CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Ecologische QuickScan d.d. 06-06-2025 A25.004386

Gemeenteraad 13 januari 2026, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Nota van Uitgangspunten Julianadriehoek Moerkapelle, gelegen tussen de Bredeweg/ Julianaweg in Moerkapelle14.500 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

6 alinea's met “opening”: 115 160 166 167 178 181

Julianadriehoek te Moerkapelle Toetsing in het kader van de natuurwetgeving

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2025-115

Julianadriehoek te Moerkapelle Toetsing in het kader van de natuurwetgeving

R. Ruiter

2025

Opdrachtgever RHO Adviseurs

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

G&G-rapport QS2025-115

Versie

Datum

Gecontroleerd door

V1

6 juni 2025

L. Hartog

Titel: Projectcode bureau Projectleiding: Veldwerk en uitwerking: Opdracht: Contactpersonen: Akkoord voor uitgave: Paraaf:

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115 T.S. van der Meer R. Ruiter RHO Adviseurs M. De Jong Teamleider Van der Goes en Groot

De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn. De bevindingen die zijn beschreven in onderliggende ecologische beoordeling worden over het algemeen gedurende een periode van drie jaar na de verschijningsdatum van dit rapport als geldend gezien, mits omstandigheden in het beschreven gebied niet te sterk zijn gewijzigd. Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot; opdrachtgever vrijwaart Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v.

druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Het Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB).

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Heulweg 28

Hazenkoog 35-A

2288 GN Rijswijk

1822 BS Alkmaar

www.vandergoesengroot.nl

Inhoud 1

2

3 4

5

6

Inleiding

7

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

7 7 7 8 9

Aanleiding voor het onderzoek Doel van het onderzoek Ligging van het plangebied Werkzaamheden Leeswijzer

Methode

10

2.1 2.2

10 11

Soorten Gebieden

Aanwezige biotopen Aanwezige beschermde soorten

12 17

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8

17 17 18 19 21 22 25 28

Planten Vissen Amfibieën Vogels Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Overige fauna Conclusie beschermde soorten

Effectbeoordeling en maatregelen

29

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7

29 29 30 30 31 32 33

Vissen Amfibieën Vogels Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Overige fauna Conclusie effectbeoordeling

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving

35

6.1 6.2 6.3 6.4

35 35 35 36

Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Weidevogelleefgebied Houtopstanden

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

5/58

6.5 6.6

7

8

Overige relevante wetgeving Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving

36 37

Zorgplicht

38

7.1 7.2

38 39

Passende preventieve maatregelen Passende herstelmaatregelen

Conclusies

41

8.1 8.2 8.3

41 42 42

Beschermde soorten Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving Zorgplicht

9 Aanbevolen en geraadpleegde literatuur 10 Bijlagen

43 45

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

6/58

1

Inleiding

1.1

Aanleiding voor het onderzoek Er bestaan plannen een locatie aan de Julianaweg en de Bredeweg te Moerkapelle her in te richten. Het betreft de kadastrale percelen nummers 92, 184, 185, 186, 404, 430, 431 en 966, welke verschillend zijn ingericht. Moerkapelle ligt in de gemeente Zuidplas in de provincie Zuid-Holland. Op de locatie zijn plannen voor woningbouwontwikkeling, eventueel aanwezige bebouwing zal worden gesloopt. Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Omgevingswet (hierna Ow) of dat het plan gevolgen heeft voor nabijgelegen beschermde gebieden. Onder de Ow geldt een algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (zie Bijlage 1), waaronder een ‘flora- en faunaactiviteit’ (zie Bijlage 1.2.7). In opdracht van RHO Adviseurs heeft Ecologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Van der Goes en Groot in het kader van de huidige natuurwetgeving een quickscan uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek heeft bestaan uit een bronnenstudie en een veldbezoek. Een quickscan is een momentopname die soms slechts in beperkte mate uitsluitsel geeft over de afwezigheid van soorten. Dit onderzoek betreft geen volledige veldinventarisatie.

Mochten er door de plannen effecten te verwachten zijn op beschermde soorten die mogelijk aanwezig zijn en niet zijn uit te sluiten vanwege tijdstip van het veldbezoek of niet inspecteerbare delen van het plangebied, dan wordt een nader onderzoek geadviseerd.

1.2

Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het mogelijke voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Ow. Tevens wordt onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of op beschermde gebieden kunnen veroorzaken en wordt de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1) gerelateerd tot de plannen besproken. Op grond van het onderzoek wordt geadviseerd omtrent te nemen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te beperken en de noodzaak een omgevingsvergunning beschermde soorten aan te vragen. Een uitgebreide beschrijving van de getoetste wetgeving is te vinden in Bijlage 1.

1.3

Ligging van het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het plangebied aangegeven. Het plangebied betreft meerdere percelen welke verschillend zijn ingericht. Het plangebied wordt omsloten door woonwijken, polders en dijken en landbouwgebied. Op 1 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied loopt de A12, een drukke verkeersader. Op 800 meter afstand ten westen loopt de Rotte, een brede watergang. Verder ligt op 50 meter afstand ten westen van het plangebied de Ringvaart van de Zuidplaspolder. Op ruim 8 kilometer afstand ten noorden van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied De Wilck.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

7/58

1.4

Werkzaamheden Alle huidige bebouwing in het plangebied zal worden gesloopt. Op de locatie waar de huidige bebouwing staat zal nieuwbouw worden gerealiseerd. In het westen van het plangebied staan enkele bomen welke gekapt dienen te worden. Het overig groen wat verspreid binnen het plangebied aanwezig is wordt ook gerooid en/of gekapt. Aanwezige watergangen binnen het plangebied zullen worden gedempt of worden verlegd. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit sloop van bebouwing met zware constructiewerkzaamheden, benodigd hak-, breek- en zaagwerk, het verwijderen van de vegetatieve toplaag, het vergraven van de bodem en/of oevers, het opbrengen van grond en het kappen en rooien van bomen en/of struiken. Daarbij kunnen dieren en planten beschadigd, verwond, verdrukt of gedood worden. Ook kunnen verblijfplaatsen van dieren of groeiplekken van planten beschadigd of vernield worden. Bij de uitvoering van de werkzaamheden kan door geluid, trillingen en licht verstoring optreden van (beschermde) soorten. Figuur 1 De globale ligging (groen omcirkeld) en omgrenzing (rood omlijnd) van het plangebied.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

8/58

1.5

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft de aanwezige biotopen in het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt aangegeven welke soorten aanwezig (kunnen) zijn binnen en nabij het plangebied. In hoofdstuk 5 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van het werk en welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn. Hoofdstuk 6 beschrijft of- en welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied. In hoofdstuk 7 wordt aangegeven of soorten, waarvoor de specifieke zorgplicht van toepassing is, in het plangebied verwacht worden en wordt beoordeeld of passende maatregelen genomen moeten worden. Ten slotte bevat hoofdstuk 8 de conclusies. Hoofdstuk 9 geeft een overzicht van de gebruikte en aanbevolen literatuur. In de bijlage is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunningsaanvraag.

