CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 De “was-word-tabel” A24.002206

Gemeenteraad 26 november 2024, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Aanpassing gemeenschappelijke regeling Grondbank RZG Zuidplas5.853 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Wijzigingstabel gemeenschappelijke regeling Grondbank RZG Zuidplas Dit is een was-wordt tabel met alleen de artikelen uit de regeling die worden gewijzigd door het wijzigings besluit. In de linkerkolom staat de huidige tekst van de regeling. De tweede kolom bevat de gewijzigde tekst na vaststelling van het wijzigingsbesluit. De wijzigingen zijn dikgedrukt of geel gemarkeerd, afhankelijk van of er sprake is van een vervanging van tekst, schrappen of toevoegen. De laatste kolom bevat de toelichting. Hierin is tevens aangegeven of de wijziging een gevolg is van de verlenging van de regeling of van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regeling. Deze tabel is om overzicht te geven, het is niet het wijzigingsbesluit zelf. Dat is een apart document waarin iedere deelnemer de aanhef moet aanpassen voor de eigen organisatie. Dit besluit wordt uiteindelijk gepubliceerd door de provincie en na publicatie geconsolideerd op www.overheid.nl, tot een nieuwe regeling, op de manier in de midden kolom/ tweede kolom. Huidige tekst Artikel 1 Begripsomschrijvingen 1.Deze gemeenschappelijke regeling verstaat onder: a. grondbank: Grondbank RZG Zuidplas b. bestuur: bestuur van de Grondbank RZG Zuidplas; c. college: college van burgemeester en wethouders van een deelnemende gemeente; d. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland; e.

deelnemers: aan deze regeling deelnemende bestuursorganen van gemeenten en provincie; f. provincie: de aan deze regeling deelnemende provincie Zuid-Holland; g. deelnemende gemeente: aan deze regeling deelnemende gemeente; h. vertegenwoordigende organen: Provinciale Staten van Zuid-Holland en de raden van de deelnemende gemeenten; i. rondexploitatie: geheel van activiteiten en werkzaamheden met betrekking tot de verwerving, het bouw- en woonrijp maken, en de uitgifte van voor bebouwing geschikt gemaakte gronden, in het kader van de realisatie van planologische maatregelen; j. Herijkingsstudie: door Provinciale Staten op 8 oktober 2013 vastgestelde Herijkingsstudie Zuidplaspolder;

Nieuwe tekst Artikel 1 Begripsomschrijvingen 1.Deze gemeenschappelijke regeling verstaat onder: a. grondbank: Grondbank RZG Zuidplas b. bestuur: bestuur van de Grondbank RZG Zuidplas; c. college: college van burgemeester en wethouders van een deelnemende gemeente; d. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland; e. deelnemers: aan deze regeling deelnemende bestuursorganen van gemeenten en provincie; f. provincie: de aan deze regeling deelnemende provincie ZuidHolland; g. deelnemende gemeente: aan deze regeling deelnemende gemeente; h. vertegenwoordigende organen: Provinciale Staten van ZuidHolland en de raden van de deelnemende gemeenten; i. grondexploitatie: geheel van activiteiten en werkzaamheden met betrekking tot de verwerving, het bouw- en woonrijp maken, en de uitgifte van voor bebouwing geschikt gemaakte gronden, in het kader van de realisatie van planologische maatregelen; j. Herijkingsstudie: door Provinciale Staten op 8 oktober 2013 vastgestelde Herijkingsstudie Zuidplaspolder;

Aard van de wijziging/ toelichting De begripsomschrijvingen van artikel 1 zijn aangevuld met twee nieuwe begrippen vanwege de verlenging van de grondbank.

1

Huidige tekst k. Visie Ruimte en Mobiliteit: door Provinciale Staten op 9 juli 2014 vastgestelde Visie Ruimte en Mobiliteit; l. rechtsgebied: grondgebied binnen de gemeenten Gouda, Rotterdam, Waddinxveen en Zuidplas, met uitzondering van de grijs gearceerde gebieden, een en ander zoals aangegeven op de bij deze regeling behorende tekening; m. regeling of gemeenschappelijke regeling: Gemeenschappelijke regeling Grondbank RZG Zuidplas. n. USK: meerjarig Uitname Strategie Kader, zoals bedoeld in artikel 18 van deze regeling; o. wet: Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 3 Doel De grondbank heeft tot doel het ontwikkelen, vaststellen, initiëren en uitvoeren van een strategisch beheer- en uitnamebeleid voor de verworven gronden ten behoeve van een effectieve realisatie van de in de Herijkingsstudie en de Visie Ruimte en Mobiliteit voor het rechtsgebied geformuleerde ruimtelijke en sectorale doelstellingen. Artikel 4 Taken 1.De grondbank heeft tot taak het beheren en verkopen van de verworven gronden op zodanige wijze dat wordt voldaan aan de in artikel 3 omschreven doelstelling. Hiertoe worden onder meer de volgende, afgeleide, deeltaken gerekend: a.het opstellen van het USK; b.het voeren van (tijdelijk) beheer, in de ruimste zin van het woord, met betrekking tot de verworven gronden;

