Bijlage 5 Beantwoording Technische vragen Nota van Uitgangspunten en Grondexploitatie Fase 1a Ontwikkeling Middengebied Z23.002330
Tekst van het document
*Z23.002330*
Memo
onderwerp Technische vragen R23.000084
datum 07/09/2023
kenmerk Z23.002330
ter attentie van Gemeenteraad van Zuidplas
kopie aan College van B&W
bijlage -
afzender S. Hoogendijk
telefoon 0180-330300
e-mail sophie.hoogendijk@zuidplas.nl
cluster Gebiedsontwikkeling en Planeconomie
Er zijn technische vragen gesteld over het raadsvoorstel R23.000084 en bijlagen. Deze vragen worden in dit memo beantwoord. Vragen van CU/SGP Vraag 1: Wat was het aantal ha bos in eerste instantie? Wat is het aantal ha nu beoogd? Graag ook de reden van afschaling van het aantal ha. En: het aantal ha bos is dit netto of bruto en zoja bruto wat wordt het netto aantal ha? Antwoord: In het Masterplan Middengebied Zuidplaspolder (2021, hierna: Masterplan) is voorgesteld om het Koning Willem I-bos aan te leggen in de deelgebieden ‘Buitenplaatsen’ en ‘het Visje’ en de restgebieden tussen deze twee deelgebieden. In het deelgebied ‘Buitenplaatsen’ zitten de functies bos, buitenplaatsen (woningen) en voorzieningen (zoals sportvelden). Het Visje en het andere restgebied waren in het Masterplan bestemd voor bos en als zoekgebied voor duurzame energie. De totale omvang van het Koning Willem I-bos, zoals voorgesteld in het Masterplan, was circa 70 ha netto. Dit is exclusief de bovengenoemde woningen en voorzieningen in de Buitenplaatsen, en inclusief het Visje en het andere restgebied. Op basis van Masterplan, en ter voorbereiding op de nieuwe bestemmingsplannen voor het Middengebied, heeft het college onderzoeken uitgevoerd in het kader van de m.e.r.-procedure.
Hieruit blijkt dat er aanvullende ruimte nodig is voor de opwek van voldoende duurzame energie ten behoeve van het uitgangspunt ‘een energieneutraal Vijfde Dorp’. Met duurzame energieopwekking door middel van zon-op-dak en in het geplande Energielandschap resteert er een verwacht tekort van circa 25 GWh/jaar aan duurzame energie. Naar aanleiding hiervan heeft het college met de vaststelling van het Voorkeursalternatief (VKA) op basis van het MER voorgesteld het deelgebied ‘het Visje’ volledig in te zetten voor de opwerk van duurzame energie op land (zonnepanelen). Het Visje is precies groot genoeg (circa 25 ha netto) om in de benodigde extra ruimte voor duurzame energieopwekking op land te voorzien (1 ha zonnepanelen voorziet in grofweg 1 GWh/jaar).
Pagina 1 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
Omdat zonnepanelen in het Visje niet gecombineerd kunnen worden met de aanleg van bos, resteert er circa 45 ha netto ruimte voor het Koning Willem I-bos, verdeeld over de Buitenplaatsen (exclusief de woningen en voorzieningen) en het restgebied. Dit is het voorstel in de Nota van Uitgangspunten. Per saldo is ten opzichte van het Masterplan de enige wijziging de invulling van het Visje geweest met het voorstel om dit zoekgebied voor duurzame energie in te zetten voor zonnepanelen. Daardoor blijft er 25 ha netto minder ruimte over voor het Koning Willem I-bos ten opzichte van het Masterplan. Vraag 2: Is er of komt er een verplichting om zonnepanelen op de daken van bedrijfsgebouwen op het nieuwe bedrijventerrein te leggen? (het wordt nu slechts omschreven als een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting) Antwoord: De ambitie is om daken van bedrijfsgebouwen op het bedrijventerrein maximaal te benutten (inspanningsverplichting). De denkrichting voor het bestemmingsplan (algemene regels voor gebouwen) is dat minimaal 50% van het dakoppervlak voor zon op dak moet worden ingezet en dat het college van B&W hier met een omgevingsvergunning van kunnen afwijken (mits indiener een alternatieve manier voor opwek voorstelt). De planologische eis van 50% ipv 100% laat ruimte voor andere installaties, groendaken en maatwerk.
Vraag 3: Is / komt er ook een zienswijzen van de bestuurlijke partners die deelnemen in de Grondbank op deze Nota van Uitgangspunten? Antwoord: De Nota van Uitgangspunten (hierna: NvU) is niet expliciet voorgelegd aan de bestuurlijke partners in de Grondbank RZG Zuidplas voor een zienswijze. De NvU vormt een afsprakenkader tussen college en gemeenteraad over de ontwikkeling van het Middengebied, en is in lijn met de afspraken in de Bestuurlijke Overeenkomst (juli 2021) en Deelovereenkomst Mobiliteit (juni 2023). De gemeente stemt ook periodiek af met haar bestuurlijke partners over de voortgang van de planontwikkeling. Daarbij komt de totstandkoming van de NvU ook aan de orde. Vraag 4: Heeft de commissie MER een reactie gegeven op de Nota van Uitgangspunten? Graag toelichten. Antwoord: De Commissie van de m.e.r. adviseert, als onafhankelijke organisatie, over de inhoud van milieueffectrapporten (MER’en). Het gaat hierbij om een beoordeling of de milieueffecten van een voorgenomen ontwikkeling voldoende zijn onderzocht. De NvU is géén milieuonderzoeksrapport en wordt daarom niet ter advisering aan de Commissie voor de m.e.r. voorgelegd. Wel is de NvU gebaseerd op al het eerdere inhoudelijke onderzoek (zoals de MER-onderzoeken) en de politiek-bestuurlijke keuzes van de gemeente (zoals vastgelegd in het Masterplan).
Pagina 2 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
Vraag 5: Er worden globale bestemmingsplannen opgesteld: “De gemeenteraad zal altijd besluiten over mogelijke aanpassingen van vastgestelde bestemmingsplannen en het vaststellen van uitwerkingsplannen als die aan de orde zijn.” De bestemminsplannen worden globaal, aanpassingen van deze vastgestelde globale bestemmingsplannen zal daardoor minder snel aan de orde zijn: Hoe kan de gemeenteraad hier toch voldoende de vinger aan de pols houden en invloed op uitoefenen? En: geldt bovenstaande ook na invoering van de omgevingswet? Antwoord: De bestemmingsplannen kennen geen uitwerkingsbevoegdheden. Binnen het kader van het globale bestemmingsplan en met de door de gemeenteraad vast te stellen NvU als uitgangspunt zal het college de planuitwerking ter hand nemen. Het college zal de gemeenteraad hierover periodiek informeren en indien de kaders zouden moeten worden aangepast, deze aanpassing voorleggen aan de gemeenteraad. Uitwerkingsbevoegdheden van een bestemmingsplan vallen normaal onder de bevoegdheid van het college maar zijn dus niet in dit plan opgenomen. Aanpassingen aan de bestemmingsplannen zullen middels nieuwe (deel)omgevingsplannen en eventuele BOPA’s (buitenplanse omgevingsplan activiteiten) aan de raad worden voorgelegd.
Nieuwe beleid en eventuele veranderende inzichten die opgenomen moeten worden in een (deel)omgevingsplan zullen middels bovenstaande procedure aan de raad worden voorgelegd. Het vaststellen van nieuwe (deel)omgevingsplannen en buitenplanse omgevingsplan activiteiten (activiteiten die niet passen binnen het bestemmingsplan – dan (tijdelijk) omgevingsplan) zijn ook onder de Omgevingswet een bevoegdheid van de raad. Vraag 6: Op blz. 12 van infonota B1553 lees ik: De beleidsuitgangspunten met parkeernormen en uitvoeringsregels van onderhavige Nota worden door de gemeenteraad vastgesteld. Wijziging van deze nota binnen de vastgestelde beleidsuitgangspunten en het toepassen van onderbouwde afwijkingen op de eisen en de inzet van de Bijzondere beleidsregel uit 2.4, is een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Is aanpassing van de parkeernota Zuidplas 2019 een bevoegdheid van college of raad? En wanneer is deze aanpassing “noodzakelijk” voor vaststelling BP vijfde dorp? Graag toelichting hierop irt bovenstaande verwoord op blz. 12 van infonota B1553. Antwoord: Voor de ontwikkeling van het Middengebied stelt het college voor om de door de gemeenteraad vastgestelde Nota Parkeernormen Zuidplas 2019 als uitgangspunt te hanteren.