Sfeerimpressie van de nieuwe indeling van het plangebied.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

9/58

2

Methode Hieronder wordt aangegeven hoe is onderzocht welke soorten te verwachten zijn binnen het plangebied. Speciale aandacht is uitgegaan naar díe beschermde soorten waarvoor, indien aanwezig, specifieke maatregelen moeten worden getroffen of een vergunning moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van dit plan. Daarnaast is gekeken of het plangebied tot een beschermd natuurgebied behoort of dat dergelijke gebieden aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied.

2.1

Soorten Bronnenstudie Op basis van literatuurgegevens en informatie, samengebracht in bijvoorbeeld de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF) is onderzocht in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied. Voor het onderzoek van de NDFF is het kilometerhok onderzocht waarbinnen het plangebied ligt en de acht daaromheen gelegen kilometerhokken, rekening houdend met relevante, overeenkomstige biotopen tussen plangebied en omgeving. In de database is gericht gezocht naar gegevens van beschermde (vogel-) soorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen of naar soorten die niet provinciaal zijn vrijgesteld. Voor de bronnenstudie worden alle waarnemingen van de afgelopen tien jaar meegenomen (2015-2025). Vervolgens is een interpretatie gedaan met betrekking tot de aard, de waarde en de relevantie van de waarnemingen (bijvoorbeeld foeragerend, overwinterend, trekkend, overvliegend of verblijvend). Ook is gekeken naar de onderzoeksinspanning, de (verwachte) volledigheid van de waarnemingen en de kans dat de situatie ter plaatse veranderd is. Er is in de NDFF niet gericht gezocht naar vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten, provinciaal vrijgestelde soorten en in het geheel niet te verwachten soorten zoals zeezoogdieren of zoutwatervissen.

Met andere vogels moet, in algemene zin, wél rekening gehouden worden (zie ook Bijlage 1.2.5). Potenties voor vrijgestelde soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren die mogelijk voorkomen in het plangebied, worden kort genoemd. Naar Rode lijst-soorten (waarvoor de specifieke zorgplicht geldt) is gericht gezocht binnen het gehele plangebied en omliggende 100 meter. Op basis van de aanwezige biotopen wordt in hoofdstuk 7 een inschatting gemaakt of dergelijke soorten voor kunnen komen in het plangebied. Voor deze soorten worden afhankelijk van de situatie passende aanbevelingen gedaan waarmee het plangebied geschikt blijft of schade kan worden beperkt. Voor alle hierboven genoemde soortgroepen geldt, net als voor alle andere soorten, onverminderd de algemene zorgplicht welke wordt besproken in hoofdstuk 7 en Bijlage 1.1.1. Naast het onderzoek van de NDFF zijn relevante verspreidingsatlassen en eventueel andere literatuur en websites geraadpleegd om de ecologische vereisten van soorten in samenhang met de verspreiding te bekijken.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

10/58

Potentiebeoordeling Het plangebied is op 8 mei 2025 bezocht om de aanwezige biotopen binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan te beschrijven en eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar). Bij het veldbezoek is voor de potentiebeoordeling tevens gericht gezocht naar verblijfsporen zoals keutels, plukresten en braakballen. Daarnaast zijn bijvoorbeeld eventueel aanwezige materialen gekeerd en zijn eventueel aanwezige spleten en holtes, zover mogelijk, oppervlakkig geïnspecteerd. Naast de aandacht voor beschermde waarden, is ook gelet op invasieve soorten die voorkomen op de ‘Unielijst’ van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA; https://www.nvwa.nl/onderwerpen/invasieve-exoten/unielijst-invasieve-exoten). Deze invasieve exoten zijn op de Unielijst geplaatst omdat ze in delen van de EU schade toebrengen (of dat in de toekomst waarschijnlijk zullen gaan doen) aan de biodiversiteit en/of ecosysteemdiensten. De waargenomen soorten worden genoemd (Hoofdstuk 4) maar er worden geen nadere aanbevelingen gedaan of beleid uitgezet ten aanzien van deze soorten. Verwerking Met behulp van analyses en expertkennis is op basis van de verzamelde gegevens en de aangetroffen biotopen, een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied.

De aangetroffen biotopen binnen het plangebied worden onderverdeeld in typeringen. Op grond van de plannen is een korte effectbeoordeling gemaakt van de plannen op de te verwachten soorten. Als negatieve gevolgen niet op voorhand uit te sluiten zijn, wordt aangegeven of specifieke of passende maatregelen moeten en kunnen worden genomen en/of een vergunning dient te worden aangevraagd.

2.2

Gebieden Aan de hand van Provinciale of gemeentelijke informatie, toegankelijk via internet, is bekeken of het plangebied gelegen is in andere relevante beschermde gebieden, zie bijvoorbeeld: https://ruimtelijkeplannen.zuid-holland.nl/VRM/ Als dit het geval is, wordt bekeken of negatieve effecten te verwachten zijn en of nadere toetsing noodzakelijk is.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

11/58

3

Aanwezige biotopen In dit hoofdstuk worden de aanwezige biotopen beschreven zoals deze in het veld zijn getypeerd: bebouwing, ruderaal terrein, grasland en akkers, groenstructuren en wateren en oevers. Bebouwing De bebouwing binnen het plangebied bestaat uit twee locaties, namelijk het westelijk gelegen bedrijfspand en het noordelijk gelegen loodsencomplex. Het westelijk gelegen bedrijfspand bestaat uit twee bouwlagen en is grotendeels opgebouwd uit bakstenen muren met een plat dak. De bebouwing beschikt over een spouwmuur en er zijn verspreid over de gevel open stootvoegen aanwezig. Onder de aluminium dakrand is daarnaast een kier aanwezig. Een deel van het bedrijfspand bestaat deels uit aluminium gevels en delen van aluminium aanbouw.

Sfeerimpressie van het westelijk gelegen bedrijfspand.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

12/58

Het noordelijk gelegen loodsencomplex bestaat uit een combinatie van bakstenen muren en stalen muren met golfplaten daken. De bebouwing heeft een hoogte van twee bouwlagen. De loodsen worden gebruikt voor opslag van onder andere auto’s en andere voertuigen, bouwmaterialen, voedingswaren, landbouwmateriaal en overige goederen. Aan de noordkant van het loodsencomplex zijn bakstenen muren aanwezig, met onder de dakgoten kieren aanwezig. Daarnaast zijn op enkele hoeken bij de dakgoot gaten aanwezig welke toegang bieden tot de dakrand. De loodsen zijn het grootste deel van de tijd afgesloten. Op enkele plaatsen zijn gaten aan de onderkant van de buitenmuren zichtbaar. Aan de binnenkant van de loodsen zijn op meerdere plaatsen openingen en gaten in de muren aanwezig. Op sommige locaties zijn dakconstructies aanwezig, van binnenuit, met achterliggende ruimtes.

