Bijlage 4 Bestemmingsplan ‘Kamerlingh Onnes’ – toelichting A24.000731
Tekst van het document
Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsverordening voor de onderhavige nieuwe ontwikkelingen.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Zuidplas De gemeenteraad van de gemeente Zuidplas heeft op 13 juli 2021 voor het grootste deel van de gemeente de 'Omgevingsvisie Zuidplas' vastgesteld. In de omgevingsvisie staan de ambities voor de lange termijn, tot 2040. Met de omgevingsvisie wordt richting gegeven aan toekomstige ontwikkelingen die plaatsvinden in een veilige en gezonde fysieke leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit voor inwoners. De fysieke leefomgeving gaat over bijna alles buiten, dus: gebouwen, bodem, water, natuur, lucht, maar ook wegen en duurzame opwek van energie. In de omgevingsvisie staan de volgende ambities centraal:
•
Aantrekkelijk Zuidplas: Ingezet wordt op het bouwen van inbreidingslocaties binnen de dorpen. Daarnaast wordt ingezet op aanpassingen van de bestaande woningvoorraad. Als dorpen in Zuidplas uit willen breiden kan dat, maar alleen als een bijdrage wordt geleverd aan hogere doelen.
•
Duurzaam Zuidplas: Nieuwe ontwikkelingen zijn zoveel mogelijk energieneutraal. Voor bestaande gebouwen wordt ook hierop ingezet, hoewel dit niet overal haalbaar zal zijn. Naast de energiedoelstellingen wordt gewerkt aan een klimaatbestendige omgeving. Klimaatadaptatie, onder andere het tegengaan van hittestress, verdroging en wateroverlast, heeft daarbij nadrukkelijk aandacht.
•
Ondernemend Zuidplas: Zuidplas wil in 2040 een aantrekkelijk gemeente zijn voor ondernemers en ervoor zorgen dat er voldoende eigen werkgelegenheid is. Een gemeente met een aantrekkelijk vestigingsklimaat en belangrijke speler in de regio.
•
Gezond Zuidplas: Zuidplas wil in 2040 een sociale en vitale gemeente zijn. Een gemeente met een gezonde en veilige leefomgeving én met aandacht voor de gezondheid van onze inwoners.
De omgevingsvisie is uitgewerkt in een visie per dorp. Hierin is aangegeven hoe een aantrekkelijk, duurzaam, ondernemend en gezond Zuidplas eruitziet per dorp. De omgevingsvisie geeft per thema, voor heel Zuidplas en per deelgebied en per dorp ambities, opgaven, kansen en te maken keuzes weer.
25
Planspecifiek Voor de gemeente Zuidplas geldt dat er voor de positionering van de dorpen primair ingezet wordt op het realiseren van inbreidingslocaties binnen de bestaande dorpen. Daarbij wordt ingezet op een divers, betaalbaar en flexibel woningaanbod. De beoogde herontwikkeling vindt plaats binnen het bebouwd gebied van Nieuwerkerk aan den IJssel. Er worden in totaal 44 wooneenheden mogelijk gemaakt, bestaande uit 35 sociale huurwoningen en 9 middenhuur woningen, wellicht inclusief een woongroep. Hiermee wordt aangesloten op de ambitie van de gemeente om een divers, betaalbaar en flexibel woningaanbod te realiseren, zoals bedoeld met Aantrekkelijk Zuidplas. Daarnaast wordt de haalbaarheid naar een gemeenschappelijke ruimte onderzocht waar bewoners en omwonenden welkom zijn voor allerlei activiteiten, wat bijdraagt aan Gezond Zuidplas. In verband met Duurzaam Zuidplas dienen nieuwe ontwikkelingen zoveel als mogelijk energieneutraal te zijn. Om dit mogelijk te maken moet energieopwekking integraal onderdeel zijn van het plan. Naast de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn, wordt er door de gemeente ook ingezet op het tegengaan van hittestress, verdroging en wateroverlast. De woningen die met het voorliggende plan worden gerealiseerd dienen te voldoen aan de BENG-normen. Ze worden gasloos uitgevoerd en voorzien van duurzame installaties en een goede isolatie.
Op het gebied van klimaatadaptatie wordt rekening gehouden met de afvoer en het opvangen van regenwater. De woningen omvatten twee groene ruimten die eventueel ook dienen als locatie voor waterberging. Om hittestress tegen te gaan is geadviseerd om de te kappen bomen te compenseren met het herplanten van nieuwe bomen van een soort met een groot kroonvolume en een goed ingerichte groeiplaats, indien mogelijk op locatie en anderzijds in hetzelfde gebied. Dit wordt in het vervolgtraject nader uitgewerkt. Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het beoogde initiatief in lijn is met de ambities van de Omgevingsvisie Zuidplas.