Nieuwe tekst k. Visie Ruimte en Mobiliteit: door Provinciale Staten op 9 juli 2014 vastgestelde Visie Ruimte en Mobiliteit; l. rechtsgebied: grondgebied binnen de gemeenten Gouda, Rotterdam, Waddinxveen en Zuidplas, met uitzondering van de grijs gearceerde gebieden, een en ander zoals aangegeven op de bij deze regeling behorende tekening; m. regeling of gemeenschappelijke regeling: Gemeenschappelijke regeling Grondbank RZG Zuidplas. n. USK: meerjarig Uitname Strategie Kader, zoals bedoeld in artikel 18 van deze regeling; o. wet: Wet gemeenschappelijke regelingen; p. bestuursovereenkomst: bestuurlijke overeenkomst ‘Ontwikkeling Middengebied Zuidplaspolder’ gesloten op 1 juli 2021 tussen de gemeente Zuidplas, de provincie ZuidHolland en de grondbank met afspraken over de ontwikkeling van het middengebied van Zuidplas en bestaande en nog overeen te komen addenda; q. middengebied: plangebied van de bestuursovereenkomst, gelegen binnen het rechtsgebied, aangegeven op de bij deze regeling behorende tekening. Artikel 3 Doel De grondbank heeft tot doel het ontwikkelen, vaststellen, initiëren en uitvoeren van een strategisch beheer- en uitnamebeleid voor de verworven gronden ten behoeve van een effectieve realisatie van de gebiedsontwikkeling in het rechtsgebied, bedoeld in artikel 2, tweede lid.

Aard van de wijziging/ toelichting

Artikel 4 Taken 1.De grondbank heeft tot taak het beheren en verkopen van de verworven gronden op zodanige wijze dat wordt voldaan aan de in artikel 3 omschreven doelstelling. Hiertoe worden onder meer de volgende, afgeleide, deeltaken gerekend: a.het opstellen van het USK; b.het voeren van (tijdelijk) beheer, in de ruimste zin van het woord, met betrekking tot de verworven gronden;

In artikel 4 zijn de Herijkingsstudie en de Visie Ruimte en Mobiliteit vervangen omdat deze achterhaald zijn.

Artikel 3 is aangepast omdat de Herijkingsstudie en de Visie Ruimte en Mobiliteit achterhaald zijn. Deze zijn vervangen door de algemener geformuleerde doelstelling.

2

Huidige tekst c.het financieren van de verworven gronden, het beheer en de verdere kosten ter uitvoering van de doelstelling van deze regeling; d. het nemen van maatregelen om het waardebehoud van de gronden te borgen; e. het verkopen van verworven gronden ter uitvoering van de doelstelling van deze regeling. 2.De grondbank heeft tot taak het in opdracht en voor rekening van één of meerdere deelnemers verwerven en beheren van gronden voor zover die gronden zijn gelegen binnen het rechtsgebied. 3.Onder de taken van de grondbank is uitdrukkelijk niet inbegrepen de bij de deelnemers berustende taakstelling, gericht op het (doen) voeren van in ieder geval de grondexploitatie ter uitvoering van de planologische maatregelen die ter uitvoering van de Herijkingsstudie en de Visie Ruimte en Mobiliteit voor het rechtsgebied worden vastgesteld.

Nieuwe tekst c.het financieren van de verworven gronden, het beheer en de verdere kosten ter uitvoering van de doelstelling van deze regeling; d. het nemen van maatregelen om het waardebehoud van de gronden te borgen; e. het verkopen van verworven gronden aan deelnemers en derden ter uitvoering van de doelstelling van deze regeling. 2.De grondbank heeft tot taak het in opdracht en voor rekening van één of meerdere deelnemers verwerven en beheren van gronden voor zover die gronden zijn gelegen binnen het rechtsgebied. 3.Onder de taken van de grondbank is uitdrukkelijk niet inbegrepen de bij de deelnemers berustende taakstelling, gericht op het (doen) voeren van in ieder geval de grondexploitatie van het rechtsgebied.

Aard van de wijziging/ toelichting

NVT

Artikel 5a Zienswijzen en participatie bij voorgenomen besluiten Buiten de in deze regeling of bij of krachtens de wet bepaalde gevallen zijn er geen besluiten van het bestuur waarvoor aan de vertegenwoordigende organen een zienswijze als bedoeld in artikel 10, vijfde lid van de wet wordt gevraagd of gelegenheid tot participatie als bedoeld in artikel 10, zevende en achtste lid van de wet wordt geboden.