Sfeerimpressie van het noordelijk gelegen loodsencomplex.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

13/58

Ruderaal terrein Rondom de bebouwing zijn enkele delen ruderaal terrein aanwezig. Het grootste deel van het omliggende terrein is verhard. Hier staan verschillende auto’s en andere voertuigen, maar ook losliggende materiaal opgeslagen. Het omliggende terrein bij noordelijk gelegen loodsencomplex bestaat ook deels uit stukken groenstrook, een grindbak en verschillende opgeslagen materialen zoals pallets, containers en (bouw-)afval. De groenstroken bestaan vooral uit ruigere kruidenstroken met soorten als Grote brandnetel, Raapzaad, Veldzuring en gewone Paardenbloem. Het omliggende terrein bij het westelijk gelegen bedrijfspand wordt vooral gebruikt voor de opslag van bouwmaterialen. Hier staan meerdere stellages, containers, pallets en andere opgestapelde materialen.

Het ruderale terrein rondom het noordelijk gelegen loodsencomplex.

Het ruderale terrein rondom het westelijk gelegen bedrijfspand.

Grasland en akkers Het zuidoostelijk gelegen perceel 945 bestaat volledig uit akkerland. Ten tijde van het veldbezoek waren deze akkers ingezaaid met uien. In de noordoostelijke hoek van perceel 945 is een kleine groenstrook aanwezig met algemene grassoorten zoals Kropaar. De percelen 404 en 966 bestaan grotendeels uit een verruigd grasland, met soorten als Smalle weegbree, Fluitenkruid, Gewone paardenbloem, Veldzuring, Rode klaver en Kruipende boterbloem. Een noordelijk deel van perceel 404 bestaat uit een onderhouden gazon wat wordt gebruikt door een hondenpension. Direct naast perceel 404 is een paardenbak aanwezig met zandbodem. Bij deze paardenbak zijn enkele zeecontainers aanwezig welke worden gebruikt als onderdak voor vee (paarden en varkens).

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

14/58

Sfeerimpressie van perceel 404.

Sfeerimpressie van perceel 945 (links) en perceel 966 (rechts).

Groenstructuren Verspreid over de verschillende percelen zijn enkele bomen en enkele hagen aanwezig. Op het terrein van het westelijk gelegen bedrijfspand staan twee grote kastanjebomen. Ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig, waardoor de bomen tijdens het veldbezoek niet goed te inspecteren waren op de aanwezigheid van grote nesten of holtes en spleten. Enkele coniferenhagen bevinden zich net buiten de grenzen van

De twee kastanjebomen in het westen van het plangebied en een coniferenhaag langs perceel 404.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

15/58

het plangebied en dienen als begrenzing van de verschillende percelen. Deze hagen zijn dichtbegroeid en hebben ook een dichte ondergroei. Wateren en oevers Tussen en langs de verschillende percelen lopen enkele smalle watergangen. Tussen de percelen 966 en 404 loopt één van deze watergangen. De watergang is ondiep en het water is helder. Er is een kruidenrijke oevervegetatie aanwezig met soorten als Kruipende boterbloem, Hondsdraf, Veldzuring en Gewone berenklauw. In het water zijn soorten aanwezig als sterrenkroos.

De watergang tussen perceel 966 en 404.

De akker op perceel 945 wordt volledig omringd door smalle watergangen. Langs het oosten is een kale, gemaaide oever aanwezig. In deze watergang lijkt sprake te zijn van eutrofiëring vanuit de aangrenzende akkers. Het water is troebel en er ligt veel plantenmateriaal in het water zoals draadalg. Ten noorden van perceel 945 is een greppel aanwezig welke is volgelopen met water. Het water is helder en de greppel is ondiep. Ten westen van perceel 945 is een sloot met beschoeide oever van het aangrenzende perceel aanwezig. In deze sloot is veel vegetatie aanwezig zoals Riet.

De greppel ten noorden van perceel 945 (links) en de sloot ten westen van perceel 945 (rechts).

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

16/58

4

Aanwezige beschermde soorten In dit hoofdstuk worden de beschermde soorten beschreven per soortgroep. In de beschrijving wordt per soortgroep eerst aangegeven welke soorten (volgens opgave van de NDFF en literatuur) in het verleden of tijdens het afgelegde veld-bezoek zijn aangetroffen. Vervolgens wordt vermeld welke soorten op grond van aanwezige biotopen te verwachten zijn en welke gebruiksfuncties het plangebied kan hebben voor deze soorten.

4.1

Planten Aangetroffen soorten In het verleden zijn Glad Biggenkruid, Kartuizer anjer, Kluwenklokje en Muurbloem waargenomen in de omgeving van het plangebied (NDFF 2015-2025). Deze beschermde soorten worden genoemd als ‘andere soort’ (zie Bijlage 1.2.1). Er zijn geen waarnemingen van de soorten bekend binnen het plangebied (NDFF 2015-2025). Waarnemingen van beschermde Kartuizer anjer, Kluwenklokje en Muurbloem in de omgeving van het plangebied, betreffen niet wilde exemplaren die ver buiten hun normale verspreidingsgebied groeien (https://www.verspreidingsatlas.nl/vaatplanten). Potentie plangebied In het plangebied wordt geen beschermde flora verwacht vanwege het ontbreken van geschikt biotoop voor de genoemde soorten. Tevens wordt het plangebied te intensief beheerd en is het te voedselrijk om geschikt te zijn voor beschermde plantensoorten. Ook is de bodem te veel gestoord en gewoeld. Glad biggenkruid is een soort van zonnige, open plaatsen op droge, voedselarme, met name stikstofarme bodem. De soort is vooral te vinden op halfopen duingraslanden, akkers en langs open bermen. Muurbloem groeit in Nederland uitsluitend op oude verweerde muren, gevoegd met kalkrijke specie van bijvoorbeeld kerken, ruïnes en kades.

Kluwenklokje groeit op zonnige, soms licht beschaduwde plaatsen en groeit in bermen, (kalk)graslanden, ruderale plaatsen, rivierdijken, zandige ruggen in uiterwaarden, bosranden en struwelen. Kartuizer anjer groeit op voedselarme, stikstofarme, basenrijke, vaak kalkhoudende grond en komt voor in schrale- en kalkgraslanden en langs bermen. De biotopen van deze beschreven soorten zijn niet aanwezig binnen het plangebied.

4.2

Vissen Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde vissoorten waargenomen (NDFF 2015-2025). Potentie plangebied In en rond het plangebied is geen potentie voor beschermde vissen aanwezig vanwege het ontbreken van geschikt biotoop.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

17/58

4.3

Amfibieën Aangetroffen soorten Tijdens het veldbezoek werden een Gewone pad en meerdere Groene kikkers waargenomen. Deze soorten zijn in Zuid-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1.