3.3.2 Woonvisie 2025 De 'Woonvisie 2025 - Dorps wonen in Zuidplas, nu en in de toekomst' is op 23 januari 2019 door de gemeenteraad vastgesteld. In de woonvisie wordt een doorkijk naar het wonen in Zuidplas rond het jaar 2025 gegeven en is richtinggevend van karakter. De woonvisie is tevens het programmatische toetsingskader voor nieuwbouwlocaties. In de woonvisie wordt gekozen voor de volgende strategie:
• • • • •
sociale huursector op peil; identiteit vasthouden; langer thuis wonen; duurzaam wonen en leven; innovatieve woonvormen.
Om de visie te realiseren zijn de stappen verwoord in drie speerpunten: 1. 2. 3.
een divers en betaalbaar woningaanbod voor alle doelgroepen; duurzaam wonen; experimenten in wonen en ontmoeten.
Met het eerste speerpunt wordt de visie van een evenwichtige bevolkingsopbouw verwezenlijkt. De andere twee dragen bij aan het realiseren van dat divers en betaalbaar woningaanbod. Woningbouwopgave Uit onderzoek blijkt dat de vraag naar diverse woningtypen toeneemt. In de woonvisie staan uitgangspunten voor de omvang van de diverse woon- en prijssegmenten die in Zuidplas nodig zijn. Deze uitgangspunten voor de woningvoorraad die in de Woonvisie staan, bieden houvast in de onderhandelingen over nieuwbouw met projectontwikkelaars en woningcorporaties.
26
In de woonvisie staat geen woningverdeling per dorp. Nieuwbouwontwikkeling is maatwerk en daarom komen er randvoorwaarden voor elk nieuwbouwproject. Daarin wordt op basis van de locatie (het dorp), de marktomstandigheden en de grootte van het project aangegeven hoeveel woningen van welk type, prijsklasse, eigendomsverhoudingen (huur of koop) en kwaliteitsniveau gewenst zijn. Planspecifiek Voor de periode tot 2030 is er een behoefte aan 3.250 nieuwe woningen in de gemeente Zuidplas. Van deze woningen is er een behoefte aan 70% koopwoningen, 27% sociale huurwoningen en 3% middenhuur woningen. De afgelopen jaren is er in Nieuwerkerk aan den IJssel een nieuwe wijk ontwikkeld, namelijk Esse Zoom Laag. In deze wijk zijn verhoudingsgewijs slechts een beperkt aantal sociale huurwoningen gebouwd. Daarnaast heeft het overnametraject van corporatiewoningen van Vestia door een andere corporatie bijgedragen aan een stagnatie van de ontwikkeling van sociale huurwoningen in Nieuwerkerk aan den IJssel. In de ‘Woonvisie 2025, Dorps wonen in Zuidplas, nu en in de toekomst’ staat de doelstelling om 27% sociale huurwoningen in de woningvoorraad te hebben. Op dit moment, zeker in Nieuwerkerk aan den IJssel, staat dit percentage onder druk. Daarom dienen er sociale huurwoningen te worden toegevoegd. Met het voorliggende plan worden 44 appartementen gerealiseerd.
Het betreft 35 sociale huurwoningen en 9 middenhuur woningen. Het percentage sociale huur bedraagt 79,5% (35/44), ruimschoots passend binnen de gemeentelijke doelstellingen. Hiermee wordt aangesloten op de behoefte aan sociale huurwoningen en middenhuur woningen. Bovendien draagt het initiatief hiermee bij aan de gewenste vernieuwing van de sociale voorraad, die eigentijds, innovatief en energetisch bij de tijd is. Daarmee dient het voorliggende woningprogramma op deze locatie een aantal doelstellingen van de gemeente Zuidplas. De locatie aan de Kamerlingh Onnesstraat ligt braak sinds het afbreken van de voormalige school de Tweemaster. Destijds is deze locatie aangewezen voor woningbouw. Het braak laten liggen van deze locatie is niet wenselijk, aangezien ruimte schaars is. Gezien de beperkte mogelijkheden om woningbouw te realiseren in Nieuwerkerk aan den IJssel is het verwezenlijken van deze woningbouwlocatie essentieel. De wijk eromheen bestaat voor het grootste gedeelte uit eengezinswoningen, voor ouderen die kleiner en gelijkvloers willen gaan wonen is in hun eigen wijk niet veel beschikbaar. Juist daarom is het belangrijk dat mensen ook binnen hun eigen wijk zo zelfstandig als mogelijk oud kunnen worden. De woningen worden in de koopovereenkomst gelabeld als 'ouderenwoningen' en daarmee wordt geborgd dat de woningen bewoond worden door ouderen vanaf 55 jaar.
