CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Bp Wooncomplex Hollevoeterlaan (Beth San) - regels en toelichting A23.000465

Gemeenteraad 16 mei 2023, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Vaststellen gewijzigd bestemmingsplan Wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle (Beth San)18.435 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle Gemeente Zuidplas Vastgesteld

Bestemmingsplan wooncomplex Hollevoeterlaan, Moerkapelle Gemeente Zuidplas Vastgesteld

Rapportnummer:

P03043

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.1892.BpBethSanMkp-VA01

Datum:

Maart 2023

Opdrachtgever:

Cedrah

Projectteam BRO:

RFe, JvdA

Concept:

januari 2021

Voorontwerp:

juni 2021

Ontwerp:

maart 2022, april 2022, mei 2022, juni 2022, september 2022, november 2022, december 2022

Vastgesteld:

Maart 2023

BRO Vestiging Amsterdam Sarphati Plaza Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam T +31 (0)20 506 19 99 E info@bro.nl

TOELICHTING

Hoofdstuk 6

44

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer

4 4 4 5 6

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Nieuwe situatie

7 7 7

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

9 9

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid

9 10 10 13

3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland 3.2.3 Provinciaal milieubelang 3.3 Gemeentelijk beleid

13 14 15 16

3.3.1 Structuurvisie Zuidplas 2030 3.3.2 Woonvisie 2025

16 17

4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren

18 18

4.1.1 Toetsingskader 4.1.2 Onderzoek 4.1.3 Conclusie 4.2 Wegverkeerslawaai

18 19 21 21

4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3 Luchtkwaliteit

21 22 23 23

4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering

23 23 25 25

4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Externe veiligheid

25 26 26 27

4.5.1 Toetsingskader

27

Inhoudsopgave

1

4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Ecologie

27 29 29

4.6.1 Toetsingskader 4.6.2 Onderzoek 4.6.3 Conclusie 4.7 Bodem

29 30 31 31

4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Water

31 32 32 32

4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Archeologie en cultuurhistorie

32 33 34 34

4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Kabels en leidingen

34 34 35 35

4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Bezonning

35 35 35 35

4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12 M.e.r.-beoordeling

36 36 37

4.12.1 Toetsingskader 4.12.2 Onderzoek 4.13 Niet gesprongen explosieven

37 37 38

4.13.1 Conclusie

38

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Plansystematiek 5.2 Opbouw regels 5.3 Toelichting bij de regels

39 39 39 39

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid

41 41

6.1.1 Financieel economische haalbaarheid 6.1.2 Kostenverhaal 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

41 41 42

6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg 6.2.3 Zienswijzen

Inhoudsopgave

42 42 43

2

TOELICHTING

44

REGELS

45

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Stikstofberekening Bijlage 2: Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 3: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 4: Waterparagraaf Bijlage 5: Vooronderzoek bodem Bijlage 6: M.e.r.-aanmeldnotitie Bijlage 7: Notitie motivering afwijking parkeernormen Bijlage 8: Adviesrapport Veiligheidsregio Hollands Midden Bijlage 9: Bezonningsstudie Bijlage 10: Nota beantwoording zienswijzen

46

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer van voorliggend plan is voornemens aan de Hollevoeterlaan te Moerkapelle 70 appartementen te realiseren. De 70 beoogde appartementen worden gerealiseerd in een tweetal te bouwen appartementengebouwen van ieder vijf bouwlagen met parkeerkelder. Deze gebouwen worden gerealiseerd op een braakliggend perceel, waar voorheen het voormalige verzorgingshuis Beth-San gevestigd was. In het nieuw te realiseren complex wordt reguliere woningbouw mogelijk gemaakt. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Moerkapelle Dorp’ staat deze ontwikkeling niet rechtstreeks toe, aangezien de beoogde appartementencomplexen deels buiten de aangegeven bouwvlakken gerealiseerd worden en de toegestane bouwhoogtes overschreden worden. Om deze reden is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Het onderhavige bestemmingsplan maakt het mogelijk om de gewenste woningen te realiseren en geeft de nieuwe kaders voor het plangebied aan.

1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen op het perceel, kadastraal bekend als Moerkapelle, sectie B, nr. 1964, gelegen ten noorden van de Hollevoeterlaan. Het perceel heeft een omvang van circa 5.215 m2. Het plangebied grenst in noordelijke richting aan een watergang. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan het Kerkplein en aan de westzijde aan de nieuwbouw van verzorgingshuis Beth-San. Op de onderstaande luchtfoto’s is de ligging van het plangebied en zijn directe omgeving te zien.

Figuur 1.1: Ligging plangebied binnen de kern Moerkapelle

Hoofdstuk 1

4

Figuur 1.2: Globale begrenzing plangebied

1.3 Vigerende bestemmingsplannen Bestemmingsplan – Moerkapelle Dorp Binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Moerkapelle Dorp’, dat is vastgesteld op 3 november 2011, gelden voor de projectlocatie de bestemmingen ‘Wonen -2’ en ‘Groen’. Er zijn ter plaatse van de projectlocatie twee bouwvlakken opgenomen, waarbinnen maatvoeringseisen van toepassing zijn met betrekking tot de maximaal toegestane bouwhoogtes, variërend tussen 3 en 14 meter. De beoogde appartementenblokken worden deels buiten de opgenomen bouwvlakken voorzien en overschrijden de maximaal toegestane bouwhoogten. Om deze redenen is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Onderhavig bestemmingsplan maakt het mogelijk om de gewenste appartementen te realiseren en geeft de nieuwe kaders aan het plangebied. Bestemmingsplan – ‘Parapluherziening Parkeren’ Binnen het plangebied is tevens het bestemmingsplan ‘Parapluherziening parkeren’, zoals vastgesteld op 24 april 2018 door de gemeente Zuidplas, van toepassing. Het doel van dit bestemmingsplan is het bieden van een eenduidige regeling ten aanzien van het aspect ‘parkeren’ in Zuidplas. Het paraplubestemmingsplan is de planologische vertaling van de ‘"Nota Parkeernormen 2019".