Aangetroffen Gewone pad in een aanbouw bij het westelijk gelegen bedrijfspand en aangetroffen Groene kikkers in de watergang tussen perceel 966 en 404.

In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Rugstreeppad en Alpenwatersalamander waargenomen (NDFF 2015-2025). Rugstreeppad is beschermd onder de Habitatrichtlijn (zie Bijlage 1.2.1). Alpenwatersalamander wordt genoemd als ‘andere soort’ (zie Bijlage 1.2.1). Alpenwatersalamander werd op circa 2 kilometer ten noordoosten van het plangebied waargenomen (NDFF 2015-2025). Het plangebied ligt ver buiten het natuurlijke verspreidingsgebied (https://www.verspreidingsatlas.nl/amfibieën) van deze soort en het betreft daarom waarschijnlijk uitgezette of aangevoerde exemplaren. De Rugstreeppad werd verspreid rondom het plangebied, op minimaal 200 meter afstand van het plangebied vastgesteld (NDFF 2015-2025). De polders rondom Moerkapelle bieden geschikt voortplantingswater. In het plangebied zelf zijn geen waarnemingen bekend van deze soorten. Potentie plangebied Het plangebied levert geschikt voortplantingswater voor algemene soorten amfibieën zoals Groene kikker (Bastaardkikker en Meerkikker), Bruine kikker, Gewone pad en Kleine watersalamander. Al deze soorten zijn beschermd onder de Ow maar ze zijn in Zuid-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. In het plangebied is tevens geschikt landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut door deze amfibieën.

Het plangebied is geschikt voor de Rugstreeppad. De soort is ook in het verleden in de (directe) omgeving aangetroffen. In het plangebied ligt geïsoleerd, ondiep water dat door de dieren kan worden gebruikt als voortplantingsbiotoop. In het plangebied is tevens geschikt landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut door deze Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

18/58

soort. De aanwezige opgeslagen materialen en het losse zand op en rondom het terrein kunnen door de soort gebruikt worden als landbiotoop. Als in het plangebied graafwerkzaamheden plaatsvinden of zand wordt opgebracht, is het mogelijk dat Rugstreeppadden het gebied kunnen intrekken. In de nabijheid van het plangebied ligt geschikt voortplantingswater waar de dieren in het verleden zijn vastgesteld en door het losse zand wordt het plangebied geschikt voor overwinterende dieren.

Volgelopen greppels bieden mogelijk geschikt voortplantingsbiotoop voor Rugstreeppad.

Opgeslagen materialen verspreid over de verschillende percelen (links) en aanwezige graslanden met aangrenzend de paardenbak met los zand (rechts) bieden mogelijk geschikt landbiotoop voor Rugstreeppad.

4.4

Vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Het bevoegd gezag maakt onderscheid tussen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten, soorten met jaarrond beschermde nesten (ingedeeld in vier categorieën) en de zogenaamde ‘categorie 5-soorten’ (zie verder Bijlage 1.2.5). Aangetroffen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden diverse vogelsoorten waargenomen: Houtduif, Turkse Tortel, Ekster (cat. 5), Zwarte kraai (cat. 5), Kauw, Merel, Tjiftjaf, Winterkoning, Wilde eend, Meerkoet, Koolmees (cat. 5), Pimpelmees (cat. 5), Spreeuw (cat. 5) en Boerenzwaluw (cat. 5).

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

19/58

Nabij de paardenbak grenzend aan perceel 404 zijn enkele zeecontainers aanwezig welke permanent open lijken te staan en welke gebruikt worden als onderdak voor vee (varkens, paarden). In deze zeecontainers werden meerdere nesten aangetroffen van Boerenzwaluw (cat. 5). Potentie plangebied soorten met niet-jaarrond beschermde nesten In het plangebied kunnen enkele algemene bos- en struweelvogels tot broeden komen zoals Houtduif, Merel, Roodborst, Winterkoning en Heggenmus. In het water en de oevers langs het plangebied kunnen water- en moerasvogels broeden als Wilde eend en Meerkoet. In de rietkragen kunnen Waterhoen, Kleine karekiet en Rietzanger broeden. In de bebouwing van het plangebied kunnen Kauwen in de dakranden en dakgoten broeden. Op de platte daken van de bebouwing binnen het plangebied kunnen mogelijk soorten als Scholekster, Zilvermeeuw, Kleine mantelmeeuw en Stormmeeuw tot broeden komen. Het is mogelijk dat in de bomen categorie 5-soorten broeden als Ekster, Zwarte kraai, Koolmees, Pimpelmees, Boomkruiper, Boomklever en Grote Bonte specht. In de bebouwing kunnen categorie 5-soorten broeden als Spreeuw, Zwarte Roodstaart, Koolmees en Pimpelmees. Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden enkele zingende Huismussen (cat. 2) waargenomen op de daken van de bebouwing langs de Julianaweg, naast het plangebied.

In de omgeving van het plangebied zijn daarnaast in het verleden Huismus, Gierzwaluw en verschillende roofvogels, uilen en overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten vastgesteld (NDFF 2015-2025). De Huismus en Gierzwaluw broeden in de nabije woonwijken op ongeveer 200 meter van het plangebied. Verder zijn broedplaatsen van Havik (cat. 4), Sperwer (cat. 4), Buizerd (cat. 4), Ransuil (cat. 4) en Steenuil (cat. 1) nabij het plangebied bekend (NDFF 2015-2025). De overige waarnemingen van soorten met jaarrond beschermde nesten betroffen overvliegende vogels zonder binding met het plangebied of de omgeving daarvan. Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten Ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig, waardoor de bomen binnen het plangebied tijdens het veldbezoek niet goed te inspecteren waren op de aanwezigheid van grote nesten. De Huismus broedt in bebouwing en bouwt nesten onder dakpannen of golfplaten met onderbetimmering, in kieren en gaten in muren en op spantconstructies. Vanuit de nestlocatie of omliggende uitzichtpunten moet de Huismus overzicht hebben op de omgeving. Het ontbreekt in de onderzochte bebouwing aan dergelijke voor de soort geschikte openingen. De Huismus wordt daarom niet broedend verwacht in het plangebied. De waargenomen kieren in de bebouwing zijn te smal om toegang te bieden tot nestlocaties voor de soort.

De Gierzwaluw broedt in stedelijke bebouwing onder dakpannen, randpannen, loodslabben of achter boeidelen. Gebouwen met platte daken zonder speciale kasten zijn niet geschikt. De nestlocaties moeten beschikken over ‘vrije uitvalmogelijkheden’ omdat de poten van Gierzwaluw te zwak zijn om op eigen kracht op te stijgen. Daarnaast mogen geen gladde

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

20/58

daklijsten, het zogenaamde ‘vogelweer’, aanwezig zijn onder de invliegopening. De Gierzwaluw wordt in het plangebied niet verblijvend verwacht vanwege het ontbreken van dergelijke geschikte nestlocaties. De aanwezige holtes beschikken niet over vrije uitvalmogelijkheden. De aanwezige holtes in de dakranden in het loodsencomplex zijn van glad materiaal en dit maakt de aanwezige kieren hiertussen ongeschikt voor de soort. De waargenomen kieren in de bebouwing zijn te smal om toegang te bieden tot nestlocaties voor de soort. Het is mogelijk dat het plangebied incidenteel wordt gebruikt als onderdeel van het leefgebied van in de buurt vastgestelde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals Huismus en Ooievaar. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten.