Specifiek voor de functie woongebied in het bestemmingsplan ontwikkelgebied Middengebied, is een ´Nota maatwerk parkeren Middengebied 2023´ opgesteld. Op basis van deze maatwerknota is het mogelijk om een reductie op de parkeernormen uit de Nota Parkeernormen Zuidplas 2019 voor de woonfunctie toe te passen. De afwijking van de parkeernormen die met deze maatwerknota voor het woongebied in het Middengebied wordt mogelijk gemaakt is gebaseerd op de uitwerking van het Mobiliteitsconcept Het Vijfde Dorp (2023), hetgeen is vertaald in de ambities en uitgangspunten voor mobiliteit in de Nota van Uitgangspunten.
Pagina 3 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
De maatwerknota wordt ter inzage gelegd tezamen met het ontwerpbestemmingsplan ontwikkelgebied van het Middengebied. Deze nota wordt daarna ter vaststelling voorgelegd aan het college van B&W, Dit moet gebeuren voordat de gemeenteraad een vaststellingsbesluit neemt over het bestemmingsplan ontwikkelgebied Middengebied, aangezien er nu geen specifiek parkeerbeleid is vastgesteld voor het nieuwe woongebied in het Middengebied. Het college van B&W heeft op basis van de Nota Parkeernormen Zuidplas 2019 formeel de bevoegdheid om in specifieke gevallen van grootschalige projecten af te wijken van de parkeernorm, op basis van paragraaf 2.3 van ‘beleidsregels algemeen’. Vraag 7: Is bij de energievraag vijfde dorp ook ALLE energie noodzakelijk voor ALLE activiteiten van ALLE bedrijven in het vijfde dorp meegenomen (dus ook energievraag van Gouwepark 2 en Doelwijk 2)? Graag motiveren. Antwoord: De opbouw van de energiebalans, zoals onderzocht in het MER, is reeds toegelicht in de notitie met kenmerk A23.000499. De berekeningen zijn opgesteld op basis van het uitgangspunt ‘een energieneutraal Vijfde Dorp’, met 8.000 woningen en bijbehorende voorzieningen, bedrijfsruimte en elektrische voertuigen.. Vraag 8: Is het mogelijk om zowel zon als wind energie opwek op hetzelfde perceel toe te passen? Antwoord: Technisch gezien kunnen beide bouwwerken naast elkaar op een perceel passen.
Echter de slagschaduw van de windmolens kan de optimale werking van de zonnepanelen in de weg staan. Vraag 9: Hoeveel ha zonneweide staat gelijk aan 1 windmolen? Antwoord: Dit is afhankelijk van de onder meer de opstelling van zonnepanelen en positionering van windmolens met oog op bijvoorbeeld windvang. Globaal geldt een opbrengst 1GWh/jr per ha zonneweide. Voor het zogenaamde Visje is berekend dat 3 windmolens mogelijk kunnen zijn met een totaalopbrengst van circa 25GWh/jr. Dit is nader toegelicht in de notitie met kenmerk A23.000499. Vraag 10: Aan hoeveel winkelgebieden wordt in het vijfde dorp gedacht? Alles centraal of meerdere winkelgebieden? Waar en hoe wordt dit geborgd in NvU? Antwoord: Het uitgangspunt is dat de voorzieningen (onder andere commercieel) hoofdzakelijk centraal (één winkelgebied) in het dorpshart gepositioneerd zijn. Dit wordt in de NvU voorgesteld (zie artikel 4.1.2 lid h) en het wordt verankerd in de bestemmingsplanregels (zie artikel 16.1 van het ontwerpbestemmingsplan ontwikkelgebied Middengebied).
Pagina 4 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
Vraag 11: Waarom wordt in de NvU gekozen voor max 80 tiny houses op def locatie? Waarop is dit aantal gebaseerd en waarom niet meer? Antwoord: Gezien de aanvragen de afgelopen jaren lijken 15 a 20 plekken voor tiny houses in beginsel mogelijk. Met maximaal 80 plekken wordt voldoende ruimte geboden voor aanvullende kansen. Wanneer er nog meer animo voor blijkt te zijn, kan de wenselijkheid van meer tiny houses worden overwogen en indien gewenst worden meegenomen in een herijking van de NvU en het bestemmingsplan. Vraag 12: Hoe kan de raad het max aantal M2 bruto BVO beoordelen op blz 14 NvU of dit reëel is? Antwoord: De gemeenteraad kan zich buigen over de onderbouwende beleids- en onderzoeksdocumenten voor deze cijfers, waaronder de Ruimtelijke verkenning voorzieningen (bijlage van de NvU en het bestemmingsplan) en de DPO’s Zorgvoorzieningen en Publiekvoorzieningen (bijlagen van het Chw ontwerpbestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 dat het college van B&W op 7 september 2023 ter inzage legt). De gemeente zal de ontwikkeling ook blijven monitoren en zo nodig hierop bijsturen. Vraag 13: Zijn de waterpeilen in NvU in overeenstemming met HHSK genomen? Antwoord: De waterpeilen zijn in overleg met het Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard (HHSK) uitgewerkt. De wensen van HHSK reiken daarbij verder dan de gemeente.
De gemeente en HHSK hebben daarom samen met de provincie Zuid-Holland de intentie uitgesproken om zich in te spannen aanvullende ambities om op het gebied van water (kwaliteit, veiligheid) te realiseren. Dit is afhankelijk van de beschikbaarheid van financiële middelen. Omtrent de peilfluctuatie (bij het gemiddelde waterpeil) bestaat nog verschil van inzicht waar door HHSK en gemeente nadere uitwerking op plaatsvindt. Vraag 14: De ambitie is een restzettingseis van 10 cm in 30 jaar en het uitgangspunt is 20 cm in 30 jaar. Check: klopt het dat de 20 cm in 30 jaar nu ook het huidige kader is voor bouwen aan en in de bestaande dorpen? Antwoord: Ja dat klopt. Vraag 15: “Grootschalige waterberging vindt in elk geval plaats in watertuinen, energielandgoederen en het 4 e tochtpark” Betekent dit dat Koning Willem 1 bos ook een waterberging wordt? Zo ja, wordt hier met de inrichting en de beplanting rekening gehouden? En zo ja, beperkt dat de mogelijkheden voor recreatief gebruik op de momenten dat waterberging daar nodig is. Hoe vaak verwacht het college gebruik te moeten maken van deze locatie voor waterberging?
Pagina 5 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
Antwoord: Nee het Koning Willem 1 Bos wordt niet genoemd voor (extra of grootschalige) waterberging. Hierin zal slechts maximaal de reguliere wateropgave voor het betreffende deelgebied worden gerealiseerd. Vraag 16: Kan de ontwikkeling van het toekomstige KW1 bos en/of de ecologische hoofdstructuur ervoor zorgen dat in de toekomst dit deels een blokkade kan vormen voor de bouw van 8000 woningen? Antwoord: Onder de bestaande wet en regelgeving zijn geen blokkades te verwachten. Vraag 17: Hoe komt een hub voor auto`s eruit te zien? Kan dit betekenen dat dit ook een parkeergarage wordt? Hoe zit het met parkeer(kosten) op / in deze hub? Antwoord: De ambitie voor de realisatie van mobiliteitshubs zijn gebaseerd op het advies 'Mobiliteitsconcept Het Vijfde Dorp' van bureau Overmorgen en de stedenbouwkundige invulling van het dorp. Het advies beschrijft de mobiliteitshubs als plekken waar meerdere functies en vervoermodaliteiten samen kunnen komen en heeft daar voorbeelden van opgenomen. De aanwezige vervoermodaliteiten zullen veelal bestaan uit auto’s (privé- en deelauto’s), maar ook (e-)fietsen en op specifiek locaties mogelijk ook de bus en op langere termijn de trein.