Artikel 5a is ingevoegd als gevolg van de wijziging van de wet. In de wet is een verplichting geïntroduceerd om in de regeling afspraken te maken over welke besluiten van het bestuur van een gemeenschappelijke regeling vatbaar zijn voor een zienswijze en welke besluiten voor participatie (artikel 10, vijfde tot achtste lid) Het USK is vatbaar voor een zienswijze en participatie, de procedure hiertoe is geregeld in artikel 18 van de regeling. In artikel 5a is geregeld dat behalve het USK geen andere besluiten (behoudens natuurlijk de begroting) 3

Huidige tekst

Nieuwe tekst

Artikel 7 Samenstelling 1.Het Algemeen Bestuur bestaat uit twee leden per deelnemer. 2.De colleges en Gedeputeerde Staten wijst uit hun midden twee leden van het Algemeen Bestuur aan. ….. Artikel 10 Bevoegdheden 1.Het Algemeen Bestuur staat aan het hoofd van de grondbank. 2.Het bepaalde in de artikel 57 van de wet, tenzij bij wet of in deze regeling anders is bepaald. 3. Het Algemeen Bestuur heeft tevens de bevoegdheid tot het vaststellen van het USK. 4.Het Algemeen Bestuur kan de bevoegdheid tot het vaststellen van het USK niet overdragen aan het Dagelijks Bestuur Artikel 11 Vergaderingen 1.Op het houden en op de orde van vergaderingen van het Algemeen Bestuur is artikel 52, eerste lid, onder f van de wet van toepassing, tenzij in deze regeling anders is bepaald. 2.Het Algemeen Bestuur voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vaststelt.

Artikel 7 Samenstelling 1.Het Algemeen Bestuur bestaat uit twee leden per deelnemer. 2.De colleges en Gedeputeerde Staten wijzen uit hun midden twee leden van het Algemeen Bestuur aan.

Artikel 17 Verantwoordings- en informatieplicht 1.Ten aanzien van de verantwoordings- en informatieplicht van het Algemeen Bestuur, Dagelijks Bestuur respectievelijk van de voorzitter geldt het bepaalde in artikel 52, eerste lid, van de wet. 2.Het Reglement van Orde van het Algemeen Bestuur respectievelijk van het Dagelijks Bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste lid. 3.Gedeputeerde Staten en de colleges en de vertegenwoordigende organen bepalen op welke wijze de leden van het Algemeen Bestuur, tezamen en ieder

nvt

Aard van de wijziging/ toelichting voor een zienswijze of participatie vatbaar zijn.

Artikel 10 Bevoegdheden 1.Het Algemeen Bestuur staat aan het hoofd van de grondbank. 2. Het Algemeen Bestuur heeft de bevoegdheid tot het vaststellen van het USK. 3.Het Algemeen Bestuur kan de bevoegdheid tot het vaststellen van het USK niet overdragen aan het Dagelijks Bestuur.

Artikel 11 Vergaderingen 1.Op het houden en op de orde van vergaderingen van het Algemeen Bestuur is artikel 52, eerste lid, onder f van de wet van toepassing, tenzij in deze regeling anders is bepaald. 2.Het Algemeen Bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast. Artikel 17 is verwijderd omdat de inhoud reeds is opgenomen in de artikelen 19 tot en met 21.

4

Huidige tekst afzonderlijk, respectievelijk het Dagelijks Bestuur en de voorzitter aan hun plichten als bedoeld in het eerste lid moeten voldoen. Artikel 18 Inhoud en procedure USK 1. Het Dagelijks Bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar , met inachtneming van het gestelde in hoofdstuk 2, een ontwerp-USK op, dat als kader geldt voor het door de grondbank uit te voeren beheer- en uitnamebeleid. In het ontwerp-USK worden in ieder geval voorstellen gedaan voor: a.de wijze, het tempo en de te verwachten resultaten van realisatie van de in artikel 3 genoemde doelstellingen; b.de afstemming met het door de deelnemers te voeren ruimtelijk en grondbeleid in relatie tot de uitvoering van de Herijkingsstudie en de Visie Ruimte en Mobiliteit binnen het rechtsgebied; c.de begrenzing in omvang van de voorraad verworven gronden; d.de inhoudelijke en procedurele voorwaarden waarbinnen privaatrechtelijke rechtshandelingen gericht op de verkoop van gronden, zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid onder c , dienen plaats te vinden; e.de inhoudelijke en procedurele voorwaarden waarbinnen privaatrechtelijke rechtshandelingen gericht op de verwerving van gronden zoals bedoeld in artikel 4 tweede lid, dienen plaats te vinden. 2.Het USK beslaat steeds een periode van vier jaar, te rekenen vanaf de datum van haar vaststelling.

3.Het ontwerp-USK wordt na vaststelling door het Dagelijks Bestuur toegezonden aan de vertegenwoordigende organen. De vertegenwoordigende organen kunnen binnen drie maanden hun reacties op het ontwerp-USK kenbaar maken aan het Dagelijks Bestuur. Het Dagelijks Bestuur voegt de commentaren waarin deze reactie is vervat, bij het ontwerp-USK zoals dit aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden.