4.5

Grondgebonden zoogdieren Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde, niet vrijgestelde, grondgebonden zoogdieren waargenomen (NDFF 2015-2025). Potentie plangebied Het is mogelijk dat in het gebied enkele (kleine) zoogdieren voorkomen zoals kleine marterachtigen (Bunzing, Hermelijn en Wezel), Vos, Haas, Konijn, Egel en verschillende algemene soorten (spits)muizen. Deze soorten zijn beschermd onder de Ow maar ze zijn in Zuid-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. Steenmarter zou mogelijk in het loodsencomplex binnen het plangebied verblijvend aanwezig kunnen zijn. In de bebouwing zijn geschikte en bereikbare openingen aanwezig welke leiden naar rustige ruimtes in de muren en dakconstructies welke kunnen dienen als schuilplaats voor deze soort. Daarnaast is rondom de bebouwing veel gunstig jachtgebied met veel prooidieren aanwezig.

Openingen in muren en aanwezige dakconstructies in de loodsen (rode pijlen) bieden mogelijk toegang tot voor Steenmarter geschikte ruimtes.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

21/58

De omgeving rondom de loodsen biedt geschikt jachtbiotoop voor Steenmarter.

4.6

Vleermuizen Vleermuizen kunnen op zeer duidelijk te onderscheiden manieren van een leefgebied gebruik maken. Belangrijke gebruiksfuncties zijn verblijfplaats, foerageergebied of (deel van) een vliegroute. De manier waarop vleermuizen een gebied gebruiken kan door het jaar verschillen, een gebouw of een boom kan bijvoorbeeld tijdelijk gebruikt worden als verblijfplaats maar in andere delen van het jaar ongebruikt blijven. Alle soorten vleermuizen, evenals verblijfplaatsen en essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (zie Bijlage 1.2.1). Aangetroffen soorten In de omgeving van het plangebied zijn zeven soorten vleermuizen vastgesteld (NDFF 20152025). Het betreft Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis, Meervleermuis, Bosvleermuis en Tweekleurige vleermuis. De meeste waarnemingen betroffen foeragerende en langsvliegende exemplaren. Van de Gewone dwergvleermuis en Laatvlieger zijn op 2 kilometer afstand van het plangebied meerdere kraamkoloniën bekend in de stedelijke omgeving van Bleiswijk (NDFF 2015-2025). Van Meervleermuis is een bekende kraamkolonie bekend in Waddinxveen, op circa 8 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. De Rotte, de watergang ten westen van het plangebied, vormt vanwege het aantal bekende waarnemingen mogelijk een belangrijke vliegroute voor Meervleermuis (NDFF 2015-2025).

De Ringvaart van de Zuidplaspolder, welke aan de Julianaweg grenst en op enkele meters afstand van het plangebied ligt, vormt vanwege het aantal bekende waarnemingen van onder andere Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger en Rosse vleermuis, waarschijnlijk een belangrijke vliegroute voor vleermuizen. Potentie verblijfplaatsen Als potentie voor verblijfplaatsen niet is uit te sluiten dan dient gericht nachtelijk onderzoek plaats te vinden om eventuele precieze verblijflocaties vast te stellen. De bekende

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

22/58

waarnemingen (bijvoorbeeld uit de NDFF) zijn niet volledig en geven daarom geen uitsluitsel en tijdens de quickscan zijn achterliggende holtes die kunnen dienen als verblijfplaats, niet verder te inspecteren of te onderzoeken. Tevens is gebruik door vleermuizen in het verleden hiermee niet uit te sluiten. De waargenomen gaten, kieren en spleten in de muren en daken van de bebouwing geven mogelijk toegang tot voor vleermuizen geschikte holtes om te verblijven. Te denken valt aan gebouwbewonende soorten als Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Meervleermuis en Gewone grootoorvleermuis. Vanwege de ligging van het plangebied grenzend aan een belangrijke waterverbindingen met mogelijk langsvliegende (vrouwelijke) Meervleermuizen, is vestiging van verblijven van mannetjes en/of paarverblijven langs deze route mogelijk. Andere soorten vleermuizen zoals Bosvleermuis en Tweekleurige vleermuis zijn zeldzaam of worden op voorhand niet verwacht in de onderzochte bebouwing. Deze soorten dienen tijdens vervolgonderzoek (zie §5.7) wel te worden meegenomen. Als tijdens het vleermuisonderzoek indicatieve waarnemingen worden gedaan van deze soorten, moeten bezoekrondes en bezoektijden worden aangepast conform het geldende onderzoeksprotocol.

Indien er indicaties zijn dat een van deze soorten (verblijvend) aanwezig is, kan door het onderzoek hierop af te stemmen, het eventuele voorkomen van deze soorten volledig in beeld worden gebracht. De gaten, kieren en spleten met potentie voor verblijvende vleermuizen bevinden zich in spouwmuren, achter dakgoten en in/onder dakranden. De potentie bevindt zich in een deel van het westelijk gelegen bedrijfspand en een deel van het noordelijk gelegen loodsencomplex. Vanwege de aanwezigheid van een spouwmuur, grote muurvlakken, de functie van het gebouw en verwachte buffering in de winterperiode is de potentie voor winterverblijven van vleermuizen niet op voorhand uit te sluiten. Ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig. Wegens het dichte bladerdek waren de bomen niet goed te inspecteren op de aanwezigheid van holtes en spleten.

De openingen in de spouwmuur en onder de dakrand (rode pijlen) van het westelijk gelegen bedrijfspand geven mogelijk toegang tot voor vleermuizen geschikte achterliggende ruimtes.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

23/58

De openingen in de dakrand en kieren onder de dakgoten (rode pijlen) van het noordelijk gelegen loodsencomplex geven mogelijk toegang tot voor vleermuizen geschikte achterliggende ruimtes.

Potentiekaart met de gevels (rood omlijnd) welke in potentie geschikt zouden kunnen zijn voor verblijvende vleermuizen.

Potentie foerageergebied Het plangebied is geschikt voor foeragerende vleermuizen. De aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

24/58

Potentie vliegroute Het plangebied kan onderdeel uitmaken van een of meerdere vliegroutes van vleermuizen. Met name de lijnvormige structuren zoals watergangen en rietkragen kunnen onderdeel uitmaken van een langere landschapslijn en daarmee onderdeel zijn van een vliegroute van vleermuizen.