Er wordt daarbij onderscheid gemaakt in ondermeer buurthubs, wijk- of centrumhubs en OV-hubs: - De buurthubs hebben een belangrijke functie in relatie tot de parkeeropgave voor de woningen, maar hier zal ook deelmobiliteit aanwezig zijn en mogelijk andere functies als (pakketwand). - De wijk- of centrumhubs hebben ook een belangrijke relatie met aanwezige voorzieningen (winkels, maatschappelijke voorzieningen e.d.), veelal ligt hier ook een directe relatie met een mogelijke overstap naar openbaar vervoer. In de ontwikkeling van fase 1a is een gebouwde mobiliteitshub voorzien, die ook een belangrijke functie heeft voor de parkeeropgave van het centrumgebied. Daarnaast kunnen andere functies op deze hubs een plek hebben, als bijvoorbeeld pakketwand, kiosk, en dergelijke. - De OV-hubs zijn specifiek gekoppeld aan belangrijke bushaltes en/of metro- en treinstation. Een aantal van deze hubs ligt buiten het directe plangebied. De mogelijkheden voor een nieuw treinstation in de omgeving van het Vijfde Dorp/Westergouwe worden samen met de gemeente Gouda verkend. In het Concept-Voorlopig Ontwerp Stedenbouwkundigplan Middengebied zijn de ruimtelijke inpassingsmogelijkheden en verschijningsvormen van de mobiliteitshubs op basis van het Mobiliteitsconcept Het Vijfde Dorp op hoofdlijnen uitgewerkt.
De exacte uitwerking daarvan zal op een later moment plaatsvinden, dan in samenwerking met marktpartijen en woningcorporaties. In de stedenbouwkundige uitwerking zowel als het Mobiliteitsconcept Het Vijfde Dorp was het initiële advies om alle mobiliteitshubs in het Vijfde Dorp inpandig te realiseren. Dit bleek echter geen financieel haalbaar perspectief voor de Grondexploitatie Fase 1a, aangezien de bouwkosten van gebouwde hubs (of traditionele parkeergarages) zeer significant zijn en er geen opbrengsten tegenover staan. In verband met de ruimtelijke kwaliteit van het centrum is voor Fase 1a voorgesteld om één bebouwde mobiliteitshub te realiseren in het centrum, en de rest op maaiveld. In een mobiliteitshub op maaiveld kunnen nog steeds meerdere functies gecombineerd worden, zoals beschreven in de NvU.
Pagina 6 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
Verder wordt het niet uitgesloten dat er bebouwde mobiliteitshubs gerealiseerd worden in de volgende fases. Dit zal afhankelijk zijn van het financieel perspectief alsmede de ervaringen met de mobiliteitshubs in Fase 1a. In de financiële doorrekeningen is zoals aangegeven geen rekening gehouden met eventuele opbrengsten van parkeerkosten (van particulieren) in de mobiliteitshubs. Op basis van het Mobiliteitsconcept Het Vijfde Dorp wordt een vorm van parkeerregulering wel onderzocht, zoals toegelicht in de concept-Nota maatwerk parkeren Middengebied. Dit vooral om het bezit van de 2e en 3e auto te ontmoedigen. De parkeerregulering zou betrekking kunnen hebben op het gehele dorp, en dus ook de parkeergelegenheid in de hubs. Vraag 18: Hoe wordt parkeren maar ook toegankelijkheid geregeld voor mensen die minder ter been zijn en de reeds bestaande bedrijven / woningen in vijfde dorpgebied? Antwoord: Voor bestaande woningen en bedrijven zal de toegankelijkheid minimaal op hetzelfde niveau als in de huidige situatie geborgd moeten blijven, tenzij anders wordt overeengekomen met de betreffende bewoner of bedrijf. Toegankelijkheid en parkeren voor minder validen in het nieuwe dorp wordt later uitgewerkt in een inrichtingsplan conform de DIOR en overige richtlijnen.
Binnen het Vijfde Dorp is het mogelijk dat minder validen dichter bij hun woning kunnen parkeren dan in de centrale parkeerhubs; hier zal een vergunning voor moeten worden afgegeven. Vraag 19: Waarom is een landschappelijke inpassing van een EHS-verbindingszone langs de N219 tussen de 3e Tocht en het spoor nodig? EHS verbinding is al natuur en dan deze nog landschappelijk inpassen? Antwoord: De term EHS (Ecologische Hoofdstructuur) is vervallen. In het provinciaal omgevingsbeleid is deze term vervangen door NNN (NatuurNetwerk Nederland). Ecologische verbindingszones (EVZ) zijn onderdeel van het NNN. De provincie is verantwoordelijk voor de realisatie van EVZ’s en legt deze tracés vast in het provinciaal omgevingsbeleid. De provincie heeft het betreffende deel van het tracé langs de N219 opgenomen in het omgevingsbeleid, daarom neemt de gemeente dit tracé over in haar plannen. Met een landschappelijke inpassing van de EVZ wordt een geleidelijke overgang tussen de EVZ en het aangrenzende landschap beoogd. Dit zal niet over de hele lengte van de EVZ hoeven. Dit draagt bij aan een fraaier landschap.
Vraag 20: Wat wordt verstaan onder de vereiste van multifunctioneel ruimtegebruik bij energie opwek? Sluit dit aan de voorkant bepaalde vormen van energie opwek juist niet uit? Antwoord: Hieronder wordt verstaan dat in het zonnelandschap bijvoorbeeld ook waterberging mogelijk is, schapen kunnen lopen of een wandelpad mogelijk is.
Pagina 7 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
Vraag 21: Kijkend naar de uitgangspunten van duurzaamheid: zorgen deze uitgangspunten voor een hogere kostprijs van bijv een woning tov traditionele bouw? Graag motiveren. Antwoord: Onder de uitgangspunten van duurzaamheid is een aantal elementen opgenomen at potentieel tot hogere bouwkosten kan leiden. Op basis van de huidige bouw- en woningmarkt kan worden gesteld dat volledig biobased/houtbouw tot een hogere kostprijs per woning leidt dan traditioneel (bijvoorbeeld beton of kalkzandsteen) bouwen. De verwachting is dat houtbouw in de komende jaren steeds concurrerender qua bouwprijs zal worden. Dit heeft te maken het met opschalen van de productie in Nederland en enkele voordelen die houtbouw op de bouwplaats en in de bouwvoorbereiding biedt. In de tussenliggende periode kan worden ingezet op het toepassen van biobased materialen voor delen van woningen die al kunnen concurreren met de traditionele prijssteling. Het toepassen van een materialenpaspoort of milieukostenindicator leidt niet per definitie tot een hogere kostprijs. Er kunnen wel op basis van deze indicatoren keuzes worden gemaakt voor duurzamere materialen met minder milieueffect of betere herbruikbaarheid. Dit kan leiden tot op onderdelen hogere kosten. Deze afweging zal per bouwplan moeten worden gemaakt en als weging worden meegegeven in uitvragen die in de markt worden gezet.
Vraag 23: Het Kreekrugdorp wordt 4000 woningen. Wat wordt de woningdichtheid in het centrum en wat wordt de woningdichtheid van de rest van het Kreekrugdorp? En waar is dit t.o.v. de huidige dorpen mee vergelijkbaar? Antwoord: Op basis van het VO komen er nu naar verwachting meer woningen in het Kreekrugdorp dan aanvankelijk gedacht, namelijk ruim 5.000. Het gaat hierbij om een verschuiving van een aantal geplande woningen van de Watertuinen naar het Kreekrugdorp, binnen het totale woningbouwprogramma van 8.000 woningen. Dit heeft te maken met het woningbouwprogramma (volgens de WBI-subsidie moet 60% betaalbaar zijn voor de eerste 4.260 woningen). De dichtheid in het Kreekrugdorp is daardoor nu circa 30 woningen/ha, waarbij het centrumgebied daarbinnen uitkomt op circa 40-50 woningen per hectare. De ruimtelijke vertaling van woningbouwdichtheden kan op verschillende plekken er heel anders uitzien. Het vergelijken van woningbouwdichtheden tussen verschillende woonlocaties kan daardoor een vertekend beeld geven. Om toch een indicatie te geven, heeft de buurt “Zuidplas Dalen” volgens CBS-gegevens een woningbouwdichtheid van 34,5 woningen/ha.