Het doel van deze nota is ervoor te zorgen dat voldoende parkeerplaatsen bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen (woningen, bedrijven, sport, recreatie, et cetera) worden gerealiseerd. Centraal staat dat de veroorzaker van de parkeervraag verantwoordelijk is voor het realiseren van de benodigde parkeerplaatsen bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Bij het bepalen van de hoeveelheid benodigde parkeerplaatsen voor het parkeren of stallen van auto's, dienen de in deze beleidsregel opgenomen normen toegepast te worden. Bij het bepalen van de hoeveelheid benodigde

Hoofdstuk 1

5

parkeerplaatsen is hier dan ook rekening mee gehouden. De specifieke doorwerking van het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren’ is zichtbaar in paragraaf 4.1. Bestemmingsplan – ‘Parapluherziening Archeologie’ Binnen het plangebied is naast de bovenstaande bestemmingsplannen tevens het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Archeologie’ van toepassing, zoals vastgesteld op 6 maart 2018 door de gemeente Zuidplas. Het doel van deze parapluherziening is het bieden van een eenduidige regeling met betrekking tot de bescherming van archeologische waarden in Zuidplas. Het paraplubestemmingsplan vormt de juridische vertaling van het geactualiseerde archeologiebeleid, waarbij de vastgestelde archeologische beleidskaart de basis vormt voor de bij de parapluherziening behorende verbeelding. Elke gemeente heeft de wettelijke verplichting om bij het opstellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen rekening te houden met de in de grond aanwezige (dan wel te verwachten) archeologische monumenten. In de gemeente Zuidplas is in nagenoeg alle ruimtelijke plannen het onderdeel archeologie al geregeld. Deze plannen dateren echter van vóór het geactualiseerde archeologiebeleid. Door de parapluherziening wordt in alle bestemmingsplannen (en wijzigings- en uitwerkingsplannen) het geactualiseerde archeologiebeleid gestandaardiseerd opgenomen.

Het doel van deze parapluherziening is het bieden van een eenduidige regeling met betrekking tot de bescherming van archeologische waarden in Zuidplas. Dit paraplubestemmingsplan vormt de juridische vertaling van het geactualiseerde archeologiebeleid, waarbij de vastgestelde archeologisch beleidskaart de basis vormt voor de bij deze parapluherziening behorende verbeelding. De specifieke doorwerking van het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Archeologie’ is zichtbaar in paragraaf 4.9.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

Hoofdstuk 1

6

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt tegen het kruispunt van het Kerkplein en de Hollevoeterlaan aan. Op dit moment ligt de locatie braak, als gevolg van de sloop van het vorige verzorgingshuis van Beth-San. Er is een nieuw verzorgingstehuis midden op het perceel van Cedrah gerealiseerd. Op het perceel bevinden zich uitsluitend enkele ruigtekruiden, maar voornamelijk gras.

Figuur 2.1: Plangebied vanuit het westen (links) en het zuidwesten (rechts)

2.2 Nieuwe situatie Initiatiefnemer is voornemens op het braakliggende perceel twee appartementencomplexen te realiseren. De beoogde bebouwing bestaat uit maximaal vijf bouwlagen met parkeerkelder. Tussen de twee complexen wordt een binnenhof gerealiseerd. Het herontwikkelen biedt de kans een nieuwe aansluiting te maken met de kern. In het ontwerp is rekening gehouden met de stedenbouwkundige inpassing en het creëren van mooie straatwanden. In In de gebouwen worden grote appartementen gerealiseerd met een uitzicht op de nog aanwezige schapenweide en de dorpskern. Er wordt een hofje gerealiseerd, waarmee een door de gebouwen omsloten buitenruimte ontstaat. De gebouwen blokkeren de eventuele wind. Bij het Cedrahplein aan de Hollevoeterweg wordt een 5 laagse massa ter completering van het plein bij de hoofdingang gerealiseerd. De precieze ligging van de woonblokken wordt weergegeven in de verbeelding van dit plan. Figuur 2.2 geeft de toekomstige situatie weer.

Hoofdstuk 2

7

Figuur 2.2: Toekomstige situatie

Figuur 2.3: Gevelaanzichten buitenzijdes

Hoofdstuk 2

8

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Deze is vastgesteld op 9 september 2020. De NOVI is vastgesteld op grond van de huidige regelgeving (dus als structuurvisie) en zal bij inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden als Nationale omgevingsvisie in de zin van de Omgevingswet. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die met uitzondering van paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone is komen te vervallen. Daarnaast vervangt de NOVI delen van het Nationaal Waterplan, de Natuurvisie en het Nationaal Milieubeleidsplan. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving.

Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio’s;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen.

Hoofdstuk 3

9

Doorwerking in het plangebied Onderhavige ontwikkeling treft geen nationaal belang. Geconcludeerd kan worden dat de NOVI geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Een structuurvisie heeft geen bindende werking dan voor die overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Doorwerking in het plangebied Zoals reeds in paragraaf 3.1.1 is geconcludeerd treft onderhavige ontwikkeling geen nationale belangen. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.

Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zee-haventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking in het plangebied De beoogde ontwikkeling aan de Hollevoeterlaan/Kerkplein in Moerkapelle betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit blijkt uit de volgende gegevens: 1.

Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan ‘Moerkapelle Dorp’ (vastgesteld 03-11-2011) de bestemming: Wonen-2. Op basis van dit bestemmingsplan is het initiatief op de locatie niet toegestaan en is een wijziging van de bestemming noodzakelijk. Het vigerende bestemmingsplan staat maximaal 54 woningen toe. 2. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Het initiatief om (planologisch) maximaal 15 woningen te bouwen kan onder deze definitie worden geschaard, gezien het hier gaat om een woningbouwontwikkeling die omvangrijker is dan in het vigerende bestemmingsplan is toegestaan.