Daarbij is dat op deze plek voor ouderen met een inkomen voor een sociale- of middenhuur woning, op de locatie van de Twee Gebroeders is dat voor ouderen met een hoger inkomen. Om er wel voor te zorgen dat het gebouw in de wijk past is er gekozen voor een complex van 2 tot 3 lagen, net zoals alle woningen eromheen. Daarnaast draagt het initiatief bij aan de ambities uit de Woonvisie ten aanzien van langer thuis wonen. De woningen in het voorliggende project worden in de koopovereenkomst gelabeld ten behoeve van ouderen. Hiertoe zullen de woningen gelijkvloers zijn en voldoen aan de WoonKeur met pluspakket Wonen met zorg. Tevens vergrijst de bevolking, om die reden is het belangrijk om ook voor ouderen voldoende aanbod te blijven bouwen. Ook kan deze ontwikkeling een positieve invloed hebben op de doorstroming op de woningmarkt in Nieuwerkerk aan den IJssel. Ouderen die op het moment nog in een eengezinswoning wonen, maar graag naar levensloopbestendige woning verhuizen kunnen op die manier een woning achterlaten voor (startende) gezinnen. Om ook voor kandidaten die (net) teveel verdienen voor een sociale huurwoning geschikte woningen aan te bieden, is er aanvullend gekozen voor een bescheiden middenhuur programma. Gesteld kan worden dat de ontwikkeling past binnen de kaders van de Woonvisie 2025.
3.3.3 Programma Duurzaamheid en Klimaatadaptatie De gemeente Zuidplas heeft in het programma Duurzaamheid & Klimaatadaptatie 2019 – 2025 het doel gesteld om in 2050 een duurzame en toekomstbestendige gemeente te zijn. De gemeente Zuidplas wil echter verder kijken dan de energietransitie. Er wordt ook gekeken naar het veranderende klimaat en hoe gemeente Zuidplas een aantrekkelijke leefomgeving kan ontwikkelen en behouden.
27
Het programma Duurzaamheid & Klimaatadaptatie 2019 – 2025 bestaat uit de volgende thema’s:
•
Energie en warmte: het besparen van energie, het opwekken van hernieuwbare energie en de bebouwde omgeving loskoppelen van aardgas.
•
Klimaatadaptatie: inrichten van de openbare ruimte om de gevolgen van klimaatverandering te beperken.
• •
Circulaire economie: Het bestaande lineaire systeem omzetten naar een nieuw circulair systeem. Leefomgeving: De leefomgeving wordt vooral vormgegeven in de inrichting van de fysieke (openbare) buitenruimte door beplanting en gebruik van materialen. Voor een gezonde leefomgeving is een goede kwaliteit van bodem, lucht en water van belang.
Planspecifiek De gemeente Zuidplas streeft naar duurzame ontwikkelingen. Met de voorgenomen ontwikkeling zal worden aangesloten bij dit streven, waarbij voldaan dient te worden aan de normen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De woningen worden dan ook gasloos uitgevoerd en voorzien van duurzame installaties en een goede isolatie. Daarnaast wordt het plangebied zo veel als mogelijk klimaatadaptief ingericht. Er zal sprake zijn van voldoende mogelijkheden om het regenwater op te vangen bij zware weersomstandigheden. Het plangebied omvat een groene rand met bomen en twee groene ruimten (tuinen) die ook kunnen dienen als waterberging. Voorts wordt er een wadi/ droge greppel aangelegd om extreme neerslag op te kunnen vangen. Mogelijk wordt gebruik gemaakt van infiltratiekratten. Tevens is geadviseerd om bomen te herplanten met een groot kroonvolume en een goed ingerichte groeiplaats. De gemeente is eindverantwoordelijk voor de inrichting en het beheer van de openbare ruimte. Om bewuster en gerichter om te gaan met ruimtelijke kwaliteit is een document opgesteld waarin de kwaliteitseisen met betrekking tot de openbare ruimte gebundeld zijn. Dat document is de ‘Leidraad Duurzame Inrichting Openbare Ruimte’ (DIOR) en is op 18 juni 2013 door burgemeester en wethouders geaccordeerd.
Aanpassingen in het openbaar gebied als gevolg van een herontwikkeling zullen aan de DIOR worden getoetst. Gesteld kan worden dat het plan in lijn is met de ambities op het gebied van duurzaamheid van de gemeente Zuidplas.