Vraag 24: Hoe en door wie moet de transformatie van de Groene Schakel betaald worden? Antwoord: In de ontwikkelstrategie bij het Masterplan is voorgesteld dat de gemeente op basis van faciliterend grondbeleid de organische transformatie van de Groene Schakel stimuleert. Dit betekent dat de gemeente geen actieve rol heeft in de herontwikkeling van het gebied, maar kaders meegeeft aan derden om hier zelf invulling aan te geven. Om derden te stimuleren hiermee aan de slag te gaan, werkt de gemeente een aantal spelregels uit die
Pagina 8 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
het voor derden (financieel) aantrekkelijk moet maken om kassen en bedrijfsbebouwing te slopen in ruil voor de realisatie van woningen. Daarmee zou de beoogde transformatie zichzelf kunnen financieren. In het Masterplan is daarnaast de ambitie opgenomen om een gemeentelijk gebiedsfonds op te richten om deze transformatie een ‘duwtje in de rug’ te kunnen geven. Op dit moment zijn er echter onvoldoende middelen beschikbaar om dit fonds te vullen. Het is op basis van de BBV-regels niet mogelijk om middelen hiervoor te reserveren in grondexploitaties. Het inzetten van middelen uit een grondexploitatie kan door een eventueel positief resultaat hiervoor in te zetten. Er wordt nu echter geen positief resultaat voorzien. De gemeente zal op een andere manier moeten zoeken naar middelen. Zo doet de gemeente een beroep op middelen voor de toekomstbestendige aanpak van landelijke gebieden in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) en loopt een verkenning naar provinciale middelen gekoppeld aan het realiseren van de EVZ. De transformatie van de Groene Schakel is indirect betrokken bij de NPLG-aanvraag van de gemeente en zou deels ingericht kunnen worden met deze gelden bij een verplaatsing van agrariers van of naar de Groene Schakel.
Vraag 25: Vindt behandeling van de genoemde beleidsontwikkelingen op blz 49 / 50 van de NvU voorzien van een “G” (beleidsontwikkeling in de nabije toekomst gepland) voor vaststelling BP 5 e dorp plaats? En klopt het dat er geen aanpassing / bijstelling op gebied van energie nodig is?(immers hier niet benoemd) Antwoord: De ambitie is om deze beleidsontwikkelingen te hebben afgerond voordat het definitieve bestemmingsplan onherroepelijk is. Aanpassing van energiebeleid wordt inderdaad niet nodig geacht. Vraag 26: Zie blz. 12/13 Vallen Knarrenhof en Flexwoningen onder de nieuwe woonvormen? Is er in 5e dorp ook ruimte voor Knarrenhof / hoven? Knarrenhof wordt namelijk niet benoemd in de NvU…. Antwoord: Ja, Knarrenhof en flexwoningen vallen onder nieuwe woonvormen. Er wordt ingezet op vormen van groepswonen en/of collectief wonen voor 55-plussers. Knarrenhof is daarvan een goed voorbeeld, maar Knarrenhof is ook een exclusief ontwikkelaarsconcept waar er meer van zijn. Die zijn net zo welkom en mogelijk net zo kansrijk. Vraag 27: In de 2e fase wordt er (pas) specifieke plekken gereserveerd voor inclusieve doelgroepen.
Wordt hiermee bedoeld na realisatie van 2300 woningen? Waarom kan er geen ruimte gereserveerd worden in de eerste fase? Tweede fase betekent dat deze minder mobiele mensen verder weg van voorzieningen wonen, is dat wenselijk? (punt 3.6 blz 58) Antwoord: In iedere fase wordt zorgvuldig gekeken of er plek geboden kan worden aan diverse (kwetsbare) doelgroepen, ook in Fase 1a. Wel is het zo dat de in de eerste fase er nog gewerkt moet worden aan het ontstaan van een hechte gemeenschap en nabuurschap. De inschatting is dat bepaalde kwetsbare doelgroepen beter kunnen landen in een gemeenschap die al enigszins gevormd is. Daarom lijkt Fase 1a niet op voorhand de meest ideale fase voor dergelijke doelgroepen, maar het wordt vooraf ook niet uitgesloten.
Pagina 9 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
Vraag 28: Wat zijn exact de verschillen tussen kleinschalige uitbreiding in open polderschap t.o.v. half open coulissen landschap? Is er in feite meer mogelijkheid tot uitbreiding in half coulissen landschap? Antwoord: Binnen zowel het open polderlandschap als het half open coulissen landschap is het toevoegen van bebouwing niet toegestaan zonder dat daarvoor per saldo het bebouwd oppervlak afneemt. Verschil tussen beide landschappen is voornamelijk de hoeveel al reeds aanwezige bedrijvigheid en bijbehorende opstallen in het half open coulissenlandschap. In het half open coulissenlandschap is per saldo iets meer ruimte voor nieuw toe te voegen erven aan het lint (Tweede Tochtweg) met als doel het opruimen van opstallen en verharding in de Groene Schakel die ruimtelijk en landschappelijk minder passend is conform de visie op de Groene Schakel te kunnen compenseren. Vraag 29: Hoe haalbaar en reëel is Aquathermie en stel dit is mogelijk wat betekent dit voor VKA in MER en het aantal ha zonnevelden, daar er nl nu geen rekening met aqua thermie wordt gehouden. Antwoord: Aquathermie is momenteel nog in studie in het kader van de intentieovereenkomst met Dunea. Voor het dichterbebouwde deel van het plangebied (kreekrugdorp) lijkt het een reële optie te zijn.
Indien aquathermie in het plangebied daadwerkelijk wordt gerealiseerd wordt de opbrengst verrekend met de omvang van opwek via zonnepanelen. Vraag 30: Welk effect heeft PVE klimaat adaptief bouwen op het zelf inrichten van je achter en voor tuin? Komen er inrichtingseisen voor het aanleggen van je tuin? En zo ja hoe afdwingbaar en controleerbaar is dit? Antwoord: In de NvU is de ambitie opgenomen om ook op privaat terrein zoveel mogelijk groen in te richten. In verband met de afdwingbaarheid en controleerbaarheid, is dit nu niet planologisch verankerd in het bestemmingsplan (dus geen harde eis). Wel gaat de gemeente op zoek naar andere manieren om een groene inrichting van privaat terrein te stimuleren, voor ontwikkelaars en bewoners. Vraag 31: PvE klimaat adaptief bouwen dateert uit 2018, is dit de versie waar we NvU gaan vaststellen? Antwoord: Dat klopt. Het college van B&W heeft op 9 februari 2021 ingestemd met het besluitom zich bij (deze versie van het Convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid Holland) aan te sluiten. In oktober 2022 heeft Zuidplas meegetekend met de afspraken om een Convenant 2.0 te ontwikkelen. Het Convenant Klimaatadaptief Bouwen heeft een zichtlijn tot 2050. In de NvU is de zichtlijn van 2100 aangehouden. Om die reden reikt het NvU op sommige punten verder dan het Convanant Klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland.
Vraag 32: Zijn alle randvoorwaarden benoemd in de ruimtelijke verkenning voorzieningen Middengebied afgestemd en akkoord voor betrokken partijen? (denk bijv aan X M2 BVO apotheek per 6150 inwoners)
Pagina 10 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
Antwoord: Er heeft bij het opstellen van de Ruimtelijke Verkenning Voorzieningen veelvuldig participatie van stakeholders plaatsgevonden. Op 24 november 2022 vond er een bijeenkomst plaats over voorzieningen, waarbij stakeholders is gevraagd de concept-Ruimtelijke Verkenning Voorzieningen te verrijken met hun input. Deze input is daarna zo goed mogelijk verwerkt tot een versie die op 31 januari 2023 door het college van B&W is vastgesteld als richtinggevend voor de NvU en is vrijgegeven voor verdere gesprekken met stakeholders. De gemeente blijft in gesprek met stakeholders. Vraag 33: Is er een reactie bekend van stakeholders, zoals zorgaanbieders m.b.t. mobiliteit en parkeren? Daarbij dus ook denkend aan de lagere parkeernorm, op afstand parkeren en meer afhankelijk zijn van OV. Antwoord: In het raadsvoorstel R23.000084 is toegelicht hoe belanghebbenden en belangstellenden betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de NvU. Er zijn informatie- en participatiebijeenkomsten georganiseerd over verschillende thema’s, waaronder specifieke bijeenkomsten voor ondernemers van maatschappelijke en commerciële voorzieningen. Zorgaanbieders zijn daarbij niet specifiek gevraagd voor een reactie op de ambities en uitgangspunten voor mobiliteit zoals verwoord in de NvU.