Hoofdstuk 3

10

3. Vanaf 12 nieuwe woningen is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Aangezien het om de toevoeging gaat van (planologisch) 15 woningen, kan het initiatief gekwalificeerd worden als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. De boogde ontwikkeling is daarom getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze rapportage is opgenomen in de bijlagen van dit plan. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit dit rapport. Passend binnen behoefte van het ruimtelijk verzorgingsgebied Voor de onderbouwing van de woonbehoefte is gekeken naar de afbakening van de relevante regio, om zo de behoefte in beeld te brengen. Hiervoor wordt gekeken naar de regionale woningmarkt, die gedefinieerd wordt op basis van verhuisbewegingen. Daaruit blijkt dat de primaire regio de gemeente Zuidplas betreft (41% van de verhuisbewegingen). Als secundair gebied wordt gekeken naar de regio Midden-Holland (9% van de verhuisbewegingen) en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (39% van de verhuisbewegingen). Het initiatief wordt passend geacht binnen de Ladder. Onderstaand volgt een beknopte toelichting. De volledige onderbouwing van de behoefte is opgenomen in de bijlagen.

Kwantitatieve behoefte De beoogde ontwikkeling van maximaal 70 woningen (planologische toename van 15 woningen, daar er momenteel op de locatie reeds 55 woningen zijn toegestaan) voorziet in een kwantitatieve behoefte en kan (rekening houdend met de bestaande plancapaciteit) redelijkerwijs worden ingepast in de resterende woningbehoefte in de gemeente Zuidplas.  De verwachting is dat het aantal inwoners en huishoudens in de gemeente Zuidplas en de omliggende gemeenten de komende jaren verder groeit. Dit betekent dat ook de kwantitatieve behoefte aan woningen tot 2030 zal toenemen: +2.035 woningen in de gemeente Zuidplas, +13.613 woningen in de regio Midden-Holland en +109.546 woningen in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag.  Om tot een gezonde regionale woningmarkt te komen is een forse toename van het woningaanbod nodig. In de regio Rotterdam is er een behoefte aan ca. 91.600 woningen t/m 2030. De totale plancapaciteit bestaat uit ca. 68.000 woningen, waarvan 22.900 harde plannen. Deze (harde) plancapaciteit is onvoldoende om in de woningbehoefte te voorzien.  Op dit moment is er in de gemeente Zuidplas ook onvoldoende plancapaciteit om in de kwantitatieve behoefte te voorzien. De totale zachte plancapaciteit in de gemeente is met 85 woningen zeer laag.

Kwalitatieve behoefte Het initiatief aan de Hollevoeterlaan/Kerkplein in Moerkapelle, waarbinnen appartementen in de prijsklasse € 300.000 - € 460.000 (koop) en vrije sector huurwoningen (€ 800 - € 1.000 per maand) zijn beoogd, voorziet in een kwalitatieve behoefte binnen het verzorgingsgebied.  In de regio Midden-Holland neemt de woningbehoefte vooral toe voor koopwoningen, zowel eengezins- als meergezinswoningen. De woningbehoefte is het grootst in de koopsectoren tussen € 280.000 – € 390.000.  Het initiatief aan de Hollevoeterlaan/Kerkplein in Moerkapelle realiseert duurdere koopappartementen en appartementen in de vrije huursector. Het initiatief wordt gerealiseerd in een dorps woonmilieu. Hoewel de vraag in de regio Midden-Holland in dorpse woonmilieus het grootst is naar eengezinswoningen (koop), is er ook een aanzienlijke behoefte aan

Hoofdstuk 3

11

 

meergezinswoningen (koop en huur). De behoefte aan appartementen in dorpse woonmilieus in de regio Midden-Holland t/m 2029 bedraagt ca. 1.600, waarvan ca. 800 huur- en ca. 800 koopappartementen. In de regio Midden-Holland is er een effectieve vraag van 585 - 755 nieuwbouwwoningen op jaarbasis. Hiervan is de effectieve vraag 41 tot 53 nieuwbouwwoningen in dorpse woonmilieus. In de gemeente Zuidplas bedraagt de effectieve vraag naar nieuwbouwwoningen 100 - 130 op jaarbasis. Ca. 12% van deze vraag betreft huurappartementen in het prijssegment (€ 710 - € 950 per maand). Op jaarbasis betreft de effectieve vraag hiervoor 12 - 16. Ca. 4% van deze vraag betreft koopappartementen met een koopprijs van € 300.000 of hoger. Dit is een effectieve jaarlijkse vraag van 4 tot 5 koopappartementen. In de Woonvisie 2025 wordt t/m 2030 voorzien in een behoefte van 3.250 extra woningen. De toename betreft hoofdzakelijk koopwoningen (behoefte is ca. 2.350 woningen). Ook in de vrije huursector wordt t/m 2030 een groei verwacht van ca. 180 woningen.

Geen onaanvaardbare effecten Het is niet de verwachting dat er als gevolg van het realiseren van 70 woningen (planologische toevoeging van 15 woningen) aan de Hollevoeterlaan/Kerkplein in Moerkapelle onaanvaardbare effecten zullen optreden. De woningbehoefte is immers dusdanig groot dat ook na het realiseren van het planinitiatief behoefte blijft bestaan voor het realiseren van nieuwe woningen. De ontwikkeling van 70 woningen (waarvan 54 reeds toegestaan in het vigerende bestemmingsplan) en gericht op de prijssegmenten middenhuur en duurdere koop voorziet bovendien in een behoefte, zowel kwantitatief als kwalitatief. Daarnaast draagt het realiseren van de woningen bij aan het creëren van een levendig woon- en leefklimaat in Moerkapelle. Gesitueerd binnen bestaand stedelijk gebied Voor de onderbouwing via de Ladder is het relevant of de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt binnen of buiten het bestaand stedelijk gebied.  Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: ‘een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Op het plangebied rusten de bestemmingen ‘Wonen-2’ en ‘Groen’. Deze bestemmingen vormen onderdeel van bestaand stedelijk gebied.