3.3.4 Welstandsbeleid/Omgevingsbeleid De welstandsnota is, kort gezegd, het beleidsdocument dat moet voorzien in de criteria die burgemeester en wethouders hanteren bij het beoordelen van een aanvraag omgevingsvergunning op welstandsvereisten. Middels de Welstandsnota Zuidplas 2015 geeft de gemeente Zuidplas aan hoe de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd. De gemeente hanteert het principe 'welstandsvrij, tenzij...'. Dat betekent dat de gemeente in principe welstandsvrij is. Uitzondering daarop zijn kwetsbare gebieden. Met de invoering van de Omgevingswet verdwijnt de term 'welstand'. Daarom heeft de gemeente Zuidplas als opvolger de Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas op 6 juni 2023 vastgesteld. De inwerkingtreding zal tegelijk met de Omgevingswet zijn. In de Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas wordt aangegeven hoe de gemeente Zuidplas met omgevingskwaliteit om wil gaan. Er worden vier regieniveaus onderscheiden: minimaal (ca. gelijk aan welstandsvrij), basisregie, maatwerkregie (ca. gelijk aan zwaar regime) en eigen regie (ca. gelijk aan beeldkwaliteitsplan). Planspecifiek In de Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas (NOZ) valt de onderhavige locatie onder het regieniveau ‘minimaal’. Er is anders dan in de huidige Welstandsnota, waarbij de locatie binnen een gebied ligt met het welstandsniveau 'vrij', een toets vereist op ruimtelijke kwaliteit, ook al is deze beperkt.
Met het oog hierop wordt een beeldkwaliteitsplan opgesteld, dat in toelichting paragraaf 2.4 wordt behandeld. De toetsing zal door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit worden verricht. Middels een voorwaardelijke verplichting is het beeldkwaliteitsplan geborgd in de regels van het voorliggende bestemmingsplan (zie artikel 8 lid 1).
28
hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Het bestemmingsplan bevat een activiteit die genoemd wordt in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Het realiseren van woningen valt onder onderdeel D.11.2 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen', (drempelwaarde: een aangesloten gebied dat 2.000 woningen of meer omvat) van het Besluit milieueffectrapportage.
29
Met de voorgenomen ontwikkeling worden 44 nieuwe woningen in de vorm van een appartementencomplex gerealiseerd. Voorliggend plan valt onder sub c: het plan wordt wel genoemd maar voldoet niet aan de drempelwaarde van 2.000 woningen of meer. Daartoe is door het bevoegd gezag (college van B&W) beoordeeld, op basis van de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan, of een milieueffectrapportage (MER) moet worden opgesteld in het kader van het vaststellen van een plan bedoelt in artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Er is voor dit project een M.e.r.-beoordelingsbesluit opgesteld: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4. Daarin wordt geconcludeerd dat kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het opstellen van een milieueffectrapport is daarom niet nodig.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Er is met het onderhavige initiatief sprake van een strenger grondgebruik, daarom is het nodig om aan te tonen dat de gronden geschikt zijn voor de woonfunctie. Vooronderzoek bodem Een deel van het perceel is onderzocht, maar de betreffende onderzoeken zijn verouderd. Derhalve is eerst een Vooronderzoek NEN 5725 uitgevoerd door Inventerra (Inventerra, 30 juni 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5a).
Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem. De onderzoekslocatie is onverdacht voor het voorkomen van een reguliere bodemverontreiniging en verdacht voor een verontreiniging met asbest. Geadviseerd is om een verkennend asbestonderzoek uit te voeren conform NEN 5707, vanwege het eerder aangetroffen puin bij mengingen in de bodem. Aanvullende/verkennende onderzoeken Derhalve is vervolgens een verkennend asbestonderzoek NEN 5707 en, doordat er niet zoals verwacht alleen ter plaatse van de dempingen maar ook op het overige terrein puin werd aangetroffen, tevens een verkennend bodemonderzoek NEN 5740 uitgevoerd (Inventerra, 30 oktober 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5b). Bij het uitgevoerde asbestonderzoek is in de puinhoudende grond zowel visueel als analytisch geen asbest aangetoond. Omdat daarbij verontreinigingen met minerale olie en PAK in de grond zijn aangetroffen, is aansluitend aanvullend karterend onderzoek uitgevoerd. Bij het aanvullend bodemonderzoek is vastgesteld dat de bodemlaag bij G11 van 0,8 – 1,3 m-mv (mogelijk tot 1,5 m-mv) matig verontreinigd is met PAK en minerale olie.