Het thema mobiliteit is wel specifiek aan de orde gekomen in de marktconsultaties met marktpartijen en woningcorporaties over de concept-NvU. De reacties op de genoemde (en andere) onderwerpen zijn terug te vinden in de Nota van Beantwoording (A23.001210) bij de NvU. Aanvullend is er periodiek afstemming geweest met de bestuurlijke partners. In de totstandkoming van de Deelovereenkomst Mobiliteit zijn de gemeentelijke ambities en uitgangspunten voor mobiliteit ook expliciet aan bod gekomen. De provincie staat positief tegenover maatregelen die bijdragen aan de afgesproken modal shift. De nota maatwerk parkeren ligt parallel aan het ontwerp bestemmingsplan ter inzage. Vraag 34: Heeft het college in beeld wat de wensen van geloofsgemeenschappen zijn als het gaat om ruimte? En zo nee, wat doet het college om dit in beeld te krijgen? Antwoord: Het college heeft op dit moment geen beeld van de wensen van de geloofsgemeenschappen. De bewoners kunnen over wensen en mogelijkheden in gesprek gaan met de gemeente. Vraag 35: En als er geloofsgemeenschappen een eigen ruimte willen, is er (op den duur) voldoende ruimte gereserveerd voor geloofsovertuigingen die hun eigen ruimte / plek willen? Dus niet het Kulturhus. Hoe wordt dit voldoende geborgd? (zie blz 20 en blz 29 bijlage ruimtelijke verkenning en voorzieningen).
Antwoord: In het Kulturhus hebben bewoners de mogelijkheid om activiteiten met betrekking tot hun geloofsovertuiging te organiseren. Het gaat hier om de eerste bewoners die in het vijfde dorp komen wonen. Daarnaast is in het ontwikkelprogramma Maatschappelijke Voorzieningen flexibiliteit voorzien, zowel binnen als buiten het centrum, waardoor bewoners dergelijke activiteiten kunnen organiseren.
Pagina 11 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
Ook is het mogelijk dat geloofsgemeenschappen een eigen fysieke plek wensen, waarvoor de gemeente een locatie ter beschikking kan stellen. Vraag 36: Wat gaan we als raad precies vaststellen, alleen NvU of ook andere bijlages en zo ja welke? Voorbeeld: in ruimtelijke verkenning voorzieningen Middengebied zijn kaders en randvoorwaarden opgenomen. Maar ook M2 in hoofdstuk ruimtebeslag bijlage ruimtelijke voorzieningen Middengebied Gaan we deze ook vaststellen bij behandeling van Nota van Uitgangspunten? En hoe hard zijn deze M2 bijvoorbeeld en welke ruimte is er om hier in de toekomst van af te wijken en wiens bevoegdheid is dat t.z.t.? Raad of college? Antwoord: In het raadsvoorstel R23.000084 onder beslispunt 1.a t/m 1.c wordt voorgesteld om de NvU vast te stellen, en in het bijzonder de uitgangspunten, ambities en gebiedsgerichte inrichtingsprincipes in de NvU. De bijlagen bij de NvU zijn niet ter vaststelling aangeboden (zie ook beslispunt 1.d), maar zijn meegestuurd ter onderbouwing van de ambities, uitgangspunten en inrichtingsprincipes zoals die zijn opgenomen in de NvU. Ten aanzien van het voorbeeld dat u geeft, zijn de maximale vierkante meters (uit de Ruimtelijke verkenning voorzieningen) overgenomen als uitgangspunt in de NvU. De raad wordt gevraagd dit uitgangspunt vast te stellen, waarna het college van B&W binnen dit kader uitvoering mag geven aan ontwikkeling.
Gezien het budgetrecht van de gemeenteraad, zullen er voor verschillende voorzieningen echter ook nog concrete raadsbesluiten nodig zijn om budget voor deze voorzieningen beschikbaar te stellen. Voor afwijking van het maximumaantal vierkante meters is aanpassing van het bestemmingsplan nodig, en daarmee een gemeenteraadbesluit. Vraag 37: Deelovereenkomst Mobiliteit ontwikkeling ZPP is niet ondertekent door Grondbankpartner Waddinxveen maar wel door Rotterdam? Kunt u dit verschil toelichten? Antwoord: In lijn met artikel 8.6 uit de Bestuurlijke Overeenkomst (juli 2021) is de Deelovereenkomst Mobiliteit opgesteld en ondertekend door provincie Zuid-Holland en de gemeenten Zuidplas, Rotterdam en Gouda: “Met de maatregelen in bijlage C en D als uitgangspunt, zullen de Gemeente, de Provincie en gemeenten Rotterdam en Gouda in een Deelovereenkomst Mobiliteit afspraken maken over hoe en wanneer en in welke volgorde de in bijlage C en D bij de Bestuurlijke Overeenkomst afgesproken maatregelen gerealiseerd worden en hoe dit georganiseerd gaat worden, met name waar het aanpassingen van (aansluitingen op) provinciale wegen betreft.” Gemeente Waddinxveen en gemeente Rotterdam, beide deelnemers van de Grondbank RZG Zuidplas, waren betrokken bij de totstandkoming van en hebben ingestemd met deze passage.
De gemeente Waddinxveen is tevens geïnformeerd over de totstandkoming van de Deelovereenkomst Mobiliteit. Vraag 38: Is natuur inclusief bouwen vanuit bouwbesluit een harde eis inmiddels? En wat staat / wordt hier over opgenomen in de NvU?
Pagina 12 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
Antwoord: In het bouwbesluit zijn geen eisen opgenomen voor natuurinclusief bouwen. Of dit in een toekomstige aanpassing of opvolging van het bouwbesluit wel wordt opgenomen is aan de landelijke politiek. Voor de NvU is natuurinclusief bouwen nu een ambitie. De gemeente heeft weinig instrumenten om natuurinclusief bouwen af te dwingen bij ontwikkelaars en bouwers, wel is het mogelijk om natuurinclusief bouwen expliciet als ambitie mee te nemen in de gesprekken met deze partners. Dit zal de gemeente daarom ook doen. Vraag 39: Zijn bepaalde spelregels die nu opgenomen zijn wel handhaafbaar ook wat betreft kosten van handhaafbaarheid denk aan bijv gebiedseigen erfbeplanting, of zo min mogelijk verharding? Zie o.a. blz. 68 NvU: “Bebouwing wordt landschappelijk ingepast met gebiedseigen erfbeplanting” Antwoord: Handhaving op publieke ruimte is in algemene zin eenvoudiger dan op private ruimte. Landschappelijk inpassen zou echter ook kunnen op publieke gronden. Er is verdere uitwerking nodig waarbij ook de juridische kant en de kosten hiervoor, verder worden uitgewerkt.
Vraag 40: Hoe kunnen we als raad invloed uitoefenen op een maximale opbrengst per zonnepaneel in de energie landschappen? Niet te regelen in BP maar hoe kunnen we dit wel regelen omdat wij als raad willen gaan voor maximale zonopbrengst en de exploitant wil gaan voor een maximaal verdienmodel en dit hoeft niet hetzelfde te zijn. Antwoord: Het sturen op het rendement van zonnepanelen is via contractvorming bij het uitgeven van de zonneveld-locaties te borgen. De raad kan het college oproepen hierop te sturen. Vraag 41: Op blz. 43 van Mobiliteitsconcept wordt gesteld dat er in Fase 1a gestart wordt met een parkeernorm van 1,3 naar latere fases afbouwend naar 1,1. Klopt het dat het centrum met zijn voorzieningen het eerst ontwikkeld wordt en daarmee de hoogste parkeernorm krijgt? Wat is de redenatie hierachter? Antwoord: Het dorpshart maakt inderdaad onderdeel uit van de Fase 1a van de ontwikkeling, maar zal in de eerste jaren van de ontwikkeling nog lang niet alle voorzieningen bevatten: het voorzieningenaanbod gaat immers meegroeien met het aantal woningen. Ook aan het eind van Fase 1a zal het voorzieningenaanbod niet geheel ontwikkeld zijn, maar zijn afgestemd op de eerste 2.300 woningen. De fiets- en ov-voorzieningen en het deelmobiliteitsaanbod zullen ook meegroeien met de ontwikkeling.
Daarom wordt ervoor gekozen om in Fase 1a, en de bijbehorende Grondexploitatie, rekening te houden met gemiddeld 1,3 en op basis van ervaring en de realisatie van duurzame alternatieven bezien of deze parkeernorm in de loop van de tijd voor Fase 1a zelf én voor andere deelgebieden naar beneden kan worden bijgesteld. In de concept-Nota maatwerk parkeren Middengebied is dit verder uitgewerkt. Vraag 43: Rondom het centrum zal meer sociaal en betaalbaar gebouwd worden. Aan de buitenranden zal meer dun en duur gebouwd gaan worden. Gerekend met een afnemende parkeernorm voor latere fases, welke parkeernorm gaat voor de duurdere bouw gelden?