Nieuwe tekst

Aard van de wijziging/ toelichting

Artikel 18 Inhoud en procedure USK 1. Het Dagelijks Bestuur stelt ten minste eenmaal in de vier jaar , met inachtneming van het gestelde in hoofdstuk 2, een ontwerpUSK op, dat als kader geldt voor het door de grondbank uit te voeren beheer- en uitnamebeleid. In het ontwerp-USK worden in ieder geval voorstellen gedaan voor: a.de wijze, het tempo en de te verwachten resultaten van realisatie van de in artikel 3 genoemde doelstellingen; b.de afstemming met het door de deelnemers te voeren ruimtelijk en grondbeleid in relatie tot de uitvoering van tussen de deelnemers overeengekomen plannen die zijn vertaald in onder andere bestemmingsplannen of omgevingsplannen en de bestuursovereenkomst; c.de begrenzing in omvang van de voorraad verworven gronden; d.de inhoudelijke en procedurele voorwaarden waarbinnen privaatrechtelijke rechtshandelingen gericht op de verkoop van gronden, zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid onder c , dienen plaats te vinden; e.de inhoudelijke en procedurele voorwaarden waarbinnen privaatrechtelijke rechtshandelingen gericht op de verwerving van gronden zoals bedoeld in artikel 4 tweede lid, dienen plaats te vinden. 2.Het USK beslaat steeds een periode van vier jaar, te rekenen vanaf de datum van haar vaststelling. 3.Het ontwerp-USK wordt na vaststelling door het Dagelijks Bestuur toegezonden aan de vertegenwoordigende organen.

De vertegenwoordigende organen kunnen gedurende twaalf weken hun zienswijze op het ontwerp-USK kenbaar maken aan het Dagelijks Bestuur. Het Dagelijks Bestuur voegt de zienswijzen, het schriftelijk en gemotiveerd oordeel over de zienswijzen alsmede de conclusie die het daaraan verbindt bij het ontwerp-USK zoals dit aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden.

Artikel 18, eerste lid, onderdeel b is aangepast omdat de Herijkingsstudie en de Visie Ruimte en Mobiliteit achterhaald is. De overige aanpassingen zijn opgenomen in navolging van de wijziging van de wet. In artikel 10, vijfde en zesde lid van de wet is opgenomen dat de regeling bepalingen moet bevatten omtrent de besluiten van het bestuur van de gemeenschappelijke regeling waarover de raden van deelnemende gemeenten of provinciale staten van de deelnemende provincie een zienswijze naar voren kunnen brengen voorafgaand aan het nemen van een besluit. Het USK is voor zienswijzen opengesteld op de wijze beschreven in artikel 18.

5

Huidige tekst 4.Het Algemeen Bestuur stelt het USK vast. Na vaststelling wordt het USK toegezonden aan de vertegenwoordigende organen.

HOOFDSTUK VI INFORMATIE, VERANTWOORDING EN ONTSLAG Artikel 20 Externe werking, bestuursorganen 1.Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur, en de voorzitter geven aan de vertegenwoordigende organen, gevraagd of ongevraagd, alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is, indien het verstrekken daarvan niet in strijd is met het openbaar belang. 2.Een verzoek om inlichtingen door een of meer leden van de vertegenwoordigende organen dient schriftelijk te worden ingediend bij het Dagelijks Bestuur. 3.Het Dagelijks Bestuur verstrekt de gevraagde inlichtingen aan vertegenwoordigende organen schriftelijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek.

Artikel 26 Financiën 1.Op het voorbereiden en vaststellen van de begroting, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de jaarrekening is het bepaalde in de artikelen 58, 58b, 59 van de wet van toepassing.

Nieuwe tekst 4. Het Dagelijks Bestuur stelt de deelnemers in de gelegenheid hun ingezetenen bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van het USK, te betrekken overeenkomstig artikel 10, achtste lid van de wet, indien sprake is van inhoudelijke aanpassing van het USK. 5.Het Algemeen Bestuur stelt vervolgens het USK vast. Na vaststelling wordt het USK toegezonden aan de vertegenwoordigende organen samen met zienswijzen, het schriftelijk en gemotiveerd oordeel over de zienswijzen en de conclusie die daaraan is verbonden. HOOFDSTUK VI INFORMATIE EN VERANTWOORDING

Aard van de wijziging/ toelichting

Artikel 20 Externe werking, bestuursorganen 1.Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur, en de voorzitter geven aan de vertegenwoordigende organen, gevraagd of ongevraagd, alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is, indien het verstrekken daarvan niet in strijd is met het openbaar belang. 2. Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur, en de voorzitter geven aan de vertegenwoordigende organen alle inlichtingen, voor zover dat niet strijdig is met artikel 23 van de wet, die door één of meer leden van de vertegenwoordigende organen schriftelijk worden verlangd en wel door: a. toezending van bepaalde aangewezen stukken binnen vier weken na ontvangst van het verzoek daartoe; b. schriftelijke beantwoording van de gestelde vragen binnen zes weken na ontvangst daarvan. 3.Een verzoek om inlichtingen door een of meer leden van de vertegenwoordigende organen dient schriftelijk te worden ingediend bij het Dagelijks Bestuur. Artikel 26 Financiën 1.Op het voorbereiden en vaststellen van de begroting, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de jaarrekening is het bepaalde in de artikelen 58, 58b, 59 van de wet van toepassing.