Overzicht van potentiële (delen van) vliegroutes voor vleermuizen binnen het plangebied.

4.7

Overige fauna Aangetroffen soorten Er zijn waarnemingen bekend van Ringslang, Grote vos en Grote weerschijnvlinder (dagvlinders), Gevlekte witsnuitlibel en Platte schijfhoren (zoetwatermollusk) in de omgeving van het plangebied (NDFF 2015-2025). Gevlekte witsnuitlibel en Platte schijfhoren zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (zie Bijlage 1.2.1). De overige soorten worden genoemd als ‘andere soort’ (zie Bijlage 1.2.1). Van Ringslang zijn meerdere waarnemingen bekend langs de A12, op ongeveer 2 kilometer ten zuidoosten van het plangebied (NDFF 2015-2025). Van Grote vos en Grote weerschijnvlinder zijn meerdere waarnemingen bekend op ongeveer 3 kilometer ten noorden en ten zuiden van het plangebied, voornamelijk in het Bentwoud (NDFF 2015-2025). Van Gevlekte witsnuitlibel is één enkele waarneming bekend op ongeveer 2 kilometer ten noordwesten van het plangebied (NDFF 2015-2025).

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

25/58

Van Platte schijfhoren zijn twee waarnemingen bekend in de Eendragtspolder, op ongeveer 3 kilometer ten zuiden van het plangebied (NDFF 2015-2025). Potentie plangebied In het plangebied is mogelijk geschikt habitat voor de Ringslang aanwezig. Er zijn plaatselijk meerdere geschikte natte terreindelen met begroeide oeverzones en hopen riet, maaisel of aangespoeld materiaal waar Ringslang kan jagen en zich kan voortplanten.

Plaatselijke natte terreindelen en de aanwezige sloten met begroeide oeverzones met riet en opgestapeld materiaal bieden mogelijk geschikt habitat voor Ringslang.

Het plangebied is niet geschikt voor beschermde insecten vanwege het ontbreken van geschikt voortplantingsbiotoop en leefgebied. De waardplanten voor beschermde dagvlinders (Grote vos en Grote weerschijnvlinder) ontbreken. Voor de beschermde libellen (Gevlekte witsnuitlibel) ontbreekt geschikt oppervlaktewater. De Gevlekte witsnuitlibel is voornamelijk te vinden in verlandingszones van laagveenmoerassen, hoogveen- en heidevennen. Er is onvoldoende submerse vegetatie aanwezig om als geschikt voortplantingsbiotoop voor deze soort te dienen. Het plangebied biedt mogelijk geschikt habitat voor Platte schijfhoren. De watergangen tussen en rondom perceel 966 en 404 beschikken over voldoende helder, ondiep en onbeschaduwd water. Daarnaast is er voldoende dichte oevervegetatie aanwezig.

Mogelijk geschikt habitat voor Platte schijfhoren.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

26/58

In potentie geschikte oevers voor Ringslang (gele lijnen) en in potentie geschikte watergang voor Platte schijfhoren (blauwe lijnen).

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

27/58

4.8

Conclusie beschermde soorten Op grond van §4.1 t/m §4.7 zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in Tabel 4-1. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soortgroepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied. Ook wordt onderscheid gemaakt tussen mogelijk (incidentele) aanwezigheid en gebruik als essentieel leefgebied (zoals vaste verblijfplaatsen). In hoofdstuk 5 wordt uiteengezet welke gevolgen voor deze soortgroepen worden verwacht door het uitvoeren van de plannen.

Tabel 4-1 Eerder volgens literatuuropgave vastgestelde soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in/nabij het plangebied (kolom 2), mogelijk (incidenteel) voorkomende beschermde, niet vrijgestelde soorten in het plangebied (kolom 3) en verwachte voorkomen van essentieel leefgebied van beschermde, niet vrijgestelde soorten binnen het plangebied met verwachte beschermde functie (kolom 4).

Aangetroffen nabij het plangebied (literatuur en veldbezoek)

Mogelijk aanwezig in plangebied

Mogelijk beschermde functie aanwezig binnen het plangebied

NDFF nee NDFF

nee nee ja

veldbezoek, NDFF NDFF

ja

nee nee voorplantingsbiotoop, landbiotoop (Rugstreeppad) niet-jaarrond beschermde nesten

nee

ja

Vleermuizen

NDFF

ja

Overige beschermde fauna

NDFF

ja

Beschermde, niet vrijgestelde soorten

Planten Vissen Amfibieën Broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten Broedvogels met jaarrond beschermde nesten Grondgebonden zoogdieren

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

ja

jaarrond beschermde nesten (roofvogels en uilen) voortplantingsbiotoop (Steenmarter) verblijfplaatsen, foerageergebied, vliegroutes (meerdere soorten) voorplantingsbiotoop (Platte schijfhoren) / essentieel leefgebied (Ringslang)

28/58

5

Effectbeoordeling en maatregelen Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van Tabel 4-1. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).

5.1

Vissen Er worden geen beschermde vissen verwacht in het plangebied. Voorafgaand aan de werkzaamheden aan de watergangen zal in het kader van de zorgplicht echter ‘zorgvuldig’ moeten worden gehandeld (zie Bijlage 1.1.1). Aanwezige vissen zullen hierbij worden verdreven of plaatselijk worden weggevangen en worden uitgezet in te behouden water. Gevoelige werkzaamheden zullen zoveel mogelijk buiten de gevoelige periode van voortplanting (april t/m juli) en overwintering (december t/m februari) plaatsvinden.

5.2

Amfibieën In het plangebied is potentieel geschikt landbiotoop en voortplantingsbiotoop voor Rugstreeppad aanwezig. Vanwege werkzaamheden aan wateren en het vergraven van open terreindelen is het mogelijk dat vaste rust- of verblijfplaatsen van de Rugstreeppad worden beschadigd of vernield. Ook kunnen aanwezige dieren worden gedood. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soort. Als de Rugstreeppad vastgesteld wordt zullen de werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de gevoelige perioden en zal vervangend leefgebied worden gecreëerd. Er dient een vergunning te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt. Voorafgaand aan de werkzaamheden aan de watergangen zal in het kader van de zorgplicht ‘zorgvuldig’ moeten worden gehandeld (zie hoofdstuk 7 en Bijlage 1.1.1). Aanwezige amfibieën zullen hierbij worden verdreven of plaatselijk worden weggevangen en worden uitgezet in te behouden water van vergelijkbare of betere kwaliteit. Gevoelige werkzaamheden zullen zoveel mogelijk buiten de voortplantingsperiode (half maart t/m september) en overwinterperiode (november t/m februari) plaatsvinden. Gevoelige werkzaamheden aan bijvoorbeeld wateren en oevers kunnen het beste worden uitgevoerd tijdens de periode oktober t/m half november.