 Het plangebied vormt onderdeel van bestaand stads- en dorpsgebied (Provincie Zuid-Holland, 2018).  Bovendien bestaat ook het aansluitende omliggende gebied uit woonbebouwing, waardoor er sprake is van een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing van stedelijke functies. Gezien het voorgaande is dus sprake van een ligging ‘binnen bestaand stedelijk gebied’ en is een verdere motivering op dit punt niet nodig. Conclusie Het initiatief voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Hoofdstuk 3

12

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland de Omgevingsvisie Zuid-Holland vastgesteld. De Omgevingsvisie betreft een redactionele omzetting van de bestaande provinciale beleidsdocumenten, zonder inhoudelijke verandering van beleid of regels. Vandaar dat in de volgende paragraaf de ‘oude’ structuurvisie aan de orde komt. In de Omgevingsvisie is al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd. De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: 1. Naar een klimaatbestendige delta De provincie wil de fysieke leefomgeving zo inrichten dat deze klimaatbestendig blijft. De extreme weersomstandigheden moeten niet leiden tot onnodige schade aan gebouwen, infrastructuur, landbouw en economie. De provincie wil blijven beschikken over voldoende zoetwater. Daarvoor werkt de provincie met verschillende overheden en andere organisaties samen aan regionale adaptatiestrategieën en het nationale Deltaprogramma. Centraal vertrekpunt daarbij is dat meer ruimte wordt geboden aan het water. De provincie werkt aan de bescherming van mensen en economie tegen overstromingen. Bij nieuwe ruimtelijke projecten wordt rekening gehouden met de impact van klimaatverandering. 2.

Naar een nieuwe economie: the next level We gaan van een fossiele economie over naar een circulaire economie. Een ontwikkeling met grote gevolgen voor onze dragende economische clusters, met name het haven-industrieel complex en de glastuinbouw. In de stap naar een circulaire economie in 2050 wordt hergebruik van grondstoffen een nieuw verdienmodel. De provincie bevordert nieuwe werkgelegenheden zet in op digitalisering van de economie. Innovatie in het midden- en kleinbedrijf wordt gestimuleerd, onder andere via nauwe samenwerking tussen de diverse economische sectoren en de kennis- en onderwijsinstellingen die onze regio herbergt. Bij goederentransport zet de provincie in op het realiseren van meer toegevoegde waarde voor de regio. Via inzet op een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving worden bedrijven, kenniswerkers en andere talenten getrokken. De technologisering en digitalisering vragen om nieuwe arrangementen voor scholing en inzetbaarheid 3. Naar een levendige meerkernige metropool Zuid-Holland staat voor de opgave om in het komende decennium een fors aantal woningen te realiseren en om de woonvoorraad te verduurzamen. De uitdaging is om de stap te maken naar een gezonde, sociale en duurzame samenleving. Om die vitale samenleving te realiseren is meer nodig dan woningbouw alleen.

Het economisch potentieel kan beter benut worden door de steden met hun afzonderlijke kwaliteiten te verbinden tot één metropolitaan gebied. Het leef- en vestigingsklimaat daarin kan versterkt worden door stad en land goed te verbinden, door ruimte te bieden voor groen en water in de stad, door een evenwichtige woningvoorraad en passende werklocaties. De vitaliteit van de stad is ook gebaat bij cultuur, kenniscentra en aantrekkelijke binnensteden. 4. Energievernieuwing Zuid-Holland gaat haar energieaanpak vernieuwen. De focus ligt bij de steden, de industrie en de glastuinbouw. De provincie wil een slimme en schone economie zijn waar fossiele bronnen zijn vervangen door hernieuwbare bronnen.

Hoofdstuk 3

13

De provincie neemt maatregelen om energie te besparen en het gebruik van aardgas drastisch te verminderen. Dat wordt gedaan bijvoorbeeld met het uitbreiden van warmtenetten. In de toekomst is de Warmterotonde de verbinding tussen aanbieders en gebruikers van warmte; prima geschikt om kassen en steden te verwarmen. Om de energietransitie aan te jagen zet de provincie ook stevig in op innovatie. De provincie zoekt naar nieuwe mogelijkheden voor energiegebruik uit wind, zon, biomassa, water en aardwarmte. De provincie wil ruimte bieden aan deze ontwikkeling. 5. Best bereikbare provincie Zuid-Holland moet optimaal verbonden zijn en blijven met regionale, landelijke en internationale centra: de best bereikbare provincie van Nederland. Zuid-Holland zet daarom in op versterking van openbaar vervoer en gebruik van de fiets in de mobiliteitsketens van reizigers. Daarnaast moet vervoer over water een volwaardig alternatief zijn voor vervoer over de weg. 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving De provincie Zuid-Holland wil de kwaliteit van de leefomgeving versterken door natuur, water, recreatie, landbouw, cultureel erfgoed en economie in samenhang te bezien. Daarbij wil de provincie de biodiversiteit vergroten, natuurinclusieve landbouw wordt de ruimte gegeven. Dit draagt bij aan een fijnmazig natuurnatuurnetwerk. Ook zet de provincie in op diervriendelijke veehouderij.

Doorwerking in het plangebied De omgevingsvisie ziet op grootschalige ambities waar onderhavige bestemmingsplanherziening geen afbreuk aan doet. Het plan is dan ook in lijn met de Omgevingsvisie Zuid-Holland. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Deze regels hebben een directe doorwerking in bestemmingsplannen. Voor dit bestemmingsplan zijn de volgende artikelen uit de Omgevingsverordening van belang: Ruimtelijke kwaliteit Op grond van artikel 6.9 van de Omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo tenminste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2.

het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid. c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in

Hoofdstuk 3

14

ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid. Toetsing aan ruimtelijke kwaliteit Op de Kwaliteitskaart is het plangebied aangeduid als 'steden en dorpen'. Als richtpunten wordt onder andere het volgende aangehouden: 1. Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. 2. Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand. 3. Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Doorwerking in het plangebied De beoogde ontwikkeling vindt plaats in het bestaand stads- en dorpsgebied, waarvoor geldt dat de ruimte beter benut moet worden. De beoogde herontwikkeling van het plangebied draagt hieraan bij. De voorziene appartementen passen binnen de regionale woningbouwbehoefte. Daarmee wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking (zie ook paragraaf 3.1.3). De beoogde ontwikkeling past ruimtelijk in de aanwezige en te realiseren gebiedsidentiteit. Het plangebied ligt in een woongebied, dat verandert niet door de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met dit bestemmingsplan.