Uit het afperkend onderzoek blijkt dat bij boring 101 van 0,8 -1,0 m-mv eveneens sprake is van een matige verontreiniging met PAK en in de bodemlaag daaronder (1,0 – 1,5 m-mv) een sterke verontreiniging met PAK. In de overige onderzochte grond(meng)monsters zijn geen tot ten hoogste lichte verontreinigingen aangetoond. Op grond van de resultaten wordt geconcludeerd dat minder dan 25 m³ grond verontreinigd is tot boven de interventiewaarde. Op grond daarvan is er geen saneringsnoodzaak in de zin van de Wet bodembescherming en is er geen belemmering voor de geplande herontwikkeling voor woningbouw.
30
Conclusie Mits bovenstaande aanbevelingen in acht worden genomen kan er geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
4.3 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling op deze locatie voorziet in de realisatie van woningen. Een woning wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Derhalve is gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie. De omgeving van het plangebied bestaat in de huidige situatie uit woningen en niet-woonfuncties zoals een middelbare school, winkelcentrum e.d., waarmee sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Hierbij kan de richtafstand, met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandsstap worden verminderd. In de directe nabijheid is alleen de aangrenzende middelbare school Thorbecke, locatie Nieuwerkerk relevant. Dit betreft een activiteit met milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand van 10 m geldt. De afstand bedraagt circa 30 m, waarmee aan de richtafstand wordt voldaan. Andere relevante functies bevinden zich op circa 100 m afstand en meer en vormen daarmee geen belemmering voor het onderhavige initiatief.
31
Ook zorgt de voorgenomen woningbouw geen belemmering voor omliggende functies. Hiermee vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen;
•
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.
geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek De planlocatie ligt binnen de bebouwde kom van Nieuwerkerk aan den IJssel, binnen de geluidzone van een 50 km-weg (Europalaan) en binnen de onderzoekszone van spoorwegtraject Gouda-Rotterdam op respectievelijk ca. 100 m en ca. 575 m afstand. Daarnaast liggen de woningen in de nabijheid van een aantal 30 km wegen zonder geluidzone. Tevens hanteert de gemeente een hogere waarde beleid. Derhalve is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd door Van der Boom (Van der Boom, 25 juli 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6). Wegverkeerslawaai De geluidbelasting door wegverkeer op de Europalaan bedraagt op de gevels van de woningen ten hoogste 34 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee niet overschreden. Er hoeft voor de woningen geen hogere waarde te worden aangevraagd voor de geluidbelasting door wegverkeer wanneer deze woningen voldoen aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit.
Spoorweglawaai De hoogste geluidbelasting door railverkeer op de ontwikkeling bedraagt ten hoogste 46 dB. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt op de woningen niet overschreden. Er zijn geen hogere waarden voor railverkeer op deze locatie nodig. Industrielawaai In de omgeving zijn geen geluidgezoneerde industrieterreinen aanwezig. Wel is geluid van omliggende bedrijven nog steeds van belang in het kader van milieuzonering. Deze toetsing vindt plaats in toelichting paragraaf 4.3.
32
Conclusie De geluidbelasting door wegverkeer en door railverkeer voldoen aan de voorkeursgrenswaarden uit de Wgh. Daarmee wordt tevens zonder maatregelen voldaan aan het hogere waarden beleid van de gemeente Zuidplas. Derhalve vormt het aspect geluid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico (PR) Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld.
De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen
33
milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan.
Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
Visie Externe Veiligheid gemeente Zuidplas In de ‘Visie Externe Veiligheid’ van de gemeente Zuidplas (maart 2011) is per gebiedstype aangegeven hoe om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicobronnen. Omgevingsveiligheid onder de Omgevingswet (anticiperen op) Met de komst van de Omgevingswet (verwachting 01-01-2024) komt er ook een gemoderniseerde aanpak van het externe veiligheidsbeleid. Belangrijk element hierin is de introductie van zogenaamde aandachtsgebieden. Het uitgangspunt is dat mensen, zonder aanvullende maatregelen, binnen deze aandachtsgebieden onvoldoende zijn beschermd (ook binnen). Het is aan de gemeente om de kernvraag te beantwoorden: Is de veiligheid voldoende gewaarborgd en zijn milieu en gezondheid voldoende beschermd? Om deze vraag te beantwoorden moet de gemeente de volgende punten overwegen:
• • • • • •
afstand houden tot de risicobron; risicocommunicatie; beperken personendichtheden in de omgeving van de risicobron; vlucht- en schuilmogelijkheden; omgevingsmaatregelen; aanvullende bouwmaatregelen (verplicht voor nieuwe ‘zeer kwetsbare gebouwen’, zoals basisscholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, enz.).