Deze periode valt ook buiten de winterrustperiode van vissen.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

29/58

5.3

Vogels Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het kappen en rooien van bomen en struiken, sloop van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatieve toplaag. Soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 1 maart tot 1 september. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de aanwezige soorten, ieder aanwezig actief nest is beschermd ongeacht de periode van het jaar. Als onverhoopt buiten deze periode broedende vogels aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten wordt de periode van februari t/m augustus gezien als de gevoelige periode. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt.

‘Categorie 5’-soorten Gezien de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied zullen de (mogelijk) aanwezige vogelsoorten die genoemd worden als ‘categorie 5’-soort (Ekster, Zwarte kraai, Boomkruiper, Grote Bonte specht, Spreeuw, Zwarte Roodstaart, Koolmees en Pimpelmees), kunnen uitwijken naar alternatief leefgebied. Er gelden geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die een jaarrond beschermde status van nesten van deze soorten rechtvaardigen. Overigens geldt ook voor deze soorten dat activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats moeten vinden. Soorten met jaarrond beschermde nesten Ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig. Wegens het dichte bladerdek waren de bomen niet goed te inspecteren op de aanwezigheid van grote vogelnesten. Aanbevolen wordt om in de winterperiode, wanneer het blad van de bomen is, een scan naar de aanwezigheid van nesten uit te voeren om de aanwezigheid van nesten vast te kunnen stellen of uit te kunnen sluiten.

Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied (Huismus en Ooievaar) wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.

5.4

Grondgebonden zoogdieren Bij de sloop van het loodsencomplex en werkzaamheden aan het omliggende terrein kan schade optreden voor Steenmarter. Het is derhalve noodzakelijk om voorafgaand aan het werk vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van Steenmarter. Als Steenmarter of andere beschermde niet vrijgestelde, grondgebonden zoogdieren aanwezig zijn, dient vervangend leefgebied te worden aangeboden. Er dient een vergunning

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

30/58

te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt.

5.5

Vleermuizen Verblijfplaatsen Bij de sloop van de bebouwing zouden vaste rust- of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen beschadigd of vernield kunnen worden. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soorten. Hierbij dient ook de naaste omgeving van het plangebied betrokken te worden. Aanbevolen wordt algemene gebouwbewonende soorten (Gewone- en Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger) te onderzoeken. Tevens moeten kraamverblijven van Meervleermuis alsmede de verblijven van grootoorvleermuis in de initiële onderzoeksopzet worden betrokken. Gezien de ligging van het plangebied grenzend aan een verondersteld belangrijke vliegroute van Meervleermuis, dient ook de aanwezigheid van mannenverblijven en/of paarverblijven van de Meervleermuis in de initiële onderzoeksopzet te worden betrokken. Als tijdens het vleermuisonderzoek aanwijzingen worden gevonden voor de aanwezigheid van andere soorten dan aanvankelijk verwacht, dient de onderzoeksstrategie te worden aangepast en verder toegespitst op deze nieuwe bevindingen. Als uit het vervolgonderzoek blijkt dat verblijvende vleermuizen aanwezig zijn dienen vervangende en geschikte verblijfplaatsen te worden aangeboden. Er is dan tijdelijke compensatie en permanente compensatie noodzakelijk.

Er dient een vergunning te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt. Foerageergebied Het potentiële foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied betreft vanwege de grootte en geschiktheid van het plangebied mogelijk een essentieel deel van het leefgebied van vleermuizen. Met name de luwtewerking, landschappelijke structuur en aanwezigheid van voedsel (insecten) door de begroeiing en watergangen maakt de luwe terreindelen geschikt als foerageergebied. Als grootschalige bosschages binnen het plangebied gekapt moeten worden en veel bebouwing wordt gerealiseerd, wordt het potentiële essentiële leefgebied van vleermuizen mogelijk zodanig aangetast dat een vergunning in het kader van de Ow nodig is. Het is hierbij belangrijk te bekijken in hoeverre de omvang van overgangen tussen hogere en lagere begroeiing verandert. Met name deze overgangen zijn belangrijk voor de functionaliteit van groen als foerageergebied. Als luwtewerking, watergangen en begroeiing deels in stand gehouden kunnen blijven tijdens de werkzaamheden, bijvoorbeeld met een smallere bosschage, is waarschijnlijk geen significant negatief effect aan de orde. Dit dient bij uitwerking van de plannen nader beoordeeld te worden.

Vliegroutes De potentieel aanwezige vliegroutes voor vleermuizen binnen het plangebied betreffen vanwege de ligging en aanwezige lijnstructuren mogelijk een essentieel deel van het leefgebied van vleermuizen. Als de aanwezige bomenrijen en bosschages binnen het plangebied gekapt moeten worden, watergangen volledig gedempt zullen worden en/of bebouwing gerealiseerd zal worden,

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

31/58

worden de potentiële essentiële vliegroutes van vleermuizen mogelijk zodanig aangetast dat een vergunning in het kader van de Ow nodig is. Het is hierbij belangrijk te bekijken in hoeverre de verbindende functionaliteit in het landschap verandert. Met name lijnvormige elementen zoals bosschages, bomenrijen, watergangen, rietkragen en randen van bebouwing zijn belangrijk voor de functionaliteit als vliegroute. Als lijnvormige begroeiing deels gehandhaafd kan worden, bijvoorbeeld met de aanplant van een nieuwe bomenrij, is waarschijnlijk geen significant negatief effect aan de orde. Dit dient bij uitwerking van de plannen, nader beoordeeld te worden.

5.6

Overige fauna Vanwege het vergraven van oevers en andere terreindelen is het mogelijk dat vaste rust-, voortplantings- of verblijfplaatsen van de Ringslang en/of Platte schijfhoren worden beschadigd of vernield. Ook kunnen aanwezige dieren worden gedood. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soorten. Als deze soorten aanwezig zijn zullen de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd buiten de gevoelige periode en zal vervangend leefgebied moeten worden gecreëerd voor de soort. Er dient een vergunning te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

32/58

5.7

Conclusie effectbeoordeling Negatieve effecten van de plannen op beschermde soorten (indien aanwezig) zijn niet uit te sluiten. Het gaat om Rugstreeppad, Steenmarter, Ringslang, Platte schijfhoren en gebouwbewonende vleermuissoorten: Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Meervleermuis, Gewone grootoorvleermuis en Laatvlieger. Afhankelijk van de uitkomsten van de nestenscan gaat het mogelijk ook om jaarrond beschermde roofvogels en uilen, Er is vervolgonderzoek noodzakelijk naar deze beschermde soorten. In Tabel 5-1 staan de perioden aangegeven wanneer dit onderzoek dient te worden uitgevoerd. Tevens wordt het aantal bezoekrondes vermeld. Ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig. Wegens het dichte bladerdek waren de bomen niet goed te inspecteren op de aanwezigheid van grote vogelnesten. Aanbevolen wordt om in de winterperiode, wanneer het blad van de bomen is, een scan naar de aanwezigheid van nesten en holtes en spleten uit te voeren om de aanwezigheid daarvan vast te kunnen stellen of uit te kunnen sluiten. Indien nesten, holtes en spleten die geschikt kunnen zijn voor beschermde soorten (bijvoorbeeld roofvogels, uilen en vleermuizen) aanwezig zijn, dient in de meeste gevallen een volledig onderzoek te worden uitgevoerd (zie Tabel 5-1).