De hoofdfuncties in het gebied blijft 'wonen'. In het ontwerp is beter rekening gehouden met de stedenbouwkundige inpassing en het creëren van mooie straatwanden. Bij het Cedrahplein aan de Hollevoeterweg is daarbij een 5 laagse massa voorzien, ter completering van het plein bij de hoofdingang. Er zijn bestaande zichtlijnen richting de dorpskerk die versterkt zullen worden in het ontwerp. Dit kan door de zichtlijn volledig vrij te houden qua bebouwing, dan wel in te kaderen als doorzicht. Tevens wordt er een aantrekkelijk binnenhof gerealiseerd. Gelet op vorenstaande is hier sprake van een inpassing als bedoeld in artikel 6.9 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland en is geen sprake van wijziging op structuurniveau. 3.2.3 Provinciaal milieubelang Provincie Zuid-Holland heeft in haar Omgevingsbeleid vier provinciale milieubelangen benoemd. Onderstaand wordt de relevantie per provinciaal milieubelang beschreven:  Bescherming van stiltegebieden Afweging: De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een stiltegebied.  Windenergie stimuleren Afweging: De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een plaatsingsgebied voor windmolens.  Beschermen bedrijventerreinen voor Hogere Milieu Categorie-bedrijven Afweging: De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een HMCbedrijventerrein.

Afname van HMC-locaties is derhalve niet aan de orde.  Beschermen van grote groepen mensen Afweging: De voorgenomen ontwikkeling is niet gelegen in een invloedsgebied Groepsrisico van een EVrelevante risicobron.

Hoofdstuk 3

15

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de provinciale milieubelangen.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Zuidplas 2030 Op 27 november 2012 heeft de gemeenteraad van de gemeente Zuidplas de 'Structuurvisie Zuidplas 2030’. Ruimte voor dorps wonen in de Randstad' vastgesteld. De gemeente Zuidplas is een gemeente bestaande uit dorpen en buurtschappen in een aantrekkelijk buitengebied. De dorpse identiteit staat voorop. De vier dorpen – Moerkapelle, Zevenhuizen, Moordrecht en Nieuwerkerk aan den IJsselbieden een aangename leefomgeving en goede basisvoorzieningen op het gebied van dienstverlening, onderwijs, sport, welzijn en zorg. Het open en groene buitengebied rondom de dorpen biedt volop mogelijkheden voor recreatief gebruik. Het open agrarisch landschap blijft ook in 2030 kenmerkend voor het buitengebied rond de dorpen. Sommige delen van het huidige agrarische landschap veranderen tot 2030 (en daarna) in nieuwe gebieden voor wonen, werken en recreëren. Dit komt voort uit het blijvend ontwikkelen van de dorpen, zoals het investeren in een goed voorzieningenaanbod. Volgens de ‘Structuurvisie Zuidplas 2030’ maakt het plangebied onderdeel uit van het dorp Moerkapelle (zie navolgende figuur). Zuidplas realiseert nieuwe woningen hoofdzakelijk binnen de bebouwde kom of daar direct op aansluitend, om te voldoen aan de woonvraag van zijn eigen inwoners.

De focus ligt hierbij op het bouwen binnen en aan de bestaande dorpen, bijvoorbeeld in de vorm van herstructureringsopgaven of nieuwbouw aan de rand van het dorp.

Figuur 3.1: Uitsnede Structuurvisiekaart Zuidplas 2030 globale ligging plangebied rood omlijnd

Doorwerking in het plangebied Zoals gebleken is uit paragraaf 3.1.3 voldoet het plan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is er aantoonbare behoefte aan de beoogde appartementen. Het project vindt plaats binnen de bebouwde kom van Moerkapelle. Het voornemen is hiermee passend binnen de gemeentelijke structuurvisie.

Hoofdstuk 3

16

3.3.2 Woonvisie 2025 De 'Woonvisie 2025 - Dorps wonen in Zuidplas, nu en in de toekomst' is op 23 januari 2019 door de gemeenteraad vastgesteld. In de woonvisie wordt een doorkijk naar het wonen in Zuidplas rond het jaar 2025 gegeven en is richtinggevend van karakter. De woonvisie is tevens het programmatische toetsingskader voor nieuwbouwlocaties. In de woonvisie wordt gekozen voor de volgende strategie:  Sociale huursector op peil.  Identiteit vasthouden.  Langer thuis wonen.  Duurzaam wonen en leven.  Innovatieve woonvormen. Om de visie te realiseren zijn de stappen verwoord in drie speerpunten: 1. Een divers en betaalbaar woningaanbod voor alle doelgroepen. 2. Duurzaam wonen. 3. Experimenten in wonen en ontmoeten. Met het eerste speerpunt wordt de visie van een evenwichtige bevolkingsopbouw verwezenlijkt. De andere twee dragen bij aan het realiseren van dat divers en betaalbaar woningaanbod. Doorwerking in het plangebied Zuidplas bouwt volop nieuwe woningen om bij te dragen aan de woningbouwopgave in de Zuidvleugel. Uit onderzoek blijkt dat de vraag naar diverse woningtypen toeneemt. In de Woonvisie staan uitgangspunten voor de omvang van de diverse woon- en prijssegmenten die in Zuidplas nodig zijn. Deze uitgangspunten voor de woningvoorraad die in de Woonvisie staan, bieden houvast in de onderhandelingen over nieuwbouw met projectontwikkelaars en woningcorporaties.

In de woonvisie staat geen woningverdeling per dorp. Nieuwbouwontwikkeling is maatwerk en daarom komen er randvoorwaarden voor elk nieuwbouwproject. Daarin wordt op basis van de locatie (het dorp), de marktomstandigheden en de grootte van het project aangegeven hoeveel woningen van welk type, prijsklasse, eigendomsverhoudingen (huur of koop) en kwaliteitsniveau gewenst zijn. De gemeente Zuidplas is nauw betrokken bij de invulling van onderhavig woningbouwproject. Deze betrokkenheid zorgt ervoor dat de keuzes passen bij de gemeentelijke beleidsdoelstellingen. De beoogde woningbouwontwikkeling sluit aan bij het gemeentelijk woonbeleid.