Artikel 20 is aangepast aan de wijziging van de wet. In artikel 17, tweede en derde lid van de wet zijn bepalingen omtrent actieve informatieplicht van het bestuur naar de raden of provinciale staten van de deelnemers opgenomen. In de regeling zijn hiertoe bepalingen opgenomen over de wijze waarop de informatie wordt aangeleverd.

In artikel 26 is een lid toegevoegd om jaarlijks verslag te kunnen uitbrengen over de voortgang van de doelen van de grondbank. Gezien de ontwikkelingen is het wenselijk om 6

Huidige tekst 2.Het Algemeen Bestuur stelt een verordening vast voor de organisatie van de administratie en van het beheer van vermogenswaarden. 3.De begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, en de rekening worden ingericht overeen­komstig de in en krachtens het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten gestelde regels. 4.In de begroting wordt aangegeven het naar raming bepaalde batig of nadelig saldo. Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing. 5.In de rekening wordt het werkelijke batige of nadelige saldo opgenomen. Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing. 6.Begrotingswijzigingen hoeven niet aan Provinciale Staten en aan de raden van de deelnemende gemeenten voor zienswijze te worden aangeboden indien: a. die niet leiden tot overschrijding van het totaalbedrag van de lasten en/of baten van de begroting; b. die niet leiden tot een daling van het geraamde batig saldo dan wel stijging van het geraamde nadelig saldo; c. het totaal aan (budget)mutaties minder dan 5% van de totale begrotingsomvang, behoudens de vermogensmutaties, (baten) bedraagt d. indien de gerealiseerde grondverkopen de begroting overschrijdt; e. die te maken hebben met extra opdracht(en) van een deelnemer met bijbehorende financiële dekking.

Artikel 30 Inhoud en procedure evaluatie 1.Uiterlijk vóór 1 juli 2019 verplichten de deelnemers zich de toepassing en werking van deze regeling te evalueren. Voorts verplichten de deelnemers zich de toepassing en werking van deze regeling vóór 1 juli 2024 te evalueren.

Nieuwe tekst 2.Het Algemeen Bestuur stelt een verordening vast voor de organisatie van de administratie en van het beheer van vermogenswaarden. 3.De begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, en de rekening worden ingericht overeenkomstig de in en krachtens het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten gestelde regels. 4.In de begroting wordt aangegeven het naar raming bepaalde batig of nadelig saldo. Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing. 5.In de rekening wordt het werkelijke batige of nadelige saldo opgenomen. Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing. 6.Begrotingswijzigingen hoeven niet aan Provinciale Staten en aan de raden van de deelnemende gemeenten voor zienswijze te worden aangeboden indien: a. die niet leiden tot overschrijding van het totaalbedrag van de lasten en/of baten van de begroting; b. die niet leiden tot een daling van het geraamde batig saldo dan wel stijging van het geraamde nadelig saldo; c. het totaal aan (budget)mutaties minder dan 5% van de totale begrotingsomvang, behoudens de vermogensmutaties, (baten) bedraagt d. indien de gerealiseerde grondverkopen de begroting overschrijdt; e. die te maken hebben met extra opdracht(en) van een deelnemer met bijbehorende financiële dekking.

7.Bij de jaarrekening wordt in een aparte paragraaf verslag gedaan van de voortgang van het doel, bedoeld in artikel 3, de voortgang van het USK en de bestuursovereenkomst. Artikel 30 Inhoud en procedure evaluatie 1.Het Algemeen Bestuur evalueert de toepassing en werking van deze regeling, voor het eerst voor 1 juli 2029. 2.De in het eerste lid bedoelde evaluatie heeft tot doel na te gaan:

Aard van de wijziging/ toelichting frequenter de stand van zaken te monitoren, vooruit te kijken naar de toekomst en de deelnemers hierover te informeren. Om die reden is opgenomen om jaarlijks in een aparte paragraaf in de jaarstukken de voortgang te monitoren, de marktsituatie van dat moment te analyseren en vooruit te kijken in relatie tot de doelstellingen.

Artikel 30 is aangepast aan de wettelijke verplichting van artikel 11a van de wet om bepalingen omtrent evaluatie in de regeling op te nemen. De regeling bevatte weliswaar reeds 7

Huidige tekst 2.Bij een verlenging, zoals bedoeld in artikel 36 lid 2, zal voor 1 juli 2029 een evaluatie zoals bedoeld in dit artikel plaatsvinden. 3.De in het eerste lid bedoelde evaluatie heeft tot doel na te gaan: a. of, en zo ja in welke mate de in deze regeling geformuleerde doelstellingen zijn behaald; b. of, en zo ja in welke mate de in deze regeling vastgelegde overdracht van taken en bevoegd­heden, in het licht van de doelstelling van deze regeling, aanpassing behoeft; c. of, en zo ja onder welke voorwaarden de regeling na het afloop van de in artikel 36 genoemde termijn alsnog dient te worden voortgezet. 4.Door het Algemeen Bestuur wordt een regeling vastgesteld, volgens welke procedure de in het eerste lid bedoelde evaluatie zal plaatsvinden. Artikel 31 Toetreding en uittreding 1.Toetreding tot de regeling door andere gemeenten en/of provincies is alleen mogelijk door wijziging van deze regeling. 2.Een deelnemer kan uittreden uit de regeling per 1 januari 2020 en per 1 januari 2025 middels een daartoe strekkend besluit van (voor het de provincie betreft), Gedeputeerde Staten dan wel een van de colleges.