Voorafgaand aan de werkzaamheden aan de watergangen zal in het kader van de zorgplicht ‘zorgvuldig’ moeten worden gehandeld (zie hoofdstuk 7 en Bijlage 1.1.1). Aanwezige amfibieën en vissen zullen hierbij worden verdreven of plaatselijk worden weggevangen en worden uitgezet in te behouden water van vergelijkbare of betere kwaliteit. Gevoelige werkzaamheden zullen zoveel mogelijk buiten de voortplantingsperiode (half maart t/m september) en overwinterperiode (november t/m februari) plaatsvinden. Gevoelige werkzaamheden aan bijvoorbeeld wateren en oevers kunnen het beste worden uitgevoerd tijdens de periode oktober t/m half november.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

33/58

Tabel 5-1 Periode voor uit te voeren vervolgonderzoek naar beschermde soorten of soortgroepen die zijn aangetroffen of worden verwacht in het plangebied.

Soort/Soortgroep

Onderzoeksperiode

Aantal bezoeken

Amfibieën Rugstreeppad Rugstreeppad

voortplantingsbiotoop: april – juli landbiotoop: juni – september

3 5

Vogels Nesten-scan roofvogels en uilen

vaststellen aanwezigheid van nesten november – februari

1

Grondgebonden zoogdieren Camera-onderzoek Steenmarter Vleermuizen Alle soorten

Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Gewone grootoorvleermuis

5 (materialen uitzetten, controleren, ophalen) mei – augustus (jaarrond) Gebiedsfunctie vliegroutes, foerageergebied Kraamkolonies en zomerverblijven (3 bezoeken) half mei – half juli half mei – half juli half mei – half juli half mei – half juli half mei– half juli

Periode april – november

Aantal bezoeken 2

Paarverblijven en zwermgedrag (3 bezoeken)

6

augustus – oktober augustus – oktober augustus – oktober augustus – oktober april - half mei & half augustus – oktober

Reptielen Ringslang

april – september

5

Weekdieren Platte schijfhoren

juli-augustus

1

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

34/58

6

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving In hoofdstukken 4 en 5 is beschreven welke beschermde soorten kunnen voorkomen en welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben. De Omgevingswet kent naast soortbescherming ook gebiedsbeschermende wet- en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000-gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 1.3.4). In de bepalingen die staan uitgewerkt in de Ow kunnen gebieden ook beschermd zijn als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Beschermd Landschap’, ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Hieronder wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied.

6.1

Natura 2000 Het plangebied ligt op meer dan 8 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, De Wilck (zie Figuur 2). Gezien de grote afstand, afscherming door groengebieden en stedelijk gebied en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Aanbevolen wordt een analyse uit te voeren van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Als deze depositie boven 0,00 mol/ha/jaar komt bestaat een vergunningsplicht.

6.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie Figuur 2). Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN-gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk.

6.3

Weidevogelleefgebied Het gebied is niet begrensd als een bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied (zie Figuur 2). Er is geen negatief effect mogelijk op Weidevogelleefgebieden, een nadere toetsing is niet nodig.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

35/58

6.4

Houtopstanden Er worden geen buiten de (volgens de Ow bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m². Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting. Op grond hiervan wordt het plangebied niet beschermd als bijzondere houtopstand.

6.5

Overige relevante wetgeving Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.

Figuur 2 Ligging van het plangebied (rode pijl) ten opzichte van Natura 2000-gebied, beschermde Weidevogelleefgebieden, natuurverbindingen en het NNN.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

36/58

6.6

Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Ow of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Aanbevolen wordt een analyse uit te voeren van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Als deze depositie boven 0,00 mol/ha/jaar komt bestaat een vergunningsplicht.

Julianadriehoek te Moerkapelle QS2025-115

37/58

7

Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de algemene zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Voor soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn en vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, nationaal beschermde soorten en voor soorten die opgenomen zijn op de Rode lijsten, geldt de specifieke zorgplicht. Ook natuurlijke habitats of belangrijke leefgebieden van deze soorten vallen onder de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Eventueel in het plangebied verwachte soorten die vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en nationaal beschermde soorten worden ook besproken in Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5. Aangezien natuurlijke habitats en belangrijke leefgebieden voor deze soorten ook vallen onder de specifieke zorgplicht en deze onder de geplande werkzaamheden mogelijk worden aangetast, wordt hier ook rekening mee gehouden bij de hieronder beschreven maatregelen. Met behulp van passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen in het plangebied kunnen negatieve gevolgen voor soorten worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt. De te nemen maatregelen worden besproken in relatie tot de werkzaamheden en de in het plangebied aanwezige biotopen (zie §1.4 en hoofdstuk 3). Ook worden maatregelen ter bevordering van in het wild levende soorten en hun leefomgeving geadviseerd.

In het plangebied zijn biotopen aanwezig waar mogelijk soorten waarvoor de specifieke zorgplicht geldt voorkomen, namelijk bebouwing, ruderaal terrein, grasland en akkers, groenstructuren en wateren en oevers. In §7.1 en §7.2 worden maatregelen genoemd ten behoeve van de algemene en specifieke zorgplichten. Deze maatregelen zijn bevorderend voor de natuur en zijn in deze situatie ook toepasbaar om mogelijke negatieve effecten op in het plangebied voorkomende Rode Lijstsoorten te voorkomen.

7.1

Passende preventieve maatregelen Teneinde de (specifieke) zorgplicht na te leven dient men voorafgaand en tijdens de werkzaamheden met betrekking tot de aanwezige biotopen (zie hoofdstuk 3) de volgende preventieve maatregelen te nemen:  Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal moet gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om het plangebied te ontvluchten en een alternatief leefgebied te benutten in de (directe) omgeving.  Groenvoorzieningen moeten tijdens de werkzaamheden en het (tijdelijk) opslaan van machines en materialen zoveel mogelijk worden ontzien. Bij het werk kunnen zo klein mogelijke werkbreedtes gebruikt worden. Tevens kan men steeds dezelfde bouwwegen en paden voor zowel vervoer, aanvoer en afvoer gebruiken.  Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden moet richting te behouden leefgebied van fauna gewerkt worden zodat dieren niet ingesloten raken en een grotere kans hebben het werkgebied te ontvluchten. Om negatieve effecten voor grondgebonden fauna te verminderen kan de vegetatie eerst 10 centimeter worden afgemaaid waarna het perceel een nacht met rust gelaten wordt voordat de vegetatie volledig verwijderd wordt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16419930/1