Pagina 13 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
Antwoord: In Fase 1a, en de bijbehorende Grondexploitatie, wordt rekening gehouden met gemiddeld 1,3 over het daar te realiseren woningbouwprogramma. Voor het hele Vijfde Dorp wordt voorgesteld om de parkeernormen uit de Nota Parkernormen 2019 te laten gelden, met mogelijke reductie op de parkeeropgave op basis van de duurzame mobiliteitsalternatieven die gerealiseerd worden. Op die manier wordt voorkomen dat er een lage parkeernorm gehanteerd wordt, zonder dat er een alternatief is voor de auto. Dit is uitgewerkt in de concept-Nota maatwerk parkeren Middengebied. Daarin zijn ook de uitgangspunten voor het duurdere woningbouwprogramma opgenomen, conform de Nota Parkeernormen 2019. Vraag 44: Blz. 29 van Deelovereenkomst Mobiliteit: Hoe is de verdeling van de investeringsbijdragen over de partijen tot stand gekomen. Graag iets meer duiding achter de verschillen in bijdrage per partij voor de maatregelen “verdubbeling N457” en de op- en afritten van de A12 bij Zevenhuizen en Moordrecht. Antwoord: De verdeling van de investeringsbedragen voor de genoemde mobiliteitsmaatregelen waren reeds vastgelegd in de Bestuurlijke Overeenkomst (juli 2021). Dit was onderdeel van een intensief en integraal onderhandelingsproces, waarbij de uiteindelijk afgesproken investeringsmaatregelen het hoogst haalbare per investerende partij.
De totaalbedragen per maatregel zijn daarbij gebaseerd op kostenramingen van een verkeerskundig bureau. In de totstandkoming van de Deelovereenkomst Mobiliteit (juni 2023) is deze verdeling opnieuw ter tafel gekomen, waarbij er bij de andere partijen geen draagvalk bleek om de verdeling aan te passen. Vraag 45: Waarom heeft Alphen aan den Rijn voor 5.500 woningen in de Gnephoek € 50 miljoen gekregen van de rijksoverheid? Antwoord: De demissionair minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft in zijn brief aan de Tweede Kamer van 14 juli 2023 het volgende aangegeven: “Het Contourenplan [van Gnephoek] vermeldt een tekort van € 50 miljoen. […] gezien het belang van de ontwikkeling zoals genoemd in de motie Terpstra-Koerhuis en gezien de voorbeeldfunctie voor het ontwikkelen van integrale woningbouw en gebiedsontwikkeling met inachtneming van water en bodem-sturend, ligt een bijdrage van rijksmiddelen voor de woningbouw in de rede.” De Rijksoverheid heeft dit bedrag dus nog niet beschikbaar gesteld aan de gemeente Alphen aan den Rijn. Er is ons geen aanvullende informatie bekend over de beweegredenen van de demissionair minister. De gemeente Zuidplas verkent zelf ook de mogelijkheden voor het verkrijgen van Rijksmiddelen voor de ontwikkeling van het Middengebied. De gemeente trekt hierbij zoveel mogelijk samen op met de provincie Zuid-Holland.
Vragen van VVD Financiële verwachting GREX Vraag 46: Betekenen beslispunten 2e en 2f dat andere financiële onderdelen uit de GREX pas vrijkomen na een separaat raadsbesluit?
Pagina 14 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
Antwoord: Dat klopt. Groene Schakel Vraag 47: De provincie is verantwoordelijk voor de realisatie van ecologische verbindingszones in Zuid-Holland. 1. Geldt dit ook expliciet voor de Groene Schakel? 2. Betekent de verantwoordelijkheid voor realisatie van de provincie dat zij ook gaan (mee)betalen? Zo nee, hoe is de realisatie van de groene schakel dan beoogd? Antwoord: 1. Een deel van een gepland EVZ-tracé loopt door het deelgebied de Groene Schakel, en kruist ook andere (deel)gebieden binnen én buiten het Middengebied. De Groene Schakel is echter veel groter dan het gebied waar dit deel van deze EVZ gerealiseerd gaat worden. In de Groene Schakel liggen er meerdere opgaven voor de transformatie van het gebied dan alleen de realisatie van de EVZ, zoals vastgesteld door de gemeenteraad in het Masterplan Middengebied Zuidplaspolder (hierna: Masterplan). 2. De provincie is – zoals u terecht aangeeft – verantwoordelijk voor de realisatie van de EVZ. De provincie is echter geen initiatiefnemer van, noch verantwoordelijk voor, de gehele transformatie van de Groene Schakel conform het Masterplan, en draagt daar dus niet financieel aan bij. Zie de beantwoording van vraag 25 voor een toelichting van de wijze waarop de gemeente de transformatie van de Groene Schakel verder voorbereidt.
Vraag 48: Reeds zittende bedrijven in het plangebied kunnen hun huidige transportbewegingen voortzetten. Is het een mogelijkheid om bedrijven (indien verplaatsen of uitkopen geen oplossing blijkt) in te passen in de ontwikkeling? Ook wanneer deze in de beoogde groene schakel gesitueerd zijn? Antwoord: Ja, dat is mogelijk, binnen de kaders van het nieuwe bestemmingsplan voor de Groene Schakel. De ambitie is om toekomstbestendige bedrijvigheid, met name in de gebieden open polderlandschap en half open coulissen landschap, landschappelijk in te passen en de sloop van minder toekomstbestendige bedrijvigheid te stimuleren en zo verrommeling tegen te gaan. Bedrijven in het coulisselandschap die bereid zijn te stoppen en de bebouwing te slopen, worden hiertoe gestimuleerd door middel van een ruimte-voor ruimte regeling. Inpassing is mogelijk, doormiddel van bijvoorbeeld een coulis (strook opgaand groen), wanneer er binnen de geboden ruimte van het conserverende bestemmingsplan Groene Schakel om bijvoorbeeld uitbreiding gevraagd wordt. Mobiliteit Vraag 49: Er wordt vastgehouden aan het eerder door de gemeenteraad vastgestelde STOMP-principe. 1. Deelt u de opvatting dat er uitsluitend is ingestemd met het STOP-principe? 2. Zo nee, Wanneer heeft de gemeenteraad ingestemd met het STOMP-principe? 3.
In de huidige NvU wordt het STOMP-principe vervangen door het verdergaande THAMES-principe. Welk afgegeven kader ligt hieraan ten grondslag?
Pagina 15 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
Antwoord: 1. De uitwerking van het mobiliteitsconcept richt zich op STOMP, waarin ook Mobility as a Service (deelmobiliteit, ketenmobiliteit) nadrukkelijk naar voren komt. In de ontwikkeling van het Vijfde Dorp zal deelmobiliteit in de vorm van onder meer deelauto´s, deel (bak)fietsen en mogelijk andere vormen van deelmobiliteit uitgewerkt worden. In het vervolg wordt onderzocht op welke manier dit in een mobiliteitsplatform gebord kan worden. 2. Het STOMP-principe is in het Masterplan als uitgangspunt genoemd. 3. In de uitwerking van het mobiliteitsconcept, mede gekoppeld aan de duurzaamheidsambities met het Vijfde Dorp en de beoogde modal shift (minder automobiliteit) is ingezet op het STOMPprincipe, verrijkt met elementen uit het THAMES-principe. Een grote winst in het behalen van een reductie op de automobiliteit is het voorkomen van autobewegingen (dit zit in de TH van thuiswerken en het vastleggen van nabijheid), daarnaast draagt de Elektrificatie van mobiliteit en het organiseren van Stadslogistiek bij aan een beter leefmilieu. Vraag 50: Er wordt gestreefd naar hoogwaardig openbaar vervoer (HOV). Wat maakt de voorgestelde OVplannen meer hoogwaardig dan wat er in Nieuwerkerk op dit moment voorhanden is? Antwoord: Op basis van het mobiliteitsconcept zet de gemeente in op Hoogwaardig Openbaar Vervoer (bus) in de verschillende richtingen.