Hoofdstuk 3

17

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Toetsingskader Parkeren Het plangebied maakt onderdeel uit van het plangebied van het bestemmingsplan ‘Parapluherziening parkeren’. Het doel van dit bestemmingsplan is het bieden van een eenduidige regeling ten aanzien van het aspect ‘parkeren’ in Zuidplas. Het paraplubestemmingsplan is de planologische vertaling van de "Nota Parkeernormen 2019". Het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas heeft op 12 december 2019 de beleidsregel "Nota Parkeernormen 2019" vastgesteld. In deze beleidsregel zijn parkeernormen opgenomen die van toepassing zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente Zuidplas zet in deze "Nota Parkeernormen 2019" in op meer flexibiliteit in de toepassing van kencijfers en parkeernormen door meer gebiedsgerichte en meer doelgroep specifieke normen. Zowel het normenkader als het toepassingskader geeft hier invulling aan. Met het benoemde toepassingskader kiest de gemeente ook voor een duidelijke rolverdeling tussen de gemeente en de initiatiefnemer van een nieuwe ontwikkeling of wijziging van bestemming (transformatie). Met de "Nota Parkeernormen 2019" beschrijft de gemeente Zuidplas het kader ten aanzien van het aantal te realiseren parkeerplaatsen voor fiets (nieuw in het beleid) en auto bij nieuwbouw of transformatieprojecten.

De nota is relevant voor iedereen (projectontwikkelaars, woningcorporaties, privé-initiatieven, bedrijven, inwoners) die een omgevingsvergunning ‘bouwen’ of ‘functieveranderingen’ aanvraagt waar een parkeercomponent onderdeel van is. In deze Nota wordt voor de auto- en fietsparkeernormen een gebiedsindeling gehanteerd die in het algemeen geldt voor de gehele gemeente Zuidplas. Het doel ervan is dat gebiedsgericht gewerkt kan worden aangezien parkeren in bijvoorbeeld de winkelgebieden een ander afwegingskader kent dan in buitengebieden aan de rand van de dorpen, waar meer ruimte is. In de gebiedsindeling wordt onderscheid gemaakt tussen drie verschillende gebieden (Zone A, Zone B en Zone C). Volgens deze nota ligt het plangebied in Zone B. Zone B, een gebied in de schil van Zone A, wordt gekenmerkt door een gemiddelde/hoge autoafhankelijkheid welke zich kenmerkt door:  een redelijke, lees geregelde met langere tussenpozen OV-bereikbaarheid met busdiensten die verbinding geven met minimaal 1 hoogwaardig overstappunt in Zone A;  de aanwezigheid van goede aaneengesloten fietsinfrastructuur;  een voldoende aanbod aan (dagelijkse) voorzieningen op loop- of fietsafstand. Verkeer Het realiseren van woningen heeft gevolgen op de verkeersgeneratie ter plaatse. Een toename aan verkeersgeneratie kan gevolgen hebben op de verkeersdrukte en – veiligheid rondom het plangebied.

Hoofdstuk 4

18

Er dient gekeken te worden of hiervan sprake is. De berekening van de verkeersgeneratie is gebaseerd op CROW kengetallen. 4.1.2 Onderzoek Parkeren De gemeente Zuidplas hanteert de "Nota Parkeernormen 2019" voor het bepalen van het benodigd aantal parkeerplaatsen. Cedrah is als ontwikkelaar van de nieuwbouw van mening dat het hanteren van de nota niet passend is voor deze ontwikkeling en wil een maatwerk voorstel doen aan de gemeente, waarbij afgeweken wordt van de "Nota Parkeernormen 2019". In een separate notitie die is opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting wordt deze afwijking gemotiveerd. Op basis van de uitgevoerde parkeertellingen wordt in de notitie geconcludeerd dat de bestaande parkeerdruk laag is. In de ontwikkeling wordt voorzien in een ondergrondse stallingsgarage met 90 parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen in de stallingsgarage worden niet los en optioneel aangeboden aan de huurders/kopers. De parkeerplaatsen in de stallingsgarage worden gekoppeld aan de appartementen. De prijs maakt integraal onderdeel uit van de huur-/koopprijs. Hiermee wordt voorkomen dat huurders/kopers geen parkeerplaats huren/kopen en in de wijk de auto gaan parkeren. Daarnaast zijn er 24 bestaande parkeerplaatsen aan de Hollevoeterlaan, direct gelegen aan de nieuwbouw van het complex.

Deze parkeerplaatsen zijn in het kader van de geplande ontwikkelingen van Cedrah reeds aangelegd (zie figuur 4.1).

Figuur 4.1: Parkeerplaatsen in en rond het plangebied

Conform de "Nota Parkeernormen 2019" komt de totale parkeerbehoefte naar aanleiding van onderstaande berekeningen (tabel 4.1) uit op 157 parkeerplaatsen. De gemiddelde norm op basis van 70 appartementen komt uit op 2,24 parkeerplaatsen per appartement.

Hoofdstuk 4

19

Functie

Type woningen

Parkeernorm

Aantal woningen

Aantal parkeerplaatsen

Gestapelde woning

Gemiddeld (70- 90 m2)

2,2 per woning

40

88 pp

Gestapelde woning Totaal

Groot (90- 120 m2)