De in de vorige volzin bedoelde besluiten van de genoemde bestuursorganen van een deelnemer kunnen eerst worden genomen nadat de in artikel 30, eerste volzin bedoelde evaluatie is voltooid, met dien verstande dat de bedoelde besluiten uiterlijk dienen te zijn vastgesteld op 1 november 2019 respectievelijk 1 november 2024. Een afschrift van de besluiten tot uittreding van een deelnemer wordt zo spoedig mogelijk toegezonden aan het Algemeen Bestuur, alsmede aan de vertegenwoordigende organen. 3.Bij een verlenging, zoals bedoeld in artikel 36 lid 2, kan een deelnemer per 1 januari 2030 uittreden zoals bedoeld in dit artikel.

Nieuwe tekst a.of, en zo ja in welke mate de in deze regeling geformuleerde doelstellingen zijn behaald; b.of, en zo ja in welke mate de in deze regeling vastgelegde overdracht van taken en bevoegdheden, in het licht van de doelstelling van deze regeling, aanpassing behoeft; c.of, en zo ja onder welke voorwaarden de regeling na het afloop van de in artikel 36 genoemde termijn alsnog dient te worden voortgezet. 3. Het Algemeen Bestuur stelt een procedureregeling vast voor de evaluatie, bedoeld in het eerste lid. 4. De uitkomsten van de evaluatie worden gedeeld met de deelnemers.

Aard van de wijziging/ toelichting een bepaling omtrent evaluatie, deze is echter belegd bij het Algemeen Bestuur in plaats van de deelnemers.

Artikel 31 Toetreding Toetreding tot de regeling door andere gemeenten of provincies is uitsluitend mogelijk indien er sprake is van herindeling van deelnemende gemeenten.

Artikel 31 is aangepast aan de werkelijke situatie waarin het niet wenselijk is dat nieuwe deelnemers toetreden. Een deel van de tekst van artikel 31 is naar artikel 31a gegaan.

8

Huidige tekst 4.Het Algemeen Bestuur beslist binnen acht weken na ontvangst van de besluiten tot uittreding van een deelnemer of de regeling wordt opgeheven. Het in de vorige volzin bedoelde besluit van het Algemeen Bestuur heeft de kracht van voorstel, gericht aan Provinciale Staten en de raden van de deelnemende gemeenten. Het bepaalde in artikel 33, eerste lid is van overeenkomstige toepassing. 5.Indien tot opheffing wordt besloten, is het bepaalde in artikel 33, tweede lid en verder van overeen­komstige toepassing. Het besluit tot opheffing treedt in de plaats van de in het tweede lid bedoelde besluiten tot uittreding. 6.Indien binnen de in het vierde lid genoemde periode niet tot opheffing wordt beslist, regelt het Algemeen Bestuur de financiële en overige gevolgen van de uittreding, zulks met inachtneming van het bepaalde in het zevende lid. 7.In de situatie zoals bedoeld in het zes lid, gaan alle rechten en plichten van de grondbank, zoals deze bestaan op 31 december 2019 respectievelijk 31 december 2024, bij uittreding over naar een uittredende deelnemer naar evenredigheid van het in artikel 27, vijfde lid voor die uittredende deelnemer geldende percentage.

Nieuwe tekst

Aard van de wijziging/ toelichting

Artikel 31a Uittreding 1.Een deelnemer kan jaarlijks uittreden uit de regeling. 2. Uittreden is alleen mogelijk met een daartoe strekkend besluit van het college respectievelijk Gedeputeerde Staten van de uittredende deelnemer met in acht neming van artikel 1 van de wet. 3. De uittredende deelnemer zendt het besluit tot uittreding zo spoedig mogelijk aangetekend aan het Algemeen Bestuur. 4. De ingangsdatum van uittreding wordt door het Algemeen Bestuur bepaald en gaat uiterlijk in op 1 januari van het tweede kalenderjaar volgend op het nemen van het besluit tot uittreding door de uittredende deelnemer. 5.Het Algemeen Bestuur beslist binnen acht weken na ontvangst van het besluit tot uittreding of een voorstel tot opheffing als bedoeld in artikel 33, eerste lid, wordt gedaan aan de

Artikel 31a is toegevoegd mede als gevolg van de wijziging van de wet. Oorspronkelijk was in artikel 31 zowel de toetreding als uittreding opgenomen. Dit is uitgesplitst in artikel 31 en 31a. Als gevolg van de wijziging van artikel 9 van de wet, dient in de regeling de voorwaarden waaronder uitgetreden kan worden, te worden opgenomen, waaronder de gevolgen voor het vermogen van de grondbank en die van de deelnemers. Dit is opgenomen in het achtste tot en met dertiende lid. Uitgangspunt van de wet is dat er enerzijds geen onnodige drempels 9

