens een goedgekeurde gedragscode.
Algemene zorgplicht ex artikel 1.11 van de Wnb Voor alle in het wild levende planten en dieren (dus ook voor soorten die niet zijn opgenomen in de Wnb) geldt de algemene zorgplicht conform Wnb artikel 1.11. Deze plicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving.
Veelal komt de zorgplicht erop neer dat tijdens werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk worden voorkomen, en dat bij de inrichting aandacht wordt besteed aan de realisatie van
geschikt habitat voor plant en dier. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat geen effecten mogen optreden, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat de verstoring en eventueel lijden zo beperkt mogelijk is. Opzettelijkheid In de Wb is voor veel verbodsbepalingen de term opzettelijk van toepassing. Niet-opzettelijke handelin-
gen waarbij verbodsbepalingen overtreden worden zijn niet verboden. Daarbij is van belang dat het Europese Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet
worden begrepen: ‘Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant’. Wezenlijke invloed Met de term ‘wezenlijke invloed' wordt gedoeld op een wezenlijk negatieve invloed op een soort of populatie. Om te bepalen of sprake is van een wezenlijk (negatieve) invloed dienen de effecten van de activiteiten of werkzaamheden op de populatie te worden onderzocht. Of hiervan sprake is hangt af van de lokale, regionale, landelijke en Europese staat van instandhouding van de soort. Op welk van deze niveaus de effecten op een soort moeten worden onderzocht, hangt af van de soort. Er is geen sprake van een wezenlijke invloed wanneer de populatie de mogelijke negatieve effecten van
de activiteiten of werkzaamheden zélf op een zodanige wijze (bijvoorbeeld doordat voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders) teniet kan doen dat er geen invloed is op de huidige staat van instandhouding van de soort. In alle gevallen geldt proportionaliteit. Effecten op een zeer
zeldzame soort zullen op een lager niveau moeten worden bezien dan een zeer algemene soort.
Bij soor-
ten die zich niet over grote afstanden kunnen verplaatsen, zoals amfibieën, reptielen, planten en veel soorten insecten, is eerder sprake van een wezenlijk negatieve invloed dan bij soorten die zich over gro-
tere afstanden kunnen verplaatsen. Verder is van belang of het effect van tijdelijke of permanente aard is Van tijdelijke effecten kan een populatie van een soort zich over het algemeen gemakkelijker herstellen
‘dan wanneer het om een aanhoudend negatief effect gaat.
Houtopstanden
13 maart 2023
QUICK SCAN F&F
KGM245-RHD-ZZ-XX-RP.OM-0013
3
Projectgerelateerd
ìq\‚Royal
HaskoningDHV In de Wnb is de bescherming van houtopstanden geregeld. Het doel van de regels met betrekking tot houtopstanden onder de Wnb is de instandhouding van het bosareaal. Om deze doelstelling te realiseren blijven de meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod ingeval van houtkap bestaan. De kap dient daarbij wel nog steeds een bepaalde omvang en locatie te hebben. Enkel houtopstanden groter ‘dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom worden gereguleerd. De voormalige boswet is grotendeels overgenomen
in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming.
Bij de
kap van ten minste 10 are of meer dan 20 bomen is een kapmelding verplicht. De Wet natuurbescherming hanteert het principe van 1-op-1 compensatie, beter bekend als de herplantplicht. Dunningswerkzaamheden in het kader van natuurbeheer of boskap ten behoeve van realisatie van instandhoudingsdoelstellingen voor
een Natura 2000-gebied zijn in beginsel vrijgesteld van herplantplicht, maar dienen wel gemeld te worden. Verder zijn bijvoorbeeld fruitboomgaarden, lijnvormige beplantingen van wilgen of populieren, kerstbomen en houtopstanden op erven en tuinen vrijgesteld van bescherming.
Melaplicht ten aanzien van de voorgenomen kap Wanneer
houtopstanden
geveld worden,
niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet
natuurbescherming,
geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie. In artikel 4.2 is namelijk opgenomen dat het verboden is een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. De provincie kan bij verordening regels stellen over de melding, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op de gegevens die bij de melding worden verstrekt, de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan, en de wijze waarop de melding wordt gedaan. Herplantplicht en vrijstellingsmogelijkheid
Een eigenaar moet binnen drie jaren na het vellen of het tenietgaan van de houtopstand zorgdragen voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen over de bosbouwkundig eerste
verantwoorde wijze van herbeplanting, bedoeld
in het
lid.
Gedeputeerde staten kan ontheffing verlenen van het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gesteide regels. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de gevelde houtopstand. Kapverbod De melding vergemakkelijkt de controle op de uitvoering van deze
plicht tot herbeplanting
en maakt
het
mogelijk voor gedeputeerde staten om een kapverbod op te leggen. Het kapverbod kan door gedeputeerde staten telkens voor ten hoogste vijf jaar worden opgelegd ter bescherming van bijzondere natuur- of land-
schapswaarden. Natuurnetwerk
Nederland
Het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Nederland, is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied en het effectief functioneren van de ecologische verbindingszones. “Nee, tenzij”
De bescherming van deze waarden vindt plaats door toepassing van een specifiek afwegingskader: het zogenaamde ‘Nee, tenzij’-regime. Dat betekent dat nieuwe plannen en projecten niet zijn toegestaan (‘nee’) als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat
13 maart 2023
QUICK SCAN F&F
KGM245-RHD-ZZ-XX-RP.OM-0013
x
Projectgerelateerd
ìq\‚Royal
HaskoningDHV geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Hiervoor is goedkeuring (of een verklaring van geen bezwaar) van Gedeputeerde Staten vereist. De provincie beschermt het NNN
via het ruimtelijk beleid om ervoor te zorgen dat de omvang
en kwaliteit
van deze gebieden niet afneemt. Dit is geregeld in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). Hoofdijn is daarbij dat nieuwe ontwikkelingen in het NNN
per saldo niet mogen
leiden tot significante aantasting van
het NNN, tenzij er een groot openbaar belang is én alternatieven ontbreken (Nee tenzij. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen met significante negatieve natuurgevolgen in het Natuurnetwerk Nederland zijn niet toegestaan (nee"), tenzij groot openbaar belang en het ontbreken van alternatieven aangetoond is. Het Nee tenzij
komt uit het rijksbeleid en is uitgewerkt in Verordening (PRV). Deze NNN-wijzer licht dit regime toe. Wezenlijke kenmerken en waarden
De wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland zijn gekoppeld aan de natuurdoelen voor een gebied. Deze zijn te vinden in het ‘Natuurbeheerplan” van de betreffende provincie, de Index Natuur en Landschap en de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000-gebieden voor zover de onder het
Natuurnetwerk Nederland aangewezen gebieden ook in een Natura 2000-gebied liggen De vraag wanneer sprake is van een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden kan in het kader van het Natuurnetwerk Nederland niet in algemene zin beantwoord worden. In ieder geval worden
alle plannen of projecten die ertoe leiden dat een deel van het netwerk
een andere
bestemming
moet krijgen en daardoor uit de begrenzing moet worden gehaald als significant aangemerkt
13 maart 2023
QUICK SCAN F&F
KGM245-RHD-ZZ-XX-RP.OM-0013
35