2,3 per woning

30

69 pp 157 pp

Tabel 4.1 Berekening reguliere parkeerplaatsen

In het kader van ruimtelijke kwaliteit is het onwenselijk onnodig parkeerplaatsen aan te leggen, maar wenselijk ruimte te houden voor groen. Dit resulteert in een hogere woonkwaliteit voor bewoners en omwonenden. Gezien de doelgroep is de werkelijke parkeerbehoefte lager dan de parkeernorm van de Gemeente Zuidplas. De combinatie van omvang van het huishouden, gemiddelde leeftijd van de respondenten en de aanwezige, of toekomstige zorgvraag maakt dat een parkeernorm van 2,24 te hoog is voor deze ontwikkeling. Dit wordt ook bevestigd vanuit de ervaring van het referentiecomplex in Zwijndrecht, op basis waarvan ca. 70 parkeerplaatsen voor de nieuwbouw Beth San voldoende zijn. Voor deze ontwikkeling wordt daarom de volgende maatwerk parkeeroplossing voorgesteld:  90 plaatsen in de stallingsgarage, te realiseren door ontwikkelaar.  24 bestaande parkeerplaatsen aan de Hollevoeterlaan, direct gelegen aan de nieuwbouw van het complex. Deze parkeerplaatsen zijn in het kader van de geplande ontwikkelingen van Cedrah reeds aangelegd. Uit de parkeertelling blijkt voldoende beschikbaarheid in de directe omgeving.  Cedrah zal nader met de klankbordgroep (groep geïnteresseerden/doelgroep) onderzoeken of inzet van deelauto’s gewenst is. Indien dit het geval is zullen enkele deelauto’s worden ingezet.

Middels de aanwezigheid van 90 parkeerplaatsen in de stallingsgarage en de 24 parkeerplaatsen aan de Hollevoeterlaan is een totaal aantal parkeerplaatsen beschikbaar Middels de aanwezigheid van 90 parkeerplaatsen in de stallingsgarage en de 24 parkeerplaatsen aan de Hollevoeterlaan is een totaal aantal parkeerplaatsen beschikbaar van 114 voor deze ontwikkeling. Normatief komt dit neer op 1,6 per appartement. Dit is 0,6 parkeerplaats per appartement minder dan de norm, maar 0,6 parkeerplaats meer dan de referentie. Indien in werkelijkheid blijkt dat de parkeerdruk te herleiden aan deze ontwikkeling hoger is, heeft de ontwikkelaar de mogelijkheid het aantal parkeerplaatsen te vergroten tot aan de norm. Aan de noordzijde van de nieuwbouw zouden nog 43 parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden. Deze zijn in onderhavig bestemmingsplan meegenomen als functie parkeer/groen, zodat dit later wel kan worden aangelegd. Indien dus blijkt dat de parkeerdruk in werkelijkheid hoger is, kunnen (een deel van) de 43 parkeerplaatsen alsnog worden aangelegd. De afspraken hieromtrent worden vastgelegd in de anterieure overeenkomst, waarbij ook de afspraken worden vastgelegd over de grond van de gemeente die hiervoor nodig is en de aanleg/beheer van deze parkeerplaatsen. Voor het afwijken van de geldende parkeernorm is reeds een ontheffing verleend.

De ruimtelijke reservering van de extra 43 parkeerplaatsen ten noorden van de nieuwbouw is in figuur 2.2 weergegeven. De haakse parkeervakken bevinden zich op gemeentegrond (612 m2). Fietsparkeren De totale fietsparkeerbehoefte komt naar aanleiding van onderstaande berekeningen (tabel 4.2) uit op 280 parkeerplaatsen. Ieder appartement heeft een eigen berging waarin fietsen worden geparkeerd. De "Nota Parkeernormen 2019" is dan niet van toepassing. De norm voor bezoekers bedraagt volgens de nota 0,3 per woning. Deze worden gerealiseerd op maaiveld verdeeld over 2 entrees.

Hoofdstuk 4

20

Functie

Type woningen

Parkeernorm

Aantal woningen

Aantal parkeerplaatsen

Gestapelde woning

Gemiddeld (70- 90 m2)

4,0 per woning

40

160 pp

Gestapelde woning Totaal

Groot (90- 120 m2)

4,0 per woning

30

120 pp 280 pp

Tabel 4.2 Berekening fietsparkeren

Verkeersgeneratie Met gebruik van de CROW 1 verkeersgeneratie tool is berekend dat de 70 gewenste appartementen in totaal 199 tot 255 personenwagenbewegingen per gemiddelde weekdag genereren (zie tabel 4.3). Functie

Verkeersgeneratie

36 huurappartementen midden/ goedkoop

29-58 mvt/ etmaal

34 middeldure koopappartementen

170-197 mvt/etmaal

Totaal

199-255 mvt/ etmaal

Tabel 4.3: Effect van beoogde ontwikkeling op de verkeersgeneratie

Er kan daarom vanuit gegaan worden dat de huidige infrastructuur het toekomstige verkeer goed kan verwerken. Op omliggende wegen geldt een snelheidslimiet van maximaal 30 km/uur. Dit verandert met het plan niet. Een nieuwbouwplan in deze omvang past goed binnen dit verkeersregiem. Het verkeer van de nieuwe woningen wordt middels de bestaande Hollevoeterlaan afgewikkeld. Dit kan op een verkeersveilige en overzichtelijke wijze. Het onderdeel ‘verkeer’ zorgt dan ook niet voor belemmeringen. 4.1.3 Conclusie Het aspect ‘verkeer en parkeren’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.2 Wegverkeerslawaai 4.2.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten.

1

Berekening CROW-tool, uitgaande van gebiedstype ‘schil centrum’ in ‘matig stedelijk gebied’

Hoofdstuk 4

21

Stedelijk gebied

Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer Tabel 4.3 Breedte geluidszones langs wegen

600 meter

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Voor tijdelijke afwijkingen van een bestemmingsplan hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden die zijn opgenomen in de Wet geluidhinder. Bij een beoordeling van de goede ruimtelijke ordening moet wel rekening worden gehouden met geluid. 4.2.2 Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen. Woningen zijn geluidsgevoelige objecten. Het plangebied valt binnen de zone van de Moerkapelse Zijde (50 km/uur). Er is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai. In de directe omgeving zijn verder een aantal relevante wegen binnen de 30 km/uur zone gelegen. Deze wegen zijn alleen meegenomen in het kader van de cumulatieve geluidbelasting. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.

Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit het onderzoek. Het onderzoek is uitgegaan van vijf rekenhoogtes, gebaseerd op het oorspronkelijke bouwplan met ondergrondse parkeergarage:  Begane grond: 1,5m  1e verdieping: 4,5m  2e verdieping: 7,5 m  3e verdieping: 10,5 m  4e verdieping: 13,5m In het nieuwe bouwplan is het gehele bouwvolume omhooggetild en wordt de parkeergarage half verdiept. Hierbij geldt dat ter plaatse van de 1e en 2e verdieping sprake is van de hoogste geluidsbelasting. Daarna geldt dat de geluidsbelasting afneemt naarmate je hoger in het pand komt. Op de bovenste bouwlaag zal er daarom in ieder geval sprake zijn van een gelijke of lagere geluidsbelasting dan in het onderzoek berekend is. Het akoestisch onderzoek is daarom niet aangepast, gezien het optillen van het bouwvolume niet van invloed is op de onderzoeksresultaten. Hogere waarden Een besluit hogere waarde is niet nodig omdat alle berekende geluidsniveaus komende van de omliggende gezoneerde wegen onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen.

Hoofdstuk 4

22

Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 56 dB. Voor de geveldelen van de gewenste appartementen bedraagt de vereiste karakteristieke geluidwering dan maximaal 56 - 33 = 23 dB. Een dergelijke gevelwering wordt in het kader van nieuwbouw in vrijwel alle gevallen wel behaald. Aanvullende voorzieningen zullen hiervoor niet nodig zijn. Een nader onderzoek naar de geluidwering van de desbetreffende geveldelen wordt niet noodzakelijk geacht. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Zeer Goed’ tot ‘Matig’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de appartementen kan wel als acceptabel worden aangemerkt. Op basis van het uitgevoerde akoestische onderzoek kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. 4.2.3 Conclusie Het aspect ‘wegverkeerslawaai’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.

Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek Invloed van het plan op de luchtkwaliteit In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 μg/m³). In paragraaf 4.1.2 is aangetoond dat op basis van de berekeningen volgens de CROW-publicatie 317 een maximale toename van de verkeersgeneratie

Hoofdstuk 4

23

wordt verwacht van circa 255 verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie, waarvan 0% vrachtverkeer. Hier is uitgegaan van een worst-case scenario. De toename van het aantal verkeersbewegingen leidt tot een toename van de hoeveelheid stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Middels de NIBM-tool kan worden berekend of deze toename al dan niet in betekende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Onderstaand is deze berekening weergegeven.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer Maximale bijdrage extra NO2 in μg/m3 verkeer PM10 in μg/m3 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

2023 255 0,0% 0,14 0,04 1,2

Tabel 4.4 Conclusie NIBM-Tool

Zoals de bovenstaande worst-case berekening laat zien, is de toename van het aantal verkeersbewegingen ‘niet in betekende mate’ van invloed op de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Invloed van de luchtkwaliteit op het plan Ook moet gekeken worden naar de huidige luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. De achtergrondwaarden van stikstof en fijnstof in de lucht, kunnen worden achterhaald middels de NSLmonitoringstool. In figuur 4.2 zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de waarden ruim onder de norm liggen. Om deze reden kan geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit.

Hoofdstuk 4

24

3

1

2

Figuur 4.2: Achtergrondwaarden luchtkwaliteit (bron: NSL-monitoringstool)

Meetpunt

Id

NO2 μg/m3

PM10 μg/m3

1 2 3 Norm

15827213 15475054 15825730

17,7 18,9 18,4 40

17,9 18,2 18,0 40

PM10 overschrijdingsdagen 6,3 6,4 6,3 35

PM2.5 μg/m3 10,8 10,8 10,7 25

4.3.3 Conclusie Het aspect ‘luchtkwaliteit’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een 2

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

25

natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Plan richting omgeving Met dit initiatief worden in totaal maximaal 70 woningen mogelijk gemaakt. Woningen kunnen niet gezien worden als milieubelastende functies. Een woning kent dan ook geen milieucategorie of een aan te houden richtafstand. Negatieve invloed op het woon- en leefklimaat bij omliggende milieugevoelige functies is dan ook uit te sluiten. Omgeving richting plan Woningen worden aangemerkt als gevoelige functie.

Om te bepalen of sprake is van een goed woonen leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen, is van belang dat er geen hinder ontstaat vanwege bijvoorbeeld geur of geluid door omliggende milieubelastende functies. Het plangebied ligt in een gebied waar voornamelijk gewoond wordt. Direct ten westen van het plangebied ligt het nieuwbouw pand van verzorgingshuis Beth San. Op grond van de VNG-brochure kan een verpleeghuis/woonzorggebouw ook beschouwd worden als een milieubelastende activiteit. Vanuit een continue geluidsproductie geldt een richtafstand van 30 meter tussen het woonzorggebouw en de omliggende woningen. Aan deze afstand wordt niet voldaan. De geluidsbelastende activiteiten in verzorgingshuis Beth San omvat met name de centrale hal waarin bewoners bijeenkomen, ontmoeten en ontspannen. Hier vinden tevens kerkdiensten plaats. Deze centrale hal is gesitueerd aan de zuidwestzijde van het pand, op een afstand van ca. 45 meter van de beoogde woningen. Dit deel van het verzorgingshuis ligt daarmee op voldoende afstand. Bovendien zijn er direct ten westen van verzorgingshuis Beth San woningen gelegen die reeds maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van het verzorgingshuis. De nieuwe woningen zullen daarmee het verzorgingshuis niet in toenemende mate belemmering in de bedrijfsvoering.

Andersom kan ter plaatse van de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd worden. 4.4.3 Conclusie Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

Hoofdstuk 4

26

4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. 4.5.2 Onderzoek Om inzicht te krijgen in eventuele risicobronnen in de omgeving kan gebruik worden gemaakt van de Risicokaart. In figuur 4.3 is een uitsnede van deze kaart weergegeven. Inrichting Op basis van de risicokaart kan gesteld worden dat binnen het plangebied en de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen gelegen die van invloed zijn op het plangebied. Ook ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van (verder weg gelegen) bedrijven die onder de werkingssfeer van het Bevi vallen. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen circa 290 meter afstand ten noorden van het plangebied en betreft een gasontvangststation.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12642972/1