Bijlage 6 Bijlage 5 ROM Quickscan A24.002043
Tekst van het document
Bijlage 5 QuickScan Ruimtelijke ordening en milieu (ROM) Herontwikkeling locatie Keijzerschool
1
1.
Beoordeling en conclusie per aspect
Bodem Voorafgaand aan de bouw van een bodemgevoelig c.q. grondwatergevoelig gebouw moet vooronderzoek uitwijzen of verder onderzoek van bodem en/of grondwater nodig is om vast te kunnen stellen of de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden en/of dat er sprake is van een significante verontreiniging van grondwater. In dit geval is sprake van een bodemgevoelig gebouw. Onderzoek is daarom noodzakelijk in het kader van de activiteit ‘bouwen’. Het vooronderzoek moet worden uitgevoerd volgens de norm NEN 5725. Het onderzoek is noodzakelijk voor de omgevingsvergunning activiteit Bouwen; er is geen onderzoek noodzakelijk in het kader van de ruimtelijke procedure. Als een locatie verdacht is op het voorkomen van een bodemverontreiniging en onvoldoende informatie bekend is over de daadwerkelijke kwaliteit van de bodem of het grondwater, dan is vervolgonderzoek conform de norm NEN 5740 noodzakelijk. GZP: Er in inmiddels een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Archeologie Op grond van de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Zuidplas gelden archeologische waarden WA2 (sectie aan de westzijde van de locatie) en WA3 (oostzijde van de locatie). Er moet voor WA2 een archeologisch onderzoek worden gedaan als de grond over een oppervlakte van 100m2 en een diepte van 30 cm wordt geroerd; voor WA3 geldt dit voor ontwikkelingen groter dan 1.000 m².
Voor deze ontwikkeling worden de vrijstellingscriteria voor WA2 overschreden. Voor de realisatie van beoogde ontwikkeling is een archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk. GZP: Er in inmiddels een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Onontplofbare oorlogsresten Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare oorlogsresten. Verder onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is niet noodzakelijk. Overige ondergrond ODMH adviseert: 1. Het plangebied te ontwikkelen vanuit “water en bodem sturend” door de fysieke aspecten van de ondergrond in beeld te brengen en richtinggevend te laten zijn voor het boven- en ondergrondse ontwerp van het plangebied. 2. Dit plan met 3D-ordening te ontwerpen, inhoudend: gelijktijdig boven- en ondergronds ontwerpen, vanuit het natuurlijk systeem en met een plan van ondergrondse ordening. 3. Onderzoek de mogelijkheden van bodemenergie, ook van een, voor de bodem minder belastend, collectief systeem. Externe veiligheid Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied/aandachtsgebied van een risicobron (inrichting, weg, spoor, buisleiding). Het plangebied ligt niet in het aandachtsgebied van een hoogspanningsleiding en Rotterdam The Hague Airport. Er hoeft geen verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld.
Geluid van weg, spoor en/of industrieterrein Er wordt een geluidsgevoelige bestemming gerealiseerd. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving geldt er een onderzoeksplicht. Weg:
2
Als de ontwikkeling plaats vindt langs een weg met een intensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal, dan moet in het kader van het ‘evenwichtig toedelen van functies aan locaties’ (ETFAL) een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De locatie ligt binnen het aandachtsgebied van de Beatrixlaan en op korte afstand van de Herenweg, wat een doorgaande weg door het dorp heen is. Er wordt niet verwacht dat sprake is van geluidsoverlast, maar akoestisch onderzoek is wel aan te bevelen. Overige bronnen: De locatie ligt niet binnen het aandachtsgebied van het spoor, industrieterrein of vliegveld. Trillingen De locatie ligt niet in de nabijheid van een spoorweg, drukke weg of andere bron van trillingen. Onderzoek naar trillinghinder is niet noodzakelijk. Activiteiten en milieuzonering De ontwikkeling van woningen betreft, vanuit Activiteiten en Milieuzonering bezien, een milieugevoelige activiteit. In de directe nabijheid liggen geen milieubelastende bestemmingen. Op deze locatie zouden wel beroepen aan huis, winkels of horeca mogelijk zijn. Als dat aan het plan wordt toegevoegd dan zal de inpasbaarheid wel moeten worden beoordeeld. Geurhinder De geplande ontwikkeling ligt niet in de nabijheid van een agrarisch bedrijf of andere bron van geurhinder. Een onderzoek naar geurhinder is niet noodzakelijk.
Luchtkwaliteit Het toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is alleen nodig als een project of activiteit weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging (niet in betekenende mate: NIBM), óf buiten de aandachtsgebieden valt. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Uitgezonderd gemeente Zuidplas vallen alle gemeenten uit de regio van Omgevingsdienst Midden-Holland buiten de aandachtgebieden. De ontwikkeling betreft de realisatie van een klein aantal woningen in ieder geval onder de getalsmatige grens van de NIBM standaardgevallen. Het plan kan derhalve onderbouwd worden door middel van de NIBM standaardgevallen. Als er andere functies worden toegevoegd dan kan een NIBM-berekening noodzakelijk zijn. Uit de monitoringtool van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de wettelijke omgevingswaarden van 40 μg/m³ voor stikstofdioxide en fijnstof PM10, en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5. De gemeente is aangesloten bij het Schone Luchtakkoord. Hiervoor gelden bovenwettelijke doelen. Er wordt niet voldaan aan de (nieuwe) WHO-advieswaarden van 10 μg/m³ voor stikstofdioxide, 15 μg/m³ voor fijnstof PM10 en 5 μg/m³ voor fijnstof PM2,5. Voor alle stoffen worden de doelwaarden overschreden.