Huidige tekst

Nieuwe tekst deelnemers. De door de uittredende deelnemer aangewezen leden onthouden zich hierbij van stemming. 6.Indien tot opheffing wordt besloten, treedt het besluit tot opheffing in de plaats van het besluit tot uittreding. 7.Indien het Algemeen Bestuur niet tot opheffing als bedoeld in het vijfde lid, beslist, stelt het Algemeen Bestuur de concrete uittredingssom en overige financiële en andere gevolgen van de uittreding vast. De door de uittredende deelnemer aangewezen leden onthouden zich hierbij van stemming. 8. De uittredende deelnemer betaalt een uittredingssom die wordt berekend naar evenredigheid van het toepasselijke percentage, genoemd in artikel 27, vijfde lid. De uittredingssom bestaat uit: a. Operationele kosten onder aftrek van eventuele baten; en b. Het risico van de eigendommen en activa van de regeling. 9. De hoogte van de operationele kosten wordt bepaald door de volgende onderdelen en betaalt de deelnemer bij uittreding: a. Kosten voor de grondbank die voortvloeien uit de uittreding; b. Organisatie- en rentekosten, berekend over de resterende looptijd van de regeling met een minimum van vijf jaar vanaf de uittreding; c. Inkomsten uit pacht- en huur; d. Lagere kosten of rentekosten voor de grondbank, door betaling van de uittredingssom. 10.

Het risico van de eigendommen en activa wordt bepaald door het verwachte eindsaldo van de grondbank bij het opheffen van de regeling. Daarbij wordt rekening gehouden met alle bekende feiten, overeenkomsten en risico´s op de datum van het uittredingsbesluit. Het verwachte eindsaldo van de eigendommen en activa kan leiden tot: a. Betaling bij uittreding door de uittredende deelnemer; b. Recht op nabetaling bij opheffing van de grondbank voor de uittredende deelnemer; c. Aanvullende afspraken over een lager eindsaldo dan verwacht. 11. Betaling bij uittreding vindt plaats als het verwachte eindsaldo leidt tot een negatief bedrag. In dat geval wordt

Aard van de wijziging/ toelichting worden opgeworpen om uittreden te bemoeilijken en anderzijds “achterblijvende” deelnemers geen schade ondervinden van het uitreden van een deelnemer. En tegelijk volgt uit de wet dat er tevoren afspraken gemaakt dienen te worden over onder andere de vermogensrechtelijke gevolgen van de uittreding. Tot slot volgt uit rechtspraak dat tenminste de schade voor de gemeenschappelijke regeling en de overblijvende deelnemers vergoed dienen te worden. Dit is uitgewerkt in een uittreedsom bestaande uit operationale kosten en het risico. De operationele kosten worden altijd direct afgerekend. Het risico wordt bepaald door met deelnemers samen de financiële feitelijke situatie vast te stellen. Na het inschatten van het eindresultaat, wordt het direct onderdeel van de uittredingssom en kan er sprake zijn van een betaling of recht op nabetaling. Daarnaast is de procedure om tot uittreding te komen nader uitgewerkt: De deelnemers gaan in het AB in overleg over de datum van uittreding. Uittreden per 1 januari van een kalenderjaar is het meest praktische, daarnaast is een zekere periode nodig voor de besluitvorming door alle deelnemers. 10

Huidige tekst

Nieuwe tekst rekening gehouden met lagere kosten of rentekosten voor de grondbank, door betaling van de uittredingssom. 12. Recht op nabetaling bij opheffing van de grondbank ontstaat wanneer bij uittreding sprake is van een positief verwacht eindsaldo en bij opheffing een positief eindsaldo wordt gerealiseerd. De nabetaling kan niet hoger zijn dan het bij uittreding verwachte eindsaldo. 13. Aanvullende afspraken over een lager eindsaldo kunnen worden gemaakt wanneer sprake is van dusdanige omstandigheden dat de achterblijvende deelnemers met substantieel hogere risico’s kunnen worden geconfronteerd door een lager eindsaldo dan verwacht bij het opheffen van de grondbank. In de aanvullende afspraken worden tenminste de situatie en omstandigheden bepaald en de gevolgen voor de uittredende deelnemers als de omstandigheden zich voordoen.

Artikel 32 Wijziging van de regeling 1.Gedeputeerde Staten en de colleges, alsmede het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur kunnen voorstellen doen voor wijziging van de regeling. 2.De regeling wordt gewijzigd indien ten minstens twee derde van het aantal deelnemers daartoe besluiten. 3.Een wijziging is tot stand gekomen, wanneer de in lid 2 bedoelde bestuursorganen van wee derde van het aantal deelnemers met het voorstel van het Algemeen Bestuur hebben ingestemd. Artikel 33 Opheffing 1.De regeling wordt opgeheven wanneer de datum zoals bedoeld in artikel 36 is verstreken, of zoveel eerder wanneer de in artikel 32 bedoelde bestuursorganen van de meerderheid van het aantal deelnemers, al dan niet op basis van een voorstel van het Algemeen Bestuur, daartoe besluiten. 2.In geval van opheffing van de regeling, besluit het Algemeen Bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige

Artikel 32 Wijziging van de regeling 1. Gedeputeerde Staten en de colleges, alsmede het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur kunnen voorstellen doen voor wijziging van de regeling. 2. De regeling wordt gewijzigd indien ten minstens twee derde van het aantal deelnemers daartoe besluiten met inachtneming van artikel 51 van de wet.