34
De kern is dat het bevoegd gezag veiligheid, veel meer dan nu het geval is, meeneemt als ontwerpvariabele in de planvorming. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling van 44 woningen worden volgens Artikel 1, eerste lid, onder l, onder a, Besluit externe veiligheid en inrichtingen, kwetsbare objecten gerealiseerd. Om te bepalen welke risico's er op het gebied van externe veiligheid optreden is de risicokaart geraadpleegd.
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: Atlas Leefomgeving)
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat er enkele risicovolle inrichtingen in of in de directe nabijheid van het plangebied voorkomen. De meest nabijgelegen risicovolle inrichting is het zwembad 'Stichting Polderbad' aan de Iersestraat 15, gelegen op ca. 270 m afstand ten zuidwesten van het plangebied. Daar is sprake van de restcategorie, te weten chlooropslag. Het plangebied ligt op grond van deze stoffen echter niet binnen het invloedsgebied van deze opslag. Op een afstand van ca. 360 m afstand van het plangebied is de brandstoftank van NRG Value Tankstations Nederland B.V. gelegen. Op grond van de ruimtelijke scheiding vormen de PR10-6-risicocontour en de explosie- en brandaandachtsgebieden geen belemmeringen voor het plan. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Op minimaal 635 m ten noordwesten van het plangebied bevinden zich aardgastransportleidingen van Gasunie Transport Services. Het plangebied is gelegen buiten de plaatsgebonden risicocontour. Dat geldt ook voor de nieuw aan te leggen aardgastransportleiding, die op gelijke hoogte met de hiervoor genoemde aardgastransportleidingen komt te liggen tussen de Energiecentrale van Uniper (Rotterdam) en de Zuidelijke Dwarsweg (gemeente Zuidplas). Gezien de ruime afstand tot het plangebied treedt geen verslechtering op ten aanzien van het groepsrisico.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor - Rijksweg A20 Op ca. 650 m ten noordwesten van het plangebied is de rijksweg A20 gelegen, tussen knooppunt Terbregseplein en afrit 17 Nieuwerkerk aan den IJssel, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Aangezien het plangebied op meer dan 32 m van de weg is gelegen, vormen op grond van de
35
ruimtelijke scheiding de PR10-6-risicocontour en het plasbrandaandachtsgebied (PAG) geen belemmeringen voor het plan. - N219 Op een afstand van ca. 1.190 m ten zuidoosten van het plangebied is de provinciale weg N219 aanwezig, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De N219 is niet opgenomen in het Basisnet weg. Op grond van de ruimtelijke scheiding vormen de PR10-6-risicocontour en het plasbrandaandachtsgebied (PAG) geen belemmeringen voor het plan. - Spoorlijn Op ca. 575 m afstand ten zuidoosten van het plangebied is een spoorlijn gelegen. Gezien de afstand tot het plangebied vormt deze spoorlijn geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Beperkte verantwoording groepsrisico Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid is het van belang dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten. Het plangebied is goed bereikbaar en kent voldoende ontvluchtingsmogelijkheden in verschillende windrichtingen. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten vanaf verschillende richtingen. De personen binnen het plangebied zijn hoofdzakelijk zelfredzaam, dan wel is ondersteuning beschikbaar. Ter beperking van de effecten van een gifwolk zijn goedkope en voor de hand liggende maatregelen mogelijk, zoals het centraal en eenvoudig uitschakelbaar en afsluitbaar maken van ventilatievoorzieningen en luchtbehandelingsinstallaties.
In de planregels is, mede op advies van de Omgevingsdienst Midden-Holland, een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor een uitschakelbare mechanische ventilatie, ter bescherming van de blootstelling aan toxische gassen bij calamiteiten. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
36
Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De ontwikkeling kan gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft ‘niet in betekenende mate’ invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide.
De specifieke concentraties over 2019 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 16,9 μg/m³ PM10, 9,3 μg/m³ PM2,5 en 17 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
37
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Derhalve is een 'Quickscan Wet natuurbescherming' uitgevoerd (Nest Natuurinclusief, d.d. 6 april 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 7). Soortenbescherming Voor strikt beschermde vissen, grondgebonden zoogdieren, ongewervelden, amfibieën en reptielen is geen geschikt habitat aanwezig door de kleinschaligheid van het terrein en de afwezigheid van (vervallen) bebouwing, open water met redelijke/goede waterkwaliteit en goed ontwikkelde onderwatervegetatie en specifieke waardplanten zoals sleedoorn. Bovendien zorgen honden(bezitters) op het veld en spelende kinderen in de struiken voor de nodige verstoring.