Dit Hoogwaardig Openbaar Vervoer betreft een vrijliggende busbaan in het Vijfde Dorp, en wordt er ingezet op zoveel mogelijk ongehinderde doorstroming op aansluitende wegen (bijvoorbeeld voorrangsregeling, voorsorteervak voor de bus kruisingen of aparte busstrook). Daarnaast wordt ingezet op een hogere bedieningsfrequentie. In het kader van de Deelovereenkomst Mobiliteit zullen nadere afspraken gemaakt worden met andere overheden en de concessieverlener en concessiehouder. Het openbaar vervoer zal zich in de tijd ontwikkelen. Daarnaast doen gemeente Zuidplas en gemeente Gouda – in overleg met regio Midden-Holland gezamenlijk onderzoek naar de haalbaarheid van een treinstation ten behoeve van de ontwikkeling van Zuidplaspolder (Vijfde Dorp/Middengebied en Westergouwe). Vraag 51: Het gebied binnen de hartlijnen wordt autovrij ingericht. Wel blijft het toegankelijk voor hulpdiensten. 1. Hoe wordt het toegankelijk gemaakt voor hulpdiensten? 2. Hoe wordt er geborgd dat de autovrij ingerichte delen autovrij blijven? Antwoord: Allereerst wordt opgemerkt dat het geen uitgangspunt, maar een ambitie is om het Vijfde Dorp binnen de Hartlijnen autovrij in te richten. 1. De hulpdiensten kunnen tot bij alle woningen in het Vijfde Dorp komen. Hierbij kan gedacht worden aan het gebruik maken van bijvoorbeeld een voet- of fietspad en/of toegankelijkheid middels een beweegbare paal.
Dit dient nog nader uitgewerkt te worden, waarbij ook afstemming met de hulpdiensten over het ontwerp zal plaatsvinden. 2. Autovrije gebieden (m.u.v. hulpdiensten en minder validen) kunnen zo worden ingericht dat deze niet vrij toegankelijk zijn voor auto’s, bijvoorbeeld door in het stedenbouwkundige ontwerp rekening te houden met het achterlaten van de auto bij de parkeerhoven/buurthubs. Ook kan door bijvoorbeeld randen of groenzones de auto geweerd worden. Zoals hierboven toegelicht zullen hulpdiensten wel nog bij de woningen kunnen komen. Dit is een ontwerpvraag voor de volgende fase.
Pagina 16 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
Vraag 52: De Middelweg-Bredeweg wordt een fietsroute tussen Moordrecht, het dorpshart van het Vijfde Dorp en Moerkapelle. De Middelweg-Bredeweg blijft toch ook een autoroute van Moerkapelle naar Moordrecht? Zo nee, wat wordt die route dan? Antwoord: Langs de Middelweg-Bredeweg ligt op dit moment al een vrijliggend fietspad. De Middelweg-Bredeweg blijft ook een route die door de auto gebruikt kan worden. Wel is de inzet om sluipverkeer vanuit het Vijfde Dorp over deze route te voorkomen. In het uitwerken van de infrastructuur van het Vijfde Dorp zal de Middelweg richting A20 en de nieuwe ontsluitingsweg richting de aansluiting bij Knibbelweg-Oost vooral gefaciliteerd worden. In de nadere uitwerking van infrastructurele maatregelen zal nog worden onderzocht welke maatregelen vooral op de Bredeweg nodig zijn om te voorkomen dat deze weg een extra ontsluitingsweg vanuit het Vijfde Dorp wordt. Vraag 53: In de nabijheid van OV-haltes en de busroute wordt een hogere woningdichtheid gehanteerd. Wat is deze woningdichtheid? Antwoord: Waar OV-haltes komen is nog onbekend. De busroute loopt door het Kreekrugdorp, dat een dichtheid heeft van circa 30 woningen/ha. Het centrum ligt binnen het Kreekrugdorp en heeft een dichtheid van 40-50 woningen/ha. Dit zijn gemiddelde dichtheden van deze gebieden.
Daarbij is wenselijk dat de woningdichtheid langs de Hartlijn, daar waar de busroute overlangs gaat, een hogere dichtheid bevat dan het aangrenzende achterliggende deel. Dit draagt zowel bij aan stedenbouwkundige “wandvorming” als het versterken van het dekkingsgebied van de toekomstige buslijnen. Vraag 54: De hoofdontsluitingswegen buiten de bebouwde kom gaan een maximumsnelheid kennen van 60 km/uur. Binnen de bebouwde kom geldt een limiet van 30 km/uur en in de woongebieden 15 km/uur. 1. Zijn deze (lagere dan gebruikelijke) snelheden voldoende om te kunnen voldoen aan veilige aanrijtijden van hulpdiensten? 2. Hoe gaan we dit handhaven? Antwoord: 1. Aanrijtijden van de hulpdiensten worden bepaald door de snelheid die deze voertuigen kunnen maken in de openbare ruimte. De formele snelheidsregimes zijn in principe daarin geen belemmering voor hulpdiensten. Met de hulpdiensten is er reeds op hoofdlijnen afstemming geweest en zal ook nadere (detail)afstemming in de nadere ontwerpuitwerking plaatsvinden om de vereiste aanrijtijden te behalen. 2. Op basis van de gekozen snelheidsregimes zullen de wegontwerpen uitgewerkt gaan worden. Hierover zal ook overleg worden gevoerd met de hulpdiensten, rekening houdend met bovengenoemde aanrijtijden. Deze ontwerpen zullen het verkeer tot het juiste gedrag moeten begeleiden en dwingen.
Hierin is de toepassing van allerlei verkeersmaatregelen mogelijk. Onder andere de richtlijnen van CROW geven hier goede handvatten voor. Vraag 55: Het beschikbaar zijn van deelmobiliteit en het realiseren van (H)OV is als uitgangspunt geformuleerd wat betekent dat er een resultaatverplichting is.
Pagina 17 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
1. Bent u van mening dat m.n. deelmobiliteit een privaat aangeboden voorziening zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet? 2. Stel dat er geen private partij is die deelmobiliteit beschikbaar stelt, wat is het college dan voornemens te doen om aan de resultaatverplichting te voldoen? 3. Stel dat hoogwaardig OV onvoldoende van de grond komt, hoe gaat het college dan opvolging geven aan de resultaatverplichting? Antwoord: 1. Deelmobiliteit is een belangrijk onderdeel van het mobiliteitsconcept. We kennen het principe van deelmobiliteit vooral vanuit de private markt: als het rendabel genoeg is dan onderneemt de markt wel actie. In de nadere uitwerking van het mobiliteitsconcept voor het Vijfde Dorp wordt onderzocht op welke manier uitwerking kan worden gegeven aan een mobiliteitsplatform waarin de mobiliteitsopgave voor het Vijfde Dorp georganiseerd kan worden. Gezien de doelstellingen voor het Vijfde Dorp, is de inzet om samen met de samenwerkingspartners van de gemeente (waaronder provincie Zuid-Holland en ook regio Midden-Holland) onderzoeken in hoeverre deelmobiliteit in bijvoorbeeld een concessievorm kunnen uitwerken. 2. De indiener geeft terecht aan dat de gemeente ten aanzien van deelmobiliteit – en eigenlijk de gehele ontwikkeling- afhankelijk is van marktpartijen voor de uitvoering.
De verwachting is dat de markt onder de juiste voorwaarden en wanneer er een rendabele businesscase mogelijk is, deelmobiliteit zal willen aanbieden. In een vervolgfase zullen gesprekken met marktpartijen hierover opgestart worden. Wanneer er geen deelmobiliteitsaanbieders willen instappen, is het ook mogelijk om hierover afspraken te maken met ontwikkelaars. Wanneer er onverhoopt toch niet aan deze verwachtingen voldaan kan worden zal, nadat bezien is welke oorzaken dat heeft, een herijkingsvoorstel worden gedaan ten aanzien van de NvU op dit punt (maar dat is nogmaals niet de verwachting). 3. De gemeente is voor (H)OV volledig afhankelijk van derden. Om deze reden is de realisatie van OV in de NvU niet als uitgangspunt, maar als ambitie opgenomen. Waar de gemeente wel direct invloed op heeft, is bijvoorbeeld de infrastructuur ten behoeve van OV, deze is daarom wél als uitgangspunt opgenomen (met bijbehorende resultaatverplichting). De gemeente heeft ook in de Deelovereenkomst Mobiliteit (juni 2023) afspraken gemaakt met de provincie over vroegtijdige beschikbaarheid van een eerste busverbinding, waar de provincie en gemeente zich voor zullen inzetten.