Juridisch gezien heeft dit geen consequenties voor dit plan. Lichthinder De geplande ontwikkeling betreft een gevoelige bestemming voor lichthinder. De ontwikkeling ligt niet in de buurt van een bron van lichthinder. Een onderzoek naar lichthinder is niet noodzakelijk. Klimaatadaptatie Risico's door klimaatverandering Conform de Omgevingsverordening artikel 7.41b “Risico's van klimaatverandering” van Provincie Zuid- Holland moeten in elk omgevingsplan de volgende aspecten in beschouwing worden genomen: -
Wateroverlast door overvloedige neerslag; Overstroming; Hitte; Droogte; Bodemdaling.
3
Voor dit plan zullen de risico’s door de initiatiefnemer nader moeten worden beoordeeld. Een concreet advies om voor deze locatie: probeer om de hoeveelheid groen te behouden. De bestaande bomen hebben tijdens hittegolven een verkoelend effect door schaduw en verdamping. Verlies van groen kan leiden tot extra hitte in de buurt. Indien blijkt dat er risico's voor (een van) bovengenoemde aspecten aanwezig is/zijn dan dienen maatregelen of voorzieningen te worden genomen en geborgd in het omgevingsplan. Klimaatadaptatie Herontwikkeling is een natuurlijk moment om ook klimaatadaptieve maatregelen te nemen. De gemeente heeft het 'Convenant klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland' ondertekend. Voor richtlijnen wordt verwezen naar de Leidraad klimaatadaptief bouwen. Dit heeft een overlap met natuurinclusief bouwen. Indien gewenst kan de ODMH voor het aspect klimaatadaptatie een uitgebreider advies geven. Ecologie Gebiedsbescherming: Omdat de omvang van de ontwikkeling nog niet bekend is, kan nog niet beoordeeld worden of een AERIUS berekening nodig is. Zodra het aantal woningen bekend is kunnen we hier een advies over geven1. Andere effecten dan (mogelijke) stikstofdepositie worden hier niet verwacht, gezien de grote afstand tot beschermde gebieden. GZP: De omvang is inmiddels bekend, afstemming zal plaatsvinden met ODMH of een AERIUS berekening nodig is.
Soortenbescherming: Ten behoeve van de gewenste ontwikkeling is een ecologische quickscan en nader onderzoek naar huismussen en vleermuizen uitgevoerd door ODMH (zaaknummers A-2020-000305 en A-2020001106) in het kader van de sloop. De conclusies van het nader onderzoek staan hieronder. Er zijn huismussen waargenomen rond het schoolgebouw. De struiken rond het schoolplein zijn onderdeel van de leefomgeving van de huismussen. Het is daarom onwenselijk om de haag aan de noordzijde van het perceel te verwijderen. Wanneer overig struikgewas (tijdelijk) verwijderd moet worden in verband met de sloop van het schoolgebouw dan is het noodzakelijk dat óf vergunning voor een flora- en fauna-activiteit verkregen wordt (bij definitief verwijderen) óf dat gewerkt wordt aan de hand van een ecologisch werkprotocol (bij tijdelijke verwijdering). De bebouwing in het projectgebied is niet in gebruik als verblijfplaats door vleermuizen. Met de sloop van de bebouwing verdwijnen geen verblijfplaatsen van de zwaar beschermde vleermuissoorten. Een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor de sloop van het gebouw is niet noodzakelijk. GZP: Ter actualisatie is in 2023 opnieuw een ecologische QuickScan uitgevoerd. In de QuickScan werd geconcludeerd dat aanvullend onderzoek nodig is. Dit aanvullende onderzoek is inmiddels uitgevoerd.
Hieruit is de conclusie getrokken dat er geen beschermde soorten aanwezig zijn. De conclusies en aanbevelingen van beide rapportages neemt de gemeente mee in het vervolgtraject. Natuur-inclusief bouwen Bij de realisatie van het initiatief kan aandacht worden gegeven aan de toegankelijkheid van de woningen voor beschermde soorten zoals vleermuizen, de gierzwaluw of de huismus. Denk aan vogel- of vleermuiskasten. Meer informatie staat op de websites van bijvoorbeeld de vogelbescherming of de zoogdiervereniging. M.e.r. Het initiatief betreft een ontwikkeling die valt onder “Projecten” uit kolom 1 (namelijk: J11 (Stedelijk ontwikkelingsproject) van Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een m.e.r. beoordeling is in dat geval op basis van de Omgevingswet verplicht.
4
De initiatiefnemer moet een aanmeldnotitie maken. In deze notitie moet worden aangetoond dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden, rekening houdend met de criteria genoemd in Bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Op basis van de motivatie in het plan of de aanmeldnotitie en eventuele adviezen moet B&W een besluit nemen of een milieueffectrapport al dan niet opgesteld moet worden. Als een milieueffectrapportage moet worden opgesteld dan zal de vaststelling van het plan hierop moeten wachten. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit moet, bij voorkeur, genomen worden vóór de vaststelling van het (voor)ontwerp van het plan/omgevingsvergunning.
5