Deze soortgroepen worden daarom verder niet behandeld in de Quickscan. - Beschermde vogels Tijdens het veldbezoek zijn geen vogels met een jaarrond beschermde nestplaats waargenomen. In het plangebied staat geen bebouwing en er zijn geen grote nesten aangetroffen. Het plangebied bevindt zich mogelijk in het grotere leefgebied van soorten als de sperwer, maar door de kleinschaligheid van het terrein en de aanwezigheid van hoogwaardiger foerageergebied in de omgeving wordt een negatief effect op voorhand uitgesloten. Het plangebied is geschikt als foerageergebied van huismussen. Door aanwezigheid van tuinen en perken in de directe omgeving heeft het plangebied geen functie als essentieel foerageergebied. Doordat dit geen essentiële functies betreft, is echter een overtreding van de natuurwetgeving niet aan de orde. Dit geldt ook voor vogels met jaarrond beschermde nestplaats en algemene broedvogels. - Vleermuizen Uit raadpleging van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) blijkt dat in de omgeving verschillende soorten zijn waargenomen (zoals de gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen (sporen van) vleermuizen waargenomen. Daarbij kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen op voorhand worden uitgesloten door het ontbreken van bebouwing en bomen met holten in het plangebied.
Een overtreding van de natuurwetgeving is niet aan de orde. Het plangebied is geschikt als foerageergebied, maar wordt door de aanwezigheid van tuinen, groenzones en open water (binnen 105 m) in de directe omgeving niet beoordeeld als 'essentieel foerageergebied'. Een negatief effect op mogelijk foerageergebied en een mogelijke vliegroute kan evenwel niet op voorhand worden uitgesloten. Doordat dit geen essentiële functies betreft, is echter een overtreding van de natuurwetgeving niet aan de orde. - Planten Raadpleging van de NDFF leverde een waarneming van smalle raai op in de buurt van het plangebied. Deze soort leeft in pionierssituaties zoals akkerranden, spoorbermen etc. Dit habitat is in het plangebied niet aanwezig. Er zijn geen waarnemingen andere beschermde soorten bekend. Op grond hiervan is beoordeeld dat het plangebied geen betekenis heeft voor beschermde soorten planten. Een overtreding van de natuurwetgeving is niet aan de orde. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten beschermde gebieden: Natura 200-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' op ca. 11,5 km en Natuurnetwerk Nederland (NNN) op ca. 1,7 km. De provincie Zuid-Holland kent voor NNN geen externe werking. Door de afstanden en tussenliggende barrières worden directe effecten op voorhand uitgesloten.
38
Het plangebied ligt ook niet in een weidevogelgebied. Toetsing aan gebiedenbescherming is niet nodig. De natuurwetgeving en het provinciale beleid worden niet overtreden door directe effecten. Stikstofdepositie Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van 44 appartementen. Aangetoond dient te worden dat het initiatief geen negatief effect heeft op de instandhoudings-doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Derhalve is voor de voorgenomen ontwikkeling ten behoeve van de Wet natuurbescherming een AERIUSberekening uitgevoerd door Buro SRO (16 november 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8). Bij de gebruiksfase is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 158,4 voertuigbewegingen per etmaal. Omdat de appartementen gasloos worden gerealiseerd, zijn deze niet meegenomen in de berekening. Uit de berekening blijkt dat er voor de verschillende rekenpunten geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Voor de aanlegfase zijn de mobiele werktuigen die gebruikt worden voor de aanleg van de beoogde situatie ingevoerd. Daarnaast is ook het stationair draaien van vrachtwagens en het vervoer van personeel en materialen meegenomen in de berekening. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er voor de Natura 2000gebieden geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn.
Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de omliggende Natura 2000-gebieden. Daarmee is geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Het plan is uitvoerbaar wat betreft stikstofdepositie. Houtopstanden De kap van bomen is wel onderdeel van de werkzaamheden, maar door de geringe hoeveelheid (minder dan 1 are) is toetsing aan het onderdeel Houtopstanden van de Wet natuurbescherming niet van toepassing. Vrijstelling Voor uitvoering van werkzaamheden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling geldt in de provincie ZuidHolland een vrijstelling ten aanzien van de volgende algemeen voorkomende beschermde soorten amfibieën en zoogdieren: Bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Een aantal van deze soorten, zoals de egel, komt naar verwachting voor in het plangebied, maar worden individueel niet behandeld in deze quickscan. De vrijgestelde soorten vallen wel onder de Algemene zorgplicht (zie hieronder).
Algemene zorgplicht In het kader van zorgvuldige omgang met alle in het wild levende soorten, moet het opzettelijk verwonden of doden van dieren voorkomen worden om een overtreding van de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) te voorkomen.