Vraag 56: Is er sprake van hoogwaardig openbaar vervoer indien er geen treinstation gerealiseerd wordt? Zo ja, wat maakt dit openbaar vervoer hoogwaardig? Antwoord: Hoogwaardig openbaar vervoer is een algemeen gebruikelijke term voor stads- en streekvervoer dat voldoet aan hoge eisen op het gebied van de doorstroming, oftewel het vervoer heeft een hoge gemiddelde rijsnelheid. Hoogwaardig openbaar vervoer kan zowel vervoer over rails als over de weg zijn. Voorbeelden hiervan zijn de in het Mobiliteitsconcept Het Vijfde Dorp voorgesteld Bus Rapid Transit (BRT). De ambitie in de NvU is om invulling te geven aan HOV in het Vijfde Dorp: dat kan dus met de bus en/of met de trein. De gemeente is voor de realisatie hiervan afhankelijk van derden. Vraag 57: Het gebruik van deelauto´s kan ook gestimuleerd worden door servicekosten bij woningen in rekening te brengen (lees: een verplicht abonnement). 1. Welke wettelijke basis is er om mensen te verplichten een abonnement af te nemen voor het gebruik (en financiering) van deelmobiliteit?
Pagina 18 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
2. Bent u van mening dat het gebruik en abonneren een individuele keuze moet zijn? Zo nee, waarom niet? Antwoord: 1. In de concept-Nota maatwerk parkeren Middengebied zijn voorstellen gedaan voor de wijze waarop deelmobiliteit kan worden georganiseerd bij de woningen. Dat kan een vrijblijvend of verplichtend karakter hebben. De gemeente heeft bijvoorbeeld in de Jonge Veenen contractuele afspraken gemaakt over het faciliteren van deelmobiliteit met de projectontwikkelaar en eigenaren. Of dit ook kansrijk is voor het Vijfde Dorp, wordt verder uitgewerkt in de volgende fase. 2. Wij zien dit als een politieke vraag, tijdens uw inbreng in de programmacommissie of raad kunt u hierover met het college van gedachte wisselen. Parkeren Vraag 58: Het VO gaat uit van de realisatie van alle parkeervoorzieningen in hubs. Dit is een ambitie in de NvU. 1. Betekent dit dat er geen enkele parkeerplaats buiten de hubs komen? 2. Hoe zit dit met mindervalideparkeerplaatsen? 3. Hoe zit dit met parkeren op privaat terrein? Antwoord: 1. Het is niet uitgesloten dat er parkeermogelijkheid zal zijn buiten de mobiliteitshubs. In de NvU is de realisatie van de parkeeropgave in mobiliteitshubs immers als ambitie opgenomen. In de verdere planuitwerking van Fase 1a naar concrete stedenbouwkundige ontwerpen zal de wijze waarop en in hoeverre deze ambitie volledig kan worden waargemaakt worden onderzocht. 2.
Indien de afstand tot het parkeren te groot is, zou door middel van een ontheffing voor minder validen dichter bij de woning geparkeerd kunnen worden. Dit wordt in de volgende fase verder uitgewerkt. 3. Parkeren op eigen terrein is vooralsnog niet uitgesloten en is mede afhankelijk van de realisatie van de mobiliteitshubs en de ontwikkeling van de parkeerbehoefte. Vraag 59: Binnen het dorp is er ruimte voor mindervalideparkeerplaatsen dichtbij woningen. Hoe worden deze plekken gerealiseerd en ruimtelijk ingepast indien er behoefte aan is? Antwoord: Het realiseren van een mindervalideparkeerplaats kan op basis van het verlenen van een parkeerontheffing. In combinatie met deze ontheffing onderzoekt de gemeente op welke manier op een goede manier een parkeerplaats in de omgeving kan worden ingepast. Vraag 60: De parkeerhubs kennen een gemaximeerd aantal parkeerplaatsen in het VO van 140 plaatsen per hub op het maaiveld (in de parkeergarage zijn meer parkeerplaatsen mogelijk). Hoeveel hubs komen er in de totale ontwikkeling (exclusief parkeergarage)? Antwoord: Dit hangt af van de ontwikkeling van de woningbouwopgave, de beschikbaarheid van duurzame alternatieven voor de privé-auto, en de daarmee samenhangende parkeerbehoefte.
Pagina 19 van 26
onderwerp Technische vragen R23.000084
registratienummer Z23.002330
Vraag 61: De loopafstanden vanaf de woningen naar de parkeervoorzieningen zijn in het VO 150 meter, in de NvU 250 meter. 1. Waarom is er in de NvU afgeweken van de afstand uit het VO? 2. Betreft dit de werkelijk af te leggen afstand of de afstand hemelsbreed? Antwoord: 1. De NvU is het resultaat van een samenspel tussen verschillende onderzoeken en uitwerkingen: zoals het Mobiliteitsconcept Het Vijfde Dorp en het VO. Daarbij is het VO als ruimtelijke uitwerking niet per definitie leidend voor de ambities en uitgangspunten in de NvU. Het VO schetst ook niet het definitieve plaatje voor het Middengebied: dat zal onder andere in samenwerking met marktpartijen, op basis van de ambities en uitgangspunten waar de gemeente op stuurt met de NvU, verder vorm worden gegeven. Het VO wordt daarom ook niet ter vaststelling aangeboden. Het specifieke verschil tussen de loopafstanden in de NvU t.o.v. het VO is ontstaan naar aanleiding van het voorstel om minder bebouwde mobiliteitshubs te realiseren gelet op de financiële haalbaarheid van het plan. In bebouwde mobiliteitshubs kunnen parkeerplaatsen gestapeld worden, waardoor het aantal parkeerplekken per hub toeneemt en er in totaal minder hubs nodig zijn. En hoe minder hubs, hoe groter de loopafstanden zijn naar de hubs: dat is de oorspronkelijke gedachte uit het Mobiliteitsconcept Het Vijfde Dorp.
Echter, omdat hier voor Fase 1a geen financiële ruimte voor is, is vooralsnog terug geschaald naar de realisatie van één bebouwde hub, en voor de rest (aanvullende) hubs op maaiveld. Gelet op de stedenbouwkundige inpassing is de schaal van hubs op maaiveld enigszins beperkt gelaten. Daardoor laat het VO een lagere loopafstand zien. Omdat de NvU kaderstellend wordt voor de hele ontwikkeling, is desalniettemin ervoor gekozen om een grotere loopafstand zoals geadviseerd in het Mobiliteitsconcept Het Vijfde Dorp vast te houden. Hier kan dan alsnog invulling worden gegeven als er bijvoorbeeld meer financiële ruimte ontstaat voor aanvullende bebouwde hubs. 2. Het gaat om hemelsbrede loopafstanden. Vraag 62: Parkeerhubs worden multifunctionele hubs waar o.a. ook een pakkettenwand zich bevindt, onderhoudspunt voor fietsen, flexwerkplek en buurtbatterij. Waar mogelijk wordt gewerkt met gebouwde hubs om het grondgebruik zoveel mogelijk te beperken. 1. Worden de genoemde aanvullende voorzieningen (naast parkeren) privaat geëxploiteerd? 2. Worden alle bezorgingen aan huis afgeleverd in de pakkettenwand? Hoe wordt geborgd dat alleen de rechtmatige ontvanger het pakket ook daadwerkelijk in ontvangst kan nemen? 3. Wat zijn de mogelijkheden om supermarktboodschappen thuis te laten bezorgen? 4.
Kunt u toelichten wat er wordt bedoeld met “waar mogelijk wordt gewerkt met gebouwde hubs om het grondgebruik zoveel mogelijk te beperken”? Alleen het dorpshart wordt toch voorzien van een gebouwde hub (lees: parkeergarage)? 5. Wat voor gevolgen heeft de grote hoeveelheid elektrische auto's op de (brand)veiligheid en constructie van de gebouwde hub (parkeergarage)? Antwoord: 1. Dit moet nog verder worden uitgewerkt. 2. Dit moet nog verder worden uitgewerkt. 3. Dit moet nog verder worden uitgewerkt. 4. Op dit moment is het vanuit financieel oogpunt in fase 1A niet realistisch om meer dan één gebouwde parkeerhub te realiseren. Vanuit de mobiliteitsambities zou het wenselijk zijn om dit aantal uit te breiden om het grondgebruik voor parkeren te verkleinen.