Aard van de wijziging/ toelichting Afhankelijk van het moment in het jaar waarop het uittredingsbesluit wordt genomen, zal het AB besluiten over de ingangsdatum van uittreding. Dit is uiterlijk 1 januari van het tweede kalenderjaar De regeling ging ervan uit dat deelnemers eens per 5 jaar konden besluiten uit te treden. Dit was gekoppeld aan de 5 jaarlijkse evaluatie. De wijziging biedt de deelnemers de mogelijkheid om jaarlijks uit te treden.

Artikel 33 Opheffing 1.De regeling wordt opgeheven wanneer de datum, bedoeld in artikel 36 is verstreken, of zoveel eerder wanneer de meerderheid van het aantal deelnemers, al dan niet op basis van een voorstel van het Algemeen Bestuur, daartoe besluiten. Indien het besluit wordt genomen op basis van een voorstel van het Algemeen Bestuur als bedoeld in artikel 31a, vijfde lid, onthouden uittredende deelnemers zich van besluitvorming, dit wordt niet meegeteld in het meerderheidsvereiste voor besluitvorming. 11

Huidige tekst regels. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling – met uitzondering van het bepaalde in artikel 27, derde tot en met vijfde lid en van het bepaalde in artikel 33 – worden afgeweken. 3.Het liquidatieplan wordt door het Algemeen Bestuur en vertegenwoordigende organen gehoord, vastgesteld. Het behoeft de goedkeuring van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 4.Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van de grondbank over de deelnemers te verdelen op een in het liquidatieplan te bepalen wijze. Voorts voorziet het liquidatieplan in: a. de gevolgen die de opheffing voor het personeel van de grondbank heeft; b. een voorkeursrecht voor de deelnemende gemeenten tot aankoop tegen marktconforme condi­ties van de alsdan bij de grondbank in eigendom zijnde c.q. door de grondbank aangekochte gronden. 5.Zo nodig blijven de bestuursorganen van de grondbank ook na het tijdstip van de opheffing in functie, totdat de liquidatie is beëindigd.

Nieuwe tekst

Artikel 36 Inwerkingtreding en duur regeling 1.Deze regeling treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2.De regeling heeft een looptijd tot 1 januari 2025. 3.Het Algemeen Bestuur kan op grond van de evaluatie zoals aangeven in artikel 30, de looptijd met de maximale duur van 5 jaar verlengen.

Artikel 36 Inwerkingtreding en duur regeling 1.Deze regeling treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2.De regeling heeft een looptijd tot 1 januari 2035. 3. De regeling kan op grond van de evaluatie zoals aangeven in artikel 30, met de maximale duur van 5 jaar worden verlengd. 4. Verlenging van de regeling vindt plaats door wijziging van de regeling. Artikel 37 Niet voorziene gevallen In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, wordt, voor zover wet- en regelgeving zich daartegen niet verzet, door het Algemeen Bestuur een voorziening getroffen.

Artikel 37 Niet voorziene gevallen In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, wordt, voor wet- en regelgeving zich daartegen niet verzet, door het Algemeen Bestuur een voorziening getroffen.

Aard van de wijziging/ toelichting

2.In geval van opheffing van de regeling, besluit het Algemeen Bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor een liquidatieplan vast. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling – met uitzondering van het bepaalde in artikel 27, derde tot en met vijfde lid en van het bepaalde in artikel 33 – worden afgeweken. 3.Het liquidatieplan wordt door het Algemeen Bestuur en vertegenwoordigende organen gehoord, vastgesteld. Het behoeft de goedkeuring van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 4.Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van de grondbank over de deelnemers te verdelen op een in het liquidatieplan te bepalen wijze. Voorts voorziet het liquidatieplan in: a.de gevolgen die de opheffing voor het personeel van de grondbank heeft; b. een voorkeursrecht voor de deelnemende gemeenten tot aankoop tegen marktconforme condities van de alsdan bij de grondbank in eigendom zijnde c.q. door de grondbank aangekochte gronden. 5.Zo nodig blijven de bestuursorganen van de grondbank ook na het tijdstip van de opheffing in functie, totdat de liquidatie is beëindigd. In artikel 36 is de verlenging geregeld. Hierin is gekozen voor een verlenging van 10 jaar. Op grond van artikel 33 kan de regeling eerder worden beëindigd als de gronden eerder zijn uitgenomen.

12

Huidige tekst

Nieuwe tekst

Aard van de wijziging/ toelichting

13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14767339/1