•
Behoud zoveel mogelijk van de aanwezige beplanting binnen het plangebied (met name bomen en struiken).
•
Werk bij het verwijderen van vegetatie van één kant af naar een (relatief) veilige richting om fauna de kans te geven zelfstandig te vluchten.
•
Snoeiafval en hopen stenen/puin direct afvoeren of in een container plaatsen. Deze hopen vormen geschikte broedplaatsen voor diverse soorten broedvogels en verblijfplaatsen voor bijvoorbeeld egels.
•
De gezonde bomen die vanwege het bouwplan en inrichtingsplan gekapt zijn en de 4 onterecht gekapte bomen worden gecompenseerd.
Daarnaast zijn er de volgende maatregelen ten aanzien van algemene broedvogels, waarbij een overtreding artikel 3.1 van de Wnb (als gevolg van wezenlijke verstoring of aantasting van vogelnesten) kan worden voorkomen door onderstaande voorzorgsmaatregelen:
•
Werkzaamheden buiten het globale broedseizoen (deze loopt van 1 maart tot 1 september) uitvoeren. Elk broedgeval is beschermd; ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet
39
wezenlijk verstoord of aangetast dat het broedsel mislukt. Voor wezenlijke verstoring of aantasting van broedgevallen kan geen ontheffing van de Wnb worden verkregen.
•
Voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten het broedseizoen (indien nodig) struiken en andere beplanting rooien. De beste periode hiervoor is december t/m februari.
•
Als struiken en andere beplanting niet kunnen worden gerooid buiten het broedseizoen of als andere luidruchtige werkzaamheden in de buurt van de beplanting tijdens het broedseizoen plaatsvinden: voorafgaand aan het werk een broedvogelcontrole uitvoeren en een gebied van normaliter 20-70 meter (afhankelijk van de vogelsoort) rondom de bewoonde nesten tijdens de werkzaamheden ontzien.
•
Raadpleeg bij twijfel een ecoloog.
Conclusie Gedurende het globale broedseizoen (1 maart - 1 september) moet rekening worden gehouden met algemene broedvogels door het nemen van voorzorgsmaatregelen. Verder moet rekening worden gehouden met grondgebonden zoogdieren met een vrijstelling in het kader van de zorgplicht. De geplande werkzaamheden hebben geen negatief effect op beschermde soorten zonder vrijstelling en beschermde gebieden. Het uitvoeren van nader onderzoek en een ontheffing Wnb wordt daarom niet nodig geacht. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.8 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Archeologische beleidsadvieskaart Voor de verschillende archeologische verwachtingswaarden is een archeologie beleid opgesteld. De archeologische beleidsadvies kaart is afgeleid uit de archeologische verwachtingskaart, waarbij de beleidsadviezen in de legenda zijn opgenomen. Door nieuwe inzichten, ontwikkelingen en uitgevoerde onderzoeken is deze kaart aan verandering onderhevig en hebben diverse actualisaties plaatsgevonden.
Het meest recente geactualiseerde archeologiebeleid is vastgelegd in de in juni 2017 opgestelde nota “Actualisatie archeologische beleidskaart gemeente Zuidplas”, dat als aanvulling op de in 2010 vastgestelde beleidsnota gezien dient te worden. In januari 2018 zijn nog enkele redactionele wijzigingen aan deze nota aangebracht. Op 16 februari 2022 is 'Partiële herziening beheersverordening Nieuwerkerk aan den IJssel' vastgesteld. Dit vormt de juridische vertaling van het geactualiseerde archeologiebeleid, waarvoor de vastgestelde archeologische beleidskaart de basis vormt. Aan de hand van de archeologische verwachtingenkaart en beleidskaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Het gemeentelijk archeologisch beleid voorziet in vier categorieën, met bijbehorende oppervlakte- en dieptecriteria. Planspecifiek De gronden hebben in de geldende 'Partiële herziening beheersverordening Nieuwerkerk aan den IJssel' geen archeologische dubbelbestemming. Derhalve is het niet vereist om archeologisch onderzoek uit te voeren. Wel blijft in alle gevallen de archeologische meldingsplicht van kracht. Dit houdt in dat wanneer bij bodemingrepen vondsten worden aangetroffen waarvan de vinder redelijkerwijs moet kunnen weten dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag.
40
Derhalve kan gesteld worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.9 Waterparagraaf 4.9.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
Vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
Schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
4.9.2 Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Zoetermeer, Gouda, Schoonhoven en Rotterdam. Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerprogramma worden de ambities van het hoogheemraadschap voor de komende jaren weergegeven. Met het waterbeheerprogramma worden allereerst veel van de taken van het